Hoofdstuk
1:
De
Komst van Heer Krishna: Inleiding

(35) Aldus aangesproken
nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te
schande had gemaakt, een zwaard ter hand tegen zijn
zuster haar bij haar haar grijpend met de bedoeling haar
te doden.

Hoofdstuk
2:
De
Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de
Moederschoot

(25) Maar Heer
Brahmâ en Heer Shiva die daar aankwamen met de
wijzen, Nârada en andere goddelijke
persoonlijkheden en hun gevolg behaagden allen tezamen
Hem, die van Allen de Zegen is, met hun bovenzinnelijke
gebeden:

Hoofdstuk
3:
De
Geboorte van Heer Krishna

(12) Hij,
Ânakadundubhi, die versteld stond toen hij de
prachtige verschijning van de Heer als zijn zoon zag
droomde op dat moment overweldigd door grote blijdschap
van het houden van een feestelijke plechtigheid ter
gelegenheid van de nederdaling van Krishna waarbij hij
een tienduizendtal koeien zou kunnen wegschenken aan de
tweemaal geborenen.

(50) Vanwege Indra's
gedurige regenval was van het diepe water van
Yamarâja's jongere zuster, de Yamunâ, het
oppervlak aan het schuimen van de gewelddadige golven
maar de kolkende, onrustige, woeste stroom week uiteen
precies zoals de oceaan dat voorheen had gedaan voor de
Echtgenoot van Sîtâ [Heer Râma, zie
9.10: 13-15 ].

Hoofdstuk
4:
De
Wreedheden van Koning Kamsa

(9) Maar halverwege
gleed het uit zijn handen en verscheen het dat zelfde
moment in de lucht als Devî [Durgâ]
de jongste zuster van Vishnu, met al de acht wapens bij
haar machtige armen [zie ook 8.12: 40 ].

Hoofdstuk
5:
Krishna's
Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda
Mahârâja en Vasudeva

(1-2) Srî S'uka
zei: 'Nanda dolblij dat er een zoon was geboren, nodigde
grootmoedig de geschoolden thuis in de Veda uit, reinigde
zichzelf middels een bad en kleedde zich netjes aan. Om
de geboorte te vieren [in jâtakarma*] liet
hij de mantra's chanten en voorzag hij eveneens in de
eredienst van de voorvaderen en de halfgoden zoals dat
was voorgeschreven.

(15-16) Hen zowel als
de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers en
allen die met hun scholing de kost verdienden het ruimste
hart toedragend was, om zijn kind de beste vooruitzichten
te bieden, die nobele ziel, Nanda, met de bedoeling Heer
Vishnu te behagen van eerbetoon met wat ze ook maar
konden gebruiken of zich konden wensen aan kleding,
sierselen en koeien [zie ook 7.14: 17].

Hoofdstuk
6:
Het
Doden van de Demone Pûtanâ

(15-17)De gopa's en de
gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep
geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat
massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog
als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten,
de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide
haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als
overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met
de ledematen als bruggen en de buik eruit zag als een
opgedroogd meer