(16) Met de demon
Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte
zich toen tot Kamsa de machtige Nârada die de visie
van God gegeven was [zie 1.6: 25-29]:
Hoofdstuk
37:
Kes'i
en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's
Toekomst.

(3) Toen
hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen, agressief
met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich
zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige
Heer met zijn benen aan te vallen.

(29) De
een na de ander werd door de grote demon in een berggrot
gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei
blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven.

Hoofdstuk
38:
Akrûra's
Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

(25) De afdrukken van
Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het
zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde
van de weidegronden: een prachtige versiering zich
aftekenend met de lotus, de korenaar, de
olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en
10.30: 25*].

(28 -33) In Vraja zag
hij Krishna en Râma, die met hun ogen als
herfstlotussen op weg waren naar waar de koeien worden
gemolken, gestoken in gele en blauwe kleding. De twee van
toevlucht voor de godin waren blauwig donker en blank van
teint als jongeren hoogst fraai om te zien met machtige
armen, aantrekkelijke gezichten en een tred als die van
een olifant. Met Hun voeten getekend door de vlag, de
schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote
zielen vol van mededogen in hun glimlachen en blikken de
schoonheid van het weidegebied. Zij wiens
wederwaardigheden zo groots waren en aantrekkelijk, waren
fris gewassen en droegen halskettingen met juwelen,
bloemenslingers, hadden hun ledematen ingesmeerd met
gunstige geurige substanties en waren smetteloos in hun
kleding. De twee voorwereldlijke, hoogst uitzonderlijke
personen, die Oorzaak en Heer van het universum zijn
[zie ook 5: 25], waren voor het welzijn van dat
universum nedergedaald in Hun onderscheiden gedaanten van
Balarâma en Kes'ava. O Koning, met hun uitstraling
verdreven ze, als een berg van smaragd en een berg van
zilver opgesierd met goud, in alle richtingen de
duisternis.

Hoofdstuk
39:
Krishna
en Balarâma Vertrekken naar
Mathurâ

(15) Met anderen,
gefixeerd in meditatie op Hem, hielden, net als bij hen
die het bereik van de zelfrealisatie hebben betreden, al
de zintuigelijke functies er mee op zonder nog een flauw
benul van de wereld te hebben.