Dit is een E-book converteerbare download pagina

© Anand Aadhar Prabhu 2001

Alleen toegestaan voor niet-commercieel gebruik, overig gebruik vereist toestemming.

Deze download geeft alleen de tekst zonder de songs - surf voor de download van het songbook en de on-line-versie met afbeeldingen en de muziekbestanden vanaf http://bhagavata.org/gita/commentaar/
Voor de Sanskriet termen biedt de on-line versie links naar een woordenlijst.

De lopende vertaling van Anand Aadhar van de gehele Bhagavad Gîtâ, die bij iedere internetpagina aan de tekst vooraf gaat, maar niet in deze download is opgenomen, vindt u op: http://bhagavata.org/gita/index.ned.html

 

 

KRISHNA EN DE ZINGENDE FILOSOOF

 

De filosofie en muziek van de Caitanya Vaishnava's

in de vorm van een commentaar op

de eerste vier hoofdstukken van de Bhagavad Gîtâ

 

 

V O O R W O O R D  EN  I N L E I D I N G

 

H O O F D S T U K 1

H e t s l a g v e l d  v a n  K u r u k s e t r a  

1.1-8

1.9-18

1.19-28

1.29-38

1.39-45

H O O F D S T U K 2

D e  s a m e n v a t t i n g  v a n  d e  G î t â 

2.1-7

2.8-14

2.15-21

2.22-27

2.28-35

2.36-43

2.44-50

2.51-56

2.57-63

2.64-66

H O O F D S T U K 3

V e r b o n d e n h e i d  d o o r  a r b e i d

2.67-3.1

3.2-7

3.8-14

3.15-21

3.22-28

3.29-37

3.38-42

H O O F D S T U K 4

B o v e n z i n n e l i j k e  k e n n i s

4.01-6

4.7-13

4.14-19

4.20-26

4.27-33

4.34-42

 

VOORWOORD

 

God is, volgens het nederlands woordenboek, het alomtegenwoordig, machtig en aanbiddelijk wezen. Heer K r i s h n a, degene die de Bhagavad Gîtâ, het Lied van God, formuleerde, staat bekend als de Hoogste Persoonlijkheid van God. V a i s h n a v a's zijn toegewijden van Heer V i s h n u , God de behouder, K r i s h n a. De essentie van de boodschap van de v a i s h n a v a's in Nederland, die ook wel de C a i t a n y a - v a i s h n a v a's worden genoemd en de b h a k t i - y o g a volgens de geestelijke erfopvolging hooghouden, is te komen tot toewijding tot Heer K r i s h n a. Heer K r i s h n a daalde in 1486 neer, incarneerde zegt men ook wel eens, in de gedaante van Heer C a i t a n y a-M a h â p r a b h u (spreek uit: Tsjétanja). Eigenlijk incarneert Heer K r i s h n a niet, omdat de Hoogste Persoon boven de natuur staat; de meester van de Y o g a, y o g i s h v a r a, de Ongeborene of A j a is. K r i s h n a wordt als zuiver transcendentaal gezien en Hem als materieel of gewoon 'geincarneerd' beschouwen zien de toegewijden van de Heer als een overtreding. Heer C a i t a n y a is dus een a v a t â r a, of nederdaling van Heer K r i s h n a.

De nederdaling van K r i s h n a op aarde hield een grote reformatie in, zowel vijfduizend jaar geleden als in 1486. Vijf millenia geleden kwam K r i s h n a om de aarde te verlossen van een grote last aan heersers die door bezitsdrang en valse verbeelding voor de mensen een ware plaag geworden waren. In de zestiende eeuw kwam K r i s h n a - C a i t a n y a, zoals Hij ook wel wordt genoemd, om de wereld te verlossen uit de greep van de droge boekengeleerdheid. De priesters met hun machtsverbeelding werden door Hem bevrijd van de illusie van beheersen en genieten en kregen daarvoor in de plaats de vernieuwing van de wetenschap van de toewijding tot God, ookwel de b h a k t i - y o g a genoemd. Voor Nederland is het zeer belangrijk te beseffen dat de reformatie, zoals ook door de christelijkheid ondergaan, niet een reaktie is van een opstandige rebelse priester of iets in die geest. Het is de wil van de Hoogste Persoonlijkheid van God zelve die ons heeft geïnspireerd. Het katholicisme moest het kruis van de reformatie onder ogen zien en allerlei christenen moesten zwaar boeten voor de onwetendheid niet zelf de Reformator te zijn. In feite zijn alle christelijk gereformeerden zonder het zelf te weten aanhangers van de transcendentale persoon van de verbondenheid met God door toewijding: Heer C a i t a n y a. Heer K r i s h n a-C a i t a n y a predikte het Lied van God, de B h a g a v a d_G î t â en het verhaal van de toewijding tot God, het Srîmad Bhâgavatam genaamd (letterlijk: het mooiste over Hem die fortuinlijk is), een boek qua status te vergelijken met de christelijke bijbel (hierna aangeduid met B.G. en S.B. waarvan nu op het internet een vertaling).

De leraar in erfopvolging, de z.g. â c â r y a, van S w a m i_S u h o t r a_M a h â r â j, aan wie dit boek is opgedragen, S w a m i_B h a k t i v e d a n t a P r a b h u p â d a, heeft een zeer uitgebreide vertaling met een commentaar het licht laten zien. Zijn G î t â dient als basis voor dit schrijven dat moet worden gezien als ' v i - b h a g a v i t', ofwel een aanpassing aan tijd en omstandigheden. Hoewel van de traditionele 'melodie', de v e d i s c h e conclusie of v e d a n t a van de prediking niet wordt afgeweken is dit schrijven vol van allerlei soorten van begeleidende tekst en aanpassing van de 'toonsoort'. Wie aanstoot neemt aan de compositie van de tekst vraagt de schrijver dezes om vergeving.

[Voor de Internet editie is er een lopende vertaling van de Gîtâ aan de teksten toegevoegd die de vertaling van Prabhupâda parafraseert en integreert. Voor de volledige versie van deze vertaling ga naar: De Bhagavad Gîtâ van Orde.]

B h a k t i is iets exotisch voor Nederlanders, en draagt een sektarisch tintje vanwege de onbekendheid, hoge inzet en vasthoudendheid waarmee het heeft moeten vechten voor een plaatsje in onze samenleving. In Nederland werden tempels gebouwd en weer afgebroken. We zijn nu een generatie verder en vele toegewijden staan voor de opdracht op een ontwikkelde manier het geloof te belijden. Swami Prabhupâda maakte duidelijk dat fanatisme voortkomt uit een gebrek aan filosofie, terwijl een teveel aan filosofie een vorm van liefdeloosheid of gebrek aan b h a k t i betekent. Evenwicht en matiging zowel wat betreft de filosofie als wat betreft de b h a k t i zelf is dus in feite de boodschap. Dit is de taal die we in Nederland lijken te moeten spreken als we het over een 'nieuwe aanpassing van de wetenschap van God'willen hebben. Dat is conform de religieuze tolerantie waar Nederland haar ziel in gevonden heeft.

De eerste vraag die zich voordoet is die van het waarom. Waarom hebben we K r i s h n a-C a i t a n y a nodig, wat geeft Hij ons dat het christendom ons niet gegeven heeft? Het antwoord is simpel en eenduidig: K r i s h n a. K r i s h n a is gelukzaligheid, eeuwigheid en bewustzijn, ookwel s a t - c i t - â n a n d a genaamd. Betekent dit een nieuwe afhankelijkheid? Bladerend in de C a i t a n y a - c a r i t â m r i t a, het 'nieuwe testament' dat de aktiviteiten en de leer van Heer C a i t a n y a beschrijft, op zoek naar een geschikt citaat om dit boek mee te kunnen beginnen, sprong een uitspraak naar voren van Heer C a i t a n y a die nauw aansluit bij wat Hij in dit Lied van God gezegd heeft (3.18) over zelfstandigheid van toegewijden:

'Een toegewijde die niet afhankelijk is van anderen, maar zich uitsluitend op Mij verlaat, die zowel innerlijk als uiterlijk rein is, die expert is, onverschillig naar materiële dingen toe, zonder zorgen, vrij van alle pijnen en afwijzend staat tegenover alle vrome en onvrome ondernemingen is mij zeer dierbaar' (M.l. 23.109).

Hoewel dit niet het belangrijkste vers is van Heer C a i t a n y a prediking, is dit toch wel op zijn plaats wat betreft Nederland. Het is het rechtstreekse advies van de Heer dat we ons niet te druk moeten maken afhankelijk te zijn, dat we zuiver, kundig en onmaterialistisch, onbezorgd en pijnloos moeten leven terwijl we het gewoon rustig aan moeten doen met de ondernemingslust. Bij verdere bestudering van dit boek is het goed om het vers in gedachten te houden dat wèl als één van de meest belangrijke door Heer C a i t a n y a wordt geacht: het z.g. Atmârâma-vers uit het S r î m a d_B h â g a v a t a m. Het luidt als volgt:

' De wonderbaarlijke kwaliteitenvan de Heer zijn van een dergelijke aard dat ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen, zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van de Grote Avonturier.'

H a r i, de Persoonlijkheid van God, wordt K r i s h n a genoemd omdat hij zulke transcendentale aantrekkelijke eigenschappen heeft' (S.B. 1.7.10). Gelatenheid en zelfgenoegzaamheid wat betreft onze christelijkheid vormen dus geen wezenlijke hindernis op de weg naar de verdieping van het geloof en het verwezenlijken van een zinvolle bevrijding: bovenzinnelijke liefde voor K r i s h n a.

 

Voordat we Heer K r i s h n a de oorspronkelijke boodschap van de verbondenheid met God door toewijding, de b h a k t i - y o g a, laten spreken, is het goed eerst een aantal onderwerpen te bespreken die van groot belang zijn bij het begaan van het pad.

Ten eerste : b h a k t i - y o g a is de hoogste vorm van y o g a. D.w.z. in deze y o g a vindt de y o g i zijn vervolmaking. De y o g a heeft een beetje een vieze bijsmaak gekregen door het feit dat allerlei onheuse lieden er hun krachten aan ontleend hebben en de geschiedenis van de mensheid verduisterd hebben door hun machtsillusies bot te vieren. Het noemen van namen laten we maar even buiten beschouwing. Resultaat van dit feit is echter wel dat de y o g a op zich, zoals wij die in Nederland hebben leren kennen in de twintigste eeuw, in de vorm van h a t h a - y o g a (lichaamsoefeningen) en j n â n a - y o g a (filosofie), geen rechtstreekse liefde van God voor de naaste inhoudt. Het is wel liefde voor God, maar niet echt wat we de naastenliefde in christelijke zin als de bereidheid zich voor anderen op te offeren, noemen. B h a k t i - y o g a is de wetenschap van de naastenliefde. De oorspronkelijke boodschap van K r i s h n a luidt dat we in de geestelijke staat God herkennen in ieder levend wezen en derhalve geweldloos door het leven gaan in toegewijde dienst. Het is goed een houding van dienstbaarheid naar alle levende wezens te ontwikkelen. In die zin dus naastenliefde in de breedste zin. Uiteraard houdt dit in dat de serieuze beoefenaar van de verbondenheid met God, de y o g a, geen vlees, vis en eieren nuttigt. Ook betekent dit dat we niet een koe aan een hond of kat gaan voederen. Gehechtheid is zoals altijd het grote struikelblok om K r i s h n a te leren kennen. We kunnen Zijn geluk niet vinden, Zijn bewustzijn en Zijn eeuwigheid (continuering,behoud), als we niet willen loslaten. Y o g a is en blijft gewoon loslaten en doorzetten; v a i r â g y a en a b h y â s a.

Ten tweede: we moeten niet in ons eentje aan de slag gaan. Zelfstandigheid is belangrijk; geen symbiose onderwerping en dweperij. Dat voorop. Willen we echter voorkomen dat we de kontrole verliezen met de door het leven opgewekte aandrift, dan moeten we steeds zorgen dat we ons in verbinding stellen met mensen met meer ervaring, g u r u ' s en s â d h u ' s, ofwel geestelijk leraren en toegewijden, die natuurlijk in een traditie en een sociaal verband moeten staan, ofwel de geestelijke erfopvolging. Zoeken we verlichting zonder die verplichting, dan dreigt er geestesziekte. Het probleem van het jodendom b.v. kon niet door fascisme worden opgelost, maar alleen door trouw aan de door Jaweh gedane belofte van het Beloofde Land. Schizoïde -ismen, waartoe ook het realisme (van geen wonderen willen weten) en het fundamentalisme (een filosofisch gebrek) behoren, kunnen niet alleen collectief ontaarden in massapsychotische oorlogsvoering, maar ook individueel ontaarden in psychiatrische behoeftigheid. Daarom moeten we ook heel voorzichtig zijn met die politici en therapeuten die in feite jaloers zijn op K r i s h n a en daarmee zichzelf, hun eigenbelang, niet in Hem kunnen herkennen. Eigenlijk is dit boek speciaal voor hen geschreven. Genezen we als dienst- en hulpverleners niet van de machtsziekte, dan kunnen we nooit de wereldvrede bewerkstelligen. Therapeuten moeten K r i s h n a, als ze geluk en niet ongeluk willen brengen leren zien als hun Supervisor, Superego en Superziel. Mensen die er op hun eigen houtje wat van maken worden in de b h a k t i bestreden als zijnde niet-bona-fide en soms als illusiegangers (m â y â v â d i ' s). De houding tegenover de meeste zelfstandig opererende guru's (e.d.) is dan ook categoraal afwijzend. Ookal zijn ze nog zo goddelijk en positief over K r i s h n a. Ook hier noemen we maar geen namen. Het nut en de functie van dergelijke leraren moge duidelijk zijn. Langs een snelweg staan verkeersborden, maar het is beslist niet de bedoeling daarbij halt te houden en te denken dat met die actie het doel bereikt is.

Een derde punt van levensbelang is de eenheid van Christus en K r i s h n a. Christus is een incarnatie van God die zich als een individuele ziel onderscheidt van God de Vader. De Vader is één met Christus, maar Christus is niet gelijk aan de Vader. Christus is de Zoon. K r i s h n a is de Vader, zoals Hij in de B h a g a v a d_G î t â, het Lied van God, uitlegt (9:17 pita aham asya jagatah; Ik ben de Vader van dit universum...). Dat vaderschap moeten we heel letterlijk nemen. K r i s h n a trad niet alleen op als de geestelijke vader van A r j u n a , in dit boek, Hij had ook talloze vrouwen en nog meer nageslacht en staat bekend als een huishouder (g r h a s t h a) die van de kost leefde door demonen een kopje kleiner te maken, of ze nu achter Hem aanzaten, of Hij achter hun aan. K r i s h n a is de grote held, de heiligheid, van de rechtgeaarde, religieuze sexuele liefde en de eer en glorie van de v e d i s c h e cultuur (v e d i s c h: op geestelijke kennis gebaseerd).

Met K r i s h n a leren omgaan betekent met sex leren omgaan.Dat is het vierde belangrijke punt. Versobering (t a p a s y a) hoort bij de y o g a, maar het categoraal afwijzen van iedere zinnestreling is uit den boze. K r i s h n a-bewustzijn beoogt regulatie, niet een verbod. De y o g a kent ook geen tien geboden, wel regulerende beginselen. Voelt u zich sexueel aangetrokken en wilt u zich laten gaan, dan vraagt K r i s h n a eenvoudig goede afspraken te maken met niet alleen elkaar, maar ook met ouders, religieuzen en andere betrokkenen. De les is eenvoudig: zonder goede afspraken raken we in de war, in de waan en in de waanzin.

K r i s h n a betekent ten vijfde het einde van alle machtsillusies: Hij stelt zich eerder wat afzijdig of neutraal op (trekt zich terug in 'Dvârakâ', Zijn stad in zee) en stelt zich tussen de strijdende partijen op (zoals met A r j u n a) en vindt het niet zo erg als mensen via enorme omwegen tot Hem komen. Uiteindelijk zoekt toch iedereen het geluk, terwijl K r i s h n a het geluk Zelve is. Dus, waar men ook mee bezig is, het gaat er slechts om dat we ons in Zijn richting bewegen. Onze gehechtheden, 'zonden', inclusief de slechte gewoonten, slijten uit puur enthousiasme voor de toegewijde dienst aan K r i s h n a vanzelf weg. Het is aangewezen het hoofd koel te houden en ontspannen te zijn ('onaangedaan' en 'zonder begeerte'), anders zijn de soms heftige gevoelens van de (b h a k t i) y o g a niet te verdragen. Er is dus geen sprake van het vervolgen van zondaars of het zitten therapeuteren in elkaars ziel. Mensen zijn per definitie in het K r i s h n a -bewustzijn verschillend. K r i s h n a Zelf is de eenheid in die verschillen naar de leer van Heer C a i t a n y a en de G î t â.

Een zesde belangrijke invalshoek is die van de superioriteit van het onpersoonlijke. De lege ruimte is zonder meer superieur, niets is vrijer dan dat. Maar in de b h a k t i staat verlichting niet voorop, het is een bijprodukt, danwel een middel. De binding van personen met één persoon staat voorop. K r i s h n a-bewustzijn neigt tot personalisme, in een fanatieke bui is alle onpersoonlijke kennis gezwets. Maar na de vermoeienissen kan dat onpersoonlijke best even interessant zijn of zelfs van levensbelang. In feite is de perfekte toegewijde iemand die het persoonlijke en onpersoonlijke in evenwicht houdt.

Punt zeven: K r i s h n a is onbaatzuchtig. Toegewijden kunnen heel enthousiast zijn met het binnenhalen van donaties; daar moeten echter geen misverstanden over bestaan. Baatzucht is tegengesteld aan het idee van toegewijde dienst. Iedere toegewijde komt simpel aan de kost door zich op een gezonde wijze, overeenkomstig de eigen aard, sociaal aan te passen, of het nu is binnen een klooster, een normale werkkring of de sociale dienst. Een mens doorloopt ontwikkelingsstadia en daar hoort een wisselen van de bron van inkomsten bij. Dat alles is heel normaal. Mensen die zich niet goed weten aan te passen lopen dan ook het grootste gevaar buiten de (economische) boot te vallen. Het spreekt vanzelf dat geld zoveel mogelijk in toegewijde zaken gestoken wordt en er niet mee gegokt wordt.

Voor de verschillende afdelingen van het geestelijk leven (de z.g. â s r a m a's) geldt ten achtste: er is niet een voorkeur voor het celibaat of voor de gehuwde staat, de onthechte staat of het teruggetrokken leven. Er is een voorkeur voor de regulerende beginselen. Als men zich aan een zekere standaard houdt, dan zijn de mogelijkheden en de tolerantie veel groter: zowel gehuwden als celibatairen prediken en spelen de rol van leraar, priester of zanger. Zoals bij het voorgaande onderwerp; men doorloopt deze afdelingen in een mensenleven, evenzogoed als er tussen de verschillende maatschappelijke klassen openheid bestaat in de v e d i s c h e cultuur. De starre kasten van het ons bekende India zijn niet van toepassing op lieden die zich met b h a k t i bezighouden. Als iedereen zich aan de spelregels houdt zijn allen gelijk berechtigd. Het is ook niet verwonderlijk dat vóór Heer C a i t a n y a men reeds bezig was in India met de prediking van deze bevrijding door regulerende principes. Het kastenstelsel is een bijprodukt van een heel oude cultuur. Lang volgehouden familietradities leveren zo'n samenleving op.

Het leven bestaat uit bidden en werken. B h a k t i of toewijding betekent plezier krijgen in het gebed. Het gebed wordt je werk en je werk wordt een gebed. De muzikant leert een carrière op te bouwen in toegewijde dienst en een schrijver zijn 'apollinische gebeden' op te zenden naar het z.g.'superego': K r i s h n a. De behoefte aan catharsis wordt een gezamenlijke vreugdedans al zingend: H a r e_K r i s h n a_H a r e_K r i s h n a _,_K r i s h n a_K r i s h n a _, H a r e_H a r e , _ H a r e _R â m a_H a r e_R â m a,_R â m a_R â m a_H a r e_H a r e. Zolang het 'ik' K r i s h n a, K r i s h n a zegt is duidelijk dat er verbondenheid is. Dit negende punt dat vreugde het nare van het idee van bidden en werken wegneemt is er de reden van dat dit boek bestaat uit zowel filosofie als uit arrangementen van K r i s h n a -melodieën. Dan begrijpt menigeen al deze woorden veel beter: een filosofieboek om samen muziek te maken.

Tot slot dit: dit schrijven heeft geenszins op het oog de overige literatuur op dit gebied te vervangen, en zeker niet de B h a g a v a d_G î t â van S w a m i P r a b h u p â d a. Dit blijft natuurlijk het standaardwerk voor iedereen die gevorderd wil raken in toegewijde dienst aan K r i s h n a.

 

 

 



K R I S H N A   E N   D E   Z I N G E N D E   F I L O S O O F


 

I n l e i d i n g

 

Onze lieve Vader die in de Hemel zijt,

Uw naam worde geheiligd,

Uw rijk kome,

Uw wil geschiede op aarde zoals in de Hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood,

vergeef ons onze schulden, zoals wij ook anderen hun schuld vergeven,

leidt ons niet in bekoring,

maar verlos ons van het kwade, Amen.

 

 

Dit is een heel mooi christelijk gebed. Voor de b h a k t i is dit echter een beetje te onpersoonlijk, want wie is nu God de Vader; en te lang en ingewikkeld; in een emotionele bui ben je zomaar de woorden kwijt. Het is in de y o g a ook niet de bedoeling om op de eerste plaats gevoelens voor God weg te smeken, ookal zijn er in dit boek v a i s h n a v a-liederen in die trant. In de toewijding tot God de Vader, K r i s h n a (Hij zegt Ik ben de vader in de Bhagavad Gita) zegt men om te beginnen drie woorden, meer niet: K r i s h n a (de al-aantrekkelijke), Râma (de oneindig gelukzalige of hoogste genieter) en Hare (de liefde van- of de energie van-). Het idee is dat met het herhalen van de heilige namen R â m a en K r i s h n a, de gehele persoon van God voor de geest wordt gehaald en dan vanzelf duidelijk wordt wat onze emotionele relatie met Hem is. Het K r i s h n a -gebed wordt een m a n t r a genoemd; d.w.z. een zinspreuk die ons de concentratie geeft die we nodig hebben om in liefde te kunnen leven. Gebruiken we die m a n t r a niet, dan zijn we niet goed geconcentreerd, dwalen onze gedachten af naar andere personen en situaties dan die van de b h a k t i en raken we in de ban van de begoocheling der materiële wereld (m â y â).

Het z.g. chanten kan hardop of zachtjes geschieden zodat een ander het niet hoort. Om die reden wordt hij ook de m a h â m a n t r a genoemd; de grote m a n t r a. Ook is hij zowel voor individueel als voor gezamenlijk gebruik geschikt; men kan, en Heer C a i t a n y a stelt dat als hoofddoel, de m a n t r a samen zingen, thuis en op straat. De liefde moet worden uitgedragen, zoals vogels zingen. Dat is geestelijke gezondheid. Iedereen die van muziek houdt kan een liedje zingen en dit lied is heel makkelijk. Het enige wat er voor nodig is, is een houding van onthechting, d.w.z. vrij van bezitsdrang en valse trots. Als je b.v. in de stad alleen denkt aan wat er in de winkels ligt en wat voor kleren je aan je lijf hebt, dan kun je natuurlijk niet meezingen op straat. Ook zal het je moeilijk vallen de m a n t r a te zingen als je niet vrij bent van geweld, lust, speculatie of als je onder invloed bent van b.v. cacao, caffeïne, nicotine, alcohol of pillen. Zelfs de kunstmatige vitaminen in de margarine kunnen al een belangstelling voor b.v. vliegende schotels opwekken die het persoonlijk aspekt verdringt. Oprechte liefde voor persoonlijke saamhorigheid is de enige oplossing. Ook in je eentje thuis zittend zal het je moeilijk vallen; in de b h a k t i heet het dat alleen in associatie met zuivere toegewijden men de namen kan zingen. Ook Heer Jezus zegt: 'Waar twee of meer in Mijn naam tesamen zijn, daar ben ik aanwezig' en: 'niemand kan de Vader bereiken dan door Mij'. Vandaar de geestelijke erfopvolging en de waarschuwing om niet stil te blijven staan bij niet-bona-fiden en illusiegangers die God slechts als onpersoonlijk erkennen. Omdat toegewijden ook vaak alleen kunnen zijn, leven ze steeds naar de bijeenkomsten toe en hebben dan ondertussen het beeld van hun g u r u, K r i s h n a, of elkaar in gedachten (diegenen die nog geen geestelijk leraar aanvaard hebben en K r i s h n a zelf nog niet zo goed kennen). Net als met de naam van K r i s h n a staat het beeld voor de Persoon in zijn Geheel zonder verdere vooropgezette bedoelingen. Uiteraard is het chanten onmogelijk als we niet steeds bereid zijn een ander voor te laten gaan, Heer C a i t a n y a op de eerste plaats. Voordat we overgaan tot het bespreken van de inhoud van het eerste hoofdstuk van de G î t â, het Lied, voor de muziekliefhebbers die de taal van de liefde geleerd hebben midifiles met de melodieën van de liederen waarvoor men een browser met een plug-in nodig heeft en een link naar audiobestanden waar met de auteur kan worden meegezongen om het te leren. In de b h a k t i is een klein met één hand bespeeld harmonium de traditie. De andere hand bedient de blaasbalg. In indiase winkels zijn ze te koop voor de prijs van een goede gitaar. Bij de begeleiding van de samenzang maakt men gebruik van schelletjes (k a r a t â l a's) en indiase trommels (m r d a n g a's), die aan twee kanten bespeelbaar zijn en kunnen worden meegedragen.

Voor het harmonium kan men het toetsenbord dat ongeveer drie oktaven bestrijkt beschouwen als de eerste drie oktaven in de bassleutel van de hieronder gegeven pianopartij, gegeven een digitale piano van vijf oktaven.

 

Het is in India de traditie niet een begeleiding te spelen op het harmonium, maar rechtstreeks de melodie. Voor westerse begrippen komt de muziek zo weinig uit de verf en blijft ze onaantrekkelijk. Dus aangepast aan onze cultuur kan een ieder zich vrij voelen een eigen akkoordenschema bij de melodie te ontwikkelen. De arrangementen die hier gegeven zijn vormen slechts een voorbeeld. Voor het achterhalen van de melodie kan men het toetsenbord van het harmonium als volgt beschouwen:

 

De melodieën in dit boek zijn goeddeels afkomstig uit een boekje samengesteld door Narâyâna devi dâsi. Het zijn de traditionele melodieën. Soms is er een andere melodie of speelt men een variatie op de melodie van een b h a j a n (religieus lied). Het is niet ongebruikelijk het geschrevene vrij te interpreteren naar persoonlijke smaak of één melodie voor een heel programma van m a n t r a's te gebruiken zoals b.v. met het vroege ochtendlied (S'rî S'rî Gurv-astaka). Soms gebruikt men ook de melodie van de ene b h a j a n voor een andere b h a j a n. De cijfers en letters geven aan wanneer er akkoorden kunnen worden gespeeld. Die staan opgelinkt op een aparte pagina waar ze in notenschrift zijn weergegeven. Er is gekozen voor het onderscheid in romeinse cijfers om aan te geven wanneer een zelfde akkoord in een andere positie moet worden gepeeld.

Bij het leren spelen van de muziek is het van belang de volgende zaken in acht te nemen: de midi-files zijn bedoeld om de smaak van de muziek te pakken te krijgen. Het is zeker niet het doel om daarbij te blijven zwijgen, maar proberen mee te zingen met de opgelinkte audio-bestanden en uiteindelijk samen met anderen deze liederen te zingen. Swami Prabhupâda legt uit: "Muziek en dansen gedaan in zinsbevrediging moeten als demonisch worden beschouwd, maar dezelfde muziek en dansen, als het gedaan wordt ter verheerlijking van de Allerhoogste Heer als k î r t a n a (hardop zingen), zijn transcendentaal, en brengen een leven teweeg volledig geschikt voor spirituele vreugde." (betekenis verkl. S.B. 3.20:38). Het is dus zeker de bedoeling om de duisternis of zelfs de pijn die teweeg gebracht wordt door wereldse, woordloze muziekbeoefening, te verdrijven door het geestverruimende vibreren van de heilige namen in de vorm van de in dit boek gegeven liedteksten, die stuk voor stuk als als m a n t r a's voor de bevrijding van de geest uit zijn materiële kluister moeten worden gezien. Als men er niet zeker van is hoe men de m a n t r a's moet zingen, kan men het beste naar een tempel van de Hare K r i s h n a-beweging gaan om te horen hoe alles wordt uitgesproken of naar een audio-bestand luisteren (bij dit boek opgelinkt). Bij K r i s h n a- b h a k t a's, geldt: " Wie de heilige naam van de Heer uitspreekt wordt onmiddellijk verlost van de reakties op oneindig veel zonden, zelfs als hij dat indirekt doet (op iets anders doelend), voor de grap, als muzikaal vermaak, of zelfs zonder aandacht. Iedereen die de geschriften kent aanvaardt dit." (Prabupâda in 'Aan een zijden draad', hoofdstuk 16).

De leermethode werkt als volgt: eerst zoekt men op zijn instrument uit hoe de melodie in elkaar zit. Vervolgens zoekt men de begeleiding erbij uit. Dan speelt men de melodie en de begeleiding tesamen. Met het harmonium dat met één hand wordt bespeeld is dit niet mogelijk zonder erbij te zingen tenzij men met anderen oefent. Men kan indien men niet met een harmonium kan oefenen met een digitale piano of een keyboard beginnen met het spelen van de akkoorden en het zingen van de tekst. Door de akkoorden in het aangegeven ritme 3/4, 4/4, etc. gebroken te spelen kan men dan het gemis aan de structuur van begeleiding op ritme-instrumenten compenseren. Met het zingen van programma's, k i r t a n s, verschillende op elkaar volgende liederen, kan de ervaren speler dezelfde toonsoort aanhouden door de akkoorden te transponeren. Op de gitaar gebruikt men daarvoor een capotasto. Bij de b h a j a n Govindam âdi Purusam is een voorbeeld van transpositie aangeven. Mensen die niet zingen, maar niettemin de in dit boek uitgewerkte instrumentale versies van de melodiën willen laten horen, doen er goed aan het één en ander uit te leggen,(of nog beter: door toegewijden uit te laten leggen), aan de hand van de in dit boek gegeven teksten. Als er enige filosofie wordt overgebracht met de muziek, dan is het verduisterend effect van alleen instrumentale muziek bezigen enigszins verholpen zodat de mensen meer geïnspireerd zijn om zelf aktief de verlichting van deze muziek te zoeken door haar te zingen. De v a i s h n a v a's zeggen eenvoudig: 'zing en wees gelukkig'. Dit is wat dit boek voor ogen heeft: dat iedere muziekliefhebber de kans krijgt de smaak te pakken te krijgen van de bovenzinnelijke liefde van Heer K r i s h n a en zijn toegewijden.

Van de teksten zijn zoveel mogelijk woordelijke of anders geparafraseerde vertalingen die zingbaar zijn gegeven. Deze zijn voor beginners die nog geen voeling met het Sanskriet en Bengaals hebben, bedoeld. De uiteindelijke standaard is de b h a j a n s te zingen in de oorspronkelijke taal. Verder is het verstandig dit boek beetje bij beetje te bestuderen. Teveel begeerte naar het 'bezit' van muziek en kennis kan ongewenste gevolgen hebben.

Het eerste stuk muziek betreft de m a h â m a n t r a (versie I) zoals die gezongen wordt door de meeste toegewijden.(een streepje op een letter zoals bij R â m a betekent dat die letter langer moet klinken) Het is de meest eenvoudige, traditionele versie. Het is normaal op de m a n t r a vrij een improvisatie te ontwikkelen waarvan een eenvoudig voorbeeld. Volgens de toegewijden moet zoals een leefruimte moet worden geventileerd ook de geest met de m a h â m a n t r a worden geventileerd om niet in illusie te verstikken.

 

 

 

1.1 -1.8

 

H O O F D S T U K  1

 

H e t   S l a g v e l d   v a n   K u r u k s e t r a

 

1.1. Dhritarâshthra zei: O Sañjaya, nadat mijn zoons en de zoons van Pându, verlangend naar de strijd, zich op het bedevaartsveld Kurukshetra hadden verzameld, - wat zeiden ze? (*)

T o e l i c h t i n g

'Ik werd geboren in het diepste duister der onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de fakkel der kennis. Ik buig me eerbiedig voor hem neer'... Zo begint de toegewijde als hij iets wil uitleggen over K r i s h n a, als eerbetoon aan de leraar. De leerling spreekt alleen gezaghebbend als hij zijn leraar respekteert. Sañjaya is degene die de woorden van K r i s h n a doorgaf aan de oom van A r j u n a , Dhritarâshthra. A r j u n a is degene tot wie K r i s h n a zich richt in het Lied van God, de B h a g a v a d G î t â. De neven van A r j u n a hadden hem van zijn erfrechten beroofd en deze wilde er niet voor vechten om ze terug te krijgen. K r i s h n a geeft duidelijk te kennen dat A r j u n a zich in de strijd moet werpen, ookal is het zijn familie waar hij tegen vechten moet. Sañjaya is secretaris van de blinde oom van A r j u n a en verslag gevend van de strijd was hij in staat de woorden van K r i s h n a letterlijk te herhalen. Dit gebeurde ± 5000 jaar geleden, een tijd waarin mensen, naar het verslag van V y â s a d e v a, heel andere geestelijke vermogens hadden dan nu (V y â s a d e v a was de geestelijk leraar van Sañjaya en stelde de G î t â op schrift als onderdeel van het epos het M a h â b h â r a t dat de geschiedenis van de toenmalige wereldheerschappij van India, Bhâratavarsa beschrijft). Deze capaciteit van Sañjaya is er een voorbeeld van. Sañjaya wist wat K r i s h n a zei zonder er recht naast te staan. Dit telepatisch vermogen maakte het mogelijk dat wij nu dit verhaal kunnen volgen. De geestelijke cultuur was in die tijd zo sterk dat men vrijwel geen boeken nodig had en men ook nauwlijks hoefde te schrijven. Men trainde alles op het geheugen en was er dus op gebrand een zo zuiver mogelijk kanaal van ontvangst te zijn. Sañjaya had een heel bijzonder talent om zich open te stellen voor de geest van K r i s h n a. Dit soort talenten ontwikkelt zich alleen in een nauwe relatie tussen leraar en leerling. In feite is men niet goed in staat geestelijk helder waar te nemen zonder een dergelijke relatie. Zo werken alle geestelijke erfopvolgingen. Als men zonder een leraar, g u r u of â c â r y a, iets wil doen op geestelijk gebied komt men alleen maar op chaos uit. Men moet dus ingewijd zijn, een nieuwe naam hebben gekregen en als twee-maal-geborene in het leven staan (d v i j a - j a n a), d.w.z., men heeft een geestelijk leven aanvaard, de materialistische levensvisie afgezworen en is gericht op de oorsprong: de persoon die niet kan worden losgezien van andere personen en derhalve ook niet van de Allerhoogste Persoon Heer K r i s h n a. Als de stekker niet in het stopcontact zit loopt er geen stroom en functioneert het apparaat niet. Zo ook werkt de geest niet goed als we niet (door initiatie) in verbinding staan met de leraar van de y o g a die in erfopvolging uiteindelijk met K r i s h n a is verbonden.

Het systeem van de y o g a functioneert zo dat niet zoals bij wereldse kennis het bericht dat wordt overgedragen steeds meer verwrongen raakt. Omdat de geest van K r i s h n a (in het christendom de Heilige Geest genoemd, doorgegeven via Christus die als a v a t â r a een volmaakt instrument was van de wil van 'God de Vader'), steeds zuiverend werkt, is er sprake van een zekere geestelijke onfeilbaarheid, zoals ook de Paus onfeilbaar heet (zie ook B.G. 15.16, waarin K r i s h n a stelt dat in de geestelijke wereld de wezens onfeilbaar worden genoemd). Zo gauw het materieel gemotiveerde zaken aangaat vervalt die claim. Als men b.v. een boek als dit wil schrijven, moet men echt wel rekening houden met stel- en spelfouten. Met de opdracht in de leer vervat dat er steeds moet worden gezuiverd, blijft de oorspronkelijke leer behouden. Dit wil echter niet zeggen dat erfopvolgingen niet verbroken raken. Het is om deze reden dat K r i s h n a de B h a g a v a d_G î t â aan de mensheid geeft.

Een ieder die zich wil openstellen voor de Heilige Geest moet bidden. V e d i s c h noemt men het j a p a. Men gebruikt dan een kralensnoer van de Nim-boom of de Tulsiplant. De Gaudiya-(naar de streek waar het ontstond) of de C a i t a n y a- v a i s h n a v a's, toegewijden van de transcendentale persoon K r i s h n a, ookwel Vishnu of de Behouder genaamd, chanten zestien ronden j a p a voor ze ontbijt nemen. Dit is de manier om zich op K r i s h n a te richten en de geest te zuiveren, d.w.z. heilig te maken. Door het alsmaar herhalen van de heilige namen, H a r e K r s n a , H a r e K r s n a , K r s n a K r s n a , H a r e H a r e , H a r e R â m a, H a r e R â m a, R â m a R â m a, H a r e H a r e, maakt men zich los uit de ban van de begoochelende materiële energie. Zonder dit heet men in m â y â te zijn. In m â y â ziet men de dingen niet zoals ze zijn, met name niet dat men zichzelf niet los kan zien van K r i s h n a. In plaats daarvan verkeert men in de illusie zelf de beheerser en genieter te zijn. Beheersen en genieten zonder K r i s h n a, leidt zonder meer tot een val, d.w.z. men verliest het geestelijk overwicht en voelt zich bedreigd door b.v. zijn eigen vrouw of kinderen. De enige manier om weer met God de Vader in verbinding te komen is het doen van toegewijde dienst. Deze toegewijde dienst bestaat uit negen onderdelen en begint met luisteren en het zingen van de heilige namen. Heer C a i t a n y a heeft meerdere malen gezegd: er is geen andere manier in de moderne tijd om m â y â de baas te worden.

 

1.2 Sañjaya zei: 'O koning, nadat koning D u r y o d h a n a het leger dat door de zoons van P â n d u was opgesteld in ogenschouw had genomen, ging hij naar zijn leraar en richtte als volgt het woord tot hem'.

T o e l i c h t i n g

D u r y o d h a n a is A r j u n a's neef en tegenstander. Pându is de naam van de vader van A r j u n a , die vroegtijdig kwam te overlijden, waardoor de neven tesamen opgroeiden. Op het slagveld staan ze als vijanden tegenover elkaar omdat het onrecht niet tot rede te brengen was. Om die reden meldt Swami Prabhupâda in zijn toelichting dat het een hypocriete daad was te doen alsof hij iets redelijks met zijn leraar te bespreken zou hebben. De schijn ophouden is typisch de houding van de leugenaar en bedrieger die niet in kan zien waar hij mee bezig is. Iemand die met de waarheid in konflikt is kan niets goeds doen. Alles wat hij doet lijkt verkeerd, ookal voldoet het uiterlijk aan de normen. In de moderne politiek zien we hetzelfde: men doet zijn best om aan de normen te voldoen, maar is door de democratische keuze gebonden aan de onwetendheid van de massa die het zichzelf liever gemakkelijk maakt met een leugen in naam van één of andere gespletenheid (schizoïdie) of -isme, b.v. pragmatisme, realisme, formalisme, rationalisme. Door een populistische houding heeft de politicus zich deze ellende op de hals gehaald: hij vertegenwoordigt de schizoïde mens die de heelheid van God niet kan aanvaarden en in voortdurende dualistische strijd van materiële belangenbehartiging is. Hetzelfde geldt voor de meerderheid der psychiaters die liever pillen voorschrijft dan de analytische uitdaging te aanvaarden. De bekrachtiging van klaaggedrag is het meest destructieve van de moderne atheïstische psychotherapie. Zelfmoord komt dan ook van alle beroepen onder psychiaters het meest voor: de hulpverlener is niet veel beter dan degene die hij steeds naar de mond zit te praten. Elkaar naar de mond praten is het probleem. Het is in feite een vorm van waanzin te pretenderen met geestelijke gezondheidszorg bezig te zijn zonder ook maar één vorm van geestelijke discipline voor te staan. Er zijn onnozele 'therapeuten' die mensen in hun eigen existentiële wanhoop hun eigen ellende bijbrengen zoals het drinken van alcohol, roken van sigaretten en vrije seks. Mensen die electroshocks krijgen omdat ze niet weten dat hun echtgenoot een maîtresse heeft. Deze zogenaamde therapeuten analyseren het probleem vaak niet eens goed door b.v. eerst een gedegen psychologisch onderzoek te doen. Niet zelden ziet men psychologen en andere minder seculiere zielzorgers als een bedreiging voor de broodwinning omdat ze heel goed weten dat een goede analyse het halve werk is. In de b h a k t i-y o g a spreekt men van een toestand van onwetendheid kenmerkend voor mensen in de macht der begoocheling, m â y â, de materie. Door het organiseren van een goede catharsis komt de 'cliënt' er achter wat er allemaal in het onderbewustzijn zit. Er is echter wel een verschil tussen de catharsis georganiseerd door de hulpverlenende pscychologen en therapeuten en de catharsis van de y o g a. De b h a k t i is twee uur per dag bezig met het hardop uitspreken van de mahâmantra. Dit is een gestructureerde catharsis, waarbij zorgvuldig alle vrijkomende emoties op K r i s h n a gericht worden (R â m a is de naam van K r i s h n a in een ander tijdvak toen Hij ongeveer hetzelfde deed, n.l. oorlog voeren tegen de demonen). De yoga is de klassieke 'psychotherapie' die iedereen nodig heeft die iets in het leven moet loslaten en de waarheid onder ogen moet leren zien (iedereen dus eigenlijk). Veel van de therapeutische ondernemingen van de illusieganger die de psychotherapeut meestal is, lopen op niets of zelfs rampen uit omdat de vrijgemaakte mens niet weet hoe hij zijn energie moet binden. Y o g a is de wetenschap van a b h y â s a en v a i r â g y a; het zich binden en het loslaten. A b h y â s a betekent letterlijk : standvastige gestadige praktijk. Zonder zich te verbinden met deze traditie is er geen sprake van a b h y â s a , maar is men slechts een tijdverschijnsel, een eendagsvlieg. De praktijk van de yoga wordt ookwel S a n â t a n a_D h a r m a genoemd, hetgeen betekent dat men die (religieuze) plicht betracht die een binding met eeuwige waarden oplevert. De pretentie van waardevrijheid die de z.g. wetenschap er op nahoudt is als de hypocrisie van D u r y o d h a n a: het is slechts schijn, in feite vertegenwoordigt men de waarden van het materialisme en projecteert men in jalouzie het in wezen eigen falen op de 'concurrentie'. Niet kiezen is niet mogelijk, dat kan men b.v. bij iedere schizofreen waarnemen.

 

1.3 O, mijn leraar, zie het machtige leger van de zoons van Pându en hoe vakkundig het is opgesteld door uw schrandere leerling, de zoon van Drupada.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a moest niet alleen tegen zijn familie optreden, hij moest ook tegen zijn eigen leraar in het strijdperk treden. Dronâcârya die aan de kant van de K a u r a v a's, de broers van D u r y o d h a n a, stond, had A r j u n a zelf in de krijgskunst onderricht. Hoewel A r j u n a dus zelf een Kuru of K a u r a v a was moest hij als P â n d a v a, als een zoon van Koning Pându, vechten tegen de uitstoting uit zijn eigen familie (hetgeen met het gooien van valse dobbelstenen was bewerkstelligd). Dit hele verhaal over hoe deze oorlog tot stand kwam en verliep staat in het M a h â b h â r a t beschreven. Het M a h â b h â r a t is een i t i h â s a of vertelling. Vertellingen als deze behoren tot de z.g. vijfde V e d a, terwijl de V e d a's zelf oorspronkelijk uit vier afdelingen bestaan. De vier Veda's zijn de oorspronkelijke heilige boeken van India die mondeling van leraar op leerling werden overgedragen. De B h a g a v a d_G î t â, gesteld in het Sanskriet, bevat de konklusie of vedanta van de vedische kennis. Het is natuurlijk alleen aan K r i s h n a zelf om de konklusie te trekken dat overgave aan Hem de oplossing voor de materiële bepaaldheid is. Hij zegt dat zo in de G î t â en zo staat het ook in het Srîmad Bhâgavatam, het geschrift dat naar aanleiding van K r i s h n a's waarheid later werd opgetekend. In de moderne tijd, waarin men zichzelf alleen kan realiseren door zich tegen zijn dwaalleraren af te zetten is de G î t â weer zeer actueel: een ieder kan zich in A r j u n a inleven in zijn innerlijke tweestrijd op het slagveld. Als men door eigen familieleden en leraren in de steek is gelaten is K r i s h n a degene die zich als onze vriend, leraar en vader opwerpt. In de gehele menselijke geschiedenis is er niemand te vinden die in staat is te doen wat K r i s h n a doet. Men vindt wel een leraar, maar dat is dan geen vriend, men vindt wel een vriend, maar dat is weer geen leraar. Alleen K r i s h n a is in staat om al deze en nog meer rollen tegelijk te vervullen. Daarom wordt Hij de Hoogste persoon van God genoemd en is de b h a k t i-y o g a het einddoel van alle religieuze, politieke en therapeutische aktiviteiten. K r i s h n a is de verpersoonlijking van de gelukzaligheid, de eeuwigheid en het bewustzijn waar we allen naar zoeken. Om die redenen is de G î t â het belangrijkste boek ter wereld.

 

1.4 Er zijn in dit leger veel heldhaftige boogschutters, die niet onderdoen voor Bhîma en A r j u n a ; en er zijn ook grote krijgslieden zoals Yuyudhâna, Virâtha en Drupada.

T o e l i c h t i n g

Er waren vier broers, die gezamenlijk met A r j u n a de strijd opvatten. Bhîma was één van hen en stond bekend om zijn enorme kracht. Hoewel de P â n d a v a's in de minderheid waren begreep D u r y o d h a n a wel degelijk dat de kwaliteit van de persoon belangrijker is dan de kwantiteit. Zo ook is het van belang de tegenstander niet te onderschatten. Veel materialisten lijden onder dit euvel; het is één van hun zwakheden: jezelf verheffen en de ander geringschatten. De strijd op het slagveld van Kurukshetra is lang geleden gestreden. Niettemin is ze nog steeds actueel. Het is de strijd van de mensen die rechtstreeks of indirekt vóór K r i s h n a zijn tegen de mensen die zich van K r i s h n a niet zo veel aantrekken. Vóór de strijd begon had K r i s h n a, die als (neutrale) bemiddelaar optrad in het konflikt, de beide neven voor de keuze gesteld: óf je kiest voor Mij (kwaliteit) óf je kiest voor Mijn leger (kwantiteit). K r i s h n a was bereid tegen Zijn eigen leger op te treden. Op deze manier kunnen we de strijd van de christelijke reformatie b.v. beter begrijpen. Het katholieke leger van het Roomse geloof tegen de in de minderheid verkerende protestanten die zich onrechtvaardig behandeld wisten vanwege een afwijkende mening. Mensen die hun materiële positie met onrecht denken te kunnen behouden, kunnen we materialisten noemen. De reformatie kenmerkt zich dan ook door versobering. Niettemin, als we zuiver in de leer zijn en trouw aan de geestelijkheid, steeds voor K r i s h n a's kwaliteit kiezen en niet zijn kwantiteit begeren, dan is alle materie waarvan we ons bedienen in dienst van het goede en is men aldus niet materialistisch te noemen. Het gaat immers om regulatie en niet om een ontkenning van het nut der materie. Wat het christelijke betreft mogen we wel stellen dat de reaktie geleid heeft tot een gezuiverd katholicisme. Door ons gezonde wantrouwen in de materialistische, z.g. onfeilbaarheid van een gewelddadig beleden geloof, is er nu sprake van een groot aantal christenen die door middel van bedachtzaamheid elkaar bij de les van Heer C a i t a n y a houden: wees niet afhankelijk en vertrouw uitsluitend op Mij (B.G. 18:66). Als we onze fouten niet meer bij de ander zoeken kunnen we dan vorderen op de geestelijke weg.

 

1.5 Er zijn ook grote, heldhaftige machtige krijgers zoals Drstaketu, Cekitana, Kâs'îrâja, Purujit, Kuntîboja en Saibya.

T o e l i c h t i n g

De B h a g a v a d_G î t â begint met een opsomming van namen. Filosofisch lijkt dit niet zo interessant, maar het geeft precies aan waar de b h a k t i mee bezig is: met personen. Tegenwoordig lijkt het alsof het gaat om het wapen, het instrument, dat men heeft en niet meer om (de kwaliteiten van) de personen. Het is typerend voor het probleem van onze tijd: het impersonalisme. Door de moderne mechanisatie is de aandacht zo van de belangen van de persoon weggetrokken dat het slagveld van Kurukshetra in de huidige tijd een oppositie laat zien van de 'slaven van het systeem' tegenover de aanhangers van de 'zelfverwerkelijking'. De moderne strijd handelt erover er als persoon te zijn en niet ten onder te gaan voor de t.v., als slaaf van de klok, of als aanbidder van de heilige koe der technologie, de auto e.d. In Amerika treft men heden ten dage (1995) mensen aan die door de impersonalistische samenleving gedwongen zijn in een auto te leven. Geld voor een huis kunnen ze niet krijgen bij gebrek aan sociale voorzieningen, terwijl je in Amerika toch echt niet zo op straat kunt leven bij de tempel op de hoek zoals men in India doet. Impersonalisme, egoïsme, materialisme en andere vormen van schizoïde, gespleten gedrag zijn de symptomen van een samenleving in de greep van m â y â. De oorlog van de b h a k t a's geldt dan ook de strijd tegen de macht van de begoocheling. Het is dus uiteindelijk niet een strijd tegen personen mèt illusies, maar strijden mèt personen tegen illusies.

 

1.6 Daar zijn de geweldenaar Yudhâmanyu, de stoere Uttamaujâ, de zoon van Subhadrâ, en de zoons van Draupadî. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.

T o e l i c h t i n g

Om een oorlog te winnen moet men zich bedienen van de methoden en technieken van de vijand. Hoewel het niet de doelstelling is, treft men b h a k t a's aan in auto's, voor computers en voor mengpanelen in studio's vol opname-apparatuur. Het zijn â c â r y a's als Bhaktivinoda Thâkur (1838-1914) geweest die de b h a k t i gemoderniseerd hebben. Swami Prabhupâda (1896-1977) zelf zette zich af tegen het sexisme van de traditionele opvatting dat mannen en vrouwen niet in dezelfde tempel zouden mogen wonen. De m a h â m a n t r a geeft ons de vrijheid ons ook van dat -isme te ontdoen en als gelijkwaardige mensen op te treden. Het is zelfs zo dat de b h a k t i een aanzet kan vormen voor moderniseringen waar de materialisten bij gebrek aan moraal niet aan toe komen. Zo kan men uit toewijding voor de ware tijd, ook K r i s h n a, de leugen van de standaardtijd overwinnen en de valse pragmatiek en andere gespletenheid die daarmee samenhangt afzweren. Waarom zou men niet van een klok gebruik maken om een klok te overwinnen?

 

1.7-8: O beste der b r â h m a n a's, laat me u zeggen, zodat u op de hoogte bent, welke aanvoerders het bekwaamst zijn om mijn troepenmacht te leiden.Er zijn mannen onder als uzelf: Bhîshma, Karna, Krpa, As'vatthâmâ, Vikarna en de zoon van Somadatta, Bhuris'ravâ, die altijd zegevieren in de strijd.

T o e l i c h t i n g

Vroeger vocht de adel, het bestuur zelf op het slagveld, tegenwoordig niet. De onwetendheid van de massa maakt de democratische dienst uit, zodat men niet meer weet waarvoor men in Bosnië aan het vechten is. De politiek verklaart de tegenstander voor gek, communist, kapitalist, fundamentalist, fascist, etc. en veroordeelt daarmee zichzelf. Het is een gebrek aan filosofische volwassenheid die op het slagveld sneuvelt. Zowel de politici als de militairen verkeren in staat van onwetendheid over hun eigen drijfveren. Als het bewustzijn van het eeuwige geluk het doel is van het menselijk streven, hoe kan men dan een materialistisch doel nastreven? We zijn filosofisch volwassen als na al onze speculaties K r i s h n a de eindkonklusie vormt (de s i d d h a n t a). Dit is geen -isme, het is de persoonlijke benadering, ookal noemt men de b h a k t i - y o g a ook wel eens personalistisch (als men te fanatiek is). K r i s h n a neemt zoals we verderop zullen zien de volledige verantwoording voor de ganse schepping op zich en is dus het einde van de tegenstelling tussen het persoonlijke en onpersoonlijke. De v a i s h n a v a is er dus niet op uit een ander zoals in de politiek en psychiatrie gebeurt voor gek te verklaren omdat hij onwetend is over de omgang met K r i s h n a. De v a i s h n a v a is er op uit de dingen te zien zoals ze zijn.

D u r y o d h a n a vertrouwde op de kwaliteit van zijn krijgers. In de vedische kultuur bestonden min of meer onoverwinnelijke personen. K r i s h n a bevestigt dit maar neemt de illusie weg dat dit zonder Hem tot een overwinning zou leiden. Overleven zonder te overwinnen is voor A r j u n a een schande, en welke niet strijdende onoverwinnelijkheid wil in schande leven? Een leven in dergelijke 'schande' is alleen mogelijk voor mensen die hoop koesteren kunnen, geloven in God en de liefde als leidraad hebben. Als de onderlinge christelijke achterdocht de schande van Nederland is, is K r i s h n a geloof, hoop en liefde en Heer C a i t a n y a onze leidsman.

B h a k t i mag niet alleen maar filosofie zijn. Daarom moet de filosoof zingen. Hier volgt een stuk muziek dat de toegewijden altijd zingen voordat ze aan de m a h â m a n t r a beginnen. Het is de eerbetuiging aan de leraar. Deze luidt: ' Ik biedt mijn respektvolle eerbetuigingen aan Zijne Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, die Heer K r i s h n a zeer dierbaar is, en die zijn toevlucht heeft genomen tot Zijn lotusvoeten. Wij brengen u onze respektvolle eerbetuigingen, o geestelijk leraar, dienaar van Sarasvati Goswâmî. U bent zo genadig de boodschap van Heer C a i t a n y a_M a h a p r a b h u te spreken en de westerse landen te bevrijden, welke zijn vervuld van impersonalisme en de filosofie van de leegte.' Na het zingen van deze en andere m a n t r a's sluit men de k i r t a n op de m a h â m a n t r a altijd af met de m a n t r a's ' h a r i b o l , h a r i b o l, h a r i b o l , h a r i b o l' en 'J a y a P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a' op de melodie van de m a h â m a n t r a.

  

1.9 - 1.18

 

1.9 En er zijn nog vele andere helden die hun leven voor mij willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en ze zijn allen bedreven in de krijgskunst.

T o e l i c h t i n g

Het woord helden in dit vers heeft een dramatische bijklank. Mensen die de held uit willen hangen zonder precies te weten waarvoor, of ze er nu God of duivel mee dienen, moeten oppassen. Men wordt bepaald door datgene waardoor men zich laat leiden (3.15). Richt men zich op iets leugenachtigs, zoals b.v. een uurwerk dat de onware, standaardtijd weergeeft, dan begaat men mogelijk meer vergissingen dan men zou willen; de heldhaftigheid wordt dan een pose, schijn, een compensatie zou de psycholoog zeggen. Door dit onbewuste verschil tussen wat men is en wat men wil zijn verliest men zijn zelfvertrouwen, men blokkeert in zijn aktie, vervalt in waanzin, probeert met bedrog vol te houden dat het niet zo is, en ten slotte faalt men. Je vergissen, tot waanzin vervallen, bedriegen en falen zijn de vier neigingen waar de materieel gekonditioneerde mens mee behept is. Deze onvolkomenheden zijn inherent aan het materieel bestaan. Leren leven met onvolkomenheden mag niet inhouden dat we deze gaan cultiveren. Doen we dat toch, dan raakt de liefde voor de waarheid in het geding en belandt men in situaties als die van D u r y o d h a n a. Het zich verlaten op wapens, heldhaftigheid en bedrevenheid mag niet baten. Als er ook maar één foute veronderstelling in b.v. een computerprogramma zit, blokkeert de hele onderneming. Zo ook werkt de menselijke geest. Met materialistische motieven draai je in een cirkeltje rond, of nog erger: men raakt opgeblazen en ziet het eigen geestelijk onvermogen in de ander, terwijl de verbeelding van de macht het noodzakelijke hart voor de zaak ontneemt. Daardoor overwint het goede altijd. Het is van de eeuwigheid. Het kwade verliest altijd weer opnieuw zijn greep. A r j u n a , net als de v a i s h n a v a's, bedient zich, zoals gezegd, van de middelen van de tegenstander. Het is de praktijk van de duiveluitdrijving. Een klok b.v. is een gevaarlijk ding in de handen van een machthebber: hij kan er de mensen mee manipuleren en gek maken. In de handen van een toegewijde, kunnen we leren er de tekortkomingen van in te zien, zodat we niet in de val van de machtsverbeelding terecht komen en kunnen we leren hoe we er zo mee om kunnen gaan dat we er K r i s h n a recht mee doen. De klok vormt een mooi voorbeeld voor de konditie van de moderne mens. Men is apetrots dat het ding tot op de miljoenste seconde nauwkeurig kan lopen, maar vergeet dat het natuurlijk tijdsverloop, dat zich kenmerkt door een dynamisch ritme - etmalen zijn in werkelijkheid niet allemaal even lang omdat de aarde niet cirkelvormig om de zon draait en scheef staat- in feite niet gerespekteerd wordt en men in een zelfverzonnen wereldje van gemiddelden, zones en seizoensbepaaldheid is verdwenen (afgespleten). Het ontkennen van ons vermogen het beter te doen (met wat moeite haalbaar) en het onderdrukken van medemensen met een hoop machtsverbeelding is de moderne variant op het thema van D u r y o d h a n a. De helden van de 'moderne tijd' zijn gewoon getikt in zijn ogen. De toegewijde echter ziet mensen die de Ware Tijd, K r i s h n a zelf, kwijt zijn en in hun onwetendheid lijden aan de klassieke ziekten genaamd valse trots (m a d a) en bezitsdrang (l o b h a).

 

1.10 Onze sterkte is onmetelijk en we worden door grootvader Bhîshma volmaakt beschermd, terwijl de sterkte van de Pândava's, onder de hoede van Bhîma beperkt is.

T o e l i c h t i n g

Dit is de staat van degene die in illusie verkeert: onze grote leider zal ons de overwinning brengen, we zijn zo machtig met z'n allen, en zo ontzettend sterk. Ieder klein kind weet dat het leven een voortdurende zelfrealisatie is en dat regressieve fantasieën over grote leiders die alle problemen voor ons op zullen lossen slijten bij het volwassen worden. God wacht netjes tot we zelf verantwoordelijkheid willen dragen; tot wij een instrument zijn (d â s a) en niet een oefening in jalouzie (m â t s a r y a).

Zelfrealisatie betekent niet alleen dat we ons ideale Zelf en K r i s h n a Zelf niet als verschillend moeten zien, het betekent ook niet alleen dat we onszelf als iemand anders dan K r i s h n a Zelf moeten zien, het betekent ook gewoon dat je het allemaal zelf moet realiseren. Realiseren is een mooi woord, het betekent tot stand brengen, maar ook inzien. Het is dus wat anders dan: 'ik zal de wereld eens even naar mijn hand zetten'. Sprak de schrijver dezes in deze regels niet volgens de opvattingen van zijn leraar, dan zou niemand de tekst serieus nemen. Niet het gezag verketteren en toch de zaak zelfstandig inzien en bewerkstelligen betekent gewoon meedoen en niet tegenwerken. â t m â - n i v e d a n a m is het eindpunt van het negenvoudig proces van de toegewijde dienst: de volledige overgave waarin men zich niet langer tegen K r i s h n a verzet. In het begin als we leren te luisteren en te zingen is het heel normaal om vol verzet te zitten. Een normaal ego biedt gewoon weerstand tegen alles wat vreemd is. K r i s h n a helemaal kennen zal ongetwijfeld alleen voor Hemzelf gereserveerd zijn. Dus eerlijk: laten we ons geen illusies maken: de b h a k t i is een weg zonder einde.

Een belangrijk punt in dit vers is het feit dat een meerderheid vormen nog niet wil zeggen dat men K r i s h n a aan zijn zijde heeft. Heeft men alle soldaten van de Heer aan zijn zijde... K r i s h n a's favoriete sport is het onderuithalen van de machtsverbeelding: d.w.z. zonder Hem is het allemaal illusie of zelfs demonisch. Zo moeten we oppassen met de democratie. Het vormt geen enkele garantie tegen uitwassen als het fascisme. De meerderheid kan nu eenmaal corrupt zijn. Ook religie als instituut is geen garantie. Hoeveel religieuzen zijn niet een prima 'soldaat' van de Heer? Met Heer C a i t a n y a leren we dat Hij, K r i s h n a, de Vader is van de revolutie, de omwenteling die de gehele aarde aangaat in relatie tot het licht van de zon, en niet een doorgedraaide zuidamerikaanse idealist of een perverse journalist. We zullen moeten leren te vertrouwen op wat heilig is. De merkwaardige gewoonte te vertrouwen op de kampioenen van de neurotische * compensatie (neurotisch omdat men niet zo zeker is als men zich wel voordoet), heeft de mensheid al heel vaak opgebroken.

 

1.11 Jullie moeten nu allen grootvader Bhîshma ondersteunen, ieder vanaf zijn eigen strategische plaats in de gevechtslinie.

T o e l i c h t i n g

Swami Prabhupâda verklaart bij dit vers dat het geven van veel aandacht aan de grote leider dit soort aansporingen in de hand werkt. Er is dus niet zozeer sprake van liefde voor de leider alswel een diplomatieke zet om de rest erbij te betrekken. Persoonsverheerlijking is een uitvloeisel van de machtsziekte. Het allen voor één gaat eigenlijk alleen maar op voor de heiligheid die betrokken is op de Allerhoogste. In menselijke betrekkingen brengt dit anders rampspoed. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Heer C a i t a n y a Zijn favoriete spel Zijn zelfontkenning was. Hij moest het model voor de bescheidenheid vormen, ookal kon Hij Zijn ware identiteit in vertrouwelijke situaties niet verhullen. Hij was Heer en Meester over de situatie, er gebeurden wonderen en Hij had alle symptomen van B h a g a v â n_ K r i s h n a, de al-aantekkelijke. Persoonlijke realisatie, nadere bestudering van de literatuur en omgang met toegewijden neemt de twijfel over de identiteit van Heer C a i t a n y a weg. De v a i s h n a v a's vormen geen sekte onder leiding van een ketterse g u r u. Het is een historische religiositeit n.a.v. een nederdaling van de Heer.

 

1.12 Toen blies Bhîshma, de grote, wakkere stamvader van de Kuru-dynastie, de grootvader van de krijgers, zeer luid, als brulde er een leeuw, op zijn schelphoorn, tot vreugde van D u r y o d h a n a.

T o e l i c h t i n g

D u r y o d h a n a was blij met de grote inzet van zijn strijdmakkers. Als hij een hart had gehad en had gejammerd dat hij zijn arme neven toch liever niet uitgemoord zag, dan was de grote leider ongetwijfeld niet zo ingebeeld ten strijde getrokken. Het is dus een samenzwering van de leugen: D u r y o d h a n a heeft geen hart en Bhîshma heeft geen mening. Bhîshma hield angstvallig zijn mond toen de P â n d a v a's werden bedrogen in het dobbelspel waartoe ze waren uitgedaagd en waardoor ze de zeggenschap over het rijk verloren. Ze konden niet weigeren omdat dat tegen de etiquette was. Meedoen bracht de rampspoed dat A r j u n a's vrouw Draupadî gedwongen werd zich uit te kleden in tegenwoordigheid van alle grote bevelhebbers en K r i s h n a een wonder moest verrichten om haar te beschermen: Hij materialiseerde een eindeloos lange s a r i. De lengte van die s a r i kan men vergelijken met de lengte van het betoog der impersonalistische wetenschappers die hun eigen handboeken niet door kunnen komen, ookal houden ze voor elkaar de schijn op dat het wel zo is. De mensheid op die manier 'uitkleden' kan men wel vergeten. K r i s h n a staat het niet toe. Hij beschermt altijd Zijn toegewijden, dat is Zijn d h a r m a. Wel is het zo dat dergelijke pogingen de aanzet vormen voor wereldoorlogen waarmee met veel geraas de zoveelste machtsillusie instort... Nu is er echter oorlog en oorlog. Het hoeven geen legers te zijn die tegenover elkaar staan. De hindoe is ervan doordrongen dat sedert K r i s h n a we collectief nooit meer één zullen zijn onder één vreedzaam bestuur. We zullen voor de rest van dit tijdvak, K a l i - y u g a, (1200x365-5000 jaar), blijven kibbelen en twisten over materiële tegenstellingen a.g.v. het niet respekteren van de elementaire regulerende beginselen. Het lijkt een pessimistische visie, maar vreemd is hij niet. Niemand gelooft nog in het idee de wereld te kunnen verbeteren. Daarvoor heeft iedereen zich veel te diep ingegraven in de stellingen van het z.g. valse ego, het ego- of ik-bewustzijn dat zich identificeert met het lichaam en andere materie in de categorie van 'ik en mijn'. De oorlog die niet meer ophoudt speelt zich af in de geest. Wat we ook proberen, steeds moeten we partij kiezen voor God of duivel, de goede of kwade wil, en dienovereenkomstig strijd leveren. Herhaaldelijk hebben de â c â r y a's bevestigd dat de klassieke y o g a van mediteren en verlicht raken van de baan is. Zomaar mediterend kom je in een gekkenhuis tegenwoordig. Er is maar één oplossing: strijdmakkers zoeken en de oorlog tegen m â y â winnen door samen te chanten: ' H a r e_K r s n a_H a r e_K r s n a ,_K r s n a_K r s n a ,_H a r e_H a r e ,_H a r e _ R â m a_H a r e_R â m a,_R â m a_R â m a,_H a r e_H a r e. Haribol (zing de namen van de Heer).

 

1.13 Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat het daverde.

T o e l i c h t i n g

God is ook geluid, is men tegenwoordig vergeten. In de moderne tijd denkt men: God is stilte. K r i s h n a neemt deze illusie weg. Verderop in de B h a g a v a d_G î t â legt Hij uit :'Ik ben het geluid in de ether': s'abdah khe (7:8). God is welliswaar vrede, s h a n t i, maar nog altijd een zingende transcendentale vogel (of filosoof). In het Srîmad Bhâgavatam wordt geluid, s' a b d a, omschreven als een subtiele vorm van de ruimte die is als de ziende t.o.v. het geziene, te weten de ruimte met zijn materiële objecten (S.B. 2.5.: 25, 3.26: 33) Van belang is in te zien dat geluid (de z.g. t a n - m a t r a-klank) in de schepping vooraf gaat aan de ruimte met haar materiële manifestaties: door geluid kan men zien en inzien. Via de oren komt K r i s h n a zo tot ons. Van de geluidstrillingen is Hij het bovenzinnelijk Om (o m k a r of de p r a n a v a, B.G.10:25), en de bovenzinnelijke m a n t r a, j a p a, de H a r e K r s n a - m a n t r a Zelf (B.G.9:16). De hele B h a g a v a d_G î t â zelf wordt als de geluids-incarnatie van K r i s h n a beschouwd (Sw. Prabhupâda 1:18,31). Christus die bekend staat als een z.g. s h a k t i - a v e s a - a v a t â r a van K r i s h n a staat ook wel bekend als de Logos, het Levend Woord. Niet de levende stilte. Uiterlijke stilte is er om de innerlijke stem te kunnen horen. K r i s h n a noemt dit stilzwijgen zijn Zelf in relatie tot wat geheim is (10:38). In de christelijke Bijbel heet het dat voor de schepping de geest van God over de wateren zweefde. Alles komt voort uit die geest, die in het Srîmad Bhâgavatam de 'blik van God'wordt genoemd. Alles i s ook geest in K r i s h n a -bewustzijn. Zelfs harde natuurwetenschappers die de atomen bestuderen komen tot zo'n conclusie: de wereld is één grote gedachte: Brahmâivedam amrtam purustad Brahmâ... 'wat ook in de materiële wereld is slechts een weerspiegeling van het hoogste licht... B r a h m a n is voor ons en B r a h m a n is achter ons, en in het noorden, oosten, zuiden en westen, onder ons en boven ons: die emanatie van B r a h m a n verspreidt zich zowel in de materiële als geestelijke ruimten. (Moendaka U p a n i s h a d 2.2:12). Dit is het onpersoonlijk aspekt van K r i s h n a. K r i s h n a is zuivere geest (B r a h m an). Dit is de eerste realisatie.

Geluid is zowel in de geest als in de materie. Het davert niet alleen van buiten in deze oorlog, het gedaver gaat van binnen verder (hoewel oorspronkelijk in omgekeerde volgorde). K r i s h n a is de geest van het goede; het gedaver van de vijand kenmerkt zich door de onwil te luisteren. Daardoor ontstaat oorlog en ellende, waanzin en psychiatrie. Het demonische is een vorm van doofheid (en niet andersom natuurlijk). Openstaan voor geluid, een gretige A r j u n a klaar voor de strijd, is de houding van de toegewijde. Het is ook om deze reden dat de filosoof moet zingen en er muziek in dit boek staat. Muziek is de taal van de liefde. De enige universele taal die we hebben. Geven we niet zelf aktief luisterend gestalte aan de p r a n a v a, dan speelt de duivel van de tot chaos neigende natuur een spelletje met ons horen en behoren. B h a j a n, het indiase woord voor toegewijde zang, is de transformatie van de p r a n a v a (zie S.B. 12,6:37-43). De m a h â m a n t r a is de meditatie ervoor. Acyutânanda Swami, een andere â c â r y a, verklaart:'... omdat ze (de b h a j a n s) expansies zijn van de m a h â m a n t r a, zijn ze er niet van verschillend.' (uit: introductie ' Songs of the Vaishnava âcârya 's).

Het verschil tussen luisterend gestalte geven en 'doof' gestalte geven zit hem in het respekt voor Vishnu, de Behouder en transcendentale vorm van K r i s h n a. De v a i s h n a v a's of toegewijden van Vishnu brengen allereerst respekt op voor wat er is en stellen zich niet zomaar ten dienst van het creatief persoonlijke: 'B r a h m â'. B r a h m â is de eerste levende persoon en komt in het v e d i s c h scheppingsverhaal direkt na K r i s h n a, V i s h n u (uit zijn 'navel'). B r a h m â schept een wereld. Maar er zijn vele werelden en vele 'Brahmâ's'. Brahmâ is een z.g. halfgod met een tegenhanger, een 'zoon', die weer uit hem voortkomt: Heer S h i v a (bekend als R u d r a), ookwel de Vernietiger genaamd. Heer S h i v a staat voor onwetendheid, maar is toch degene die als v a i s h n a v a nummer één bekend staat. Heer S h i v a heet op een bergtop met zijn vrouw Parvati te mediteren. Men treft hem ook wel met as besmeurd aan op kerkhoven. Liefde voor Vishnu behoudt met klanken de dingen zoals ze zijn, de liefde van Brahmâ schept m.b.v klanken een eigen wereld en met S'iva mediteert men met klanken tot de wereld aan zijn kosmische dans ten onder is gegaan. De klank vertegenwoordigt daarin het object in de ruimte en transformeert onder invloed van de tijd door identificatie met de stof (vals ego),(zie betekenis S.B. 2.5:25). Als K r i s h n a zegt 'Ik ben het geluid in de ether' betekent dat dat Hij en de toegewijden aktief het valse ego bestrijdend er vorm, structuur en rust aan geven.

In het christendom ligt de nadruk op God de Schepper. De 'Zoon' van de 'Schepper', moest nederdalen om ons liefde voor de 'Vader' bij te brengen. De enige persoon in het hele pantheon van alle culturen en alle tijden die de verantwoordelijkheid voor de persoonlijkheid , d. w. z. dus niet enkel het principe, van die goddelijkheid op zich wil nemen is K r i s h n a. Niemand anders. Daarom noemt men K r i s h n a de Allerhoogste: Hij is de enige die als een werkelijk bestaande persoon en vader herkenbaar is en tegelijkertijd zich uitstrekt over al het bestaande.

Leren luisteren naar K r i s h n a (mediteren) is moeilijk. Zonder de m a h â m a n t r a wil dat heden ten dage niet meer succesvol. Men raakt zonder onmiddellijk verslingerd aan een Hem niet-dienstbare creatieve uiting van de eigenheid (ego) en verdringt daar mee K r i s h n a. K r i s h n a neemt (blijkens zijn vele a v a t â r a's) graag een andere vorm aan om je bezig te houden en je ervaring op te laten doen. Hij is geen tirannieke Godheid die, zoals in het Oude Testament b.v. beweert jaloers te zijn. Zo kunnen we op verschillende manieren met Hem omgaan. Terwijl de v a i s h n a v a's de omgang met Hem in geluid prefereren (v a n i), omdat lichamelijke omgang (v a p u) niet altijd mogelijk is, geven gewoon materieel levende personen (k a r m i ' s) de voorkeur aan het tijdelijke van de lichamelijkheid in relatie tot Hem. K r i s h n a bewijst: God is liefde. D.m.v. geluid, de m a h â m a n t r a, de b h a j a n s recitatie van de verzen en prediking, brengt men liefde op voor God. Zo leert men zich te concentreren op de Persoon van God, zo leert men zich aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, over te geven. J a y a S'rî K r i s h n a-C a i t a n y a (j a y a: alle eer aan -, uit te spreken als: dzjéja).

 

1.14 Heer K r i s h n a en A r j u n a , die op een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten hun bovenzinnelijke schelphoorns weerklinken.

T o e l i c h t i n g

De wet luidt: zonder K r i s h n a moeten we vroeg of laat mislukken. Wie met K r i s h n a zijn 'schelphoorn' laat klinken is verzekerd van de overwinning. Het zingen van b h a j a n is zo'n schelphoorn. Het vers meldt: transcendentaal of bovenzinnelijk. Willen we ons als toegewijden van K r i s h n a organiseren, dan hebben we succes aan Zijn zijde; in Zijn grondeloze genade heeft K r i s h n a ons als Heer C a i t a n y a de kans gegeven samen met Hem een toegewijde te zijn en een transcendentale schelphoorn te blazen en bovenzinnelijke liefde te bereiken. Hij incarneerde (...) niet alleen.

Telkens als Hij nederdaalt nemen tal van andere grote zielen hun geboorte. De meest bekende van allen is Zijn broer, Heer B a l a r â m a, die net als K r i s h n a ook B h a g a v â n, de Allerhoogste Heer wordt genoemd. Dit spel van B h a g a v â n en B h a g a v â n speelt zich telkens weer opnieuw af in de menselijke geschiedenis: K r i s h n a en B a l a r â m a, R â m a en L a k s m a n a, N a r a en N â r â y a n a. Zo daalde het roemruchte duo wederom neder in de gedaante van Heer K r i s h n a-C a i t a n y a en Heer N i ty â n a n d a, met het speciale doel de congregatie van toegewijden nieuw leven in te blazen. Duizenden jaren was men bezig geweest (met up's en downs) K r i s h n a te vereren, maar nu werd alles op onvergelijkelijke wijze door Heer C a i t a n y a en Zijn expansies, ookwel V i s h n u- t a t t v a genoemd, de werkelijkheid van V i s h nu, herbevestigd.

Heer C a i t a n y a leefde zich in in de liefde voor K r i s h n a van met name de g o p i ' s - waarvan S r i m a t e_R â d h â r â n î de meest bekende is. Dit betreft de jeugdliefde van K r i s h n a, die toen nog als jongeling als koeherdersjongen (g o p a) tussen de koeherderinnetjes (g o p i ' s) leefde (hoewel K r i s h n a van adel was werd Hij tussen de koeherders van Gokula in V r i n d â v a n a opgevoed omdat een boosaardige oom van Hem die voorspeld was dat K r i s h n a hem zou doden Hem vervolgde).

De V i s h n u - t a t t v a van Heer C a i t a n y a wordt ook wel P a n c a- t a t t v a (zie afbeelding bovenaan volgende pagina) genoemd omdat hij uit vijf personen bestaat: Heer C a i t a n y a (K r i s h n a), Heer N i t y â n a n d a (B a l a r â m a), S'rî A d v a i t a -S'rî betekent Heer-(Mahâ-V i s h n u), S'rî G a d â d h a r a (Râdhârânî) en S'rî V â s â d i (N â r a d a). Deze personen worden als de nederdalingen van de personen tussen haakjes vermeld gezien. Heer Nârada is een zuiver transcendentale persoon die via B r a h m â als leerling van K r i s h n a als de geestelijk leraar van V y â s a d e v a optrad. V y â s a d e v a stelde zoals gezegd het Srîmad Bhâgavat a m en de B h a g a v a d_G î t â als onderdeel van het M a h â b h â r a t a te boek. Heer N â r a d a a staat bekend als de eerste toegewijde, de ziener der Goden en geldt als de beschermer van de toegewijde dienst, waarin in de incarnatie van B a l a r â m a (ookwel B a l a d e v a genoemd), Heer N i t y â n a n d a steeds de rol van de eerste geestelijk leraar vervuld.

Toegewijden in de tempels en thuis voor hun schrijn of huisaltaar, waarop de beeltenissen van K r i s h n a, Zijn expansies en Zijn toegewijden staan (de â c â r y a's in erfopvolging), zingen nadat ze na zes uur slaap op een nuchtere maag ongeveer twee uur de m a h â m a n t r a gaan chanten (zonder melodie), eerst de Prabhupâda Pranâti en vervolgens de z.g.P a n c a-t a t t v a- m a n t r a. Deze m a n t r a behoeft nauwlijks vertaling, ze bestaat louter uit de namen. Deze m a n t r a wordt ook uitgesproken voorafgaande aan iedere ronde van 108 keer de m a h â m a n t r a gechant op de j a p a - m a l a, het bidsnoer met de 108 kralen en één grote kraal voor de P a n c a - t a t t v a-mahâ-mantra. P a n c a_t a t t v a- m a n t r a:  

 

1.15 Hrsîkesa (K r i s h n a) liet zijn schelphoorn, Pâñcajanya, schallen, Dhanañjaya (A r j u n a) blies op de zijne, Devadatta; en B h î m a, de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundram.

T o e l i c h t i n g

Onze helden, de helden van de Ware Tijd van het Hier en Nu, K r i s h n a en A r j u n a hebben allerlei bijnamen. De hier gebruikte namen hebben betrekking op wat er gebeurt. H r s i k e s a is een bijnaam van K r i s h n a die betrekking heeft op zijn meesterschap over het zintuiglijk apparaat, het lichaam. De bijnaam van A r j u n a heeft betrekking op zijn onzelfzuchtige houding offers te brengen, vrijgevig te zijn. Belangrijk is dat ook de schelphoorns een eigen naam hebben. Dit geeft uitdrukking aan het feit dat ieder zijn eigen rol in het spel te spelen heeft. Dit wordt ook wel het s w a - d h a r m a van een persoon genoemd. Voor ieder van ons is het de levensopdracht te achterhalen wat ons s w a - d h a r m a is. Enerzijds moeten we meedoen met de rest, anderzijds moeten we ons binnen de cultuur onderscheiden door te leren herkennen wat onze positie is. Afhankelijk van de leeftijd, het geslacht, de geboorte, het z.g. k a r m a, de aard van het lichaam, de plaats, de tijd en de omstandigheden moet ieder zijn relatie met K r i s h n a herkennen en er de gevolgen van inzien. Als we b.v. letten op het s w a - d h a r m a van Nederland, de eigen aard van Nederland, dan kunnen we wel spreken van een speciale relatie met K r i s h n a.

De Nederlander heeft de last van de reformatie op zich genomen enerzijds en zich daarmee aan de zijde van Heer C a i t a n y a opgesteld, anderzijds heeft ze niet een republiek, maar een koninkrijk weten staande te houden. Met dit laatste blijft Nederland via het staatshoofd met K r i s h n a verbonden. (K r i s h n a: Ik ben de monarch B.G.10:27). Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat in de nederlandse b h a k t i Heer C a i t a n y a en de verering van de P a n c a- t a t t v a voorop gaat. In feite behoren zowel K r i s h n a als C a i t a n y a (de P a n c a - t a t t v a) op het altaar te staan, omdat we enerzijds C a i t a n y a niet altijd voor K r i s h n a zelf moeten, of mogen, aanzien, dat is immers Zijn spel (l i l â), en anderzijds steeds de gedaante van K r i s h n a voor de geest moeten hebben. Beide vormen zijn noodzakelijk om een compleet beeld van de werkelijkheid van de b h a k t i te verkrijgen. Zonder Heer C a i t a n y a weten we niet wie de leiding heeft in de toegewijde dienst, en zonder K r i s h n a weten we niet goed waar we ons op moeten richten als Heer C a i t a n y a Zichzelf ontkent. Zo kon het gebeuren dat in Nederland veel toegewijden, net als Heer R â m a door Zijn vader, het bos in zijn gestuurd met de mededeling: je moet het zelf maar uitzoeken (met K r i s h n a). We moeten goed begrijpen wat dit betekent: K r i s h n a wil dat wij Hem ieder voor zich op onze eigen manier, met onze eigen schelphoorn, ontdekken in ons leven en daarin realiseren wat er nodig is voor de saamhorigheid. Als we onszelf met India vergelijken: daar is het heel normaal dat ieder huisgezin op geheel eigen wijze met K r i s h n a omspringt. Alle mogelijke personen en attributen kan men op een hinduschrijn aantreffen. Zo is de religie, het zich opnieuw met de Heer, K r i s h n a, te verbinden, een uitdrukking van ieders eigenheid, en niet zoals sommige onwetende commentatoren verklaren een bedreiging van de individualiteit.

 

1.16-18: Koning Yudhishthhira, de zoon van Kuntî, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva, bliezen op de Sughosha en de Manipushpaka. Die grote boogschutter, de koning van Kâs'î, de grote strijder Sikhandî, Dhrstadyumna, Virâtha en de onoverwinnelijke Sâtyakî, Drupada, de zoons van Draupadî en de anderen, o koning, zoals de zoon van Subhadrâ, in volledige wapenrusting, bliezen allen op hun schelphoorn.

T o e l i c h t i n g

Er waren strijders op het slagveld, die zoals gezegd onoverwinnelijk heetten, nog nooit verslagen waren. Er waren strijders die het in hun eentje tegen duizenden tegenstanders tegelijk konden opnemen, z.g. m a h â - r a t h a's. Dezen stonden tegenover elkaar. Niet alleen familieleden, maar vele vorsten uit andere landen met hun legers waren er. Het was een wereldoorlog waarin vrijwel alle grote heersers van die tijd het leven zouden laten. Dit was K r i s h n a's opzet: of men nu het goede of het kwade aanhangt, het spel van vergaren en beheren dat heersers altijd spelen komt vroeg of laat ten einde. K r i s h n a beschermt iedereen tegen de valse heerschappij die gebaseerd is op bezit en macht over anderen. K r i s h n a is Zelf de oorspronkelijke eigenaar en beheerser. Hij is de oorspronkelijke genieter (R â m a). Alleen de P â n d a v a's zouden de strijd overleven. Alleen de trouwe toegewijden. Ongeacht aan welke kant men streed zou men de strijd niet overleven. Alle macht sneuvelde.

Ook hierin herkennen we het thema van de zelfstandigheid die zich tegen zijn eigen Heer, maar niet tegen Zijn eigen leer, moet keren om zich waar te maken. S'ukadeva G o s v â m i zegt hierover in het Srîmad_Bhâgavatam (10.33: 32) tegen M a h â r â j a_P a r î k c h i t: 'wat de groten leren is volmaakt, niet steeds voorbeeldig is hun doen, een schrander mens volge hun slechts, in daden met de leer verzoend'. We moeten niet imiteren (a n u k a r a n a), maar volgen (a n u s a r a n a). Mensen die imiteren, zoals sommigen b.v. de g o p i ' s proberen na te doen in V r i n d â v a n a, worden s a h a j i y â genoemd. We moeten K r i s h n a s gedrag (en dat van Heer C a i t a n y a) niet imiteren, wel er veel van leren. Het gaat in de oorlog tegen m â y â dan ook niet om het bereiken van de verlichting of het behoud van het lichaam. Terwille van de eer doet men zijn eeuwige plicht, het s a n â t a n a _ d h a r m a, en verzekert zich zo van zijn relatie met God. Als we het toevallig wel overleven en verlicht raken van de last van de wereldse verplichtingen is dat slechts een bijkomstigheid. Helden sneven en heiligen moeten eeuwig leven, dat is de werkelijkheid van K r i s h n a. De held bekommert zich niet om zijn lichaam en neemt gewoon weer opnieuw geboorte om voor zijn zaak te vechten. De heilige keert niet weer terug, maar blijft eeuwig verbonden met zijn plichtsvervulling, zijn relatie met K r i s h n a.

Zolang we materiële doelen hebben, moeten we terugkeren naar deze wereld. Hebben we de transcendentie van K r i s h n a als doel, dan bereiken we de geestelijke wereld en leven we met zielen zoals wijzelf (B.G. 4:9).

 

1.19 - 1.28 

 

1.19 Het schallen van deze schelphoorns werd stormachtig - en trillend zowel in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de zoons van Dhritarâshthra.

T o e l i c h t i n g

De strijders van A r j u n a hadden niets te vrezen: K r i s h n a is met hen. Dit vers geeft aan dat K r i s h n a onze angsten wegneemt. We leven door onze identificatie met de stof in voortdurende angst. De onvermijdelijke werking van de Tijd maakt alles weer anders. We kunnen niet vasthouden aan materiële zaken. Alleen diegenen die begrepen hebben wat een transcendentale vorm inhoudt kunnen van de angst van het leven bevrijd raken (S.B. 3.29:27). De gedaante van K r i s h n a Zelf is de transcendentale vorm, de Allerhoogste Vorm, hoger dan die van V i s h n u. Er zijn natuurlijk vele geestelijke wezens die een transcendentale vorm hebben, maar er is maar één vorm die de totale goddelijkheid omvat: K r i s h n a in Zijn gedaante met blauw-grijze huid, twee armen, twee benen, een fluit en een geel gewaad met pauweveer in zijn hoofdtooi. Zo zag en ziet K r i s h n a eruit: als S y â m a s u n d a r, de 'schoonheid van de donkere huid'. Een afbeelding van Hem heeft, net als Zijn Naam, de zelfde waarde als Zijn Persoon Zelf. We moeten, als we een relatie met Hem willen, ons rechtstreeks betrekken op Zijn beeltenis en uit die relatie proberen af te leiden hoe we in het leven staan. Zekerheid zoeken we allemaal, maar het verzorgen van een hond of een konijn b.v. kan niet een bevredigend antwoord bieden op de elementaire levensvragen. In feite doorlopen we allemaal een proces waarin we, op zoek naar het geluk, ons dan weer aan dit en dan weer aan dat vastklampen. Zelfs als K r i s h n a weer op aarde terugkeert als Heer C a i t a n y a, moeten we uiteindelijk toegeven dat Hij niet nog een keer het volledige spel en vermaak van K r i s h n a aan de dag kan leggen - ookal kan Hij er visioenen van voorspiegelen. Daarom heeft het geen zin om in de wereld op zoek te gaan naar de Allerhoogste Persoon. Hij zal met de schepping helemaal van voren af aan opnieuw moeten beginnen om zich nog eens als K r i s h n a te kunnen manifesteren. Voor de ons bekende schepping is die liefde voor eeuwig gevestigd. We hebben dat allemaal te accepteren. Het zoeken naar een Hogere Persoon is dat van de bedevaarder die zuivering zoekt vanwege zijn vroegere dwalingen. Niettemin, ookal komt men door een bedevaart ongetwijfeld steviger op het goede pad te staan, de gevolgen van wat men fout gedaan heeft, vragen om verdere k a r m i s c h e afhandeling die het tegendeel definitief vestigt. De zegen van een heilige wijst slechts de richting, bevordert de concentratie, of maakt zelfs de vervloeking zwaarder als men weer teveel in de oude gewoonte vervalt (men weet het verschil immers beter dan). Er is een soort economie, een bankieren van God. Je kan je schuld in één keer aflossen, je kan sparen en beleggen. Je kan speculeren naar hartelust. Uiteindelijk leef je gewoon op je eigen verdienste, dat is het resultaat. Ieder voordeel heeft een nadeel. Dat is de wet van K a r m a; er is altijd een onvermijdelijk gevolg. Vraag je de Heer om hulp, dan moet je daarvoor ook boeten, iets opgeven, loslaten. Als K r i s h n a aan onze zijde staat wil dat nog niet zeggen dat alles van een leien dakje gaat en dat we ons van alles kunnen veroorloven. K r i s h n a's ouders zaten hun halve leven in de gevangenis tot Hij Kamsa (z'n boze oom die zijn ouders had gevangen gezet) had gedood. Pas toen werden ze bevrijd. Het heet in de b h a k t i: bitter in het begin, maar zoet op den duur (B.G. 18:37). In gewoon nederlands: oefening baart kunst, het duurt even voor men de duivel eronder heeft. Zo wordt men gelukkig.

 

1.20 O koning, toen nam A r j u n a , de zoon van Pându, die op zijn strijdwagen stond en Hanumân in zijn vaandel voerde, zijn boog op en maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zoons van Dhritarâshthra. O koning, toen sprak A r j u n a tot Hrsîkesa (K r i s h n a) de volgende woorden:

T o e l i c h t i n g

H a n u m â n is voor diegenen die strijd leveren tegen de vijanden van K r i s h n a de grote organisator en aanvoerder. Hij staat bekend als de aapgod die samen met zijn soortgenoten R â m a hielp bij het bevrijden van Zijn echtgenote S î t â uit de armen van Râvana, een demonisch heerser in een tijdvak voorafgaande aan dat van K r i s h n a. Telkens doet K r i s h n a hetzelfde: Hij daalt neder in verschillende gedaanten om demonische heersers van de aarde weg te vagen en de beginselen van de religie te herbevestigen (zie B.G. 4:7). Zo was H a n u m â n het symbool van de overwinning, want wie aan de zijde van K r i s h n a vecht kan niet verliezen. Zelfs al laten we het leven. K r i s h n a is de beschermheer van alle rechtgeaard strevenden in dit leven en hierna. Omdat, zoals ook in het christendom, de Heer de mens over de dood heen verheft tot goddelijkheid en daarmee zijn eeuwige aard bevestigt, kunnen we niet verliezen. De tegenstander daarentegen heeft alles te verliezen. In plaats van de symbolen van de overwinning met zich mee te dragen is hij opgeblazen van - en begaan met bezit en verbeelding.

Zoals H a n u m â n Heer R â m a bijstond, hetgeen beschreven is in de R a m â y â n a, zo heeft S w a m i P r a b h u p â d a Heer K r i s h n a-C a i t a n y a bijgestaan in het bestormen van het bastion van het materialisme in onze westerse wereld. Evenals H a n u m â n ging hij er alleen op af en zette hij vele idealisten in vuur en vlam voor K r i s h n a en de strijd tegen m â y â. H a n u m â n stak met zijn staart(!) Lanka, de verblijfplaats van de demon, in brand. S w a m i P r a b h u p â d a ontstak met zijn pen het lamplicht van de kennis om de duisternis uit de westerse wereld te verdrijven. P r a b h u p â d a heeft niet verloren, en zo zullen wij ook niet verliezen als we zijn missie steunen en trouw blijven aan zijn instructies. Natuurlijk zijn we hier niet in India, we moeten leren met K r i s h n a te leven aangepast aan onze tijd en omstandigheden. Dit v i - b h a g a v i t houdt echter niet in dat we er zomaar voor onszelf wat van kunnen maken. We kunnen bruggen slaan, zoals in dit boek met behulp van muziek naar onze westerse smaak en redeneringen waar we onszelf in terug kunnen vinden. Datgene echter waarnaar we bruggen slaan, moet blijven zoals het is. Ookal vindt men dat onvolkomen en onaangepast - we kunnen niet meteen alle drijfveren van iemand als S w a m i P r a b h u p â d a begrijpen; we zullen er onze weg mee moeten vinden als we K r i s h n a willen. Hij is de spreekbuis van alle voorafgaande â c â r y a's. Als we hem afwijzen stranden we met onze idealen, zoals D u r y o d h a n a op het slagveld zonder H a n u m â n. Er is geen andere p a r a m p a r â - s w a m i, geen andere s w a m i in erfopvolging, die de opdracht kreeg K r i s h n a naar het Westen te brengen. Zonder hem strijden is wellicht een leuk vliegticket naar V r i n d â v a n a, maar in feite vluchten van het slagveld of kiezen voor de k a u r a v a's. Dit geldt nu voor ons precies zoals het voor A r j u n a onvermijdelijk was de vlag van de overwinning te voeren.

 

1.21,22 A r j u n a zei: O onfeilbare, rijdt mijn wagen tussen de legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie er naar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten.

T o e l i c h t i n g

S w a m i_P r a b h u p â d a verklaart bij dit vers dat K r i s h n a onfeilbaar werd genoemd omdat Hij niet aarzelde te gehoorzamen. K r i s h n a nam een ondergeschikte positie in als wagenmenner van A r j u n a. Dit deed Hij niet omdat Hij de leraar van A r j u n a was. Tot dan toe was dat niet het geval. K r i s h n a hielp A r j u n a als vriend en ging heel vertrouwelijk met hem om. Veel mensen wisten niet dat K r i s h n a de Allerhoogste was. Het is alleen maar mogelijk voor oprechte toegewijden om K r i s h n a en Zijn grootheid te leren kennen. Gehoorzaamheid was Zijn houding tegenover A r j u n a. A r j u n a moest de beslissingen nemen. S w a m i_P r a b h u p â d a verduidelijkt dat morele (schijn-)heiligheid zonder een houding van dienstbaarheid niets met onfeilbaarheid te maken heeft. Dienen we de goede zaak er niet mee, staan we niet aan de goede kant, aan de kant van het goddelijke, dan zijn we onherroepelijk veroordeeld tot de misère van de materiële wereld waarin we de neiging hebben ons te vergissen, te bedriegen en te falen met een onvolmaakte zintuiglijkheid. (zie ook toel.1.1 over onfeilbaarheid van geestelijke wezens in de geestelijke wereld).

Hier zien we dat K r i s h n a voorgaat in bescheidenheid, toewijding en dienstbaarheid. God zonder saamhorigheid is een illusie. Saamhorigheid zonder het volgen van een gedragscode is onmogelijk. De gedragscode van de v a i s h n a v a's is zeer, zeer uitgebreid; zo uitgebreid dat altijd wel een foutje in het gedrag valt te bespeuren. Fout-vinden behoort echter (buiten de onderwijs-situatie e.d) tot t a m a s, de geaardheid onwetendheid. Over het algemeen geldt dat men zich houdt aan de volgende regels (de z.g. v i d h i ' s):

geen intoxicatie,

geen illegitieme sexualiteit,

geen vlees, vis of eieren nuttigen,

geen gegok met geld.

wel 16 ronden H a r e_K r i s h n a op het bidsnoer (=16x108): j a p a,

wel maximaal zes uur slaap,

wel één uur per dag boeken over K r i s h n a lezen en

wel het onderhouden van de associatie van toegewijden.

Wijkt men af van deze regels, dan raakt men onherroepelijk verzeild in de macht der begoocheling, m â y â. Er zijn nog vele, vele boeken en toegewijden die zich aan nog veel meer regels houden. De bovenstaande zijn echter algemeen. Wie zich zo gedraagt, mag zich een toegewijde van V i s h n u, een v a i s h n a v a noemen. Dit zijn de 'wapens' in de strijd tegen m â y â. Zoals A r j u n a uitziet naar de strijd en wij weten waar hij aan toe is, zo ook moet de toegewijde deze zaken op een rijtje hebben.

Tijd voor muziek. Het volgende is een echte b h a j a n, kort en krachtig, meeslepend en charmant. Als er gezamenlijk wordt gezongen, zingt er altijd iemand een strofe voor en daarna zingt de rest het na. In verschillend tempo wordt telkens herhaald tot men er genoeg van heeft. Om te kunnen stoppen kan men dan de eerste regel nog eens langzaam spelen en eindigen op het beginakkoord. K î r t a n (a) is de naam die men geeft aan het hardop (samen)zingen van de namen. Zachtjes voor jezelf wordt j a p a genoemd. Als de toegewijden 's morgens zijn begonnen aan de P r a b h u p â d a_P r a n â t i, de P a n c a- t a t t v a_m a n t r a en de H a r e _K r i s h n a_m a h â m a n t r a, waarbij de laatste langdurig met verschillende variaties wordt doorgezongen, eindigt men niet zelden met de nu volgende b h a j a n. J a y a (alle eer aan), geldt als een uitroep van vreugde. De rest van de b h a j a n bestaat uit de verschillende namen van K r i s h n a. Het is één van de meest bekende en geliefde b h a j a n s onder de 'Hare-K r i s h n a's', de C a i t a n y a- v a i s h n a v a's. 

 

1.23 Laat me zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhritarâshthra, te behagen.

T o e l i c h t i n g

Eén van de vijanden in de strijd tegen m â y â is de normale logica naar de causaliteit van de wereld. In het vorige vers is sprake van onfeilbaarheid in samenhang met gehoorzaamheid. Met de normale logica beoordeeld is dit een denkfout. Hoe kan je iemand onfeilbaar achten als je hem iets moet opdragen? Er zijn veel van dit soort 'fouten' te vinden in de teksten van de â c â r y a's. Het gaat om de logica van het vanzelfsprekende vertrouwen naar de causaliteit van God. Dat is voor een ander niet zomaar te volgen en lijkt daarom onlogisch. Materieel gemotiveerd hebben we de logica van een rekenmachine: puur kwantitatief. Nu is dat voor toegewijden geen probleem, er staat voldoende goddelijkheid tegenover, dat is de kwestie niet. Het kwantitatieve moet gezien zoals het is. Het punt is dat de z.g. logica van de materialist doortrokken is van baatzuchtige, in feite emotionele, irrationele motieven van voorkeur en afkeer (r â g a en d v e s a). Hierdoor kan men materialistische logica plaatsen in het hokje compensatie, rationalisatie, verdringing, ontkenning en allerlei andere psychologische fenomenen van de destructieve, ontledende en opponerende aard. Hoewel A r j u n a op het slagveld destructie voor ogen heeft, de situatie wil ontleden en oppositie voert, valt hij toch niet in deze categorie. Zijn emoties zijn onfeilbaar op het moment dat hij K r i s h n a de voorrang verleent. Een onfeilbare emotie (met K r i s h n a) is b.v. geloof, onberedeneerde liefde, overgave. Een mens als D u r y o d h a n a, die hier boosaardig wordt genoemd, heeft ook dit soort emoties, maar faalt daarmee omdat hij zijn keuze had gemaakt voor de kwantiteit van K r i s h n a, Zijn leger. A r j u n a dacht niet 'logisch' en koos voor kwaliteit: K r i s h n a Zelf, nog niet beseffende dat K r i s h n a de volledige kwantiteit van al het bestaande omvat.

De merkwaardige situatie doet zich voor dat K r i s h n a tegen zijn eigen kwantiteit begint te (helpen met) vechten uit liefde voor de verschoppelingen van de aarde. Dit heeft een zeer verreikende betekenis. Het doet een normaal geconditioneerd mens beseffen dat hij zich vrijwel altijd vergist. Zo gauw we op de wereld letten en kiezen voor veel, dan krijgen we van K r i s h n a weinig. Koesteren we geen verlangens en hebben of houden we weinig, dan geeft K r i s h n a ons alles wat Hij maar bij ons kwijt kan en moeten we zeer hard werken om dat te kunnen respekteren.

Waar is de logica in dit alles? We weten dat het zo werkt, we snappen wel dat er steeds toename in de natuur is, alles groeit en bloeit, we zijn ergens vandaan gekomen, maar willen we dit verklaren, dan is dat als tegen de zon in staren en iets willen zien. Dit is de aard van K r i s h n a: Hij omvat altijd veel meer dan wie ook kan overzien en dit is Zijn kwaliteit: ondoorgrondelijk.

Je kan je afvragen wat het voor zin heeft al deze redeneringen op te zetten. Logica in dienst stellen van K r i s h n a houdt in dat we het wonderbaarlijke dat de rationalist wegdenkt, voor onbestaanbaar acht, onder ogen leren zien. Ergens moet je toegeven dat het je allemaal teveel wordt en je het alleen met je beperkte verstand niet meer aankunt. Zo staat de filosoof hopeloos met zijn heuristiek, zijn vuistregels. K r i s h n a breekt al die regels en vervangt die voor één regel: Ik ben jou, maar jij bent niet Mij. Dit kan niemand begrijpen. Deze wereld is Zijn speeltuin, Zijn spel en vermaak, Zijn droom, Zijn genialiteit, Zijn voorstelling, Zijn werkelijkheid. Wij mogen dat ook wel ons toedenken, maar komen nooit verder dan de realisatie van de kwaliteit: daarin ligt het behoud, de kwantiteit is wat ons 'teveel' is; het is K r i s h n a Zelf. A r j u n a keek naar het leger van de vijand en zag een enorme kwantiteit: groter dan die van hemzelf, in kwaliteit nauwlijks voor die van hem onderdoend. Terecht stelt A r j u n a hier de boosaardigheid duidelijk: veel boeven hebben veel ruzie, weinig boeven niet (de kwantiteit van het kwaad kan zichzelf niet vermijden). Oppervlakkig bekeken is het uiterst angstwekkend, zo'n meerderheid die zijn onwil op jouw minderheid wil botvieren. Als we echter bedenken dat het boze, en D u r y o d h a n a had zeker veel boosaardigheid op z'n geweten, zoals medeplichtigheid aan het reeds eerder willen vermoorden van de P â n d a v a's, steeds met het Ware Zelf in konflikt is en daardoor het zelfvertrouwen niet zo standvastig is als het machtsvertoon doet voorkomen, dan is het begrijpelijk dat één man volstond om duizenden te verslaan. Haat en kwaad vernietigt zichzelf in onwaarheid en in chaos. Tegenover deze lotsbestemming van de Leugen, met een grote L, staat de natuur van het ware: zonder een overtuigende materiële logica bloeit en groeit het de liefde voor het leven. Hoe groot de vernietigingskracht der mensen ook is, het leven gaat na de toepassing ervan gewoon weer verder en overwint altijd.

 

1.24 Sañjaya zei: O telg van Bhârata (Dhritarâshthra), toen Hrsîkesa (K r i s h n a) aldus door Gudâkesa (A r j u n a) was aangesproken, mende hij de prachtige strijdwagen naar het middenveld tussen de beide legers.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a wordt hier H r s i k e s a genoemd om de nadruk te leggen op Zijn meesterschap (zie 1:15). Hij heeft nog niets gezegd en stelt zich gedienstig op. A r j u n a's bijnaam in dit verband heeft betrekking op het feit dat hij de slaap (g u d â k a) de baas is en daarmee de onwetendheid van de slaperige die altijd half loopt te dagdromen. Een wakker persoon, zo weten ook veel materialisten, maakt meer kans op de overwinning. Dit lijkt een open deur, maar is belangrijker dan men denkt. Veel slapen in de illusie dat dat nodig is, omdat men nu eenmaal zo'n 'type' is, vormt een vicieuze cirkel waar men maar nauwelijks uitkomt: om wakker te worden moet men wakker zijn, men is het niet, dus wordt men niet wakker. Zo is K r i s h n a altijd meer bewust dan wij zijn. Wij zien onze kwaliteiten heel goed, maar voor het overige lijden normaal, d.w.z. materieel geconditioneerde mensen, aan een overmaat aan verbeeldingskracht: de droom of illusie die het tekort moet compenseren. Dit is de liefde van K r i s h n a Zelf die we moeten achten en als de Zijne herkennen. We moeten onszelf niet als de oorzaak zien. K r i s h n a is de oneindigheid van de verbeeldingskracht en wij moeten oppassen ons die niet valselijk toe te eigenen. Vandaar de universele liefde voor het nuchtere gezonde verstand.

In feite moeten we leren om die verbeeldingskracht ten goede aan te wenden, terwille van zijn oorsprong: de Hoogste Persoonlijkheid Gods, B h a g a v â n_S r i_K r i s h n a. Als men beseft dat men slechts een droombeeld is, een poppetje op het schouwtoneel van de Heer, dan ziet men de dingen zoals ze zijn. Voor het merendeel der mensen is dit het allermoeilijkst te accepteren; het druist in tegen alle 'gezonde neigingen' te beheersen en genieten. Wie laat zich als een pion op een schaakbord heen en weer schuiven? We willen op de eerste plaats helemaal geen pion zijn, maar b.v. een koning of een koningin, of ten minste een raadsheer... Emoties zijn ons de baas als het gaat om de weerstanden van het ego tegen de volledige overgave. Echt verstandig is het niet om je tegen je eigen ideaal en idool Heer K r i s h n a te verzetten en toch is dat heel normaal. De uiteindelijke werkelijkheid is dat we de geest in bedwang krijgen en de volle beschikking krijgen over onze rede. Dat is een uitkomst van de y o g a, echter de weg ernaar geeft ons de emoties van de gescheidenheid van Heer K r i s h n a. Ons denken hier is slechts een vlaggetje met de afbeelding van H a n u m â n. We moeten niet meer bang zijn deze droom onder ogen te zien. Als we minder slapen beseffen we de droomachtige kwaliteit van het leven. Als we lang slapen is dat een poging om daar een einde aan te maken: weg met de droom, ben ik echt wel uitgeslapen?

Door zich op K r i s h n a te richten kan de hopeloze slaper de slaap overwinnen. Deze concentratie heet s a m â d h i. Als ik in s a m â d h i ben, dan denk ik en leef ik alleen nog maar voor K r i s h n a, het eeuwige bewustzijn van de gelukzaligheid, niemand anders. Normale mensen noemen dat vakantie. Allen zijn het er over eens: je zou je hele leven op vakantie moeten kunnen zijn.

 

1.25 In tegenwoordigheid van Bhîshma, Drona en alle leiders van de wereld zei H r s i k e s a, de Heer: O Pritha, kijk toch naar alle K u r u 's, die hier verzameld zijn.

T o e l i c h t i n g

Op dit punt kunnen we gaan speculeren over wat K r i s h n a bedoelt met deze uitspraak. Laten we het aan Hem Zelf over om dit duidelijk te maken, dan kunnen we zeggen dat 'zoon van Pritha' betrekking heeft op A r j u n a's moeder. K r i s h n a zegt dus: zoon van je moeder. P r t h a, ofwel koningin K u n t î, was K r i s h n a's tante en A r j u n a was dus een neef van K r i s h n a. In Nederland zeggen we wel eens 'volle neef', zinspelend op de vertrouwelijkheid van de familierelatie. Op dit moment vóór de strijd losbarst is dit veelzeggend: K r i s h n a wil ons, A r j u n a , laten weten dat we familie van Hem zijn, neven en nichten om precies te zijn. Niet direkt kinderen van 'Mij' 'God de Vader'. Dat is K r i s h n a's gewone doen niet, zo is Zijn spel. Wel vindt Hij het noodzakelijk A r j u n a te attenderen op de aanwezigheid van de vijand. We willen er hier niets over zeggen. We laten K r i s h n a aan het woord. Deze houding van enerzijds familiariteit en anderzijds de zaken maar nemen zoals ze zijn is kenmerkend voor de toegewijden van K r i s h n a. Toegewijden die dat soort dingen ontkennen, moeten oppassen dat ze niet het slachtoffer worden van hun eigen spel.

 

1.26 Toen kon A r j u n a vanwaar hij tussen de beide legers stond zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moeders kant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn grootvader en goede bekenden zien die allen daar aanwezig waren.

T o e l i c h t i n g

In het nederlands kent men de uitdrukking 'een ezel tussen twee hooischelven' om een situatie van besluiteloosheid aan te duiden. In dit vers wordt de vijand één met de tegenstander. Aansluitend op K r i s h n a's zinspeling op de familierelatie, nu de realisatie dat het ook nogal familie is wat er op het slagveld notabene tegenover elkaar staat opgesteld. Te stellen dat de B h a g a v a d_G î t â resultaat is van een uit de hand gelopen familieruzie is hier wel op zijn plaats. A r j u n a dreigt tussen de wal en het schip als een ezel besluiteloos te worden. Natuurlijk is het te laat om nog terug te krabbelen, men staat nu eenmaal niet op het slagveld voor de uiterlijkheid van het indruk maken. Het gaat om een krachtmeting. De positie van A r j u n a is die van de onwetende ezel die niet kan beslissen. Wat moet hij er van denken nu hij ziet wat zijn eergevoel voor een oppositie oplevert? Te vertrouwen op zijn keuze voor de kwaliteit van K r i s h n a is niet zijn probleem. De omvang van het probleem komt in zijn volle kwantiteit nu naar voren. Dit soort dingen is moeilijk vooruit te zien. 'Je moet het meemaken', zegt men.

We kunnen onszelf niet altijd in A r j u n a herkennen, omdat we in staat van illusie graag voldaan zijn over onze keuzes. Pas bij een echte, objectieve confrontatie met familie en vrienden krijgt men het moeilijk. 'Zijn mijn vrienden nu opeens mijn vijanden? Zijn mijn neven, grootvader, leraren nu opeens een hindernis?' Dit soort dingen kunnen we niet zomaar onder ogen zien. Daarom kunnen we ook niet zomaar kiezen. Gehechtheid is het probleem van de besluitvaardigheid. Gevolg is dat we maar niet kiezen totdat het niet meer anders gaat. Zo leven heel veel mensen een stille wanhoop: waar moet ik in God's naam mijn eer aan ontlenen, hoe moet ik bestaan zonder een gezicht? Door een verzaken van een actief leven van het goede vervallen we in hartstochten die ons als vanzelf voortdrijven totdat twee woedende partijen hun materiële belang verkondigend in ons hart, in de huiskamer, het parlement en op het slagveld tegenover elkaar staan. Dat hebben we dan eigenlijk niet gewild. We zien dat niet als een resultaat van onze besluiteloosheid, maar zien slechts een materialisatie van het kwaad dat eruit voortkomt. Wie de liefde niet leeft, moet met de duivel dansen. Heer C a i t a n y a maakte ons duidelijk dat deze dans ontspringen alleen mogelijk is als we bewust met God willen dansen. Letterlijk. Waar is de vijand m â y â als we zingen en dansen met K r i s h n a en de genade van gewijd voedsel genieten?

 

1.27-28 Toen de zoon van Kuntî, A r j u n a , al deze verschillende vrienden en familieleden zag, werd hij door hevig mededogen overweldigd en sprak: 'O K r i s h n a, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo'n strijdlustige stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beginnen te beven en mijn mond droog wordt.

T o e l i c h t i n g

S w a m i_P r a b h u p â d a verduidelijkt hier dat de symptomen van A r j u n a geen teken van zwakte vormen, maar een bewijs van zijn kwaliteit als toegewijde. A r j u n a heeft een vertrouwensband met K r i s h n a die hem behoed voor verharden en verbitteren. Hij heeft een hart en kan niet zomaar tegen zijn eigen familie in de aanval. Op dit ogenblik zoekt A r j u n a steun bij K r i s h n a. Van bevelhebber wordt hij klager. Deze transformatie is beslissend. Iedereen kan dat herkennen: ons volwassen vertoon van zelfbeheersing wordt doorbroken door kommer en kwel, we storten in en roepen om onze moeder. K r i s h n a komt in de positie dat Hij moet tonen dat Hij de Alwetende is. Die positie geven wij Hem, het is Zijn Genade, niet Zijn begeerte. Zo zoeken in de materiële wereld overal mensen naar steun en middelen om het lijden ongedaan te maken. Wie wil er voor K r i s h n a spelen? Hele menigten steken hun vinger omhoog, maar wie kan de verantwoordelijkheid van de gelukzalige, eeuwige en al-bewuste God de Vader aan? In de praktijk blijkt er altijd weer ergens een toegift te zijn die luidt: en bekijk het verder zelf maar. In feite kan niemand behalve K r i s h n a die verantwoording dragen. In de hele menselijke geschiedenis is er ook maar één persoon, K r i s h n a, die dit feit waar kan maken. Als het dan aankomt op het aanvaarden van oplossingen, waarom leven we dan niet getrouw 'ere wie ere toekomt'? Het antwoord op deze vraag is steeds dezelfde: 'we weten niet beter'. We zijn maar een stelletje ongeregeld aan de monding van een aantal grote rivieren levend en uitziend naar wat handel en vertier. Waarom zouden we ons druk maken over een indische vorst van 5000 jaar geleden? Is Christus ons al niet exotisch genoeg? Moeten we nu na al dat Latijn nu ook nog Sanskriet gaan leren? Voor A r j u n a is er hier geen uithuilen en opnieuw beginnen meer bij. Hij moet met z'n billen bloot. En precies zo vergaat het ook menig modern mens. We hebben geen keuze in feite. Oude schoenen moeten weg, nieuwe zitten nog niet lekker. Dat was altijd al zo en het zal ook altijd zo blijven. De zaken zijn zoals ze zijn; als de runderlappen en biefstukken zijn uitgekauwd, we niet meer in de 'kankerstokken' en de alcohol e.d. kunnen geloven, de t.v. de hele dag ook niet aan kan staan, wat moeten we dan K r i s h n a? Wat valt er nog uit te huilen na een tweede wereldoorlog, kanker en aids? Eerlijk zijn is het probleem van de materialist. Terecht neemt S w a m i P r a b h u p â d a A r j u n a voor ons in bescherming. Hij, S w a m i, kan zijn pretenties waar maken. Hij redeneert niet voor zichzelf, hij doet niet alsof hij K r i s h n a is. Hij helpt ons K r i s h n a te vinden, met K r i s h n a te leven en van K r i s h n a te houden. S w a m i P r a b h u p â d a heeft zijn lichaam allang verlaten (in 1977). Als we hem kunnen bedanken desondanks, dan zal K r i s h n a ook niet langer vreemd voor ons blijven.

's Morgens voor dag en dauw zingen de toegewijden voor de m û r t i ' s (=beeltenis zowel als moeilijkheid) van K r i s h n a en de â c â r y a's het volgende gebed voorafgaande aan de Pranâti voor Prabhupâda, terwijl er een â r a t i of lichtoffer (aanbieden van vuur, bloemen , water, wierook e.d.) wordt gehouden.

 

1.29 - 1.38

 

1.29 Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat overeind. Mijn G â n d î v a glijdt me uit de handen en mijn huid gloeit.

T o e l i c h t i n g

Mensen die leven in de materiële levensbeschouwing, zijn zo geconditioneerd dat hun leven wordt bepaald door begeerten, gehechtheden, boosheid als ze hun zin niet krijgen, illusies van allerlei aard (in vijf soorten: gehechtheid, haat, trots, onwetendheid en valse identificatie (zie S.B. 3.10:17 waar S w a m i_P r a b h u p â d a over de k l e s a's spreekt als vijf soorten van illusie), hebben last van een slecht concentratievermogen en gaten in hun geheugen. Bovenal zijn ze niet stabiel. Steeds verliezen ze hun integriteit door onbeheerstheid en een gebrek aan kennis. Door dit alles werkt hun intelligentie niet zoals het zou moeten. Angst is het symptoom van deze levenspositie. Symptomen zoals A r j u n a die vertoont, komen voort uit een materiële levensvisie. Hij ziet niet in dat hij een hoger principe moet dienen. Hij is zich niet bewust van het overwegend belang van de ziel. De ziel is volgens het woordenboek het levensbeginsel in de mens dat in sommige religies als eeuwig bekend staat. Dit is een redelijk vage definitie waar mensen als A r j u n a op zo'n ogenblik, in de confrontatie met de op handen zijnde katastrofe niet aan denken. De ziel is datgene in de mens dat zichzelf bewust is en waar men zijn ik in situeert. De materieel gekonditioneerde mens identificeert het begrip ziel met zijn lichaam en verkeert daardoor in voortdurende angst. Het lichaam staat voortdurend aan veranderingen bloot en moet uiteindelijk verschrompeld en gebrekkig worden opgegeven als een nutteloos kreng. Men kan het vergelijken met auto's en hun bestuurder: de ziel is het zelfbewustzijn, de zelfherinnering die verantwoordelijk is voor het programma van handelingen en doelstellingen waarmee de auto, het lichaam wordt bestuurd. De onontwikkelde ziel denkt dat hij alleen in zijn huid zit en hij alleen de dienst uitmaakt. Zo'n iemand noemt men materieel geconditioneerd. Hij laat zich door zijn zintuiglijke indrukken bepalen en is zo slaaf van de materie. Hij leeft op het vermijden van pijn en het bevredigen van lust. Hij maakt nauwlijks of geen onderscheid tussen sex en liefde en volgt het primaire principe van direkte bevrediging.

Cultuur frustreert de natuurlijke behoeften en dwingt het levend wezen tot secundair reageren. Uitstel van bevrediging noopt tot beschaving, we kunnen niet steeds als een klein kind staan brullen om iedere frustratie. Derhalve volgt men het secundair principe, de z.g. subliminale weg, d.w.z. dat de primaire drift wordt afgeleid en omgevormd tot een zinvolle culturele aktiviteit zoals b.v. piano spelen. De cultuur is in die zin in wezen niets meer dan de bos met veren die de vogel heeft om zijn aantrekkelijkheid als sexpartner te tonen. Sublimatie en het secundair principe zijn beide van de materiële levensbeschouwing. Pas bij de inmenging van de moraal van het door de psychoanalytici gekoesterde abstracte begrip 'superego', verschijnt er iets ten tonele dat aan de ziel en geest doet denken, maar verder in het ongewisse blijft. Men kan door zijn materiële motivatie niet goed ontdekken door wat men nu eigenlijk beheerst wordt. Het is te vergelijken met de kontrolelampjes op het dashboard van de auto: ze zeggen van alles over wat er aan de hand is zodat men goed kan opletten, maar men weet daarmee nog steeds niet welke weg men moet gaan. Ook analytische landkaarten, zoals de onpersoonlijk redenerende geleerden hanteren, helpen niets, men vindt er niemand in die de verantwoordelijkheid voor het reisplan wil dragen.

Met het K r i s h n a-bewustzijn is het als met een prospektus van een vakantieoord waar men met zijn autootje (in zelfverwerkelijking) naar toe kan reizen en men zich en anderen kan onderhouden. Bevalt het niet, dan kan men zich bij de reisorganisatie beklagen. Er is dan een autoriteit die aanspreekbaar is op het verloop van de 'reis'. K r i s h n a is de autoriteit van de reis naar het geluk, Zijn programma is de geest van de Absolute Waarheid en Zijn reisdoel is de plaats waar geen angst bestaat. K r i s h n a-bewustzijn is niet zomaar een subliminatieverschijnsel waar je af en toe lekker mee bezig bent. K r i s h n a -bewustzijn is saamhorigheid ontwikkelen met K r i s h n a en Zijn toegewijden. Een ieder doet dat op zijn eigen manier, maar K r i s h n a en Zijn 'programma'worden daar niet anders van. Men moet leren omgaan met K r i s h n a. K r i s h n a's geest is eindeloos en subtiel. Het is ook niet een gefixeerde ziel. Al is dit een boek van vierduizend pagina's, dan kan men nog rustig verder lezen. K r i s h n a kreeg van zijn leraar (Sandipanimuni) de zegen dat alles wat Hij zou voortbrengen steeds als nieuw zou zijn. K r i s h n a is het leven zelf en niet vast te leggen, hoewel in de zee van Zijn onpersoonlijke aard wel een schip drijft dat b h a k t i heet. Aan boord van dat schip weet men hoe Hij er uitziet en wat Hij gezegd heeft. Daarin vindt de bemanning en de passagier zijn, Zijn, vreugde. Dan is er sprake van een einde van het materieel bepaalde en een leven van geestelijke bepaaldheid doortrokken van Zijn Volkomenheid (p u r n a m) met Zijn volheden: rijkdom, kracht, schoonheid, verzaking, roem en kennis. Materieel redenerend kunnen we deze volheid niet verkrijgen. We kunnen wel stelen, wat rijkdom of wat kennis, of wat kracht. Daarvoor moeten we dan hard zweten en voortdurend als een dief in angst leven. Wie niet weet dat K r i s h n a de oorspronkelijke eigenaar van al het geschapene is, moet in angst leven om het verlies van Zijn bezit.

 

1.30: Ik kan hier niet langer blijven. Ik ken mezelf niet meer, mijn geest wankelt. Ik voorzie alleen maar onheil, o vernietiger van de demon Kes'î.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a wordt hier als de doder van de demon Kes'î genoemd. Kes'î was een wezen dat van gedaante kon veranderen. De kwaadheid van Kamsa, K r i s h n a's boosaardige oom, joeg Kes'î in de vorm van een dol paard naar het gebied van V r i n d â v a n a om daar onheil te stichten. K r i s h n a begreep dat het een uitdaging aan zijn adres was en vocht met de demon. Door uiteindelijk een vuist in zijn bek te steken en het paard daardoor te verstikken overwon hij het demonische wezen.

De paniek van A r j u n a is als het dolle paard dat V r i n d â v a n a bedreigde. K r i s h n a is degene die een dergelijke 'dolheid' zonder aarzelen naar een andere wereld helpt. We hebben allemaal de neiging om confrontaties uit de weg te gaan en in het leven doen zich vele situaties voor waarbij we, net als A r j u n a, in dubio staan over wat nu precies heldendom en lafheid is. In de ogen van een niet-gelovige ziet een onthecht iemand eruit als een lafaard. Hij wordt door de materialist geminacht omdat hij niets doet, in zijn ogen. Anderzijds wordt degene die een missie vervult in het leven en de zaken van God behartigt niet als een held herkend omdat hij dan een meeloper zou zijn. Alle aktie terwille van God is fout in de ogen van een materialist. De causaliteit van een dergelijke logica wordt bepaald door de dualiteit van de wereld der materiële tegenstellingen. Welke positie men ook inneemt, steeds is er winst en verlies. Zo zag A r j u n a, met de logica van de wereld, in het Sanskriet  u p â d h a n a_k â r a n a  genoemd, alleen maar onheil. Door zijn appèl aan de faam van K r i s h n a als de doder van de demon Kes'î, gaf hij echter blijk van vertrouwen in een tweede vorm van causaliteit die in het Sanskriet  n i m i t t a  m a t r a m  wordt genoemd, of achterliggend; deze heeft de logica van het K r i s h n a-bewustzijn: geef je alleen over aan K r i s h n a en wees zelfstandig in dat opzicht, zegt Heer C a i t a n y a; laat je niet misleiden door de begoochelende werking die uitgaat van de strijd der tegenstellingen der materiële wereld, laat je door m â y â geen oor aannaaien. Of je nu een missie voor Hem vervuld, in de wereld; of je nu bezig bent met onthechting, bezinning en heroriëntatie, voor K r i s h n a ben je dan de ware held.

 

1.31: Ik voorzie niets goeds, K r i s h n a in het doden van mijn eigen bloedverwanten in deze strijd en ik verlang geenszins naar de overwinning, het koninkrijk of het geluk dat ik als gevolg daarvan verwerf.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a bevond zich reeds in de onthechte staat. Hij was immers reeds jaren banneling in zijn eigen koninkrijk. De weg der verzaking was voor hem dus niet langer reëel. Na de periode van versterving had hij voldoende kracht, inzicht en motivatie ontwikkeld om D u r y o d h a n a van zijn gewetenloze levenswandel af te helpen. Hij behoorde niet tot de geestelijke orde echter. Het was niet zijn opdracht om met woorden en andere middelen van sociale pressie zijn neef op de knieën te dwingen. Hij was van hetzelfde slag als D u r y o d h a n a: een bestuurder (een z.g. k s a t r i y a). Bestuurders en militairen zijn van dezelfde orde. Voor A r j u n a was er geen uitweg uit de situatie.

Door dit soort waarheden is er altijd oorlog en strijd gaande in de wereld. Ookal is er een andere wereld voorstelbaar, in ons tijdvak waarin we spreken van 'beschaving en cultuur', is werkelijke wereldvrede niet haalbaar. We zijn in K a l i- y u g a, zo heet dit tijdvak, dat met het verdwijnen van K r i s h n a zijn aanvang nam, gebonden aan een voortdurende repetitie van de slag bij Kurukshetra. De geschiedenis herhaalt zich, zegt men, ookal gaat het dan telkens een beetje anders. De reden dat we hier niet veel aan veranderen kunnen ligt in de aard van V i s h n u. Moderne, impersonalistische natuurwetenschappers verklaren dat volgens de z.g. entropiewet, die stelt dat alles tot 'chaos' of diversiteit en tegenstelling (S h i v a) neigt in de materiële wereld, de eenmaal onstane verscheidenheid niet meer ongedaan kan worden gemaakt (V i s h n u), terwijl de ontstane orde (de z.g. 'warmteuitwisseling'-B r a h m â) wèl omkeerbaar is. Ookal doet het verdwijnen van veel diersoorten tegenwoordig het tegendeel vermoeden, we krijgen er even zovele diergelijke menssoorten voor in de plaats (B.G.15:8; zie afbeelding bovenaan pagina). Zo stammen we soms niet alleen van de apen af, maar ook van varkens, runderen, honden en katten, zonder ook maar enigszins bereid te zijn het er veel beter van af te brengen dan die afkomst suggereert. Er is dus hoe dan ook behoud van functie en dus van effect in de materiële schepping. We veranderen wel van vorm, maar niet meer van aard. We kunnen kiezen uit een repertoire dat op zich zo blijft, ookal wordt er steeds iets aan toegevoegd.

Het is dus niet zo dat V i s h n u impliceert dat er een 'wet van behoud van ellende' zou bestaan. Het is zo dat een ieder altijd de kans krijgt zich aan de ellende van het materieel bestaan te ontworstelen, waarmee echter de ellende op zich niet uit de wereld is geholpen. Veel idealisten, illusiegangers, die de werkelijkheid niet goed onder ogen kunnen zien, ontkennen het 'kwade' simpelweg en beweren dat we de wereld moeten verbeteren. De werkelijkheid is echter dat je alleen jezelf kunt verbeteren. Voor anderen kan je het goede voorbeeld geven, een richtingaanwijzer vormen, een weg bereiden. De agressie waarmee het christendom heidenen dacht te kunnen bekeren is ronduit naïef te noemen. Je kan alleen uit naastenliefde, zoals Christus zegt 'via Mij' tot K r i s h n a komen. Nevenmotieven leiden altijd weer weg van dat doel. Terecht ook de modernistische voorkeur voor het anti-autoritaire, ookal verdoezelt dat het bewustzijn van de gezagsverhoudingen, waardoor men ernstig nadeel kan ondervinden. De y o g a leert dat als we iets verzaken, we er iets anders voor in de plaats moeten krijgen, anders zijn we op de verkeerde weg. Ons zachtgeaarde gevoel van christelijke naastenliefde, wat in de praktijk neerkomt op aardig blijven voor elkaar, reserveert de b h a k t i voor mensen van goede wil. B h a k t i of toewijding is niet iets exclusiefs van de v a i s h n a v a's natuurlijk. Je kan stellen dat t.o.v. het christendom de y o g afilosofie wat meer ervaring heeft en daardoor wat reëler in het leven staat.

De deplorabele toestanden die men in India kan aantreffen zijn vaak aanleiding voor het minachten van de gehele cultuur. Als we deze chaos echter herkennen als de werking van God de behouder, V i s h n u, dan snappen we de motieven van de Indiër beter. De vrijheid van de armoede is de weg naar de gelukzaligheid, hetgeen overigens ook wel bekend is bij de christelijke monniken: werkeloosheid bestaat niet, wel salarisloosheid. Als we niet meer om ons 'verdiende loon vragen', dan zien we dat we hier eigenlijk net zo leven als in India. De Indiër kan ook in iedere tempel een maaltijd krijgen in ruil voor aangepast gedrag. De 'sociale dienst'werkt daar een beetje anders dan bij ons, maar geeft blijk van dezelfde z.g. dissipatieve orde; orde ontstaan uit de entropische verstrooiing. Hoeveel kastelozen, mensen die niet weten tot welke maatschappelijke groepering ze behoren, zijn er niet in onze 'moderne' samenleving?

 

1.32 -35 O Govinda, wat baten ons koninkrijken, geluk of het leven zelf, wanneer degenen voor wie we dit alles verlangen nu tegen ons opgesteld staan op dit slagveld? O Madhusûdana, wanneer leraren, vaders , zoons, grootvaders, ooms van moeders kant, schoonvaders, kleinzoons, zwagers en alle familieleden, bereid hun leven en goed te offeren, tegenover me staan, waarom zou ik ze doden, ookal behoud ik het leven? O Janârdana, instandhouder van alle wezens, ik ben niet bereid met ze te vechten, zelfs niet in ruil voor de drie werelden, laat staan voor deze aarde.

T o e l i c h t i n g

Hier stelt A r j u n a uitdrukkelijk dat hij niet bereid is zijn familie op te geven, ookal staat die tegenover hem opgesteld. Het is een regelmatig terugkerend thema, te moeten kiezen tussen familie en het verdedigen van de eer. Dit geldt zowel voor de keuze voor de familie der toegewijden als voor de familie in genetische zin. Heer C a i t a n y a Zelf is het wonderbaarlijk tegenwicht met die twee. Uitdrukkelijk weigerde Hij vaak dat men Hem aanbad. Ook leefde Hij afgekeerd van Zijn bloedverwanten. Hij koos voor R â d h â's liefde voor K r i s h n a en leefde voor niets anders. S'rîla Rûpa Goswâmî, een vooraanstaande â c â r y a, merkt in zijn werk over b h a k t i, de B h a k t i - r a s â m r t a - s i n d h u (in een bewerking van S r i l a_P r a b h u p â d a genaamd 'de Nectarzee der Zuivere Liefde') op: ' Hij (K r i s h n a) geeft hem ook leiding van binnenuit, waardoor de toegewijde zeer snel tot het nivo van geestelijke volmaaktheid kan opstijgen. Deze overgave wordt a t m a - n i v e d a n a m genoemd' (volledige overgave), (Hoofdstuk 11 N.Z.L).

Het bestrijden van de familie moet men dus in dit vers, ookal gold dat voor A r j u n a letterlijk, opvatten zoals men de kruisdood van Christus moet opvatten. Men heeft in de wereld zijn kruis te dragen. Zo moet de toegewijde leren kiezen voor de zelfrealisatie en te varen op het kompas van de leiding die K r i s h n a ons van binnenuit geeft. Dat is wat met overgave en het opgeven van al het andere wordt bedoeld. Als men dan ziet dat toegewijden d a n d a v a t gaan (=uitgestrekt op de grond gaan liggen voor de m û r t i en de geestelijk leraar), moet men dat herkennen als een teken van vriendschap merkt Rûpa Goswâmî in dat zelfde hoofdstuk op.

Als we dit begrip overgave aan K r i s h n a materieel opvatten komen we in moeilijkheden. Het doel van de toewijding is de zelfrealisatie van de relatie van de toegewijde met K r i s h n a. Iedereen akkordeert weer anders met K r i s h n a en daarom kan een ander alleen maar op het tweede plan staan. Natuurlijk is de geestelijk leraar en de associatie van toegewijden van het allerhoogste belang bij de ontwikkeling van de relatie met K r i s h n a. Maar het doel ligt niet in de buitenwereld in de zin van uiterlijk vertoon van gehechtheid aan rituelen, parafernalia e.d. Nu zijn er wel veel universele wetten die stellen dat een mens een sociaal wezen is en dat de gemeenschap autoriteit moet erkennen. In die zin is het onvermijdelijk dat men een geestelijk leraar aanvaardt en omgaat met toegewijden. Zaken leven nu eenmaal niet als ze niet leven. Maar zeker is ook dat diegenen die K r i s h n a -bewustzijn met secundaire motieven van materiële aard ambiëren, weer terugvallen in m â y â en eventueel hun zin voor de toegewijde dienst, de goede wil, verliezen.

Of men nu eerst K r i s h n a van binnen en dan K r i s h n a van buiten zou moeten realiseren is onduidelijk. Voor A r j u n a op het slagveld is in ieder geval duidelijk dat K r i s h n a bij hem niet stabiel gevestigd is, terwijl hij samen met Hem op het slagveld aan zijn uiterlijke aanwezigheid in ieder geval niet hoeft te twijfelen. Bezint eer ge begint is een lofzang op de terughoudendheid: ik geef me niet zomaar aan K r i s h n a over. Dat is verstandig in het licht van het feit dat het uiteindelijk gaat om de overgave aan K r i s h n a van binnen. Anderzijds komt A r j u n a in de situatie: als je er niet aan begint is het de duivel waar je je op bezint. Een teveel aan eigengereidheid kan gevaar opleveren in de chaos van m â y â ten onder te gaan. De psychiater verdient er zijn brood mee.

De drie werelden waar dit vers op zinspeelt zijn hemel hel en vagevuur, waar de b h a k t i over spreekt in termen van planetair bestaan: er zijn allerlei hogere (u r d h v â of s v a r l o k a's), lagere (a d o of p a l â t a l a l o k a's) en leefwerelden als de onze (m a d h y a of b h û r l o k a's), die men letterlijk als aparte planeten in het universum van de kosmische tijd opvat. A r j u n a maakt duidelijk dat hij ook niet wil vechten voor de heerschappij op een hemelse planeet of waar dan ook. K r i s h n a noemt hij hier G o v i n d a, omdat Hij als de bron van vreugde en blijdschap voor het land, de koeien en de zinnen van ieder levend wezen geldt. A r j u n a denkt liever niet aan iets anders. Daarnaast noemt A r j u n a Hem ook als de doder van demonen en als instandhouder van alle levende wezens. Het is A r j u n a's variant op 'God sta me bij', geprojecteerd op K r i s h n a. Ookal wist A r j u n a allang dat K r i s h n a de Hoogste Persoonlijkheid is, hij kon echter niet voorzien wat K r i s h n a Hem op het slagveld temidden van de troepenmachten van de wereld zou tonen.

 

1.36 Er zal zonde over ons komen als we deze aanvallers doden. Daarom is het niet goed als we de zoons van Dhritarâshthra en onze vrienden van het leven beroven. O Mâdhava, hoe zouden we gelukkig kunnen zijn als we onze eigen familieleden zouden doden?

T o e l i c h t i n g

De z.g. vader-doder is iemand die zich zo liefdeloos gedraagt, dat de vader van kommer en ellende naar het hiernamaals verhuist. A r j u n a kan het zich niet veroorloven zo'n liefdeloos persoon te zijn en alleen maar aan zijn eigen 'zieleheil' te denken. Overeenkomstig z'n geboorte moet iedereen zijn aard getrouw zijn plicht doen. Dat is K r i s h n a -bewustzijn. Plicht aangaande de ware aard welke s a t - c i t - â n a n d a is, ofwel eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid, wordt d h a r m a genoemd. Onwetendheid over hoe we het geluk moeten bereiken, d.w.z. als we niet weten hoe we met K r i s h n a om moeten gaan, wordt a v i d h y a, onwetendheid genoemd. De oorzaak van de onwetendheid is de identificatie met de stoffelijkheid (a h a n k â r a). In de ' v a i s h n a v a-bijbel', het Srîmad Bhâgavatam (11-2-37) staat:

bhayam_dvitîyâbhini vesatah_syâd

isâd apatasya viparayo 'smrtih

tan-mâyayâto budha âbhajet tam

bhaktiyaikayesam_guru-devâtâmâ

Dit betekent: 'Er doet zich angst voor als een levend wezen zichzelf mis-identificeert als het materiële lichaam vanwege de absorptie in de uitwendige, illusoire energie van de Heer. Deze verbijsterende, angstwekkende gesteldheid wordt teweeggebracht door het begoochelend vermogen genaamd m â y â. Daarom behoort een intelligent persoon zich zonder terughoudendheid bezig te houden met de zuivere toegewijde dienst van de Heer, onder leiding van een bona-fide geestelijk leraar, die hij moet aanvaarden als zijn aanbiddelijke Godheid en als zijn eigen leven en ziel.'  De reden dat identificatie met angst gepaard gaat ligt aan de tijdfaktor: 'De tijdfaktor, die de transformatie veroorzaakt van de verschillende materiële manifestaties, is een ander aspekt van de Hoogste Persoonlijkheid van God. Wie dan ook niet weet dat de tijd dezelfde Hoogste Persoonlijkheid is, is bang vanwege de tijdfaktor' (S.B. 3.29:37).

Dit wil zeggen dat als A r j u n a alleen aan zijn eigen hachje, zijn identificatie met zijn lichaam en zijn familie, denkt, hij zijn angst niet kan overwinnen en zich afkeert van K r i s h n a. Om m â y â te kunnen overwinnen moeten 'cliënten', d.w.z. klagende mensen, zich wenden tot een bona-fide, d.w.z. gesuperviseerde 'therapeut', in feite een g u r u of geestelijk leraar die â c â r y a is d.w.z. onderricht door voorbeeld te geven. Mensen die niet klagen, maar toch in angst leven omdat ze van K r i s h n a zijn afgekeerd, moeten leren eerlijk (met zichzelf) te zijn (te 'biechten', te bekennen, zich te 'laten zien', te belijden, te getuigen, liefde te tonen, zich te bewijzen, te 'solliciteren').

In dit vers noemt A r j u n a_K r i s h n a_M â d h a v a, hetgeen echtgenoot van de Godin van het geluk betekent. Volgens S w a m i_P r a b h u p â d a wilde A r j u n a_K r i s h n a daarmee zeggen dat Hij als echtgenoot van de geluksgodin, A r j u n a geen dingen behoorde te laten ondernemen die uiteindelijk slechts ongeluk zouden brengen. Daar voegt hij aan toe dat K r i s h n a niemand ongeluk brengt, dus zeker zijn toegewijden niet. Als we dus vinden dat K r i s h n a ons in de steek laat of ons zelfs zou dwarsbomen, dan moeten we zeggen dat wij K r i s h n a in de steek hebben gelaten en zelf niet in de gaten hebben en waarderen kunnen dat K r i s h n a onze beschermheer is en alle onheilbrengende zaken blokkeert. We weten niet alles, maar we weten wel als iets bij God niet mogelijk is, zoals b.v. het almaar volhouden van een bepaald (materieel) verlangen. Of we geven het op, of we bevredigen dat verlangen. Zo leert iedereen zich in het Hier en Nu van K r i s h n a s Ware Tijd te realiseren, als een toegewijde van s a t - c i t - â n a n d a - v i g r a h a, het Ware Zelf, Heer K r i s h n a (v i g r a h a betekent gedaante).

De psychoanalyticus kan niet als bona-fide g u r u worden erkend. Men betrekt zich namelijk op het onpersoonlijk 'superego' dat niet als een supervisor kan worden erkend omdat het verschil tussen inbeelding en vaststaand feit niet te bepalen is zonder kennis van de gesuperponeerde persoon. De enige persoon die zich in de praktijk als 'God de Vader' laat superponeren is K r i s h n a. Dit is alleen maar mogelijk omdat K r i s h n a dat waarmaakt zoals we verder in de B h a g a v a d  G î t â zullen zien. Nogmaals: in de gehele menselijke geschiedenis is er geen enkele persoon bekend die dit kon waarmaken op het geestelijk, zowel als op het lichamelijk vlak. Er zijn vele, vele nederdalingen van V i s h n u, z.g. v i s h n u - t a t t v a - a v a t â r a's, in alle tijdvakken, maar geen enkele andere kan zowel geestelijk als lichamelijk de status van het Vaderschap der Mensheid waarmaken. In het S r î m a d B h â g a v a t a m (11.22: 50) staat ook dat men na de dood van zijn vader kennis kan verkrijgen over het 'tijdstip van zijn eigen dood'. Dit wil wat betreft K r i s h n a en Zijn a v a t â r a's alleen maar zeggen dat we Hem uiteindelijk van binnenuit als leidgeest moeten aanvaarden.

 

1.37-38 O Janârdana, ook al zien deze mannen, overweldigd als ze zijn door begeerte, er geen kwaad in hun bloedverwanten te doden of met vrienden te twisten, daarom hoeven wij, die de zonde ervan beseffen, hier toch niet aan mee te doen?

T o e l i c h t i n g

Wie geen deel uitmaakt van de oplossing, maakt deel uit van het probleem, zegt men tegenwoordig. Natuurlijk is dit een dubbelzinnige opmerking die in feite niets zegt, zo typisch voor de schizoïdie van de moderne tijd. Niettemin aangewend voor de oplossing die K r i s h n a heet, begrijpen we volkomen A r j u n a's dilemma. Moet ik kiezen voor de K r i s h n a die zich schuil hield in D v â r a k a, een eiland voor de kust waar Hij zich met Zijn immense familie terugtrok vanwege een demonisch heerser genaamd Jarâsandha, die K r i s h n a steeds opnieuw in M a t h u r a, waar Hij Kamsa verslagen had, Zijn oorsponkelijke woonplaats na V r i n d â v a n a, aanviel; of moeten we kiezen voor K r i s h n a de wagenmenner op het slagveld die ons aanspoort voor de goede zaak door te vechten. Vrij van de ontologische vraag te zijn of niet te zijn, ofwel hoe moet ik met God zijn, is A r j u n a dus geenszins. Het blijft natuurlijk zijn eigen beslissing wel of niet als een ridder door het leven te gaan en voor zijn land te vechten. Het lot moest beslissen. A r j u n a had een te groot geweten om alle onderdrukten in handen van zijn neefs te laten verkommeren. Dan zou hij in de hel belanden als een lafaard. Hij was niet de zoon van een b r â h m a n a. Menig edelman die zijn toevlucht zoekt in geestelijke waarheden kan daar vertoeven en vrede vinden zolang als hij zijn beslissingen kan uitstellen. Voor deze mensen is er echter altijd een druppel die de emmer doet overlopen. Het s w a - d h a r m a, de eigen aard, kan niet worden ontkend. A r j u n a moest vechten. Zou hij het toch wagen nog langer te weigeren, dan kon hij wel op enkele afschrikwekkende visioenen rekenen. Hij zou het zichzelf nooit kunnen vergeven en daarom, was het onvermijdelijk dat hij door zijn angst heen zou gaan. De zonde van zijn plichtsverzaking was groter dan de zonde toe te geven aan de uitdaging van twistzieke en begeertige lieden.

Het nu volgende lied verheerlijkt een a v a t â r a van A r j u n a, Heer N r s i m h a - d e v a. Dit is een bijzondere nederdaling van groot belang voor de toegewijden van A r j u n a. P r a h l â d a, een groot toegewijde van K r i s h n a werd in zijn jonge jaren geteisterd door zijn demonische vader die niets met de vroomheid van de jongen te maken wilde hebben. Hyranyakasipu, de naam van die demon, was zeer zeer machtig geworden door een geforceerde y o g apraktijk, waarin hij door het hele universum te verstikken met zijn yoga-oefeningen de gunst had bedongen van onoverwinnelijkheid. Geen enkel wapen zou hem op welke manier dan ook kunnen doden. Toen hij tijdens één van de martelingen van zijn zoon hem uitlachte en 'zijn God' uitdaagde uit een pilaar tevoorschijn te komen, deed K r i s h n a dat in de gedaante van een leeuwgod, half mens, half leeuw. Met zijn zeer lange nagels trok Heer N r s i m h a - d e v a de duivel de darmen uit het lijf en hing die zegevierend om zijn nek. Het nu volgende lied bezingt de glorie van deze beschermheer van de toegewijden die op de schrijn, het altaar, een onmisbaar plaatsje inneemt naast de Panca- t a t t v a. Het lied wordt 's ochtends vroeg en 's avonds na de k i r t a n gezongen ter afsluiting

 

1.39 - 1.45

  

1.39 Wanneer de dynastie wordt vernietigd, raakt de eeuwige familietraditie verbroken - en wie er dan nog over zijn, vervallen tot goddeloosheid.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a denkt niet aan zichzelf alleen. Hij maakt zich zorgen over het handhaven van de tradities. Dit is een standpunt dat hem als bestuurder betaamt. Hij moet handhaven en ziet niet in hoe dat mogelijk is als zijn hele familie in de strijd ten onder gaat. Feit is echter dat hij niet kan overwinnen en de eer hoog houden van de traditie als hij de strijd niet aangaat. Een familietraditie zonder rechtgeaardheid is natuurlijk niet de eer. Duidelijk is dat A r j u n a zijn verstand aan het verliezen is. Emoties maken zich van hem meester en hij zoekt uitvluchten. Met de dominantie van Duryodhana is de traditie al verbroken. A r j u n a verwijst naar zichzelf als hij het over de traditie heeft. Hij herkent zichzelf niet als zijnde capabel die traditie ook na de strijd hoog te houden. Het is het verstand van de jonge man die in respekt voor de ouderen zich afhankelijk opstelt: alleen via hen zou de, zoals P r a b h u p â d a het zegt, loutering noodzakelijk voor de m o k s a, bevrijding uit materiële gebondenheid, mogelijk zijn. Wat hij even vergeet is dat K r i s h n a zelf zorg draagt voor dit proces en door Zijn onsterfelijkheid nooit zal nalaten zijn plicht in dezen te vervullen (zie B.G. 4:7, 4:8). A r j u n a daagt K r i s h n a dus eigenlijk in dit vers uit. Hij doet net alsof hij en zijn familietraditie alleen de last van de deugd, het d h a r m a draagt. Duidelijk is dat, hoewel hij weet dat K r i s h n a de Hoogste Persoon is, hij nog in de illusie van de beheerser en genieter verkeert. K r i s h n a zal hem stevig de les moeten lezen.

Helemaal ongegrond is A r j u n a's angst anderzijds ook niet. Bekend is nu dat na het vertrek van K r i s h n a K a l i- y u g a, het tijdperk gekenmerkt door vrije seks, goklustigheid, het gebruik van intoxicerende middelen en vleeseten zou aanbreken. A r j u n a had afgezien van zijn psychologisch probleem, de waarheid niettemin aardig voorvoeld. Het hart van de k s a t r i y a, de edelman, was in die tijd nog vol hartstocht over het handhaven van de v e d i s c h e standaard van de heerschappij der zeden en normen. De europese adel van onze tijd heeft zo'n standaard [als in de vedische tijd] nog nooit gekend. In de zestiende eeuw in Nederland b.v. hield de leidende adel, christelijk en wel, met kornuiten vrolijke bacchanalen, in volle naïviteit, zonder te voorzien wat de loutering van de alomtegenwoordige traditie voor hen in petto had. Het is typisch voor K a l i- y u g a, dat men het goede voorbeeld kwijt is, zodat het morele wiel telkens opnieuw moet worden uitgevonden. De hollandse reformatorische geest is daar een mooi voorbeeld van. Leren we het niet van de paus, dan maar van de hervormers. En steeds blijkt dat het gestrenge optreden van een traditie te liefdeloos is om de goddeloosheid der jeugdigen te voorkomen. In die zin hebben we met de reformatie dus niet veel meer bereikt dan een heleboel schijn van tegenstellingen. Waarom moeten christenen onderling kibbelen over hoe men een kerk bestuurt, als de mensen, onverschillig welke gemeente ook te weinig weerstand (lees: geluk) in hun geloof vinden om de ellende van het materieel bestaan zoals dat zich uit in de symptomen van K a l i- y u g a, het hoofd te bieden? Of men nu wel of geen heiligen in de kerk vereert, of men nu wel of niet luistert naar een getrouwde priester, met dezelfde levensgewoonten lijdt men min of meer onder dezelfde ellende. Een ietwat andere bijbelvertaling heeft daar ook geen invloed op.

Wat we in feite zien is dat het christendom toegroeit naar een diversiteit die al duizenden jaren in India opgeld doet. In 4: 11 stelt K r i s h n a: 'allen volgen hoe dan ook Mijn weg'. Natuurlijk kan een priester getrouwd zijn. Natuurlijk hoef je niet iedere heilige te vereren, natuurlijk mag je je eigen bijbel schrijven. Het gaat om ieders zelfrealisatie in relatie tot K r i s h n a, God de Vader. Als we dingen voor God doen kan je dat niet egoïstisch noemen. In 4:9 stelt K r i s h n a dat wie voor Hem werkt gevrijwaard blijft van gehechtheid. Het alsmaar elkaar op de kop zitten is te vergelijken met de angst van A r j u n a: we vergeten dat K r i s h n a zelf verantwoordelijkheid neemt voor het handhaven van de traditie. Hij is de Beheerser en Genieter en de Reformator. We moeten simpelweg de les die we van onze zestiende eeuwse adel hebben geleerd onthouden: religieuze tolerantie is de enige werkelijkheid van de Waarheid van K r i s h n a. Het is volkomen normaal en zelfs de bedoeling dat iedereen zich hierin naar eigen aard waarmaakt. B h a k t i - y o g a is de wetenschap van de zelfrealisatie, de realisatie van het ware zelf in relatie tot K r i s h n a. Als we op deze manier een traditie vestigen van mensen die met K r i s h n a, de Hoogste Persoonlijkheid Gods, gelukkig zijn, kan dan de angst verdwijnen dat we in ons volgende leven ons tegen een starre traditie moeten keren. Ongelukkig zijn is niet het goede voorbeeld. Dat is wat 'kinderen'weten en dat is ook waar ze op reageren. De mens wordt altijd door zijn hart bestuurd, ookal rationaliseert men nog zo veel.

 

1.40 Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie o K r i s h n a, raken de vrouwen verdorven en op de verlaging der vrouwen, o telg van Vrishni, volgt ongewenst nageslacht.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a borduurt nog even verder op zijn rationalisatie, waarmee hij de probleemstelling van de hele B h a g a v a d_G î t â aan de orde stelt. Daarmee wordt tussen haakjes duidelijk dat rationalisatie de functie heeft de geestelijkheid nodig voor het overwinnen van moeilijkheden, uit te lokken. In dit geval is het K r i s h n a Zelf die wordt uitgelokt. Normaal voor onszelf als westerse materialisten die niets van de B h a g a v a d_G î t â afweten is dat het analytisch superego dan roept om subliminale aktiviteiten. Daarom, ookal is culturele verheffing nog niet direkt K r i s h n a-bewust, moeten we dergelijke afweermechanismen niet bestrijden en erop vertrouwen dat K r i s h n a de dolende ridder wel bij zijn jonkvrouwe zal brengen.

De probleemstelling die A r j u n a zich hier uitdenkt is universeel. De man is verantwoordelijk voor 1) het buiten houden van de demonen (de verdorven lieden), 2) de zedelijkheid van de vrouw en 3) de religieuze traditie. S w a m i P r a b h u p â d a merkt in zijn commentaar bij dit vers op dat vrouwen nu eenmaal niet bijster intelligent zijn en daarom in de weer moeten zijn met religieuze gebruiken die verband houden met de diverse familietradities (zie ook S.B. 3.25:31). Dit moeten we niet verkeerd opvatten met onze geëmancipeerde unisexuele moraal. Feit is dat de biologie van mannen en vrouwen verschillend is en daarom de vrouw 'minder' intelligent is dan de man, in mannelijk opzicht. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar: mannen zijn dommer in vrouwlijk opzicht. Mannen zijn van die regelneven en vrouwen van die tut-hola's. Zo ziet het negatief sexueel beeld eruit. We kunnen ook met een wetenschappelijke bril op stellen dat vrouwen een betere tijdzin hebben en mannen beter ruimtelijk georiënteerd zijn. De mannelijke illusie dat hij intelligenter zou zijn is dus wel begrijpelijk bij de Indiër. Het is zijn manier om te stellen dat de taken verdeeld zijn. A r j u n a kan moeilijk stellen dat goddeloosheid in de familie leidt tot een verdorvenheid van mannen en dat dan de kinderen zo dwars gaan liggen. Natuurlijk is de man verantwoordelijk voor de goddeloosheid, toch zeker niet de 'domme' vrouw. Een andere manier om dit te zeggen is dat de goddelijkheid van de vrouw van essentiëel belang is. K r i s h n a, M â d h a v a genoemd, omdat Hij de echtgenoot van de Godin van het Geluk is, kan zonder haar goddelijkheid niet slagen in de wereld. Bij ons heet dat: achter iedere succesvolle man staat een vrouw. Herkennen we K r i s h n a als de gelukbrenger, dan vallen de sexismen weg. A r j u n a' s standpunt was wel terecht, maar niet K r i s h n a-bewust. In de gemeenschap der v a i s h n a v a's hebben vrouwen in principe dezelfde rechten als de man. Er zijn ook vrouwelijke g u r u ' s bekend. Natuurlijk is de traditionele man-vrouw rolverdeling echter wel dominant.

De traditionele opvatting over geslachtelijkheid in relatie tot K r i s h n a is dat in feite alle toegewijden 'vrouwen', d.w.z., ontvankelijke lieden zijn. De houding van bescheidenheid en ontvankelijkheid is de juiste 'vrouwelijke' deugd die men nodig heeft om met K r i s h n a te kunnen omgaan. Temeer omdat Hij bekend staat als de beschermer der vrouwen - K r i s h n a verzorgde alle vrouwen die hij bevrijd had uit de handen der demonen - is Hij vanuit die geaardheid, de vrouwlijke, gewild bij de toegewijden. Zo behoort men eigenlijk niet achter K r i s h n a aan te zitten, dat is niet vrouwelijk. Veel toegewijden vergeten dat ook makkelijk. Er is geen gebod 'Gij zult God, Uw Heer, niet begeren'.

 

1.41 Wanneer het ongewenste bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand zowel voor de familie als voor degenen die de familietraditie vernietigen. In zulke verdorven families wordt er aan de voorouders geen voedsel en water meer geofferd.

T o e l i c h t i n g

Dit vers refereert aan het feit dat als de kinderen niets meer voelen voor de religie van de ouders, ze voor galg en rad opgroeien en de zorg voor de ouderen verwaarlozen. Het gaat met name om het hart dat men overledenen toedraagt. 'Ongewenst nageslacht' of ontaarde lieden, hebben niet het geweten om het belang in te zien van wat er met hun voorouders gebeurd is. Ze denken alleen maar aan zichzelf en bevinden zich voortdurend in strijd waardoor ze in al hun relaties, m.n. de familierelaties een storende 'helse' faktor vormen. De traditionele plicht niet alleen de ouders te achten, maar ook de voorouders te gedenken ('offeren van voedsel en water'), maakt deel uit van de natuurlijke verbondenheid met K r i s h n a, God de vader. Wie zich tegen zijn ouders keert en daarmee ook de voorouders vergeet, beseft niet meer waar hij uit bestaat. De ouders vertegenwoordigen God voor het kind en verdienen ook op latere leeftijd alle achting. Ook de voorouders verdienen achting voor de mate waarin ze de deugd en eer van de familie hebben hooggehouden. Gaat men deze eer ontkennen, dan ontkent men in feite K r i s h n a, de Alvervulde, de beschermer van iedere vorm van toewijding. Resultaat is dat dergelijke personen in de meest akelige situaties terecht komen waarin men alleen nog maar van de hel kan spreken.

De b h a k t i - y o g a nu beoogt deze verstoorde relatie te herstellen. Omdat men nu eenmaal niet meteen zijn eigen ouders kan bekeren, en de overleden grootouders al helemaal niet, terwijl dat toch eigenlijk wel nodig is omdat hun gebrek aan God-realisatie het ongelukkige vormde waartegen de ontaarde zich heeft afgezet, treedt K r i s h n a met Zijn vertegenwoordigers en toegewijden daar voor in de plaats. S'rîla Prabhupâda verwijst naar een vers uit het Srîmad Bhâgavatam in dit opzicht: "Ieder die zijn toevlucht zoekt bij M u k u n d a (Hij die bevrijding schenkt), en die allerlei verplichtingen heeft opgegeven en zich in alle ernst op weg begeven heeft - die heeft geen enkele verplichting meer jegens de halfgoden, wijzen, de gewone levende wezens, bloedverwanten, de mensheid of voorvaders" (S.B. 11,5:41). De toegewijde dienst van K r i s h n a is dermate krachtig dat de volledige vloek van een verwaarloosde verplichting elders wordt weggenomen. Omdat alle handelingen van de toegewijde in relatie tot K r i s h n a zijn geplaatst, kunnen deze binnen zijn familie in biologisch opzicht, een zuiverende werking hebben die tot vele generaties terug doorwerkt. Zo brengt een enkele toegewijde binnen één familie een grote zegen over de ganse familie. Zo werkt de genade van K r i s h n a.

Ookal vormt K r i s h n a met Zijn vertegenwoordigers en toegewijden een volledig surrogaat voor een verloren gegane familietraditie, het is geenszins de bedoeling op sektarische wijze mensen van hun achtergrond te vervreemden met een algemeen oordeel in de trant van 'dat is toch allemaal m â y â'. Sommigen die het van huis uit erg moeilijk hebben zullen een volledige compensatie van die gebrekkigheid kunnen vinden. Anderen die het beter getroffen hebben onderhouden naast hun toegewijde dienst gewoon die maatschappelijke relaties die voor hen zin en betekenis hebben. De v a i s h n a v a's zijn in alle opzichten 'normaal' religieus, vol van genade naar anders denkenden, ookal komt het wel eens voor dat een onervaren iemand nog niet helemaal tot die genade in staat is of dat die genade afhankelijk is van een zekere gehoorzaamheid.

 

1.42 Door de wandaden van diegenen die de familietradities verbreken worden allerlei gemeenschappelijke ondernemingen en aktiviteiten ten dienst van het welzijn van de familie weggenomen.

T o e l i c h t i n g

Veel 'moderne' mensen zijn religieus ontworteld. Heer C a i t a n y a daalde aan het eind van de middeleeuwen neder om ons religieuze leven te redden van de liefdeloze boekenwijsheid. De moderne ontworteling hoeft niet altijd de afwezigheid van de familie(-traditie) zelf in te houden. Zoals A r j u n a duidelijk maakt gaat het om de goddeloosheid, het z.g. a d h a r m a van de (moderne) mens. Men klit familiair graag samen zoals een troep samenzweerders dat ook doet. Als religieus sociaal zijn is, is sociaal zijn nog niet religieus echter. De afkeer van boekenwijsheid is niet wat bij de v a i s h n a v a's op het programma staat. Het is de liefdeloze houding van de droge geleerde die alles formalistisch afhandelt welke wordt bestreden. Met papier, inkt en rituelen is de liefde dus niet gered. De familietraditie waar het om gaat is de oude v e d i s c h e traditie. Er zijn zoveel 'familietradities' die berusten op vals gezag. Het is echter geenszins de bedoeling van het s a n â t a n a - d h a r m a, de eeuwige religie, om anderen naar je hand te zetten. Het is de bedoeling om een open deur te hebben voor alle serieuze waarheidzoekers.

Wat we in de weerstand zien is de werking van het mechanisme genaamd projectie: het vals gezag dat berust op onderdrukking (repressie) en teruggang (regressie) van de intelligentie, ziet nooit zijn eigen stilstand (agressie) maar ziet het 'manipuleren en dwingen' bij een vijand die wordt afgeschilderd als een ketter. Zo kon het romeinse rijk christenen vervolgen en kon het rooms-'katholieke' de z.g. ketterij vervolgen. Het goddeloze bestaat er dus uit dat de priesters en politici van de 'gevallen' religiositeit (gevallen: zich niet houdend aan de instructies van de godheid) zich het gezag van K r i s h n a valselijk toeëigenen, zich voor Hem niet kunnen verootmoedigen en dan in hoogmoed de fout bij een ander zoeken.

Van de v a i s h n a v a's leert men dat het om de zelfrealisatie gaat. Dat het Ware Zelf K r i s h n a is en men dus meer dan de eigen creativiteit nodig heeft, is wat men geleidelijk aan ontdekt. De v e d i s c h e traditie is dat iemand die de zaken van de wereld beu is, het 'woud' intrekt, tot bezinning komt en dan terugkeert naar zijn 'oorspronkelijke relatie' met God. Onder invloed van impersonalistische zienswijzen is de traditie regelmatig verbroken geraakt en verkeerde men tijdenlang in de veronderstelling dat men één met God moest worden, moest opgaan in het 'licht', of dat de 'verlichting' het doel zou zijn van de traditie. De verlichting is bij de v a i s h n a v a's, de bewakers van de oude v e d i s c h e traditie, dus geen doel, maar een middel. Het doel is zoals gezegd de realisatie van de oorspronkelijke wezensstaat: de relatie met K r i s h n a. Terwijl K r i s h n a de verlichting Zelf is, moeten we oppassen niet als een mot in die vlam te verbranden. De v a i s h n a v a ziet zichzelf als een vonkje in relatie tot het oneindige van K r i s h n a's vuur dat met het formaat van de zon wordt vergeleken. K r i s h n a te zien als vuur gebruikt men vooral om de vergelijking met zichzelf als nietig vonkje te maken. Mensen met veel toewijding voor het 'vurige' hebben een aparte godheid toegewezen gekregen: Agni genaamd. Dit is één van de vele halfgoden, of de beheersers en genieters van de hogere 'sferen' (planeten). Dezen komen allen uit K r i s h n a voort, maar zijn nooit aan Hem gelijk. Deze halfgoden, in feite de zelfgerealiseerde zielen die in de realisatie van hun oorspronkelijke wezensstaat de hun door K r i s h n a gegeven taken volbrengen, bekrachtigen de almacht van K r i s h n a door het feit dat ze allen aan Hem verplicht zijn naar Zijn wilsbeschikking. Zo kan K r i s h n a ook indirekt onverschillig welk bovennatuurlijk feit dan ook bewerkstelligen: 'Ik woon in ieders hart en sterk een ieder die de halfgoden aanbid in zijn geloof' (B.G. 7:21). Daarom noemt men Hem B h a g a v â n, de Allerhoogste Persoon.

De oude traditie van de v e d i s c h e cultuur kan dus in feite allerlei soorten van zelfrealisatie betekenen: het kan uiteindelijk als resultaat hebben dat men een priester wordt, maar men kan ook even zo goed een kunstenaar of een gewone eenvoudige arbeid verrichtende huisvader zijn. Ieder heeft zijn eigen k a r m a en (s w a-) d h a r m a. Ieder moet zijn eigen weg vervolgen en plicht realiseren. Het goddeloze of a d h a r m a, waar A r j u n a zich zo'n zorgen over maakt in deze verzen heeft dus niet betrekking op allemaal netjes in de kerk zitten of niet. Het heeft betrekking op de algemene principes die ten grondslag liggen aan alle religieus geaarde zelfrealisatie. Het begrip religie houdt bij de v a i s h n a v a's in: het opnieuw zich in verbinding stellen met K r i s h n a, de Allerhoogste Heer. Door zich opnieuw met K r i s h n a te verbinden lijkt het soms wel eens dat de 'familietradities' verbroken raken, omdat men niet meer 'hetzelfde geloof' aanhangt e.d. Zo wordt het hier in deze verzen niet bedoeld. Laat het feit dat de traditie van Y o g i s h v a r a - K r i s h n a - a b h y â s a en v a i r â g y a, onthechten en doorzetten er voor iedereen anders uitziet niet de illusie wekken alsof er geen besturende God zou zijn. Niemand kan in de loop van zijn leven zeggen: ik heb het allemaal zelf gedaan. Het lot, ook God, bepaalt en de mens leert zich te schikken.

 

1.43 O K r i s h n a, die de mensen in stand houdt, via de erfopvolging der geestelijk leraren heb ik vernomen dat diegenen die de familietraditie vernietigen altijd in de hel verblijven.

T o e l i c h t i n g

De geestelijke erfopvolging waar A r j u n a naar verwijst is die van de geestelijkheid van het v a r n â s r a m a -stelsel. V a r n a's zijn de maatschappelijke klassen, in feite roepingen, van bestuur, geestelijkheid, handel en arbeid, terwijl â s r a m a betrekking heeft op de verschillende afdelingen van het geestelijk leven, n.l. het studentenleven, het leven van de gehuwde, het teruggetrokken leven en de onthechte staat (resp. b r a h m a c â r i, g r h a s t h a, v â n a p r a s t h a, en s a n n y â s a genaamd). Binnen dit stelsel kan iedereen zijn plaats in de samenleving vinden. Toen Heer C a i t a n y a nederdaalde aan het eind van de 15e eeuw, werd er vanuit dit stelsel gepredikt. K r i s h n a wordt vermeld als de Behouder ervan. Hij kwam ook niet om dit stelsel te vernietigen, maar om het nieuw leven in te blazen door iedereen van alle klassen en â s r a m a's liefde voor God bij te brengen. In de S r i C a i t a n y a - c a r i t â m r i t a van Krsnadâsa Kavirâja Goswâmî, zegt Heer C a i t a n y a wat deze liefde van God is: " Verneem nu van Mij wat werkelijk de liefde van God is; Het is het hoofddoel van het leven en wordt gekenmerkt door het trillen van het lichaam, tranen in de ogen, zingen en dansen." Dan volgen twee citaten uit het Srîmad Bhâgavatam welke verklaren dat het vormen van een geestelijk lichaam en ontwikkelen van de symptomen van extatische liefde tot stand komt door het zich heugen en anderen doen herinneren aan de Hoogste Persoonlijkheid God's, Hari, die alle ongunstige zaken wegneemt, hetgeen te bereiken is door toegewijde dienst volgens de regulerende beginselen en zo op te stijgen naar het platform van spontane liefde als zuivere toegewijde (C.C. M.L. 139-141).

Heer C a i t a n y a vormde het vertrekpunt voor een vernieuwde geestelijke erfopvolging die wat A r j u n a in dit verband de hel noemt van degenen die de traditie vernietigen, moet wegnemen. Het is dus duidelijk dat men met stelsels van erfopvolging de hel niet kan bestrijden als ze niet bekrachtigd zijn door de Heer Zelve. Tradities kan men in stand houden, maar door de werking van de Tijd veranderen de omstandigheden dermate dat er nieuwe aanpassingen vereist zijn. Tradities hebben de neiging vast te roesten omdat niemand het gezag heeft om deze te wijzigen. Alleen B h a g a v â n K r i s h n a is daar toe in staat. Hij kan de aantrekking uitoefenen die nodig is om mensen zover te krijgen. In de christelijke bijbel wordt gewaarschuwd tegen valse predikers en in de v a i s h n a v a-traditie wordt gewaarschuwd tegen m â y â v â d i ' s, illusiegangers, hetgeen ongeveer op hetzelfde neerkomt. Het recept voor de verandering van C a i t a n y a M a h â p r a b h u is de traditie van binnenuit te veranderen. Hij stelde zich niet anders voor dan als een toegewijde van K r i s h n a, ookal was Hij dan een zeer wonderbaarlijke toegewijde. M â y â v a d i ' s zijn altijd te herkennen aan hun impersonalistische en nihilistische ontkenning van de Persoon van K r i s h n a als de Allerhoogste; door Hem te erkennen raakt men immers verplicht aan Zijn woorden en vertegenwoordigers. Het is de logica van de geestelijke erfopvolging die de mensheid moet behoeden voor een nieuwe val in het duister der onwetendheid. M â y â v â d i ' s geven de illusie dat men zonder K r i s h n a liefde voor God zou kunnen opvatten e n daarmee ontsnappen aan de valstrikken van m â y â. De grote wereldreligies danken hun behoud dan ook aan hun respektievelijke a v a t â r a's, welke rechtstreeks van K r i s h n a afkomstig zijn. Zo moest het Judaïsme worden gered door de incarnatie van Jezus en daalde de Buddha neer om de meditatie te redden. Een ieder die zich in de positie van de Heer plaatst komt ten val en kan met recht een m â y â v â d i genoemd worden. Diegenen echter die steeds bewijzen dat ze de liefde van God niet op hun eigen persoon richten en daarmee het gezag aanvaarden van de Allerhoogste, komen niet ten val en kunnen voortbestaan als een bescheiden prediker van K r i s h n a's belangen. Zo is ook het succes dat veel onafhankelijke g u r u ' s van de twintigste eeuw hebben te danken aan het feit dat ze steeds K r i s h n a diensten bewezen door aan Hem te helpen herinneren. Creatieve eigenheid is van levensbelang voor iedereen. Niemand kan zich als de perfekt programmeerbare robot gedragen. 'Het bloed kruipt waar het niet gaan kan' zegt men in Nederland. Men moet echter wel beseffen dat als deze creativiteit los staat van het belang van K r i s h n a men een illusieganger is die geneigd is tot bedrog en mislukking. Geen normale ziel kan de eeuwigheid torsen. Dit is alleen aan de Allerhoogste. In plaats van in de creatieve hartstocht afgunstig te zijn moet men Hem er dankbaar mee zijn: gelukkig is Hij er om ons uit onze begoocheling en ellende te redden.

 

1.44 Ach, hoe vreemd is het dat we alleen maar uit begeerte naar koninklijk geluk bereid zijn grote zonden op ons te laden.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a ziet de onvermijdelijke strijd op zich afkomen en begint te weeklagen door zich af te vragen of het niet gewoon zijn begeerte is die hem in de situatie brengt dat hij zijn eigen familie van het leven beroven moet. Bovendien gelooft hij ook dat het koninklijk geluk een werkelijk geluk is dat voor iedere veldheer zou zijn weggelegd bij een overwinning. Hoe komt men aan het idee dat men overladen met allerlei wereldse verplichtingen duurzaam geluk zou kunnen vinden? Natuurlijk is K r i s h n a weer het antwoord op al onze vragen. Voor K r i s h n a is gelukkig zijn Zijn levensadem. Het is allemaal Zijn spel en bijgevolg ziet Hij alles in verleden en toekomst als een gelukkig persoon. Hij weet hoe Hij, rijk, de liefde moet besturen. Zoals Jezus na de kruisiging opstond en ten Hemel voer, zo is K r i s h n a in de strijd om het voortbestaan degene die altijd overwint en het geluk behoudt. Terecht denkt A r j u n a dat het zijn begeerte is. Hij kent K r i s h n a en wil zich niet in Zijn positie plaatsen. Zo raakt K r i s h n a verplicht aan zijn toegewijden. Koninklijk geluk bestaat slechts in Hem en Hij alleen kan daar een ander in laten delen. Koningen die Hem ontkennen leven in angst en schuldgevoel omdat al hun liefde begeerte lijkt. A r j u n a is maar een mens zonder veel zin om de wereld te beheersen. Hij kan daar eigenlijk het geluk niet in herkennen. Wel natuurlijk in K r i s h n a. Derhalve gelooft hij wel in koninklijk geluk. Het verwachten van koninklijk geluk bij een overwinning na een oorlog is een illusie te vergelijken met die van de sexuele vrijheid die de 'moderne' mens denkt gevonden te hebben. Hele volksmassa's denken dat een sexuele overwinning hun het eeuwige geluk zal brengen. Het visioen van het geluk dat ze zien is in feite hun bewustzijn van de gelukzaligheid van K r i s h n a die ook in het sexuele te vinden is. Proberen ze echter dit geluk te pakken, dan verdampt de illusie voor hun ogen als ze geen idee hebben van wat K r i s h n a-bewustzijn inhoudt. Krisnadâsa Kavirâj Goswâmî definieert K r i s h n a -bewustzijn als volgt: "K r i s h n a-bewustzijn betekent het begrijpen van de waarheid van K r i s h n a, de waarheid van de toegewijde dienst, de waarheid van de liefde van God, de waarheid van emotionele extase, de waarheid van de transcendentale gemoedstoestand, en de waarheid van de belevenissen van de Heer"(C.c. M.l. 25: 265). Laat dus niemand zich de 'illusie van het koninklijk geluk' op de hals halen, want niets is zo erg als de liefde voor God telkens in rook te moeten zien opgaan. Dat is nou echte zonde. We moeten blij zijn met A r j u n a die bij zichzelf alleen maar begeerte ziet in zijn verlangen naar dat geluk. Van hem kunnen we nog wat leren.

 

1.45 Ik had liever dat de zoons van Dhritarâshthra me doodden zonder dat ik de wapens tegen ze ophef of me verzette, dan dat ik de strijd met ze aanging.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a concludeert dat hij zich liever op de kop laat zitten dan terug te vechten. Deze slotsom komt echter niet voort uit zijn kontakt met K r i s h n a. Het is zijn eigen goedhartigheid welke blijk geeft van een afkeer van geweld in die zin dat hij nog liever eerloos door het leven gaat dan voor twijfelachtig geluk, zoals in voorgaand vers gemeld, in het strijdperk te treden. P r a b h u p â d a merkt in zijn commentaar op dit vers op dat zijn goedhartigheid voortkomt uit zijn toewijding voor de Heer. Hij ging met K r i s h n a heel vertrouwelijk om en wist van Zijn goddelijkheid. Derhalve was zijn bestuurlijke hartstocht steeds getemperd door zijn associatie met K r i s h n a. Toen na de strijd de tijd was gekomen dat K r i s h n a weer terugkeerde naar Zijn bovenzinnelijke woning, verloor A r j u n a zijn onoverwinnelijkheid en zijn motivatie om zelf nog langer op aarde te blijven. Hij en zijn broers worden in de literatuur beschreven als onderdelen van het lichaam van K r i s h n a, waarmee de enorme gehechtheid van onze held aan K r i s h n a duidelijk wordt gemaakt. Echter zoals verderop in het 'Lied van de Heer' blijkt, is K r i s h n a het helemaal niet eens met zijn opvatting van goedheid. A r j u n a heeft K r i s h n a op dit ogenblik voor de strijd nog niet begrepen zoals Hij dat wil.

Zoals A r j u n a in zijn gehechtheid aan het goede de liefde van God, K r i s h n a opvat als een warm bed om in te slapen, zo is ook de naïeve moderne mens met zijn democratische heerschappij van de grote gemene deler niet bereid om uitdagingen aan te nemen en slaapt men liever de slaap der onschuldigen. Waarom zou men moeite doen om ongerechtigheden uit de wereld te helpen, denk aan de middeleeuwse klok b.v. die men eind twintigste eeuw tegen beter weten in nog steeds handhaaft, als het voorvechten van verbeteringen vraagt om probleemstellingen die men eerloos gemakkelijk uit de weg kan gaan (middeleeuws: omdat nu nog steeds als in het begin het apparaat dooie rondjes van 24 uur draait die in de natuur van de beweging van de aarde helemaal niet bestaan, vier dagen van precies vierentwintg uur daargelaten). De waarheid is dat men alleen een probleemstelling als b.v. het tijdprobleem kan aanvaarden als men bereid is de oplossing die in het verlengde ervan ligt te aanvaarden. Als K r i s h n a de heerser is over oplossingen die samenhangen met loslaten en volharden (v a i r â g h y a en a b h y â s a), en men dus in feite voor K r i s h n a moet kiezen bij het aanvaarden van die probleemstelling, dan wordt duidelijk waarom zoveel zaken onder het democratisch tapijt der onwetende, pragmatisch-economische -istische -ismen verdwijnen.

K r i s h n a stelt dat een zuivere toegewijde van K r i s h n a nauwlijks te vinden is, op de vele honderdduizenden treft men er misschien één (B.G. 7:3). Dus geldt voor iedereen die zich gefrustreerd voelt in het bewerkstelligen van oplossingen het volgende advies: windt je niet op over mensen die in staat van onwetendheid de y o g afilosofie uit de weg gaan, maar maak je druk over de gevallen staat van je eigen ziel. Is men eenmaal een zuivere toegewijde, dan liggen alle oplossingen voor het grijpen. De manier om dit geduld op te brengen is eenvoudig: zing en wees gelukkig: H a r e_K r i s h n a,_H a r e_K r i s h n a,_K r i s h n a_K r i s h n a,_H a r e H a r e,_H a r e_R â m a_H a r e_R â m a, R â m a_R â m a,_H a r e_H a r e.

 

1.46 Sañjaya zei: nadat A r j u n a deze woorden gesproken had op het slagveld, wierp hij boog en pijlen naast zich op de strijdwagen neer en ging zitten, overweldigd door verdriet.

T o e l i c h t i n g

Het einde van het gebed dat A r j u n a op het slagveld tussen de beide legers bidt is de realisatie van zijn verdriet. Doorvechten en partij kiezen is verdrietig. Wegvluchten op dat ogenblik, is ook niet bijzonder gedenkwaardig. A r j u n a keert zich naar binnen en ziet daar een verscheurd hart. Het is de voorbode van de werkelijkheid van K r i s h n a die doorbreekt met onze emoties: Hij is de bestuurder, Hij is degene die altijd met ons is. Voordat we uitgehuild zijn kunnen we niet opnieuw beginnen.

Tragisch is de situatie waarin men uithuilt, zoals de tweede wereldoorlog b.v., maar waar men achteraf nog steeds niet precies van weet hoe het zover kon komen en hoe men een dergelijke ramp kan voorkomen. Het is typerend voor de moderne tijd: het spel der tegenstellingen is dermate ingewikkeld dat er een filosofishe spraakverwarring gaande is waarin niemand nog de oorspronkelijke waarheid herkennen kan. Deze waarheid is altijd en overal steeds dezelfde: K r i s h n a is onze Heer, onze God, onze Vader. Ontkennen we dit, dan ontkennen we ons Ware Zelf en vallen we in onwetendheid in de diepten van de hel - en de halfgoden kunnen in hun onvolkomenheid ons geen voldoening schenken.

Waar A r j u n a van moet uithuilen is de illusie dat hij het allemaal zonder K r i s h n a zou moeten stellen. K r i s h n a is bij hem. De verdrietige ziet alleen wat wazige materie met de blik op de wereld. Dat deze illusie zo koppig rationaliseert over familietradities en in K r i s h n a niet direkt de oplossing herkent tegen de val in het weeklagen is typerend voor niet alleen A r j u n a, maar voor iedereen die de ware aard van K r i s h n a nog niet kent.

Ter afsluiting van dit hoofdstuk uit de geschiedenis van de mensheid een toepasselijk lied: het onvermijdelijke verder uitbouwen van de H a r e _K r i s h n a- m a n t r a in een hemelstormend gebed. Het is afkomstig uit de z.g. Brahmâ Samhitâ, een absoluut hoogtepunt in de K r i s h n a- b h a k t i. De toegewijden in de tempel krijgen kippenvel en extatische rillingen bij het volborstig gezamenlijk zingen van Govindam Adi Purusam: K r i s h n a is de Allerhoogste Godspersoon. Over het feit van het aanbidden geldt: alleen wie vrij is van bewondering en ontzag kent Hem intiem (zie Satyavrata Muni in de Dâmodarâstaka, verderop in dit boek). Men zingt het lied bij het begroeten van de beeltenissen van K r i s h n a en zijn metgezellen 's morgens na het chanten, vóór men een lezing heeft uit het Srîmad Bhâgavatam. De variatie in Cmin, tussen haakjes, is de versie waaraan S w a m i_P r a b h u p â d a de voorkeur gaf en die in iedere tempel wordt gespeeld. Gegeven is dezelfde variatie in Dmin, die qua toonsoort aansluit bij de direkt erna uitgevoerde G u r u - p u j a.

 

2.1 - 2.7

 

H O O F D S T U K 2

 

D e s a m e n v a t t i n g v a n d e G î t â

 

2.1 Sañjaya zei: Toen Hij A r j u n a vol medelijden en met tranen van verdriet in de ogen zo zag zitten, sprak Madhusûdana, K r i s h n a, de volgende woorden:

T o e l i c h t i n g

Verdriet hebben is een uitnodiging aan K r i s h n a. Het kind huilt om zijn ouders. K r i s h n a reageert. We zijn geen kleine kinderen meer, maar in de b h a k t i is huilen één van de manieren om K r i s h n a's liefde te leven. Natuurlijk zijn er heel wat tranen vergoten zonder dat men direkt aan K r i s h n a denkt. In feite duurt dit langer dan één mensenleven. Heer C a i t a n y a heeft vrijwel niets opgeschreven, slechts acht verzen. In het zesde vers van de zo genaamde Siksâstaka zegt Hij:

nayanam galad - asru - dharaya vadanam gadgada - r uddhayâ girâ pulakair nicitam vapuh kadâ tava nâma - grahane bhavisyati

Ogen vol tranen in stromen neer, in mijn mond verstikken de woorden ervan. Het haar op mijn lichaam overeind als, uw zingen der namen wordt gedaan.

Heer C a i t a n y a in: Siksastaka

Dergelijke tranen zijn tranen van geluk die voor een normaal mens zelden of nooit zullen vloeien. We leren sterk te zijn en bevinden ons vrijwel nooit in de situatie dat we ons zo geborgen voelen dat we ons dergelijke emoties kunnen permitteren. Het materiële leven is hard. Als we in dat leven gaan huilen, met materiële tranen uit verdriet om allerlei gehechtheden, dan worden niet zelden de zaken er niet beter op. We spreken van instorten, vallen, zwakheid en zelfmedelijden. Zoiets streef je niet na, Heer C a i t a n y a maakt duidelijk dat tranen bij K r i s h n a op hun plaats zijn, elders eigenlijk niet. Maar wie kan er nu om K r i s h n a huilen? Normale mensen hebben meestal alleen een boek in handen of een vage gedachte naar aanleiding van. Zo leert men K r i s h n a nog niet echt kennen. De Goden die K r i s h n a bij Zijn geboorte kwamen begroeten zeiden:

Maar zij, lotusoog, die beweren "Ik ben vrij",
onzuiver van hart en niet uit op Uw eer,
door zelfzucht hoog boven de wereld geraakt,
Uw voeten versmadend - die vallen weer neer. (S.B. 10.1:32)(*)

Zo zijn dus zelfs de hoog verlichte zielen die op enkel de geestelijke kennis vertrouwen, maar K r i s h n a niet eren - en waarom niet ere wie ere toekomt - gedoemd weer neer te vallen in de stoffelijke ellende m â y â. Dàt is dus echt verdrietig. Het geluk van de Heer laat zich niet stelen. Leven zonder K r i s h n a is als een lamp zonder olie: je ziet het licht niet en moet in duisternis leven. K r i s h n a wordt altijd het vuur aangeboden. Het is van Hem, Hij is het licht van de wereld waar we om huilen als we Hem kwijt zijn en waar we om huilen als we Hem gevonden hebben. De toegewijden branden altijd kaarsen en lampen voor de beeltenis van K r i s h n a. Als iemand je dan vraagt, waarom doe je dat?, wat kan je dan anders antwoorden dan: uit liefde.

De tweede emotie is die van medelijden. Er is zelfmedelijden. Medelijden zoals bij A r j u n a om het lot van anderen, maar ook mededogen met K r i s h n a. Rûpa Goswâmî meldt hierover b.v hoe de koeherdersjongens vreselijk van streek raakten toen K r i s h n a de slang Kâliya bestrafte in de Y a m u n â en het leek alsof K r i s h n a het onderspit zou delven. In de toegewijde dienst komen alle emoties op hun plaats. Er zijn zeven zogenaamde indirekte, op frustratie gebaseerde r a s a's of extatische relaties met K r i s h n a: woede (r a u d r a), verwondering (a d b h u t a), schrik (b î b h a t s a), gruwel (b h a y â n a k a), humor (h â s y a), ridderlijkheid (v i r a) en mededogen (d a y â). Daarnaast onderscheidt men ook vijf direkte of primaire r a s a's of manifestaties van liefde die als de hoofdr a s a's gelden: de neutrale (s a n t a), dienstbare (d â s y a), de broederlijke (s a k h y a), de ouderlijke (v a t s a l y a) en de amoureuze (s r n g â r a) die men echtelijk (m â d h u r y a) onderscheid in s v a k h y a, volwassen en p a r a k h y a, jeugdig. Ieder mens heeft zijn eigen basis- r a s a die door het materiële leven wordt vertekend en alleen in verloste staat tot z'n recht komt (zie toel. S.B. 1.1:3 en N.Z.L.). C a i t a n y a_M a h â p r a b h u gaf ons door zijn doorleven van de gevoelens van de g o p i ' s voor K r i s h n a ons de gelegenheid al onze emoties bij K r i s h n a kwijt te kunnen. Zo werkt nu de ware geestelijke gezondheidszorg: geen zielknijpen of pillen slikken, maar leren een beeld van K r i s h n a te krijgen, vast te houden, er een relatie mee aan te gaan en zo, door de juiste concentratie te hebben ontwikkeld zichzelf te leren kennen. Zelfkennis is immers het hoogste goed. A r j u n a's emoties brachten K r i s h n a's aktie teweeg. Zo is het ook met de onze; we hoeven alleen maar K r i s h n a te leren herkennen.

 

2.2 De Allerhoogste Persoon (B h a g a v â n) zei: Hoe kom je zo onzuiver, A r j u n a. Dat past niet bij iemand die de hogere waarden des levens kent. Het voert je niet naar hogere planeten, maar naar schande.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a stelt A r j u n a de schande in het vooruitzicht en niet een hogere planeet. Het binnen de p a r a m p a r â, de geestelijke erfopvolging, traditioneel benoemen van hogere leefwerelden met de term planeet is veelbetekenend. Ze zeggen dit omdat men zich niet aan het lichaam dient te hechten en men moet rekenen met een ander leven op een andere planeet. In de y o g a heet de gehechtheid aan het leven a b h i n i - d v e s a. Dit is een hindernis (k l e s a) op het pad der zelfverwerkelijking die zich voordoet als een hekel in samenhang met gehechtheid aan het lichaam. De situatie waar A r j u n a zich in bevindt is typerend voor deze k l e s a. A r j u n a vreest gewoon menselijk voor zijn eigen leven, behalve voor dat van anderen en gaat bij de pakken neer zitten. Terecht grijpt K r i s h n a in en spreekt van schande. Hij zegt: 'zo kom je niet in de hemel A r j u n a'. In feite zegt Hij tegen iedereen dat als je een hekel koestert uit gehechtheid aan je lichaam, waardoor je niet bereid bent je op te offeren je de Zijne niet kan zijn (zie ook 4.31). Wie oprecht naar het geluk streeft moet dus offers brengen overeenkomstig zijn of haar eigen aard, geboorte en voorgeschiedenis (s v a - d h a r m a, v a r n â s r a m a en k a r m a). A r j u n a was een zachtgeaarde k s a t r i y a (ridder/bestuurder), met een grote frustratie. Op dat moment verdween de gefrustreerde krijger in de zachtgeaardheid. K r i s h n a stond het niet toe. Zachtgeaardheid is er niet om je in te verschuilen. Zo af en toe moet men nu eenmaal doorpakken. Dat is dus óók wat met a b h y â s a, standvastigheid wordt bedoeld: y o g a is geen escapisme. K r i s h n a benadrukt A r j u n a's onzuiverheid. K r i s h n a ziet ons getwijfel als een produkt van onzuiverheden. De hele westerse cultuur is doortrokken van die onzuiverheid. We cultiveren onzuiverheid. Studenten worden naar universiteiten en andere academies gestuurd en zien daar niet zelden hun talenten bedolven onder een leer-van-zoals-het-moet die de intelligentie van de student bederft, zijn ziel verduistert, zijn moraal corrumpeert en zijn eer aantast (resp. b u d d h i - n â s a h, s m r t i_v i b r a m a h, s a m m o h a , p r a n a s y a t i; zie 2.63) In het Westen (het verre Oosten ligt ook ten westen van het wilde Westen), is het normaal een spelletje te spelen met de menselijke zwakheid (zie vorige vers) waarbij men het zoeken naar onderwijs ook als een zwakheid kan zien. Voor illusiegangers moesten we oppassen, ze nemen ons met winstmotieven bij de neus, kleden ons uit en zetten ons daarna doodleuk aan de kant. Zonder de sociale zekerheid zou men dit spelletje echt niet kunnen spelen... Van de professor komt men bij de ambtenaar van de sociale dienst, van die ambtenaar komt men bij de dokter en van de dokter komt men bij de psychiater. Deze verklaart u ten slotte voor gek als u nog vertrouwen in hem stelt en maakt vervolgens een drugsverslaafde van U. Dat is nu het lot van mensen die K r i s h n a systematisch uit de weg gaan. Dat is nu het lot van blind vertrouwen op de 'goedheid' zonder door te hebben dat het eerste wat K r i s h n a in Zijn Lied zingt de schande is. Schande schande, schande. Doorpakken jongens. Laat je door je zachtgeaardheid niet bij de neus nemen. Stiekeme hekel en gehechtheid zijn zaken waar je K r i s h n a niet mee kunt bedotten. K r i s h n a veroordeelt je er niet om: Hij noemt het onzuiver. Hij neemt het woord omdat Hij weet dat we uit niet-weten-hoe zo onnozel bezig zijn.

Om ajnâna-timirândhasya jnânânjana - salâkayâ caksur unmîitam yena tasmai sri - guravena namah (zie B.G. Inl.)

Het gaat om:

'Ik werd geboren in het diepste duister der onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de fakkel der kennis. Ik buig me eerbiedig voor Hem neer'.

K r i s h n a is g u r u nummer één. De rest moet, wil men de hogere waarheid dienen, leren zijn woorden te respekteren. Professoren, ambtenaren, artsen en psychiaters, wees geen illusieganger, bestudeer de woorden van Heer K r i s h n a, wees een goede hollander. Als't u blieft, redt niet alleen de (verenigde) natie(s), maar ook uw eer.

 

2.3 O zoon van Prithâ, zwicht niet voor deze vernederende zwakheid, dat past je niet. Laat je kleinzieligheid varen en sta op, o bedwinger van de vijand.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a noemt A r j u n a hier weer 'zoon van je moeder' en voegt er het woord klein-hartig (vertaald: kleinzieligheid) aan toe. Deskundige hulpverleners zouden spreken van een vernauwd bewustzijn. K r i s h n a noemt het 'zeer weinig hart' letterlijk genomen. Dit oordeel heeft dus geen betrekking op zijn medeleven. K r i s h n a doelt op zijn weigering aan de strijd mee te doen. Het jammer vinden dat de familie op het punt staat een einde aan haar bestaan te maken wil nog niet zeggen dat je je daar zo maar van kan distantiëren. Hart hebben voor de zaak is de essentie volgens K r i s h n a. Volgens de principes van schepping en vernietiging zijn er altijd twee tegengestelde tendenzen in de natuur aan te treffen. Enerzijds neigt de samenleving tot chaos, anderzijds neigt de samenleving ertoe telkens opnieuw weer orde te scheppen. Dit zijn volkomen natuurlijke zaken waarin K r i s h n a de behoudende faktor vormt. Hij behoudt zowel de vrijheid van het individu zich van alles te distantiëren en de zaak in het honderd te laten lopen (S h i v a), èn Hij behoud de capaciteit van het individu om nieuwe wegen in te slaan (B r a h m â). K r i s h n a is de vereniging van de tegenstelling schepping/vernietiging. Het bestaat in Hem allebei. Niettemin kon A r j u n a's plotselinge voorkeur voor Heer S h i v a geen goedkeuring wegdragen. "Het past je niet" zegt Hij. We moeten het feit dat K r i s h n a ons allerlei keuzemogelijkheden laat niet aanzien voor een laat-maar-waaien politiek van Zijn kant. K r i s h n a weet wanneer wel en wanneer een bepaalde weg niet geëigend is. Hier blijkt weer duidelijk hoezeer K r i s h n a -bewustzijn een persoonlijk iets is dat geen sjabloon-denken toestaat. Het is niet zo dat iedereen altijd dit en dan dat zou moeten (zie ook Rupa Goswâmî N.Z.L. p.149 en S.B. 3.29:7). Er zijn behalve vele mogelijkheden van toegewijde dienst ook vele wegen om tot toegewijde dienst te komen. Er is een langzame, moeizame, harde weg. Dat is de weg van de k a r m a - y o g i die door onbaatzuchtigheid geleidelijk opklimt tot het nivo van kennis en die daarna na een lange zelfstudie eindelijk, soms pas na vele levens tot het eren van K r i s h n a kan komen, de b h a k t i. Vruchtdragende bezigheden, willen heersen en genieten, valse trots en andere neigingen en eigenschappen die samenhangen met gehechtheden zorgen ervoor dat de s â d h a n a, de geestelijke praktijk lang op zijn vervolmaking doet wachten. Er is ook een zachte snelle weg. Zonder veel kennis van zaken kan men dankzij de genade van Heer C a i t a n y a meteen overgaan tot het zingen van de heilige namen en meelopen met de meer gevorderde toegewijden. Goed gezelschap, geloof, nederigheid en trouw brengen dan zeer snel veel resultaten die zelfs als men na wat al te veel enthousiasme afknapt, permanente vooruitgang inhouden. Wie K r i s h n a eenmaal heeft leren kennen, zal hoe onvolmaakt ook, deze ervaring niet meer gauw vergeten (en ook K r i s h n a vergeet niet). Men moet zich zoals A r j u n a, niet laten ontmoedigen door de enorme moeilijkheden waarvoor de beginner geplaatst kan zijn. Niet alleen het leven zelf kan een zware last vormen, ook de ogenschijnlijk enorme complexiteit van de y o g afilosofie en haar disciplines kunnen een zoeker afschrikken. Wie kan zich zomaar overgeven, wie kan de 'harde'weg volgen en volhouden? Bovendien is het collectief bewustzijn van de christen doortrokken van allerlei verhalen over martelaars en verstervingspraktijken die een mens kunnen doen gruwelen bij het idee van de heiligheid. Onze christelijkheid geeft met het idee van het aardse tranendal en het verlangen naar een hogere leefwereld ook geen scherp beeld van het geluk dat men zich nog in dit leven kan verwerven. Net als met rijkdom en macht, moet men er hard voor werken. Voordat men in de y o g a van al zijn 'eigenaardigheden', zijn k l e s a's en a n a r t h a's, zijn belemmeringen en ongewenstheden is verlost, moet men soms lang volhouden. K r i s h n a:

yat tad agre visam iva pariname mrtopamam tat sukham sâttvikam proktam âtma-buddhi-prasâda-jam

'dat wat in het begin vergif schijnt te zijn...', maar aan het einde nektar en wat ons tot zelfverwerkelijking brengt, wordt geluk in de geaardheid goedheid genoemd (B.G. 18:37).

Wereldse zaken geven vaak het omgekeerde te zien: in het begin lijkt het allemaal rozengeur, maar op den duur is men zuur. Het vermogen om dit te kunnen onderscheiden berust op ervaring. Empirische kennis geeft de doorslag na alle onderzoekingen. Men kan niets ontdekken als men niet probeert en bereid is fouten onder ogen te zien. Dat vormt de basis van alle echte wetenschap.

 

2.4 A r j u n a zei: O doder van Madhu (K r i s h n a), hoe kan ik de aanval in de strijd beantwoorden door pijlen af te schieten op mannen als Bhîshma en Drona, aan wie ik de hoogste eerbied verschuldigd ben?

T o e l i c h t i n g

We hebben een opvoeding genoten, niet alleen van onze ouders, maar ook van allerlei andere personen hebben we onze levenslessen geleerd. Op grond van deze lessen zijn we eigenlijk aan al deze mensen eerbied verschuldigd. A r j u n a ziet hierin een zwaarwegend argument om maar met de wolven in het bos te huilen. Wat hem niet bekend is is het mechanisme van de vergiffenis, zoals christenen dat noemen. In de v e d i s c h e cultuur heet het dat de g u r u het k a r m a, de werklast, de levenslast, van de leerling op zich neemt. Om die reden wordt men dan ook eerst na langdurige trainingen volledig aanvaard (geïnitiëerd). A r j u n a praat dus alsof hij nooit een leraar heeft aanvaard op het geestelijk vlak. Ookal is K r i s h n a de Hoogste Persoonlijkheid, Hij is daarmee nog niet zonder meer door A r j u n a geaccepteerd als zijn geestelijk leraar. We kunnen Brussel als het bestuurscentrum van Europa erkennen, maar dat wil nog niet zeggen dat we ons dan zomaar onderwerpen aan een centralistische regering. A r j u n a is als ieder ander die niet zomaar klakkeloos het woord van een ander als zijn levensadem acht. Aan welke voorwaarden moeten we voldoen om zover te kunnen komen; we gaan er dan even vanuit dat we in K r i s h n a zonder meer het gelukzalige bewustzijn van de eeuwigheid herkennen. In het Srîmad_Bhâgavatam staat een vers (1.17: 24), waarin de staat waarin de religie zich bevindt in dit tijdperk van de twist, K a l i- y u g a , wordt vergeleken met een stier op éénpoot. De oorspronkelijke vier poten waar deze stier op stond in voorgaande tijdperken, zijn in de loop van de geschiedenis van de verwording van de mensheid gebroken op één poot na: s a t y a m, waarheidlievendheid. Daar berust onze moderne samenleving op. De overige drie waarden, drie poten, te weten soberheid (t a p a h), reinheid (s a u c a m) en mededogen (d a y â) zijn niet meer algemeen en vervangen door bezitsdrang, wellust en egoïsme (geweld). Elders in het Bhâgavatam (12.3) staat verduidelijkt dat in feite alle vier de principes geleidelijk aan afnemen door de invloed van leugens geweld, ontevredenheid en twist. S w a m i_P r a b h u p â d a licht hierbij toe: 'Het is echter niet zo gemakkelijk zich aan de lotusvoeten van K r i s h n a over te geven. Dat kan men alleen als men sober, rein, mededogend en waarheidlievend is. Christus heeft de mensheid voorgehouden dat men alleen tot de Vader kan komen door Hem te respekteren. Als we K r i s h n a als de Vader herkennen en de naastenliefde die Jezus predikte als het mededogen waar in de 'K r i s h n a-bijbel' op wordt gedoeld, zou je kunnen stellen dat je niet tot K r i s h n a kan komen als je niet een goed christen bent. Nu is het natuurlijk ook mogelijk een goed humanist, een goede moslim, of een goed mens van een ander slag te zijn. De westerse filosofie erkent de goedheid als de essentie van God. K r i s h n a:

sattvât sanjâyate jnânam

'uit de geaardheid goedheid ontwikkelt zich werkelijke kennis'

(B.G. 14:17).

In feite is er sprake van een proces van toegewijde dienst, waardoor men geleidelijk aan opstijgt tot het nivo van een zuivere toegewijde (B.G. 6:25). De enige toegewijde die echt zuiver is, is natuurlijk Heer C a i t a n y a. Wij zijn uitgenodigd in Zijn voetsporen te treden en onze liefde voor K r i s h n a, ons ideale zelf (Zelf), te realiseren.

 

2.5 Men kan in deze wereld beter leven als een bedelaar dan ten koste van het leven van grote zielen die mijn leraren zijn. Ookal worden ze door hebzucht gedreven, het blijven mijn leraren. Als ze gedood worden, is onze zege bedekt met bloed.

T o e l i c h t i n g

Het is niet onwaar wat A r j u n a zegt. Dit is ook de geest van veel moderne mensen die tot de bedelstaf zijn vervallen louter en alleen terwille van de lieve vrede. Zouden we in onze samenlevingen geen respekt meer hebben voor deze mensen, dan zou een burgeroorlog zonder meer het gevolg zijn. De voortwoekering van misdaad en wangedrag bij armen die van hun geloof in de goedheid (godheid) zijn gevallen in de moderne samenleving moet men dan ook als een direkt gevolg zien van het niet respekteren van die mensen die wèl in goedheid die armoede hebben weten te accepteren (m.n. de geestelijkheid). Door enkele wereldoorlogen hebben veel landen de les dat goedheid in de geaardheid onwetendheid kan omslaan in het tegendeel wel begrepen. Ookal is het mededogen geen algemeen levensgevoel meer en heeft de hartstocht de neiging te overheersen met gewelddadigheid, onze waarheidlievendheid heeft na eindeloos gefilosofeer van allerlei soort wel een soort evenwicht opgeleverd tussen misdaadbestrijding en aanpassingsbekrachtiging. Krijgt de zwijgende meerderheid het te moeilijk, dan stijgen de misdaadcijfers, krijgen ze het te gemakkelijk, dan verdwijnt de motivatie om zich in te spannen. Het maakt allemaal onderdeel uit van het moderne pragmatisch denken: oorlog is duurder dan vrede. Daarom is het vrede. Natuurlijk weet iedereen dat een dergelijke reduktionistische levensvisie ontoereikend is om de persoonlijke waanzin van de in de schizoïde samenleving verdwaalde mens tegen te gaan. Maar net als A r j u n a wil men de strijd tegen m â y â uit de weg gaan. Men wil 'waardevrij' iedereen een vrije keus laten bij welke vereniging men zich zou moeten aansluiten. Welke kan men in de wet niet voorschrijven. Vrijheid van vereniging is een grote verworvenheid die iedere waarheidzoeker moet beschermen. Zo af en toe hebben we dan wel een wetje nodig om het 'onkruid' dat zo sociaal kan woekeren, te bestrijden. Er is geen waterdichte garantie tegen het collectief doorbreken van waanzin, (n.a.v. natuurrampen b.v.) zodat we gewoon in V i s h n u, de God van het Behoud moeten geloven. Er is niet veel voor nodig om de precaire evenwichten te verstoren. Bepaalde nieuwe technologieën kunnen een hele wereldoorlog ontketenen zoals het vinden van goud vrienden tot vijanden kan maken. Zonder een gemeenschappelijke noemer in de goddelijkheid is het moeilijk te vermijden. K r i s h n a Zelf is ook te vergelijken met dat goud en daarom moeten we voorzichtig met K r i s h n a zijn. Als we ons uit begeerte Hem denken te kunnen toeëigenen, zoals de anti-christelijke diktatoren van de moderne tijd de religie probeerden te onderwerpen, zullen we snel konstateren dat de Alomtegenwoordige een echt bestaande levende persoon is. Hij kan zich onverschillig in welke gedaante ook voordoen. Deze wereld is Zijn spel. Willen we vechten, dan mogen we vechten. Willen we pais en vree, zo zij het. Het is echt verstandiger Hem overal in te herkennen en respekt voor Hem op te brengen dan de wereld als een willekeurige chaos te zien. Overgave aan K r i s h n a houdt in dat men bewust kiest voor Hem als degene die de leiding heeft. Door proberen en vergissen komen we erachter wat wel en niet voor ons de geëigende tijd en weg is om tot Hem te komen.

Van de toegewijden, de v a i s h n a v a's kan men veel leren, ze zijn in hoge mate betrouwbaar in het uiteenzetten van de basisfilosofie. Hoe echter in de praktijk zaken als trouw blijven en het voordeel van de twijfel werken, moet men persoonlijk ondervinden. Twijfel en ontrouw zijn ook de ziekten van een samenleving die zijn waarden kwijt is. Besmet met deze ziekten kan men in situaties terecht komen als die van A r j u n a: wie is mijn geestelijk leraar? Ben ik niet zelf degene die alles moet beheersen? Wil ik dat wel? Kan ik dat wel? Waar moet ik nou eigenlijk voor zorgen? Men moet ééns iemand in het leven leren vertrouwen. Daarom is iedere toegewijde zeer kritisch in het toepassen van de filosofie: is het nog wel zoals K r i s h n a het bedoelde? Zo kan het voorkomen dat men als A r j u n a tegen zijn leraren en zichzelf moet vechten. Staat éénduidig vast dat er wordt afgeweken, dan kan er geen aarzeling zijn en moet er gecorrigeerd worden of moet men zichzelf en anderen zelfs bestrijden. Het is de p a r a m p a r â-methode: door steeds terug te grijpen op de oorsronkelijke boodschap zuivert zich kritisch al het overige. Zo worden moderne ouders door moderne kinderen ook wel eens opgevoed. Dit is de strijd waar het in de G î t â om gaat: we moeten het Lied van God tot het eind toe uit leren zingen, letterlijk.

 

2.6 Ook weten we niet wat beter is - de zoons van Dhritarâshthra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we ze, dan kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het slagveld.

T o e l i c h t i n g

Terwijl we eerst de indruk van A r j u n a kregen dat hij zijn verstand aan het verliezen was, moeten we Hem nu iets nageven. S w a m i_P r a b h u p â d a maakt duidelijk in zijn commentaar dat we niet zo maar een gehechtheid aan het goede bij A r j u n a moeten konstateren. Hij toont allerlei eigenschappen die hem als een toegewijde ten eer strekken: hij staat open voor geestelijkheid en verlangt naar uitkomst: bevrijding. In tijden van nood leert men niet alleen zijn vrienden kennen, maar ook God. Dit is ook het lot van de moderne tijd, die wij westerlingen menen uitgevonden te hebben, maar in feite reeds sedert het vertrek van K r i s h n a aanwezig is. De goede oude tijd (de Tijd), waarin we zonder veel moeite verlichting konden vinden door je in de natuur terug te trekken, is reeds duizenden jaren voorbij. De Buddha wilde het niet lukken met de grootste verstervingen, het lukte Hem pas toen Hij besloot gezellig onder een Bhodi-boom te gaan zitten, bereid om anderen te vertellen dat je niet moet verlangen. Jezus mocht van de duivel op de stadsmuren gaan staan om te kijken of Hij niet wilde vliegen. Zo gemakkelijk is het dus niet om je terug te trekken uit de 'moderne'wereld. Noch de egyptenaren, noch de assyriërs, noch de grieken, noch de romeinen zijn de uitvinders van de 'moderne'wereld. K r i s h n a heeft bij Zijn verschijnen de verpersoonlijking van het kwade van de aarde weggevaagd, zodat de mensheid sedert dien het kwade in zichzelf moest konstateren en bevechten. Dat is de reden dat zomaar gaan zitten mediteren met God's goedheid niet meer tot een bevredigend resultaat kan leiden. Een moderne (m â y â v â d a) g u r u stelde: 'als u nu verlicht zou raken, zou het u niet bevallen'. Een politicus die beweert dat de geestelijkheid (K r i s h n a) hiermee een 'coup d'etat' heeft verricht heeft volkomen gelijk. De eerste de beste keizer die er na K r i s h n a heerste, in alle goedheid, kreeg genadeloos door de geestelijken de les gelezen. Hij, P a r î k c h i t, degene aan wie het Srîmad Bhâgavatam wordt uitgelegd, kon met zijn eenvoudige belediging van een wijze, meteen met zijn bestuur ophouden na te zijn vervloekt in een week tijds te moeten sterven door de beet van een 'slangenvogel'. S w a m i_P r a b h u p â d a merkt hierbij op (S.B. 1.18:33) dat met deze vervloeking ook de geestelijke stand der b r a h m a n e n, die steeds nauw samenwerkten met de bestuurders, in verval raakte, hetgeen de inzet van het huidige K a l i-tijdperk vormde. K r i s h n a weet dit allemaal al staande op het slagveld van Kurukshetra; Hij weet dat A r j u n a zich niet zomaar van de kwade wereld kan afkeren en dan nog het geluk vinden. Zijn tijd van boete was voorbij. K r i s h n a's aanwezigheid wekte de illusie alsof de 'goede oude tijd' voor altijd zou bestaan. De aanwezigheid van zonder meer demonisch te noemen heersers in de twintigste eeuw doet hier niets aan af. Ten tijde van K r i s h n a verloor de adel definitief zijn deugd en sedert dien herhaalt de geschiedenis zich telkens weer opnieuw (in ons eigen hart). Met A r j u n a moeten we dan ook steeds hetzelfde konstateren: liever trekken we ons terug, maar zowel de Buddha als Jezus wijzen ons terug. Van hen mogen we het niet zonder naastenliefde te beoefenen en zonder gezelschap en prediking. Dit is de wil van K r i s h n a voor dit tijdperk van de twist. Heer C a i t a n y a M a h â p r a b h u heeft éénduidig gezegd: zonder het zingen van de heilige namen bestaat er geen kans op bevrijding uit de stoffelijke bepaaldheid.

 

2.7 Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit mijn doen. In deze toestand verzoek ik je me duidelijk te maken wat het beste voor me is. Ik ben nu je leerling, Je toegedaan met hart en ziel. Onderricht me.

T o e l i c h t i n g

De m â y â v â d i, de illusieganger, zegt: 'geef je niet over aan gezag over jezelf. Schuif de verantwoordelijkheid niet van je af.' De v a i s h n a v a zegt: 'vergeef elkaar je fouten, door voor Zijn genade te bidden, (de G a y â t r i-mantra: bhargo devasya dîmahi), blijf trouw en toon respekt voor K r i s h n a, elkaar en het gezag van degenen die ouder zijn en meer ervaren. Op basis van de logica kunnen we natuurlijk het m â y â v â d i-argument snel weerleggen: hoe kan je met gezag verklaren dat men geen gezag moet aanvaarden? Het is een grap in de stijl van 'wie dit leest is gek'. K r i s h n a geeft ze de inspiratie om te zeggen: naar mij moet je niet luisteren. En zo is het ook. Men kan gerust leren kennis maken met allerlei zotheid, maar men moet het allemaal niet zo serieus nemen. Dit is dan weer de leer van een andere illusieganger die daarmee wèl serieus wil worden genomen. Men probeert wat af, maar zegt niet meteen dat de 'ernst des levens' erop neer komt dat na alle grappen en grollen, alle spot en speculatie, men gewoon met zijn medemensen in alle ernst nu eindelijk serieus iets van het leven terecht moet zien te brengen. Ergens samen iets van terecht brengen betekent steeds: inschikken (onthechten) en volhouden (standvastigheid). Daarmee is dan de y o g a gedefinieerd. De noodzaak van het respekt, ere wie ere toekomt, maakt Heer K r i s h n a dan onvermijdelijk. Een ander respekteren betekent helemaal niet dat je voor jezelf geen verantwoording zou nemen. Dat is een vals argument geboren uit jalouzie. Wie waarlijk voor zichzelf verantwoording neemt herkent de ander in zichzelf. Dat is het einde van de zelfzucht en het begin van de religie: het zich opnieuw in verbinding stellen met de Heer en Zijn getrouwen (re-ligare). De filosoof die met de logica duidelijk maakt dat men moet leren vertrouwen op de z.g. goddelijkheid, niet bang te zijn voor het Absolute en dat men moet geloven wil men het geluk vinden is de filosoof die zijn stem moet losmaken met de muziek zodat hij geschikt gezelschap wordt. Wat hebben we aan al die saaie droogwerkers. De westerling heeft veel muziek gemaakt ter meerdere eer en glorie van God en Zijn getrouwen. Deze muziek weerspiegelt het realisatienivo van de cultuur in kwestie.

De leer stelt ons voor het probleem dat we met de strategie van het behoud uitgeput raken in de creatieve zingeving. God in de zin van bruisende bergbeken en vogelengezang in verlangen naar de goede oude tijd, kennen we zo langzamerhand wel. De romantiek van het rozengeur en manenschijnimperium heet tegenwoordig muzak. Muziek is zitten zieken tegen illusies. Muzak is de ziekte van de zakkigheid die ermee bestreden wordt. De kleurloosheid van de slagroom van de welvaartsmens moet toch zo langzamerhand wel vervelen. Of wil men nog even doorconsumeren? Iedereen mag zijn gang gaan en dus ook de commercie met zijn 'religie' van de niks-aan-de-hand cultuur. Dit is de stijl van redeneren van de v a i s h n a v a die wèl kleur bekent en zich zeer bewust is van het groepsego van de K r i s h n a- b h a k t i. Natuurlijk zijn h a r e - K r i s h n a's net als gewone mensen. Het verschil is als rijden in een auto met en zonder rijbewijs. Zonder rijbewijs, ofwel K r i s h n a-bewustzijn, is men een gevaar voor zijn medemens, met rijbewijs behoor je flink te claxonneren en naar het voorhoofd te wijzen, of liever de neus waar de t i l a k, de heilige klei uit India op moet, bij het zien van al die 'verkeersovertredingen'. S w a m i_P r a b h u p â d a noemt diegenen die niet willen investeren in dat 'rijbewijs' vrekken in navolging van een tekst van K r i s h n a Zelf (2.49) en een tekst in de G a r g a - U p a n i s h a d waarin de term krpanah wordt gebruikt. Als K r i s h n a's afkeuring tonen kunnen ze b.v.zeggen: krpana, m l e c c h a (vleeseter), s û d r a (laaggeborene), r a k s a s a (demon), k a r m i (baatzuchtige), m û d h a (dwaas). In één adem: vrekkige, laaggeboren, verdwaasde, demonische en baatzuchtige vleeseter. Dat is kort gezegd de mening van de v a i s h n a v a over mensen die geen goede wil kunnen tonen, geen â r y a n of beschaafd mens willen zijn (dus heel wat anders dan het verbasterde raciale ariër). Zo werkt het 'superego' van K r i s h n a door in het 'groepsego' van de v a i s h n a v a. De term ego en super reserveren ze voor de ziel van de mens (j î v a) en de ziel van K r i s h n a (p a r a m â t m â). De mens heeft (is) dus een j î v a, (spreek uit dzjiva) die niet losgezien kan worden van de Superziel, het p a r a m â t m â, het overal aanwezige lokale transcendentale aspekt van K r i s h n a (V i s h n u). Dit laatste is wat men meestal met God bedoelt in het christendom. De v a i s h n a v a legt er de nadruk op dat K r i s h n a dus van plaats tot plaats in werking verschilt (iedere tempel een geheel eigen deïty of beeltenis), om uitdrukking te geven aan het feit dat goed gezelschap van essentiëel belang is. Vandaar ook leefgemeenschappen. Omdat er geen sprake is van vals gezag maar van bonafide, door de p a r a m p a r â geautoriseerd gezag, is er dus geen sprake van sektarisme (afhankelijkheid van één leider). Wel zijn er scholen, soortgelijke benaderingen van de prediking van Heer C a i t a n y a, die op natuurlijke wijze als de takken van een boom tot ontwikkeling zijn gekomen. Zo zijn er in Nederland anno 1995 ten minste twee z.g. m a t h ' s aktief. De ISKCON-math (International Society for K r i s h n a Conciousness) van S w a m i_P r a b h u p â d a is de meest aktieve, consequente en bekende. Als bedevaartsoord kent men V r i n d â v a n a, de plaats waar K r i s h n a opgroeide en Zijn jeugd doorbracht en tal van andere heilige plaatsen in India die verband houden met K r i s h n a en Heer C a i t a n y a. Om uitdrukking te geven aan de hele filosofie van het K r i s h n a-bewustzijn stelde Heer C a i t a n y a M a h â p r a b h u (m a h â p r a b h u betekent letterlijk grote meester of Allerhoogste Heer) de z.g. Siksâstaka op schrift. Het is het enige dat ooit door Hem op papier is vastgelegd en vormt in acht verzen de condensatie van zijn leer en missie.

 2.8 - 2.14

2.8 Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen berooft, verdrijven kan. Ik zal het niet kunnen uitbannen, ookal win ik een onbetwist koninkrijk op aarde of de heerschappij van een halfgod in de hemel.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a is in staat van begoocheling. Hij is in m â y â. Zijn verstand volgt de heerschappij der verlangens in de illusie van ik en mijn (a s m i t â). Mijn koninkrijk, mijn familie, mijn verdriet, mijn behoeften. Ik wil dit en ik wil dat. De illusie van ik en mijn, samenhangend met de hang naar beheersen en bezitten, streeft voorbij aan wat men samen heeft. A r j u n a is in zijn verdriet eenzaam. Hij torst de wereld op zijn schouders. Het atlas-syndroom bestaat uit een overspannen verantwoordelijkheidsgevoel. Omdat in wezen geen enkel levend wezen alleen is, het leven is nu eenmaal interaktie, moeten we dit syndroom illusie noemen. Als men samen is speculeert men in staat van illusie altijd over wie er de baas is en hoe men de ander te slim af kan zijn. Dit resulteert altijd in wanhoop en waanzin. God is dat bekende gevoel van ik ben ik en hoe meer aandacht ervoor, hoe beter. De materieel denkende mens heeft dan altijd aandacht van anderen nodig. Anders wordt men onzeker. Dit mondt altijd uit in diktatuur. Nimmerzat heeft zich verheven en uitgeput laat dan maar zitten. Dit leidt maatschappelijk tot chaos. Men geniet in m â y â graag het voordeel van de twijfel, zonder te beseffen dat de twijfel eigenlijk vooral aangewend dient te worden om zichzelf te kritiseren om de eigen fouten te kunnen vinden. In m â y â ontwikkelt zich dan ook geen wezenlijke kwaliteit, men staat stil, het leven een sleur en als men dat niet meer ziet zitten en destructief wordt, gaat men er nog op achteruit ook nog. K r i s h n a heeft de materiële wereld geschapen, via Brahmâ, om ons te leren dat alle geluk daar tijdelijk is. Een intelligent mens voelt zich daar verloren als hij ik en mijn denkt. In feite is te denken dat misère door iets anders wordt veroorzaakt dan door de scheiding van K r i s h n a de definitie van de staat van illusie, m â y â (zie toel. S.B. 11.2:45).

De wanhoop is de keerzijde van de illusie. Men verheft zich eerst door zichzelf van alles wijs te maken, daarna gelooft men niet meer in zichzelf en moet men oogsten wat het tegendeel is. In staat van begoocheling weet men geen wezenlijke oplossingen te vinden. Men houdt zich dan bezig met zinsbevredigende aktiviteiten. Men kan zich echter niet gelukkig eten of luisteren of laten strelen. Daarmee ervaring hebbende tracht men de zaak om te draaien: als ik een ander zijn zinnen tracht te bevredigen, dan zal ik het geluk wel krijgen waar ik recht op heb, voor wat hoort wat. Dit baatzuchtig liefhebben ('gemotiveerde' liefde), is een ander kenmerk van de persoon in de macht van de materiële wereld. N i m i t t a, denken in termen van de materiële causaliteit, geeft een immer onrustige geest die als een dolle aap van de hak op de tak springt. Men kan zich niet concentreren en verliest voortdurend het zelfvertrouwen omdat men geen doel heeft in het leven. De dierlijke staat (p a s u) leeft voor eten, slapen, voortplanten en vluchten/vechten. De mens die niet beseft wat de unieke kans is die hij heeft gekregen met zijn menselijke lichaam, n.l. God te kunnen verwerkelijken, is niet dankbaar en herkent niet de oorsprong van de angst te vervallen in de dierlijke staat van identificatie met de stof. Daardoor 'compenseert' hij met allerlei onzin en verzinsels zijn gebreken en wordt hij kwaad als deze eer op het spel staat. Het is al met al een verhaal zonder einde. Een eerlijk mens geeft gewoon toe: ik kan het niet alleen redden. A r j u n a is zo'n eerlijk mens. Hij klaagt weliswaar de stukken eraf, maar hij lucht zijn hart.

De staat waarin A r j u n a zich nu bevindt is die van een nieuweling. Hij steekt een teen in het water en huilt, zoals een baby bij zijn geboorte huilt. De trotse mens herkent dit maar al te goed. Hij kan het echter niet met anderen delen. Hij heeft gekozen voor ontkenning van zijn wezenlijke natuur en is eenzaam. De klager is dus in het voordeel: hij is niet meer alleen. Zo weten veel mensen een leven te leiden van klaaggedrag. Men noemt dat hysterisch als de oorspronkelijke emotie is overdekt door oneerlijkheid. Men klaagt dan om het klagen en bij mensen die hun goedhartigheid en ego daardoor gestreeld voelen. Dit kontrakt van de illusie houdt stand zolang de waarheid wordt verzwegen. Dergelijke 'hulpverleners', bestaande bij de gratie van de naastenliefde in de angst voor de zelfconfrontatie van het alleen zijn, herkennen zichzelf niet in de klagers. Niettemin, soort zoekt soort. De één heeft machtsverbeelding, en de ander is hysterisch. Twee geesteszieken die elkaar de put in praten, een z.g. folie à deux, vormen een maatschappelijk gevaar. Door een mechanisme genaamd induktie (het veralgemenen, a r o h a), kan er een katastrofe ontstaan: men gaat in elkaars negativisme en machtsverbeelding geloven. Patsers en sukkels, mensen en ondermensen. Hulpverleners en zelfmoordenaars.

Eerlijkheid is dus de oplossing. De hulpverlener moet eigenlijk gewoon zeggen: zit niet zo te zeuren, gedraag je als je op bezoek komt en vertel eens wat leuks. De ware therapeut, K r i s h n a en de K r i s h n a-bewuste mens, accepteren geen (hysterisch) klaaggedrag. Men komt op voor de eer van de persoon. Ze weten dat als de persoon in zijn zwakheid wordt bevestigd hij geen vriend gevonden heeft en daarover vroeg of laat in opstand zal komen: 'ik voel me verlaten en bedrogen'. Om die reden zullen toegewijden elkaar ook nooit onnodig kritiseren. Het averechts effect van de benadering die men psychotherapie noemt, neemt de vorm aan van de hopeloze neiging nooit meer wat met hulpverleners van welke soort ook te maken te willen hebben. Zo ontdekt de psychotherapeut de eindigheid van zijn bezigheden. Als er maar genoeg mensen nee tegen hem zeggen, komt hij ook tot de ontdekking dat hij zoekende is. Zo begint het avontuur van het ware geestelijke leven. Als men niet meer aanvaardt dat een ander alle recht tot klagen heeft en jijzelf alsmaar voor God en alwetend moet doorgaan, is men een illusie armer en de last van de ongelijkwaardigheid kwijt. De v a i s h n a v a beschouwt zichzelf niet als een klagerige cliënt, maar wel als een gevallen ziel die zich afvraagt hoe hij in de stoffelijke wereld terecht is gekomen. Hij leeft dan ook met de daardoor opgewekte vraag: 'wie ben ik?'. Jezelf leren kennen begint bij de aaname van gelijkwaardigheid. Je kan jezelf niet leren kennen als je je aan materiële zaken vastklampt en jezelf er valselijk mee verheft.

In 4:10 zegt K r i s h n a ' bahavo jñâna tapasya', men doet veel kennis op door boete te doen. In onthechting ontwikkelen zich alle geestelijke vermogens, ook het vermogen vormen van menselijkheid in zichzelf te leren herkennen die men op één of andere manier reeds doorleefd heeft zonder er in dit leven werkelijk mee bezig te zijn geweest. Het is je intelligentie. Ieder mens is een unieke combinatie van allerlei 'doorleefdheden' die een unieke persoonlijkheid samenstellen. Ook merkt men dat meditatie onmogelijk is als men deze 'doorleefdheden' ontkent als zijnde het zelf. In feite gaat het om identificaties, personen dus. Men wil echter in zijn huid alleen zijn en niet door geesten bezeten. Men moet die personen als capaciteiten van het zelf aanvaarden. Doet men dit, dan blijkt dat men er niet zonder meer op vooruit gaat: men heeft 'onverwerkte ervaringen'. Als men niet snel deze zwakheden, deze onverwerkte zaken, in positieve aktie in de richting van personen die met die ervaringen te maken hebben omzet, kan men er niet concreet mee werken, begint men te zweven en komt men ten val: men verliest de controle over zichzelf. Jezelf niet kennen is synoniem met geen controle hebben. K r i s h n a kennen is synoniem met de controle gevonden hebben. K r i s h n a is het ideale Zelf, dat je niet helemaal bent en slechts ten dele als jezelf kent. Dat zal altijd zo blijven, ookal niet in gelijke mate. Daar gaat het om. K r i s h n a is expert in het kennen van mensen. Hij kent iedereen, en weet feilloos de namen en beelden te geven die bij je passen. Daar moet je mee aan de slag.

Na eerlijkheid komt respekt. Zonder respekt, noch voor de delen van jezelf waarvan je vervreemd bent, noch voor de autoriteit van K r i s h n a, val je telkens weer terug in m â y â en verlies je je greep op jezelf(-discipline). Zonder meditatie, d.w.z. bezinning op wat er in jezelf omgaat is het onmogelijk K r i s h n a vast te houden. Vlucht men steeds voor zichzelf, dan vlucht men voor het geluk. Wil men mediteren zonder K r i s h n a, dan verdrinkt men erin, depersonaliseert men en verliest men kontakt met Zijn werkelijkheid die zowel binnen als buiten is. De v a i s h n a v a mediteert altijd met een m a n t r a. Dat is doorgaans de m a h â m a n t r a. Daarmee brengt men de geest steeds terug naar K r i s h n a en leert men zich te gedragen. Er zijn echter nog veel meer m a n t r a's voor uiteenlopende zaken: de G a y â t r i- m a n t r a, de P r a n a v a, de S i s u m â r a- m a n t r a en allerlei Sanskriet-verzen en versregels die eveneens als m a n t r a dienen om met K r i s h n a de geest vrij te maken van de stoffelijke besmetting. Zo mediteert S w a m i_P r a b h u p â d a op de volgende regels bij dit vers:

kibâvipra , kiba nyâsi , su dra kene naya

yei krsna-tattva - vetta, sei ' guru ' haya.

Dit is genomen uit de C a i t a n y a-c a r i t â m r t a (M.l. 8:127), het betekent: " Het is van geen belang of iemand v i p r a is (geleerd in vedische wijsheid), of geboren is in een lagere familie of behoort tot de orde dergenen die de wereld verzaken - als hij meester is in de wetenschap van K r i s h n a, is hij de volmaakte geestelijke leraar." Zonder K r i s h n a, de gelukzaligheid, is al onze (zelf)kennis van nul en generlei waarde. Jezus kende de 'Vader' en de Buddha kende al zijn 'vorige levens'. Zonder te doen wat A r j u n a deed, zich overgeven aan K r i s h n a, kan men niet de geestelijk leraar ontdekken die K r i s h n a is en leert men Hem en zichzelf in wezen niet kennen. Wie geen geestelijk gezag heeft wordt door niemand serieus genomen. Geestelijk gezag over jezelf verkrijgt men alleen via een bona fide (p a r a m p a r â-) g u r u: een g u r u die K r i s h n a vertegenwoordigt in geestelijke erfopvolging. 'Mensen' die zichzelf tot g u r u uitroepen zijn óf bedriegers óf V i s h n u- t a t t v a: een a v a t â r a of nederdaling van K r i s h n a op aarde. Er kunnen er in engste zin in de wereld nooit meer dan twee zijn. Voor de b h a k t a zijn dit altijd: Heer C a i t a n y a_M a h â p r a b h u en Heer N i t y â n a n d a. Dit is de werkelijkheid van B h a g a v â n, de Hoogste Persoonlijkheid, als volkomen (p u r n a m) gekenmerkt door de zes volheden: rijkdom, schoonheid, kennis, kracht, roem en verzaking.

 

2.9 Sañjaya zei: Na deze woorden zei A r j u n a, de vijanden-bedwinger tot K r i s h n a: 'Govinda, ik zal niet vechten', en zweeg.

T o e l i c h t i n g

A r j u n a is in de war. Eerst vraagt hij K r i s h n a om onderricht, dan meldt hij dat hij door zijn verdriet zijn zinnen verliest en nu begint hij zich te herhalen. Een niet-analytisch psychiater zou A r j u n a hier een pil geven. K r i s h n a werkt met het woord. De (bio-)psychiater is een dokter die van geestelijke klachten lichamelijke klachten maakt. K r i s h n a is een 'dokter' die geestelijke verwarring met Zijn geest aanpakt. A r j u n a wil niet aan de slag. Het is zijn werk waar hij geen zin in heeft. Ookal geeft hij zich aan K r i s h n a over, hij weet nog niet wat het is om samen met K r i s h n a slag te voeren. De vijand zit duidelijk in eerste instantie in A r j u n a's geest genesteld. Hij kan zo de confrontatie niet aan. De dokter die K r i s h n a heet, moet eerst die vijand aanwijzen en er met A r j u n a iets op verzinnen. De waanzin van A r j u n a bestaat eruit dat hij eerst K r i s h n a om hulp vraagt en dan meteen zegt 'ik ben niet van plan me iets van je aan te trekken', 'ik begin er niet aan'. A r j u n a is een veldheer met een strijdfobie. A r j u n a vraagt K r i s h n a om een duwtje in de rug. Moderne therapeuten zouden doen alsof ze niets weten, A r j u n a naar zijn sociale achtergronden ondervragen en hem troosten. K r i s h n a begint er niet aan. K r i s h n a doet niet alsof Hij niet weet hoe en wat. Troosten doet Hij hem zeker niet. Schande is wat hij ziet.

Moderne hulpverleners bevinden zich in een situatie die met die van A r j u n a te vergelijken is: men heeft geen zin om het gevecht aan te gaan met de vijand die begoocheling is. Men is er zelf door bepaald, maar ziet het probleem in de ander. Zo is de onwetendheid een loden last die er voor zorgt dat heel wat hulpverleners in de seculiere sector van de geestelijke gezondheidszorg er persoonlijk niet direkt op vooruit gaan met de prediking der waardenvrijheid. Het is een dwaalleer waarbij de dolende dienst doet als vergaarvat van menselijke ellende. Dit geldt niet alleen voor de hulpvrager die in een vicieuze cirkel terecht kan komen waardoor hij steeds verder van wat gezond is komt te staan, ook de hulpverlener raakt eventueel steeds meer ingekapseld in allerlei 'therapeutische' defensiestrategieën om de ellende van zijn lijf te houden. De oorspronkelijke bedoeling om door middel van praten de relatie met het 'superego' te herstellen raakt uit het zicht omdat het begrip ego, super of niet, alleen maar de illusie van het ik-bewustzijn bekrachtigt. Voor K r i s h n a is dit nu juist de ziekte van A r j u n a: hij blijft verward en waanzinnig volhouden dat hij er alleen voor staat. K r i s h n a heeft nog geen duidelijke betekenis voor hem. Ookal zou Hij hem van advies dienen, dan moet hij nog steeds met zijn ik-je de legerschaar aanvoeren. Terecht dat hij zijn 'werk' niet meer ziet zitten. Geestelijke eenzaamheid is door gezelschap niet verholpen. Ook niet door het advies van een goddelijke vriend. Zelfs overgave, zoals in 2.7, is in eerste instantie nog geen remedie. De waanzin gaat gewoon door.

De 'ziekte van A r j u n a' is de ziekte van a d h a r m a of goddeloosheid. Goddeloosheid is de definitie van de persoon die zichzelf niet in verbinding weet met het 'superego', maar bepaald wordt door het z.g. valse ego, a h a m k â r a, dat bestaat uit identificatie met de stof. Het begrip ego of misidentificatie zelf is de hindernis. Dit moeten we hier laten vallen. Het gaat om het ik dat zichzelf herinnert in relatie tot. Niet het ik dat zichzelf kent als de onversaagde ontkenner van alle afhankelijkheid en misstappen. Dit ik van de verbondenheid heet nu ziel (â t m â), het wezen van God en de mens. Zonder onszelf te herinneren in relatie tot de Superziel, is het bewustzijn versluierd, overtrokken door duisternis. Licht is de eigenschap van de kennis van het zelf in relatie tot het 'Hogere'. Dit licht is gekenmerkt door onsterfelijkheid. D.w.z. de ziel is altijd en eeuwig met anderen begaan en derhalve dus niet 'iets' dat enkel bestaat als chemische sporen in de hersenen van één persoon. Wij herinneren onszelf niet zomaar, wij worden herinnerd door de Superziel (K r i s h n a). Dit is het grote mysterie waar de materialist geen vat op kan krijgen: men moet in het leven goede herinneringen maken, niet voor zichzelf alleen, dat zijn immers slechts chemische sporen, maar voor het Zelf zoals dat door anderen wordt herinnerd en geheel anders kan zijn dan wat we er zelf van denken. Daarom heet het: ken uzelve. De ziel is een soort zelfstandig bestaand holografisch geheugen dat in stand wordt gehouden door allen die zich die ziel of persoon bewust zijn (geweest), waarbij het geheel meer is dan de delen en dus onafhankelijk van het eigen materiële lichaam kan bestaan. Ongeveer zoals een televisiebeeld dat door drie verschillende stralenbundels is samengesteld. Het mirakel van K r i s h n a , de behouder, is dat de vele 'stralenbundels' die het beeld van de persoon scherp stellen, allemaal van Hem afkomstig zijn en daar ook herinnerd worden (5:15). K r i s h n a noemt het 'Mijn weg' die een ieder bewandelt (4: 11). Zo kan K r i s h n a iemands leven doornemen zoals een ambtenaar een kaartenbak. De materialist denkt dat de 'kaartenbak' in zijn eigen hersens verstopt zit. Dit is een illusie, hoewel er wel een 'slechte (gecensureerde) kopie' van is achtergelaten. Zich wel of niet iets herinneren kunnen wij niet zomaar beheersen. Het hangt van onze relatie met Hem af wat we ons herinneren. (K r i s h n a: mattah smrtir jnânam apohanam B.G. 15:15 'van Mij geheugen, kennis, vergetelheid') en ook daarin wordt Hij de 'behouder' genoemd. Hij weet wat we nog te doen hebben. Wij raden er maar wat naar. We kunnen dit allemaal begrijpen vanuit de vuistregel: 'Hij is ons, maar wij zijn niet Hem'. Dit alles is de filosofie van de c a i t a n y a - v a i s h n a v a's die zich baseert op wat bij Heer C a i t a n y a ' a c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a'wordt genoemd, ofwel de wonderbaarlijke eenheid in de verscheidenheid.

 

2.10 O telg van Bhârata, daarop sprak K r i s h n a midden tussen beide legers glimlachend de volgende woorden tot de terneergeslagen A r j u n a.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a wordt niet kwaad of ongeduldig. Hij is p r a h a s a n, glimlachend. Hij geeft blijk van waardering om A r j u n a duidelijk te maken dat Hij zijn hulpvraag accepteert. K r i s h n a is bereid de relatie van leraar-leerling op zich te nemen. Er zijn meer manieren om met K r i s h n a om te gaan. Men kan als een ouder zo bezorgd zijn om alles voor K r i s h n a precies te regelen, men kan gewoon vriendschap met K r i s h n a ontwikkelen, zonder verder behoefte te hebben aan allerlei poespas. Men kan als echtgenoot of echtgenote helemaal gericht zijn op alles wat voor K r i s h n a in het huwelijk ideaal is tot het krijgen van kinderen toe. Ook kan men zich als Zijn dienaar opstellen en zich steeds afvragen wat K r i s h n a het meest behagen zou (zie ook 2:1 en onder R a s a).

Het feit dat zich dit afspeelt met A r j u n a tussen de twee legers, is niet zonder betekenis. 'Kurukshetra', het slagveld, het veld van arbeid, is het veld van religie (d h a r m a)', is de eerste regel uit de B h a g a v a d_G î t â. De positie tussen de legers maakt, volgens S w a m i_P r a b h u p â d a, duidelijk dat de gesprekken in de G î t â niet bestemd zijn voor één bepaalde persoon of groepering, maar openlijk voor iedereen van welke gemeenschap of samenleving dan ook. Iedereen is gelijkberechtigd deze boodschap te horen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat ieders oren er naar staan. Men zal zich in de positie van A r j u n a moeten kunnen inleven om Zijn Lied te kunnen waarderen. Als we, zoals de schrijver dezes zelf ook, voor 'hete' vuren staan, moeilijke beslissingen moeten nemen, door allerlei tegenstellingen overrompeld dreigen te worden, als we emotioneel en in de war zijn, als we wijsheid zoeken, steun en een warm hart voor de menselijkheid: in al die gevallen is K r i s h n a er voor ons om met het licht van Zijn kennis, het licht van Zijn ziel, de duisternis van onze onwetendheid weg te nemen.

Een twijfelaar kan hier zeggen 'aangezien K r i s h n a_A r j u n a's klachten accepteert, maakt Hij zich ook schuldig aan het bekrachtigen van ongewenst gedrag en een afhankelijkheidsclaim'. Een harde bonk zou in de positie van K r i s h n a zijn spierballen tonen en zeggen: 'op mij kan je rekenen'. K r i s h n a doet eigenlijk hetzelfde, maar maakt meteen een geestelijke 'spierbal'. Hij zegt 'dat past je niet A r j u n a, laat je niet zo kennen'. Daarmee geeft hij te kennen bereid te zijn uit te leggen hoe het dan wel bekeken moet worden. Omdat Hij niet met A r j u n a meepraat in zijn klaaggedrag kunnen we spreken van het negeren van de klacht en het voorstellen van een alternatieve visie ('cognitief herstructureren' of prediking). Het klaaggedrag dooft uit op de bekrachtiging van het luisteren. Door een geestelijke 'spierbal' te maken, aanvaardt Hij niet een fysieke afhankelijkheidsclaim. De harde bonk gelooft in spierkracht, voor K r i s h n a spreekt dit vanzelf en daarom legt Hij de vinger op de de ware zere plek: de geest van A r j u n a. Geestelijkheid wil dus zeggen: 'weten hoe het moet' (programmatische kennis). Iemand in een voertuig kan niet zonder een reisplan en een bestemming. Zo kan de ziel in het lichaam niet zonder een geest en zonder K r i s h n a. K r i s h n a is het ideale Zelf dat alle goede eigenschappen in zich bergt, en het reisplan om dat Ware Zelf te bereiken in de zin van daar een relatie mee aan gaan, is de geestelijkheid waar K r i s h n a voor kiest bij het ondersteunen van A r j u n a. Geestelijkheid wil dus niet zeggen dat we allemaal een zwarte of bruine toga aan moeten trekken en ernstig de hele dag onszelf lopen ontkennen. Geestelijkheid is K r i s h n a ontdekken als het doel en een relatie met Hem aangaan als het middel. Dat iedereen dit verschillend opvat is meer de oplossing dan het probleem. Niets is zo vervelend als allemaal hetzelfde zijn. Alle eer aan S'rî K r i s h n a-C a i t a n y a en Zijn leer van eenheid in verscheidenheid.

 

2.11 De Allerhoogste zei: Je spreekt geleerde woorden, maar treurt om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden noch om de doden.

T o e l i c h t i n g

Dit is een zeer beroemd vers dat veel gebruikt wordt door de toegewijden. Ze leren het in het Sanskriet uit hun hoofd. Niets blijft zo goed in het geheugen als de woorden van Heer K r i s h n a. Herhaalt men deze een aantal malen met volledige kennis van de betekenis, dan vergeet men ze nooit meer echt helemaal. K r i s h n a zegt hier:

asocyân anvasocas tvam

prajnâ-vâdâms ca bâsase

gatâsân - agatâsûms ca

nânusocanti panditâh

 

Letterlijk, woord voor woord:

wat geen weeklacht waard is-je weeklaagt-

je geleerde woorden-ook-je spreekt verloren leven-

niet voorbij leven-ook nooit-weeklagen-de geleerden.

Dit is een juweel van K r i s h n a's wijsheid. Hij maakt ons duidelijk dat we niet moeten klagen. Als we werkelijk geleerd zijn zien we in dat de ziel belangrijker is dan het lichaam. Snappen we dat, waarom zou je dan nog klagen? De onwetende identificeert zijn ziel met zijn lichaam en wil niet 'verhuizen'. Hij hecht aan het leven. Zoals we reeds zagen (2:2) is dit een k l e s a. Er zijn er vijf, emotioneel of mentaal: onwetendheid (a v i d h y â), de ik-mijn-illusie (a s m i t â), gehechtheid en verlangen (r â g a), pijn en haat (d v e s a) en gehechtheid aan het leven (a b h i n i v e s a)(Y o g a - s û t r a II:5-9). Door deze k l e s a's blijft het geluk voor ons onbereikbaar en moeten we in angst leven. Aangezien geen ziel ooit verloren is, maar slechts overdekt raakt, bestaat er geen reden om te klagen. Niemand sterft ooit, sterven is het niet waard om over te klagen. Menigeen zal dit vreemd in de oren klinken. Zelfs al ben je een van het lichaam onafhankelijk bestaande eeuwige ziel, dan wil je toch niet je lichaam verliezen? Je hebt toch een lichaam nodig om jezelf in relatie te kunnen brengen? Waarom zijn we anders belichaamd? Is het lichaam nu een gevangenis waar we uit moeten ontsnappen, of een paleis waar we feest moeten vieren in vrijheid van zelfrealisatie? Waarheid is dat deze geestelijke vragen niet met materiële antwoorden kunnen worden afgedaan. De illusie bestaat eruit dat we een verschil tussen geest en stof hebben aangenomen, zoals we de wapens van de vijand hebben opgenomen. De zuivere toegewijde maakt geen scherp onderscheid tussen geest en stof. De ziel zal altijd in een wereld met vormen zijn die transformaties van K r i s h n a's energie zijn. De wetten waarmee die wereld functioneert zijn zoals K r i s h n a ze voor hem heeft gearangeerd. De toegewijde klaagt niet over deze zaken, maar accepteert en is er zeker van dat K r i s h n a hem zal brengen waar hij wezen moet. Koesteren we verlangens op basis van de soort wereld, of planeet, waar we ons bevinden, verlangen we steeds naar 'elders', dan hebben we K r i s h n a nog niet goed begrepen. K r i s h n a zit hier en nu in je hart en in deze wereld, op deze plaats moet je Zijn werkelijkheid realiseren. Er is geen andere mogelijkheid. Angst voor de dood, verlangen naar de dood, het is beide onwijs, maakt K r i s h n a hier duidelijk. Sterven is een illusie van diegenen die achterblijven. De dood is nog nooit bewezen voor degene die hem onderging. Dit is onweerlegbaar. Een wijs mens kan alleen zeggen: er is verandering van vorm: dan kent men de objectieve wereld van Heer K r i s h n a zoals die is. Het feit dat Hij de vorm van de Tijd aanneemt en als verandering waarneembaar is, moeten we niet als angstwekkend opvatten in een begeerte alles te willen houden zoals het is. Als Hij de Tijd is (B.G. 11: 32) is deze behalve vernietigend, ook vormend en onderhoudend (door conditionering in de tijd en door regelmaat). Men moet zich, wil men met K r i s h n a kunnen leven van valse tijdsconcepten ontdoen die op gehechtheid zijn gebaseerd en niet op trouw aan K r i s h n a's transcendentale objectieve 'subjectiviteit' - oftewel Zijn Natuur. Een kenmerk van K r i s h n a is dat Hij altijd nieuw is; begrijpen we dit niet, dan zal ook Hij angst inboezemen. Duidelijk is dat God, K r i s h n a, als Behouder gericht is op het behoud van de ziel in een veranderende wereld, niet op het behoud van materiële constructies die slechts een uitdrukking van de ziel zijn en daarom aan verandering onderhevig. De materialist die denkt dat zijn 'ziel' een uitdrukking is van de ervaring in de stof heeft geen ongelijk, maar heeft niet geleerd de dingen naar hun oorsprong te bezien. Natuurlijk ondergaan we materiële invloeden en passen we onze vormen daarbij aan; dat wil echter nog niet zeggen dat de materie de beheerser en genieter is. In m â y â is het waar dat de materie heerst, dan lijkt men inderdaad geen echte controle te hebben. Als het niet zo goed lukt de materie te beheersen, wil dat nog niet zeggen dat de materie de oorsprong van de ziel is, het wil alleen zeggen dat je teveel op je eigen houtje bezig bent. Beheersen doe je samen met K r i s h n a. De ziel is degene die handelt, de materie datgene wat wordt behandeld [zie ook B.G. 4: 13-23 waarin Krishna stelt dat Hij, behalve te kennen als degene die doelgericht ingrijpt - zie B.G. 3: 23 & 24 en 4: 7 -, ook te kennen is als degene die niet handelt]. Wie dat ontkent is een tegenspraak in termen. Je kan niet zeggen 'ik handel niet', want dat is een handeling van het spraakorgaan. Je kan wel zeggen: 'als ik niet handel, ben ik er getuige van dat er gehandeld wordt'. Aangezien het de materie is die beweegt en ik er als stille getuige bij kan zijn zonder te handelen, kan ik niet de materie zijn, wèl datgene wat in beweging brengt: een deel van K r i s h n a. Filosofisch, logisch, materieel of immaterieel, aan K r i s h n a kan men niet ontkomen. Een eerlijk mens geeft dat toe.

 

2.12 Nimmer was er een tijd waarin ik niet bestond, noch jij noch al deze vorsten, noch zal er in de toekomst ook maar één van ons ophouden te bestaan.

T o e l i c h t i n g

Hier verklaart K r i s h n a onomwonden dat de individuele ziel eeuwig is. De grote angst in het Grote Ene op te lossen is ongerechtvaardigd en bestaat op psychologische gronden. De angst voor het verlies van individualiteit berust op de angst delen van zichzelf te leren kennen waarmee men nog niet in het reine is. Zoals een kind dat in zijn opvoeding werd onderdrukt in zijn neigingen zelfstandig door het leven te stappen uit bezorgdheid van de ouders die het kind moeten beschermen, wordt de materiële mens in zijn conditioneringen bepaald door het verlangen naar zinsbevrediging dat de zorgzaamheid van de ouders vervangt. Zoals een kind angst voor de grote wereld kan voelen als hij niet meer door de ouders wordt beschermd, zo kan een volwassene ook bang worden als hij zijn zinsbevredigende aktiviteiten, zijn narcistische eigenliefde, geplaatst ziet tegenover het Grote Geweten van God.

K r i s h n a zinspeelt hier op de angst er na de dood niet meer te zijn en weet dat A r j u n a in zijn overgave aan Hem ook een soort dood gestorven is: zijn ego-dood. Hij is nu geen narcistisch ik-je meer, maar een communicerende ziel afhankelijk van de ziel die K r i s h n a is. K r i s h n a als ziel, we beschouwen Hem niet als een stoffelijk wezen, of een vals ego, wordt de Superziel (P a r a m â t m a) genoemd omdat Hij voor A r j u n a de saamhorigheid, de verbondenheid vertegenwoordigt die boven de stof staat, op de stof controle uitoefent, en altijd meer is dan het individu van de toegewijde. K r i s h n a is s a t - s a n g a: de eeuwige verbondenheid van de toegewijde, het samenzijn. Aan A r j u n a's eenzaamheid is een einde gekomen. K r i s h n a zegt: we waren er altijd en zullen er altijd blijven. Vroeger waren we ook reeds samen en in de toekomst zal het ook zo zijn.

Iemand die niet doordrongen is van de betekenis van het woord ziel en het woord geweten, moet hier afhaken. Ziel impliceert samenzijn. Zo werkt het geweten, dat niets anders is dan de zorg om die saamhorigheid. Een vlek op onze ziel wil zeggen dat we iets verwaarloosd hebben dat van belang is voor die saamhorigheid... Voor het ego is zo'n vlek een vorm van blindheid die samenhangt met afhankelijkheid van de stof. De stoffelijke verscheidenheid geeft de illusie van onafhankelijke individualiteit, die echter vanwege haar valsheid of vergankelijkheid, angst voor verlies teweeg brengt (zie 1.36). Zo is het ego altijd angstbeladen. A r j u n a in zijn overgave vlucht terecht weg voor die ego-angst, maar krijgt er een andere voor in de plaats: de angst zijn individualiteit te verliezen. K r i s h n a reageert onmiddellijk door te verklaren dat die angst ongerechtvaardigd is. K r i s h n a is niet een grote zieleneter, K r i s h n a is een zielenweter. Hij weet wat de volledige goddelijke doorleefdheid is, niets is Hem vreemd dienaangaande. Hij weet wat er wel thuishoort aan goede eigenschappen en wat niet. We zijn bij Hem in goede handen. Wat we echter niet zo goed begrijpen kunnen is de eeuwigheid van onze eigen ziel. We zijn altijd overdekt door allerlei vormen van onwetendheid. De sluier van a v i d y â, de vlek op onze ziel, onwetendheid, moeten we kwijt zien te raken. We zullen moeten aanvaarden dat het nooit helemaal zal lukken, anders zouden we K r i s h n a Zelf zijn. Je kan niet iemand anders zijn, wel op iemand anders gaan lijken. Zo wordt een jaloerse aap een mens en een mens als Zijn evenbeeld Zijn dienaar. Zo stamt de mens van God af en niet van de aap. De toestand van volledige verlichting, volkomen helderheid is iets dat we alleen bij de gratie van K r i s h n a kunnen ervaren. Hij kan ons zijn immers. Dat vasthouden echter zal nooit helemaal lukken, het is teveel afhankelijk van Zijn bovenzinnelijke aktiviteiten als B h a g a v â n, waarin we Hem met zijn zes volheden nooit bij kunnen benen.

Het moeilijkste dat er voor een levend wezen is, is deel uit te maken van iets dat groter is dan hijzelf, maar wat hij nooit in zijn geheel kan bereiken. Pas als we dit aanvaarden kunnen we zuivere toegewijden zijn. Bij de genade van K r i s h n a kunnen we proeven van de honing zoals toegewijden dat zeggen. Dit is de hele motivatie. Slechts een gering deel van de nectar van de Allerhoogste geeft ons al het zelfvertrouwen van de eeuwigheid. Wie Hem geproefd heeft kan er niet meer over liegen, is veroordeeld tot eerlijkheid, tot Hem (zie ook 4:9). Van de vele niet-toegewijden die van de G î t â spreken zegt S w a m i_P r a b h u p â d a dat het te vergelijken is met 'likken aan de honingpot'. De angst voor het onbekende in ons dat in het licht van het Grote Geweten zo pijnlijk zichtbaar kan worden is precies de reden dat we God als een persoon, als K r i s h n a, moeten herkennen. Door Zijn alvervulde status als Behouder van al het goede in de mens, verbleken alle ongewenstheden, alle onzuiverheden (a n a r t h a's) en beseffen we waarom het zo nodig is de aandacht op Hem te richten en niet op ons schaamtevolle zelf. Als de schijnwerper van het geweten wordt aangestoken, moet je die dus niet op jezelf richten, maar op het ideaal. Zo kan het dus zijn dat men alles wat men bij zichzelf niet rechtstreeks kan waarnemen men in K r i s h n a meent te herkennen. Hierop baseert zich de bijzondere relatie van iedere toegewijde met K r i s h n a. Mensen met een slecht geweten kunnen Hem niet zien omdat ze zichzelf niet kunnen zien. Mensen die zichzelf verheven hebben of verheven zijn, zien in Hem de verhevenheid die ze zelf niet (meer) dragen kunnen. Degenen die teleurgesteld zijn, zien in K r i s h n a degene die altijd ontkend wordt omdat ze K r i s h n a's geborgenheid nog niet aanvaard hebben. Niets is Hem vreemd en iedereen vindt in Hem een plaats op deze manier.

 

2.13 Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo'n verandering niet uit haar evenwicht.

T o e l i c h t i n g

Als wij als stille getuige van de veranderingen die ons lichaam ondergaat bemerken dat wijzelf in die hoedanigheid niet veranderen, dan hebben we begrepen wat de eeuwigheid van de ziel inhoudt. K r i s h n a benadrukt hier dat een nuchter persoon hierdoor nooit uit zijn evenwicht raakt als hij hetzelfde moet ervaren over de dood heen naar een andere bestaansvorm. K r i s h n a weet dat A r j u n a van streek is en maakt hem zo duidelijk dat een z.g. d h i r a, iemand die nuchter is, begrepen heeft wat de ziel is, geen angst voor de dood meer kent. Hij zegt dus in feite: in werkelijkheid ben jij niet van streek, maar slechts je lichaam. Zo kalmeert K r i s h n a ons en leidt Hij ons weg van de angstwekkende identificatie met het lichaam. Angst voor de dood en angst voor de zelfverwerkelijking van de eeuwige aard van de ziel, is dus hetzelfde fenomeen.

Als we beseffen dat we niet veranderen met de lichaamsveranderingen, kan men in staat van illusie, als illusieganger of m â y â v â d i, al gauw denken: 'o, dan zijn we dus allemaal één en dezelfde geest'. Zoals we bij het vorige vers zagen is dit de door angst geïnspireerde tegenhanger van de realisatie van de verscheidenheid van de stof. Zoals in de stoffelijke wereld B h a g a v â n als Allerhoogste wonderbaarlijkheid de superieure positie inneemt, zo is ook geestelijk het onzinnig te beweren dat alles hetzelfde is, er is onderscheid tussen j i v - â t m â (ziel) en p a r a m â t m â (Superziel). De stof is niet zomaar de stof en de geest niet zomaar één en hetzelfde. Het behoud van de individuele onderscheidingen van de zielen onderling wordt dus logischerwijze bepaald door de materiële invloed èn door de transcendentale werkelijkheid van B h a g a v â n, de Allerhoogste Heer. De individualiteit van de ziel wordt gedefinieerd als tussen-energie die ook wel het marginaal vermogen wordt genoemd dat zoals K r i s h n a in het vorige vers zegt eeuwig een eigen identiteit heeft (t a t a s t h a s a k t i, tegenover de goddelijke energie a n t a r a n g a - s a k t i en de lagere materiële energie b a h i r a n g a - s a k t i). De jaloerse, schuldige mens kan K r i s h n a moeilijk aanvaarden als een 'bijzonder persoon', en bijgevolg ook niet in het behoud van individualiteit over de stof heen geloven.

Angst voor zelfverwerkelijking bestaat uit de angst zijn meerdere te moeten erkennen in het ideale Zelf dat K r i s h n a is, en dat de sleutel herbergt van alle liefde voor de naaste. Men heeft weerstand tegen het erkennen van iemand boven zich in het algemeen en bijgevolg ook weerstand tegen de toegewijden en K r i s h n a-C a i t a n y a Zelf. Dit noemt men ego veroorzaakt door onverwerkt k a r m a. Een andere grond voor de angst voor zelfverwerkelijking is de vrees uit de z.g. 'bescherming' van de materiële conditie los te komen die men koesterde als de moederschoot, maar vanwege zijn volwassenheid niet vol kan houden (zie ook toel. vorige twee verzen). Het doorbrekend inzicht van onze gevreesde individualiteit is K r i s h n a zelf; de angst ervoor is de onwil moeite voor Hem, ons ideale zelf te doen. We weten allemaal dat je de zaken in het leven niet cadeau krijgt. Zo ook niet de geestelijke integriteit. Daarvoor moet men met al zijn 'doorleefdheden' met moeite tot de goedheid God's komen. Dus b.v. als 'ik' 'vroeger' altijd piano zat te spelen, maar er nu geen zin meer in heb omdat het zonder K r i s h n a toch niets werd en me toch niets gelukkiger maakte, dan moet ik nu dat 'trauma' overwinnen en de moeite nemen om alsnog die oorspronkelijke aandrift op het hoger plan te brengen. Zo moet iedereen naar zijn eigen wezensaard zijn afkeer, d v e s a, overwinnen en zijn talenten in relatie tot K r i s h n a tot hernieuwde bloei zien te brengen.

In de toenadering tot K r i s h n a doorloopt men een zekere ontwikkeling die wordt onderscheiden in drie afdelingen. Er is de p r â k r t a, de toegewijde, of a d h i k â r i die K r i s h n a aanbidt zonder goed te beseffen wie Hij en Zijn toegewijden zijn, dit wordt als derde-rangs toewijding beschouwd op het materiële nivo. Men spreekt ook wel van k a n i s h t h a bij onontwikkelde toewijding die K r i s h n a kent als Hoogste Persoonlijkheid van God. Dan is er de m a d h y a m a, de toegewijde die duidelijk weet wie de Heer, de toegewijden, de nieuwelingen en ook de niet-toegewijden zijn. Dan zijn er nog de eerste rangs zuivere toegewijden op het hoogste nivo (u t t a m a). Dit zijn degenen die alles in relatie tot de Heer zien en in elke relatie de aanwezigheid van de Heer herkennen. Dezen worden m a h â - b h â g a v a t a's of zuivere toegewijden genoemd (Sw. P r a b h u p â d a in S.B. 1.18:16). Men moet soms vele wedergeboorten ondergaan vooraleer men tot dat nivo is opgestegen.

 

2.14 O zoon van Kuntî, het afwisselend komen en gaan van geluk en verdriet is als het komen en gaan van zomer en winter. Geluk en verdriet ontstaan uit zintuiglijke gewaarwording, o telg van Bhârata en men moet ze onbewogen leren verdragen.

T o e l i c h t i n g

Het vorige vers en dit vers vormen min of meer één geheel en betreffen de onbewogenheid die de toegewijde nodig heeft om veranderingen in zijn eigen materiële lichaam en in de natuur te kunnen verdragen.

dehino ' smin yatâ dehe

kaumâram yauvanam jarâ

tathâ dehântaras - prâptir

dhîras tatra namuhyati

 

mâtrâ - sparsâs tu kaunteya

sitosna - sukha - dukha - dâh

âgamâpâyino ' nitâs

tâm stitiksava bhârata

letterlijk:

van de belichaamde-in dit- zoals-in het lichaam jongensjaren-jeugd-ouderdom evenzo-lichaamsverwisseling-resultaat nuchter-daarover-nooit-verward

zinnelijk-waarneming-maar-o zoon van Kuntî winter zomer-geluk-pijn-doen verschijnen-verdwijnen-niet blijvend alle-tracht te verdragen-o telg van de bhârata-dynastie.

K r i s h n a raakt hier het centrale punt van het psychologisch konflikt van de materieel geconditioneerde persoon. Men moet d h i r a worden èn t i t i k s a: een onaangedaan verdraagzaam persoon. A r j u n a is niet onaangedaan, maar van streek. Hij is ook niet verdraagzaam. Hij kan het niet verdragen zichzelf en zijn familie als strijdende krijgers tegen elkaar in te zien gaan. Een ieder kan zich in A r j u n a herkennen. Het is typerend voor het materieel bestaan: we raken van streek en verdragen het allemaal niet meer. We staan voor de heerschappij van m â y â. Soms moeten we daarin de hand van K r i s h n a persoonlijk herkennen, Zijn mystiek vermogen en spreken van y o g a m â y â; niet Zijn extern (m a h â-), maar intern (y o g a-) vermogen: men leeft de saamhorigheid die men niet met materiële ogen kan zien (afbeeldingen van K r i s h n a niet als materieel beschouwend). We doen aan y o g a en zijn dus niet vrij van de invloed van m â y â. Een toegewijde weet dat hij nooit zonder m â y â zal leven. Die m â y â kan ook de vorm aannemen van speciale kennis en genade. Het naakte feit dat hij als geheel slechts een deel van K r i s h n a kan zijn brengt logischer wijze met zich mee dat grote delen voor hem versluierd zijn en dat K r i s h n a zo een spel speelt met Zijn mensen. Een toegewijde weet dat. Een niet-toegewijde acht zichzelf of iemand anders ervoor verantwoordelijk (mis-attributie). Niemand behalve K r i s h n a heeft echter de absolute controle. Bij ons hangt het er allemaal maar vanaf. We hebben gewoon niet alles in de hand en het enige recept is: H a r e_K r s n a_H a r e_K r s n a,_K r s n a_K r s n a_H a r e_H a r e,_H a r e_R â m a_H a r e_R â m a,_R â m a_R â m a_H a r e_H a r e. Ieder moet er zelf voor ijveren zijn s a m â d h i, zijn concentratie op K r i s h n a te handhaven. De krachten van m â y â zijn zo sterk dat iedereen weet wat het is om een geloofscrisis of illusies te hebben. Godvrezendheid is deel van iedere vorm van geloof. We leven allen in de angst K r i s h n a te verliezen en te verwaarlozen. Onwetenden huldigen als remedie de lust die hen onbewust maakt van de liefde die ze nodig hebben om m â y â de baas te blijven. Toegewijden winnen Zijn vriendschap (B.G. 9:29).

Er zijn duizenden redenen om de draad kwijt te zijn, maar er is maar één reden om de draad weer op te pakken: liefde voor K r i s h n a. Het is niet onverstandig om een paar veel voorkomende struikelblokken (k l e s a's) op te sommen die verband houden met de veranderingen waar K r i s h n a op doelt. Ten eerste wat betreft het lichaam zijn er veranderingen in lichaamsgewoonten die samenhangen met b.v. de leeftijd (a n g a m e j a y a t v a). Dit soort veranderingen kunnen tot grote (geloofs)crises leiden. Als b.v de sexualiteit ontwaakt, of inslaapt, kan het lichaam heftig reageren en kan de persoon behoorlijk van streek raken. Sexualiteit gaat samen met veranderingen in de hormoonspiegel en de werking van neuronale overdrachtsstoffen in de hersenen (neurotransmitters). De materieel geconditioneerde manier van denken hangt met deze gesteldheid samen. Sexueel aktieve mensen, zoals pas getrouwden, zijn meer geneigd zich afhankelijk van de materie, de lichamelijke partner met name, op te stellen, hetgeen biologisch de functie heeft het 'nest' te bouwen. Sexueel inaktieve mensen zoals monniken, zijn meer geneigd tot 'subliminale' aktiviteiten die de aandrift moeten omvormen tot sociaal gedrag, wat door baatzuchtige aktiviteiten, die als territoriale aktiviteit (afbakening) kunnen worden opgevat, wordt bemoeilijkt.(zie S.B. 12.7.21 waar wordt uitgelegd dat wie de Superziel doorgrond heeft zich onthoudt van materiële ondernemingen: yogena vâ tada atmanam vedehâyâ nivartate, en B.G. 4:20 waar K r i s h n a uitlegt dat de y o g i, ookal is hij volop bezig met gereguleerde bezigheden toch niets doet door in onbaatzuchtigheid de gehechtheid aan de vruchten van zijn arbeid op te geven: tyaktvâ karma phala-sangam). Het voordeel van de subliminale greep op de materie kan van een idealist een fascist maken. Een geslaagde sociale aanpassing is met name voor diegenen die in hun onthouding ambities van beheersen en genieten koesteren van groot belang. Daarom staat in de b h a k t i de s a t - s a n g a, de associatie van toegewijden die K r i s h n a als de Beheerser en Genieter erkennen, voorop:

' Gestage vooruitgang in de toegewijde dienst kan slechts worden verkregen door (omgang) associatie met zuivere toegewijden.' (N.Z.L p.169).

Dit is de essentie van de geestelijke erfopvolging zonder welke men in het leven geen wezenlijke vooruitgang kan maken. Zonder sociale controle vervallen we in autisme dat wordt gekenmerkt door zelfstimulatie en aanrakingsvrees. In de psychologie heet het dat verwaarlozing van affectieve relaties kan leiden tot psychopathologie (b.v. de psychopatische drang tot manipulatie).

Zonder K r i s h n a kunnen we nooit de materie de baas worden en blijven we altijd rondwaren in het vuur van de materiële tegenstellingen (rad van wedergeboorte). Bevrijding, m u k t i, is het resultaat van toegewijde dienst aan Heer K r i s h n a, in associatie. Veel mensen menen in hun gehechtheid aan bepaalde materiële zaken dat ze stabiel in de wereld staan en onveranderlijk zichzelf kunnen blijven. Dit is echter korte termijn denken dat door K r i s h n a in de vorm van de Tijd achterhaald wordt. Zijn we niet op de eeuwige Superziel, op K r i s h n a betrokken, plaatsen we onze eeuwige ziel, de j i v a, niet in relatie tot Hem, dan raken we verstrikt in de materiële wereld met haar sexuele en financiële complicaties en verliezen we steeds weer alles wat we naar ons toe trokken, zoals iemand die water naar de zee draagt er ook niets mee bereikt. We zijn dan seizoensgebonden, plaatsgebonden, familiaal, raciaal, etc. Morgen is alles anders en elders helemaal. Ontkenning en verdringing van het bewustzijn van die tijdelijkheid zijn de kenmerken van onze psychologie. We zijn het ons niet bewust, we zijn in onwetendheid (a v i d h y â).

Een tweede belangrijke hindernis is de instabiliteit die samenhangt met de cultuurbepalende natuur om ons heen. We kunnen door onszelf en anderen lijden en verheven raken, eeuwig en tijdelijk, maar de zon gaat gewoon voor iedereen onder en de winter breekt voor iedereen aan. Deze veranderingen, afhankelijk van de natuur, waar we geen greep op kunnen krijgen, vereisen afhankelijk van de plaats waar we ons bevinden aanpassingen. Toegewijde dienst is niet vol te houden als een Nederlander zich gedraagt alsof hij in India is. We zullen hier op onze eigen manier, v i - b h a g a v i t, aangepast aan tijd en omstandigheden, met K r i s h n a mee moeten leren omgaan. Natuurlijk zijn er universele recepten en kan je je indiaas gedragen en kleden. Toch zullen er steeds aanpassingen moeten plaats vinden. Men moet de taal leren spreken en weten hoe de geschiedenis van de mensen in elkaar zit. Er is ook een collectieve ziel of zelfkennis, waarmee men moet leren omgaan. Bepaalde muziekinstrumenten zijn meer in zwang zodat we (aanvankelijk) b h a j a n s op een piano moeten kunnen studeren, of met een gitaar. Sommigen leven boven op elkaar in flatgebouwen die teveel gedruis onmogelijk maken. Er is ook geluidshinder waardoor men geestelijk niet tot verdieping kan komen (langsrazend verkeer b.v.).

Afgezien van de noodzaak van aanpassing aan de door de natuur gevormde cultuur in kwestie is er ook het klimaat zelf. In India is de lengte van de lichtdag veel stabieler dan bij ons. Een westerling vergeet wel eens hoeveel energie hij kwijt raakt door zich te hechten aan mooi weer of ingeslapen doorgewinterdheid. Bovendien is er ook collectieve gehechtheid in de noordelijke regionen aan de zomertijd en de tijdzones, hetgeen ook een door de politiek bepaald instabiel beeld van de werkelijkheid oplevert. Kunstmatig licht en kunstmatige warmte kunnen de illusie wekken alsof men in India woont, maar echt is dat niet. Zo kunnen toegewijden zich afwenden van het gebruik van klokken in het algemeen ten gunste van een natuurlijker ritme, 'romantisch' chanten bij kaarslicht, zich terugtrekken buiten het stadsgebied, Engels als tweede voertaal hebben, niet-plantaardige zeep en kwikhoudende en electro-magnetisch aktieve amalgaamvullingen afwijzen en met elkaar trouwen zonder verdere burgerlijke conventies te achten. De toegewijde dienst is weliswaar een effectieve garantie tegen de invloed van de materialistische wereld, maar je moet weten waar je mee bezig bent. Zo kijkt men liever geen televisie, een apparaat dat in feite niets meer is dan een klok met een enorme verbeelding die de illusie van de culturele gelijktijdigheid hooghoudt en uitbeeldt. Voor de radio geldt ongeveer hetzelfde en bomen omhakken om elkaar de ellende te verkondigen van wat er gaande is in de materiële wereld in de vorm van kranten, acht de toegewijde ook niet wenselijk. S w a m i_P r a b u p â d a: zelfs wereldse zaken die in dienst van de Heer worden ingeschakeld worden eveneens tot transcendente of erkende k a i v a l y a (b h a k t i - y o g a -emancipatie-)aangelegenheden gerekend.(S.B.2.3:13). Aldus hebben de K r i s h n a's eigen video-films en tijdschriften voor de noodzakelijke berichtgeving.

Het geluk waar K r i s h n a op doelt in dit vers is, in het Sanskriet s u k h a genoemd, niet hetzelfde als het hemels geluk â n a n d a genaamd. Aards geluk heeft altijd als tegenhanger het ongeluk, d u k h a, dat als een schaduw steeds het resultaat is van de z.g. 'verlichting' die ongereguleerde materiële genoegens lijken te brengen zoals b.v. het televisiekijken. Ookal is hemels geluk van de eeuwigheid, door onze onwetendheid hebben we er niet altijd dat idee van zodat we makkelijk het ene geluk voor het andere aanzien. Alleen door voortdurende meditatie op de Allerhoogste Persoonlijkheid kan men dit geluk behouden. De geestelijk leraar, de â c â r y a, is degene die ons over alle hindernissen heen helpt en ons de visie van het eeuwige geluk schenkt. Daarom zingen de toegewijden iedere ochtend na het begroeten van K r i s h n a het volgende bezielde lied voor de â c â r y a('s), met eretitel aangeduid als P r a b h u p â d a, 'meester van de voeten'.

 

 2.15 - 2.21

 

2.15 O beste onder de mensen (A r j u n a), wie zich door geluk noch verdriet uit zijn doen laat brengen en altijd evenwichtig blijft, kan voorzeker zijn bevrijding bereiken.

T o e l i c h t i n g

M u k t i , of bevrijding is het doel van het materiële leven dat wordt omschreven als k â m a - a r t h a - d h a r m a - m o k s a (de p u r u s â r t h a's) ofwel het door regulering van de zinsbevreding, het onbaatzuchtig omgaan met economisch gewin en het vervullen van de religieuze plichten uiteindelijk de bevrijding uit de materiële bepaaldheid bereiken waardoor men een geestelijk leven in een geestelijk bepaald lichaam kan leiden. Dit is in een notedop het menselijk leven in v e d i s c h, kennisgericht opzicht. K r i s h n a stelt hier dat evenwicht houden de essentie van het vermogen om bevrijding te bereiken is. Buitenstaanders kunnen soms raar aankijken tegen de extremiteiten waartoe de b h a k t i kan overgaan. Met name de levensverzakende orde kan zo onthecht in het leven staan dat een gewoon mens zich er geen voorstelling van kan maken hoe men daar enig welbehagen in kan vinden. Ook studenten, b r a h m a c â r i ' s, kunnen extreem verdrag vertonen en zich zonder zich ook maar iets van de wereld aan te trekken opgaan in hun toegewijde aktiviteiten. Dit beeld is niet direkt wat K r i s h n a hier voor ogen heeft. Wat de toegewijden in hun geestelijk leven doen, kan niet zomaar geïmiteerd worden of beoordeeld naar de maatstaven van het materiële leven. Als men inziet dat het 'normale' materiële leven een voorbereiding vormt op een 'leven hierna', als men niet meer doelloos als een dier alleen leeft voor eten, slapen, vechten en voortplanten, dan is men meer gemotiveerd zich te gedragen. De wanhoop die resulteert uit het ontkennen van de mogelijkheid van een geestelijk leven is er immers de reden van dat we overgaan tot buitennissigheden waarmee we ons evenwicht verliezen, onze integriteit op het spel zetten en niet alleen onszelf, maar ook onze medemensen van streek brengen. Door een dergelijke doelloosheid raakt de wereld in verval en wordt de kans eruit bevrijd te raken kleiner. Zo kan men leven en sterven in wanhoop en pijn, zonder ook maar enig idee te hebben gekregen van de goddelijke verrukkingen die men kan ervaren bij het leren kennen van K r i s h n a.

Evenwichtig leven is dus het resultaat van regulering van de materiële behoeften, inperking van de baatzucht, het achten van religieuze zaken als bijeenkomsten en toegewijden en voordrachten van leraren (g u r u ' s), en het hebben van kennis en streven naar bevrijding uit de ellende van de stoffelijke wereld. Als men zijn 'normale' leven zo inricht is evenwichtigheid automatisch het resultaat. Bij geluk en verdriet heeft men dan het juiste gevoel voor verhoudingen om niet weg te drijven met het getij van de grote wereld. Zo kan men onnodige strijd voorkomen en zich voor grote rampen vrijwaren. Gevorderde toegewijden kunnen wel eens de indruk wekken alsof al het overige futiel en zonder waarde is. Ookal ziet de wereld er in hun ogen soms inderdaad zo uit, toch heeft ieder mens iets van diezelfde mentaliteit meegekregen om zijn eigen leven te kunnen waarderen. Men hoeft niet de verst gevorderde toegewijde te zijn om het geluk van God te kunnen ervaren. Dit geluk is ook een collectieve zaak. Hebben we er allemaal enig idee van hoe dit geluk te bereiken en te behouden, b.v. zoals in dit boek als een evenwicht tussen filosofie en kunst, dan zal het gevoel van onderlinge vervreemding dienovereenkomstig afnemen en de vreugde over een gezamenlijk ideaal waarschijnlijker zijn. Heer C a i t a n y a voorspelde dat Zijn liefde zich over de gehele wereld zou verspreiden tot in iedere stad en dorp.

 

2.16 De wijzen die de waarheid zien, erkennen dat het niet-zijnde niet blijft en het zijnde niet vergaat. Ze kwamen tot deze slotsom na onderzoek van het wezen van beide.

T o e l i c h t i n g

Het eerste deel van dit vers luidt in het Sanskriet:

nâsato vidyate bhâvo nâbhavo vidyate satah

De p a r a m p a r â-vertaling van S w a m i P r a b h u p â d a gebruikt de termen zijnde en niet-zijnde om het geestelijke en stoffelijke aan te duiden. Letterlijk staat er:

nooit van het niet-bestaande - er is - bestendigheid nooit van eigenschap veranderen - er is - van 't eeuwige

Het woord s a t betekent ook eeuwig (n i t y a) en waarheid (s a t h y a). Er staat dus dat van het tijdelijke men geen bestendigheid kan verwachten terwijl men van datgene wat bestendig is kan zeggen dat het eeuwige te kennen is. Simpel gezegd komt het er op neer dat de materiële vormen niet blijven en de geest onvergankelijk is. Geest en ziel gebruiken we hier door elkaar. Men spreekt ook wel eens van geestelijke ziel. Verderop in de G î t â , o.a. in de hierna volgende verzen, maakt K r i s h n a in de loop van Zijn betoog duidelijk dat de ziel zich van de geest laat onderscheiden. De ziel, die betrekking heeft op de verbondenheid met de Allerhoogste, kenmerkt zich door de heugenis aan het 'hogere', een geweten hebben, terwijl de geest meer het 'programma' aangaat waarmee de ziel, de persoon werkt. In de moderne tijd van computers, waarin men veel denkt in termen van materiële functie, is de vergelijking van de geest met het programma van een computer op zijn plaats. K r i s h n a, de Oorspronkelijke Geestelijk Leraar, is de grote Programmeur, de j i v a's, de individuele zielen, zijn de gebruikers en het lichaam is de computer. Dit beeld van het lichaam, als van een programmeerbare computer klopt tot op grote hoogte. Als we het 'programma', het geesteljke niet kennen, kunnen de 'gebruikers', de zielen geen greep krijgen op hun 'computer', hun lichaam. Het is uiteindelijk allemaal een kwestie van beheersing. Hebben we de juiste beheersing, of het juiste gebruik van ons lichaam en van de toepassing van het programma ontdekt, dan resulteert daar automatisch de gewenste controle uit. In de b h a k t i heet het dat men alles in dienst stelt van K r i s h n a, alles in K r i s h n a's dienst gebruikt. Zo kan een computergebruiker zeggen: je moet in de juiste taal programmeren en het hele programma als een samenhangend geheel aanvaarden. K r i s h n a is de samenhang van het programma van het K r i s h n a-bewustzijn. Hebben we een eigen programma ontwikkeld, dan zijn we wel zelfbewust, maar ego-gericht bezig met de gescheidenheid van i.p.v. met de verbondenheid mèt K r i s h n a: s a t - c i t - â n a n d a - v i g r a h a, de gedaante van eeuwigheid, gelukzaligheid en bewustzijn. De gescheidenheid van het ego leidt door zijn stoffelijke aard uiteindelijk altijd tot chaos, terwijl de ziel door haar hogere waarden steeds terecht komt in orde. Met K r i s h n a komt alles in orde. Zonder K r i s h n a loopt alles op niets uit. Dat is de strekking van dit vers.

De waarheid van de materiële wereld is logischerwijze relatief, terwijl de waarheid van K r i s h n a absoluut wordt genoemd. Absolutisme is de schizoïde toestand waarin we belanden als we ons valselijk het gezag van K r i s h n a proberen toe te eigenen zonder Hem naar behoren te respekteren. Die laatste liefdeloosheid uit zich dan in machtscomplexen en allerlei daaruit voortvloeiende ellende zoals men kan waarnemen bij de levenswandel van m â y â v â d i ' s, de illusiegangers die het tijdelijke voor het ware aanzien, of het eeuwige voor onpersoonlijk. Vaak noemen ze ook de materie onwerkelijk (B.G. 16:7), hetgeen niet helemaal waar is. Veranderlijkheid is niet hetzelfde als onwerkelijkheid. K r i s h n a is Zelf die veranderlijkheid (kâlo ' smi: 'ik ben de Tijd' 11: 32). De materie is illusieverwekkend en relatief van belang. Het onwerkelijke van de materie geldt de illusie van duurzaamheid: het tijdelijke. De werkelijkheid van de materie is afhankelijk van Zijn veranderlijkheid: de tijd. Dat is de Absolute Waarheid van Heer K r i s h n a in onpersoonlijk opzicht.

 

2.17 Weet dat hetgeen waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat de onvergankelijke ziel te vernietigen.

T o e l i c h t i n g

De herinnering die men aan zichzelf heeft in relatie tot de hogere waarden des levens en de personen die daar bij horen, omschrijft K r i s h n a hier als het hele lichaam doordringend en onvernietigbaar. In het oorspronkelijke Sanskriet komt het woord ziel in dit vers niet voor. Er kan ook het bewustzijn of de geest mee worden bedoeld. Het woord onvergankelijke is de aanduiding waarmee K r i s h n a A r j u n a op zijn essentie wijst. Je ware zelf is onvernietigbaar. De geestelijk leraar legt de nadruk op het woord ziel in zijn vertaling om duidelijk te maken dat we ons niet moeten verliezen in illusies van het onpersoonlijk algemeen bewustzijn, of dat je daarin zou oplossen als het lichaam er niet meer is. Ten eerste maakt K r i s h n a hier duidelijk dat het hele lichaam erbij betrokken is, dus dat het bewustzijn persoonsgebonden is. Ookal is het lichaam niet de persoon zelf - de persoon kent men in zijn aktie, niet in zijn saaie materie - toch vormt het lichaam de uitdrukking van de persoon. Persona betekent masker en in die zin drukt de onstoffelijke ziel zich uit in een persoonlijke vorm die met een masker te vergelijken is. Nog een manier om het te zeggen is dat degene die handelt niet datgene is waarmee wordt gehandeld, ookal draagt het zijn kenmerken.

Een tweede punt waar de p a r a m p a r â en vele v e d i s c h e geschriften de nadruk op leggen is de oneindige kleinheid van de individuele ziel in relatie tot de Superziel. De individuele ziel is beperkt tot het lichaam, de Superziel strekt zich uit over het bestaan van alle materiële lichamen. In die zin is onze ziel niet groter dan een 'tienduizendste deel van het uiterste puntje van een haar', en wordt dan ook atomisch genoemd. Dit atomische formaat krijgt als rustpunt het hart toebedeeld van waaruit het het hele lichaam 'doorstraalt'. Dit beeld hebben we nodig om niet de illusie te krijgen van gescheidenheid -die het lichaam wekt- en de illusie van de almacht, als een evenbeeld van God gelijk aan God te zijn. Hier komen we ook weer aan het onderscheid in kwantiteit en kwaliteit. Door onze kwantitatieve minderwaardigheid zijn we slechts atomisch, door onze kwalitatieve gelijkheid zijn we het 'hele lichaam doordringend'.

Wat betreft de onvergankelijkheid van de ziel is niet alleen de waarnemingsconstantie ongeacht de lichaamsveranderingen een bewijs. Ook het feit dat overledenen soms duidelijker tot ons spreken na hun heengaan dan bij hun lichamelijke aanwezigheid geeft te denken. Heeft iemand zijn lichaam verlaten, zijn herinnering leidt een eigen leven. Ookal nemen we niet het gezichtspunt van die ziel zelf in, toch hebben we soms een idee van een ononderbroken individualiteit. K r i s h n a zegt in dit vers dat individuele vergankelijkheid een illusie is. Tesamen met vers twaalf laat hij er geen misverstand over bestaan hoe we onszelf dienen te beschouwen wat Hem betreft.

Feit is dat dit soort inzichten voor mensen die steeds worstelen met hun geheugen, vanwege de 'dynamiek van het zenuwstelsel', niet direkt als een bewijs kunnen dienen. K r i s h n a als Behouder is de heugenis zelve en in feite ook de intelligentie die we nodig hebben om ons ondanks alles te kunnen redden. Als we zeggen 'ik ben intelligent' zijn we in feite dom, het ik is een illusie van het afgescheiden ego als we denken het zelf , de intelligentie zelf, te zijn. We zijn vaardigheid in de omgang met, niet datgene waarmee we omgaan, of het nu de wereld is of de orde der zielen. De fundamentele denkfout van de illusieganger is ervan uit te gaan dat hij het allemaal zelf is, het is een vorm van gespletenheid die monisme wordt genoemd. De psychiater verdient er wederom zijn brood mee. We zijn noch de hele Goddelijkheid, noch de hele ellende. De schizofreen is de tegenhanger van degene die denkt voor God te kunnen doorgaan, sommigen denken zelfs het allebei te zijn. Ook goed en kwaad 'aan elkaar plakken' zonder een besluitvaardige ziel is dus niet de oplossing.

De nuchtere persoon, om met K r i s h n a te spreken, raakt niet uit zijn evenwicht wat betreft goed en kwaad, zo realiseert men zijn eeuwige natuur.

 

2.18 Alleen het stoffelijk lichaam van het onvernietigbare, onmeetbare en eeuwig levende wezen is aan vernietiging onderhevig: daarom - vecht, O telg van Bhârata.

T o e l i c h t i n g

Het lichaam is een wapen in de strijd tegen de macht van de begoocheling. Dat het een kostbaar wapen is, zoveel meer superieur is dan het lichaam van vele andere schepselen, ookal hebben die dan misschien wat minder last van de begoocheling, wil nog niet zeggen dat we er dan maar een fluwelen huisje om heen moeten bouwen waar niemand toegang toe heeft. A r j u n a, gooi je in de strijd, wat kan het jou schelen als je het één en ander te verwerken krijgt, als de banden van je automobiel niet verslijten, heb je er ook niet zo veel aan. Je verzamelt familieleden niet zoals je postzegels verzamelt. Je moet moeite zaaien en geluk oogsten. Het lichaam dat je krijgt, hebt gekregen, hoort daarbij, is daarvoor gemaakt. Het dierlijke heeft allemaal geen menselijke handen en voeten, maar kan dat wel krijgen. Omgekeerd kan je ook onthand raken en niet uit de voeten kunnen, ookal heb je nog zo'n mooi lijf. Hou hier allemaal rekening mee A r j u n a. Als we K r i s h n a zo begrijpen zitten we er niet ver naast.

Het feit dat het menselijk ras zo gewelddadig tegen zichzelf te keer kan gaan, is niet iets dat K r i s h n a direkt afkeurt. Natuurlijk is het niet het doel van het leven, maar als middel is een robbertje vechten toch wel op zijn plaats af en toe. Dat is K r i s h n a-bewustzijn. Dat de mens meer schijnt te lijden onder de macht van de begoocheling dan een rustig grazende nuchtere koe in de wei heeft als aanwijsbare reden onze liefde voor God. Naar Zijn evenbeeld te leven is een grote ambitie en geen sine cure. Het vergt veel moeite om dicht bij Hem te blijven en daar ook, in Zijn vorm, te blijven. Het feit dat er nooit een tijd was dat we er niet waren, betekent nog niet dat we dan in dezelfde vorm aanwezig waren en zullen zijn. Dat heeft K r i s h n a niet gezegd, dat moeten we zelf maar ontdekken. In het Srîmad Bhâgavatam wordt het zo uitgelegd:

"Het gekonditioneerd levend wezen, omdat het de fout maakt in illusie te vervallen, doolt door een opeenvolging van materiële lichamen, soms verschijnend als een halfgod, soms als een worm in de uitwerpselen." (bet. 11.21:22).

We zijn ons niet zomaar bewust van de moeite die het ons kost om een mens te zijn en te blijven. K r i s h n a ligt er niet van wakker als we 'verhuizen' naar een ander lichaam en als huiskat verder leven omdat we als mens 'te hard door de bocht' gingen. K r i s h n a Zelf zegt dat we die zijnstoestand bereiken die we bij het verlaten van ons lichaam herinneren (8:6). Als dit Zijn werkelijkheid is zullen er ongetwijfeld zielen zijn die een halve eeuwigheid besteden aan het heen en weer pendelen tussen het leven als huisdier, een koe, een varken of een paard enerzijds en de vorm van een mens. We zijn immers als mens vaak zo verknocht aan al dat soort bestaansvormen. Volgens K r i s h n a is het dus heel goed mogelijk dat men de persoonlijke vorm van zijn eigen gereïncarneerde moeder in de vorm van een koeienbiefstuk op zijn bord neemt. Niet alleen hierom zijn de toegewijden vegetarisch, het is een kwestie van duidelijk weten wat je wilt.

Op een toegewijde manier vechten is iets waar we ons niet direkt een materiële voorstelling van moeten maken. Vechten tegen illusie wil zeggen: K r i s h n a herkennen als Heer C a i t a n y a, Zijn voorbeeld (z'n leer) volgen, ons niet te veel verbeelden, niet zo bezitterig zijn en braaf onze rondjes chanten, zestien per dag en er verder samen ook nog iets van terecht brengen. Dat is zo ongeveer de bedoeling van de C a i t a n y a- v a i s h n a v a's.

 

2.19 Wie denkt dat het levend wezen kan doden of wordt gedood, verkeert in onwetendheid. Wie werkelijke kennis bezit, weet dat het zelf noch doodt, noch wordt gedood.

T o e l i c h t i n g

De onaangedaanheid vindt zijn werkelijkheid in de eeuwige ziel die boven kwesties van leven en dood is verheven. Het ware zelf is wel aktief, besturend, maar kan zelf niet geraakt worden. Zoals men met een afstandsbediening een vliegtuigje in de lucht kan manouvreren, zonder zelf neer te storten als er iets misgaat, zo is ook de ziel niet beroerd door de materie. Daarom maakt het geloof onbevreesd. Met het ontwaken van de intelligentie, raakt men onbekommerd over dood en vergankelijkheid en begint men genoegen te ondervinden in de veranderlijkheid van de tijd en de gelukzaligheid van de ziel. Dat is de bevrijding. De angst voor het bestaan valt weg en maakt plaats voor de angst God, de genade van de Allerhoogste te verliezen. Het is deze angst, vrees eigenlijk, die ons inspireert het goede te doen, zodat het goede zal blijven. Door vallen en opstaan leert men de taal die K r i s h n a spreekt begrijpen. S w a m i_Pr a b h u p â d a maakt in zijn commentaar melding van de vedische stelregel: "bejegen geen schepsel met geweld" (mâhimsyât sarva - bhutâni, K r i s h n a: advestâ sarva bhûtânâm; wie alle levende wezens gunstig gezind is 12:13) om duidelijk te maken dat het eeuwige van de ziel niet betekent dat we dan maar onverschillig kunnen doen over ons eigen lichaam of dat van een ander. Iedere ziel heeft zijn eigen weg te vervolgen. Als we ons eigen lichaam of dat van een ander aan het materiële bestaan onttrekken, doorbreken we daarmee de natuurlijke levensloop en functie ervan. Ons lichaam is er om uitdrukking te geven aan de belangen van de ziel (saamhorigheid, verheffing tot het goede, etc.). Zo heeft iedere ziel een taak in de materiële wereld te vervullen (k a r m a).In 3:5 legt K r i s h n a uit hoe iedereen hulpeloos gedwongen is tot werk; vruchtdragende aktiviteiten (kâryate hy avasah karma). Ookal ligt zijn werkelijke leven in de geestelijke wereld, de uitdrukking in de stof kan daar niet los van worden gezien. Heel de materiële wereld is een uitdrukking van de wil van de Allerhoogste in alle grove en verfijnde vormen, de individuele ziel moet zich daarvan niet gescheiden zien in een aparte wereld, maar zich voortdurend met die alomtegenwoordigheid verbonden weten. Een van de oudste y o g a-boeken, de Yoga-vasishthha, ontstond na een uiteenzetting van R â m a tegenover zijn geestelijk leraar Vasishthha. Hij, R â m a, stelde daarin de eenheid van God, ziel en wereld duidelijk als de sleutel tot alle zelfverwerkelijking (R â m â y â n a). Verderop in de G î t â maakt K r i s h n a ons duidelijk dat degene die wijs is met gelijkgezinde blik God (het p a r a m â t m â of V i s h n u) ziet in allen (panditâh sama - darsinah 5:18) en ook in alles. Zelfs in het kleinste atoom. De enige vraag die ons, als we een geestelijk leven leiden bezig houdt is: hoe kunnen we Hem van dienst zijn en niet andersom. Als we de rollen om proberen te draaien komen we in m â y â terecht, omdat we ons dan door de uiterlijkheid laten bepalen en een slaaf van de zintuigen worden. Ookal is K r i s h n a in alle materie aanwezig, zelf denken de liefde van en voor God te kunnen genieten, leidt onverwijld tot een val in de materiële gebondenheid. Denken we b.v. ervan te kunnen genieten andere schepselen van het leven te beroven omdat het hun 'taak' zou zijn ons tot voedsel te dienen, dan zijn we naief. Door u g r a - k a r m a, kwalijke aktiviteit, krijgen we k a r m a - a v a r a m, afschuwlijk werk. Men moet min of meer, het hangt een beetje af van de mate van gelovigheid van de zondaar, de werklast op zich nemen van die levende wezens die men van het leven beroofde. Een minder ontwikkeld levend wezen schept zo afschuwlijk werk dat bestaat uit uitgemolken worden als belastingbetaler, gekoeioneerd worden als werknemer, als een varken in een hok als huisvrouw de kinderen te zogen zonder enige culturele verheffing, als lastdier zware lasten te torsen, als een kip te moeten kakelen de hele dag, almaar te moeten huilen en loeien van de onvrede in het hart, opengesneden te worden op de operatietafel bij de chirurg, afgeslacht te worden in een wrede oorlog, etc. Dan zal men toch moeten toegeven dat terwille van het plantaardige de armen dansend en zingend ten hemel te heffen en te mediteren toch een aangenamer k a r m a is. En dit betreft alleen nog maar de spirituele gevolgen van het vernietigen van levende wezens.

Of we het nu willen of niet, de keuzes die we maken in het materiële leven hebben gevolgen voor de mate waarin de ziel de kans krijgt zich op een hoger, d.w.z. meer in goedheid geaard plan te verlaten zodat transcendering, overstijging, mogelijk wordt. Nu is het ongetwijfeld zo dat een uiting van de goede wil zich van de zonde van het doden af te keren door het bijwonen van religieuze ceremoniën, de scherpe kantjes van het k a r m a wegneemt, gedeelde smart is halve smart. Niettemin blijven dezelfde handelingen soortgelijke gevolgen met zich meebrengen. Wie steeds Christus aan het kruis wil zien hangen kan zo ongeveer hetzelfde overkomen, weet menigeen te melden. In plaats van een pak rammel kan een kind als straf vroeg naar bed (naar de Hemel) moeten, de gevolgen van zijn daden zal het moeten ondervinden. Het is ook om die reden dat een intelligent mens in de complicaties van de moderne tijd geen andere mogelijkheid ziet om aan het rad der wedergeboorte en de materiële ellende te ontkomen, dan de heilige namen te zingen: men betrekt zich rechtstreeks op de Allerhoogste en volgt Hem in het brengen van de juiste offers waardoor de bevrijding uit de stoffelijke bepaaldheid een feit wordt.

 

2.20 De ziel kent geboorte noch dood. En eenmaal zijnde, houdt ze nimmer op te zijn. Ze is ongeboren, eeuwig, immer zijnd, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

T o e l i c h t i n g

A j a h, ongeboren; n i t y a h, eeuwig; s â s v a t a h, bestendig; p u r â n a h, de oudste - dit zijn letterlijk vertaald de woorden die hier zijn toegekend als de eigenschappen van de ziel. Men kan zich afvragen wanneer de individuele ziel zijn aanvang nam. Zoals K r i s h n a zegt (2:12) waren we er met Hem altijd al. Het v i b h u - â t m â, de vermogende Superziel die staat tegenover het atomische a n u - a t m a, de j i v a, het kleine 'vonkje' ervan, is de eigenlijke beweger van het universum in wie alles zijn oorsprong vindt. Het spel van vormen moet ons niet de illusie geven dat deze oorspronkelijke continuïteit, waar we altijd een deel van zijn, niet bestaat. Het geheel heeft geen betekenis zonder de delen, daarom zijn we er altijd geweest. Dit is de intelligentie van Heer C a i t a n y a: a c i n t y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a, eenheid in de meest wonderbaarlijke zin: volledig bewust van het Ware Zelf èn de individuele onderscheidingen. Diegenen die beweren dat de natuur in zijn evolutie steeds grotere verscheidenheid ontwikkelt en dat men er dus pas later bij zou komen, vergeet even dat dat numeriek gesproken niet zo is. Er komen niet alsmaar meer soorten elementen, atomen bij, er komen steeds meer verfijningen in de combinatie ervan (men spreekt ook wel eens van chemie als het over de 'liefde' gaat). Zo is het ook met het a n u - â t m â. Van zeer atomair, ongedifferentiëerd en primitief evolueert de ziel naar eigen voorkeur een aard die behouden door het v i b h u - â t m â zijn continuïteit en vervolmaking vindt als volkomen deelaspekt van de Superziel met dezelfde eigenschappen en gedaante. Er zijn in de natuurkunde twee rivaliserende opties: theorieën over de bestemming van het materiële heelal. Enerzijds zouden we ons in de richting van chaos, duisternis begeven, anderzijds zouden we ons naar de kern van alles, het licht ontwikkelen. In de filosofie van de v a i s h n a v a's zijn dit de twee wegen waaruit men kan kiezen. In de zelfverwerkelijking kan men in chaos en duisternis geraken, maar zich ook naar de kern, naar het licht van de ziel (â t m â - j y o t i) begeven. Waar de materialist twee strijdige theoriën heeft, heeft de intelligente, d.w.z. geestelijk verbonden persoon, twee keuzen die zijn vrije wil uitmaken. Je kan net zo lang een ezel blijven als men zelf maar wil en daarmee almaar vluchtend afglijden in lagere levensvormen tot in het atomaire toe, of men aanvaardt met de moed der wanhoop de uitdaging Zijn weg te volgen en Zijn geluk te verwerven in volledige zelfrealisatie.

De onvermijdelijke conclusie van dit alles is dat als we steeds op weg zijn naar het Ideale Zelf, vol van alles wat we missen, Hij dus al vanaf het begin af aan meer was dan wij in alle opzichten. Als je het omgekeerde probeert te beweren kom je op onzin uit als: 'Hij is een fantasie die sterk genoeg is om demonen van het leven te beroven'. Of: 'Hij is een fantasie van wensdenkende mensen die tesamen à la Frankenstein een God in elkaar hebben gesleuteld die nooit bestaan heeft'. Het centrale idee en feit is de Persoon van God, de Allerhoogste, die zichzelf steeds bewijst, of we het nu ontkennen of niet. Er is nu eenmaal iemand, K r i s h n a, die zich als God de Vader, Allah en Buddha telkens weer opnieuw waarmaakt in alle tijden en alle volkeren (K r i s h n a: yada yada hy dharmasya, waar en wanneer ook maar de religie in verval raakt, zie 4:7). Zoals dit vers aanduidt laat Hij zich niet door één vorm vangen. Ookal is iedereen het erover eens dat Zijn gedaante als S y â m a s u n d a r (de schoonheid van de donkere huid) als de Allerhoogste moet worden beschouwd; de enige echte Liefde der Mensheid (plus decor). Ook als we beweren dat K r i s h n a er vijfduizend jaar geleden was en er voor die tijd niet ('wij waren er al voordat Hij er was'), is niet gezegd dat Zijn superioriteit er b.v. bij R â m a niet was als Hij die toen nog niet als K r i s h n a hoefde te tonen. Dat onze demonische neigingen Zijn vertoon van superioriteit uitlokken is een feit, maar om daar onze trots aan te ontlenen is toch op z'n zachtst gezegd bedenkelijk. We hebben Hem nog nooit met grijs haar gezien, maar als we zo doorgaan...., dan zou de 'romantiek' van het christendom wel eens gelijk kunnen krijgen.

 

2.21 O Prithâ, hoe kan iemand die weet dat de ziel onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en onveranderlijk is, iemand doden of tot doden aanzetten?

T o e l i c h t i n g

Behalve de vier eigenschappen vermeld in het vorige vers, geeft K r i s h n a nog een vijfde eigenschap van de ziel: de onveranderlijkheid (a v y a y a m). Dit alles dient ervoor A r j u n a op z'n gemak te stellen bij de zware taak recht te doen gelden over zijn eigen familieleden. De kwestie van geweld is een zwaarwegende. De christelijke sfeer is doortrokken van de angst voor geweld die een schaduw vormt van het geweld dat men zich veroorlooft jegens allerlei vee dat gefokt en geslacht wordt voor de consumptie. Het argument dat een dergelijk dier nauwlijks pijn ondervindt bij zijn heengaan is niet geldig. Ook een dier leeft in verbondenheid en heeft ook affectieve relaties. Zoals ook wij mensen treuren om het plots heengaan van een geliefde persoon, ookal is dat dan relatief pijnloos geschied, zo ontstaat er ook een gemis bij het heengaan van een lieve koe die jarenlang haar goeiige best heeft gedaan. Het is niet verstandig het belang van welk levend wezen dan ook te minachten. We kunnen als buitenstaander er maar nauwlijks weet van krijgen hoe het is om een koe te zijn en wat zo'n dier bijdraagt met haar wezen, haar ziel. Feit is dat de indiër traditiegetrouw geleerd heeft koeien te respekteren uit dankbaarheid voor haar goddelijke wijsheid en diensten. Zelfs de uitwerpselen en urine zijn dierbaar, als brandstof en antisepticum. Nu hoeven we in Nederland natuurlijk niet te stoken met koeienflatsen en de vloer te reinigen met haar water. Wat meer respekt voor en kennis van de wederwaardigheden van een eeuwige ziel, zullen ons echter ongetwijfeld ten goede komen. Als een indiër vlees wil eten moet hij dat doen als een offer aan de godin K â l i. Hij moet het beest dan een m a n t r a in het oor fluisteren waarmee hij te kennen geeft bereid te zijn in zijn volgende leven omgekeerd het slachtoffer tot voedsel te dienen.

Het christendom heeft volkomen gelijk met het minachten van de mogelijkheid van wedergeboorte: het is inderdaad niet de bedoeling. Echter de afkeer hiervan is nog geen garantie tegen het feitelijk herboren raken. Niet meer terugkeren naar deze wereld is alleen mogelijk door het verzaken van alle verlangens ernaar, en zonder een goed idee van wat het alternatief is, is het niet waarschijnlijk dat dat echt wil lukken. In hoofdstuk 16, vers 20 maakt K r i s h n a duidelijk dat een lagere wedergeboorte, in een andere gedaante, is weggelegd voor de afgunstigen en kwaadaardigen. Wat het geweld jegens dieren aangaat, kan men wel zeggen dat het verlangen de eetlust te stillen dat gebaseerd is op het naar het leven staan van koeien en varkens en dat evenzogoed met melkprodukten, bonen, granen, groenten en fruit kan worden bevredigd, het risico op een wedergeboorte in een dergelijke vorm groter maakt. Men komt immers altijd daar terecht waar men naar verlangt. O.a. om die reden zijn de v a i s h n a v a's altijd gericht op K r i s h n a, de Hoogste Persoonlijkheid God's. A r j u n a staat voor de onvermijdelijkheid van geweld in een oorlogssituatie. Als we K r i s h n a goed begrijpen is het gewelddadiger het recht niet te doen gelden, dan het kwaad zijn beloop te laten.

In de oorlog tegen m â y â is het van groot belang gezamenlijk de boeken te lezen die door de toegewijden van de Heer als offer zijn gebracht terwille van de s a t - s a n g a. Voordat men met voorlezen begint, hetgeen zowel 's morgens als 's avonds vóór het eten geschiedt, zingt men traditiegetrouw een lied dat de liefde van R â d h â en K r i s h n a in herinnering brengt. Het spreekt van de heuvel Govardhana en de rivier de Yamunâ, die beiden deel uitmaken van het decor van K r i s h n a's jeugd.

 

2.22 - 2.27

 

2.22 Zoals iemand zijn oude versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt, laat de ziel het oude nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a stelt hier zonder meer dat het normaal is te reïncarneren. Wat Hij er niet bij zegt is dat wedergeboorte niet impliceert dat men terugkeert op dezelfde planeet. Zo kan men reïncarneren en toch naar hemelse oorden vertrekken. Als we ons niet onthechten van het oude, kunnen we het nieuwe niet waarderen. In deze ene zin, in dit vers, schuilt het hele probleem van de y o g a. Pas als we begrijpen dat de ongeboren, eeuwige, bestendige, oorspronkelijke en onveranderlijke ziel een persoon is waarmee we altijd verbonden zijn geweest en zullen blijven, kunnen we de veranderlijkheid, geboorte, onbestendigheid en weerbarstigheid van de tijdelijke materiële werkelijkheid verdragen. Als we niet een sterk idee hebben van centraal gezag dat de kenmerken van de ziel draagt, als dat gezag geen persoon is, als die persoon niet goddelijk is voorzien van alle volheden, als die persoon niet in één woord K r i s h n a Zelf is, raken we in de macht der begoocheling verstrikt omdat men in onwetendheid over zijn oorsprong er toch naar blijft verlangen en dan verdrinkt men in een zee van speculaties en dromerijen over wat het allemaal zou kunnen wezen. Zo zijn begoochelde lieden altijd ontevreden, welke halfgod men ook eerbiedigt. In wanhoop over de tekortkomingen van alle vormen van geloof in andere personen probeert de impersonalist de leegte te aanbidden als het hoogste goed, als de hoogste bevrijding. Toch zal een ieder moeten toegeven dat in het licht van de persoonlijke tekortkomingen het geidealiseerde zelf toch wel degelijk een persoonlijke vorm moet hebben. Alle goede eigenschappen die we ons wensen kunnen we nou eenmaal niet in de lege ruimte projecteren. De verbazingwekkende ontdekking dat de integriteit van al die eigenschappen een werkelijk bestaande persoon is, doet men pas als men zich onthechten kan van de eigen tijdelijkheid, weerbarstigheid en onbestendigheid, geboorte en veranderlijkheid. Met name het laatste, de veranderlijkheid kost veel moeite. We identificeren ons er graag mee, maar raken, omdat als we teveel denken God zelf te zijn, ons anker kwijt en lopen op de klippen. We zijn niet zelf de veranderlijkheid, de Tijd. De almachtige Tijd onderwerpt iedereen en ons daarmee identificerend ligt de machtsillusie voor de hand. De enige remedie, de enige uitweg uit dit gegeven is dus de aanname van de ziel met de gevolgtrekking dat daar automatisch een 'besturend wezen' aan vast zit. Dat je zelf zuiver moet zijn om in dat 'besturend wezen' K r i s h n a te kunnen herkennen en niet een jaloerse, boosaardige straffende God vol machtsverbeelding, behoort bij de griekse definitie van het woord ziel: psyche of spiegel. Simpel gezegd: soort zoekt soort.

De machtsillusie van de gehechte persoon die zich uit als een zich afwenden van iedere vorm van gezag over zichzelf is een zeer koppige. Hoe kan men ontkennen dat men een ideaal zelfbeeld heeft dat als richtsnoer, bestuurder, optreedt? Dit is alleen mogelijk als men zijn verstand kwijt is, denkt onfeilbaar te zijn, geen ideaal boven zichzelf kan plaatsen; kortom gespeend is van iedere vorm van zelfkennis. Zo een iemand is als een roofdier in de vrije natuur: een wild beest, dat cultureel gezien maar één bestemming kent: de ondergang in oorlog, gevangenis en gekkenhuis. Gehechtheid en het onvermogen zijn meerdere te erkennen zijn de kenmerken van degene die denkt zijn lichaam te zijn. Zoals we reeds zagen leeft zo iemand altijd in angst.

 

2.23 Geen wapen kan de ziel ooit in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of door de wind verdroogd.

T o e l i c h t i n g

De in dit vers genoemde gebeurtenissen zijn allen zaken die het lichaam aangaan. Iemand die denkt het lichaam te zijn heeft geen kans op de overwinning. Dit is de boodschap van K r i s h n a aan A r j u n a. De overwinning is het inzicht een eeuwige ziel te zijn in verbondenheid met Hem. De geesten en demonen die ons leven teisteren als we ons niet op het ideale Zelf concentreren, kunnen we zo kwijt raken. Betrekkingswanen (achterdocht), halucinaties (dingen zien die er niet zijn), depersonalisatie, derealisatie, rationalisatie, psychopatisering (manipulatieziekte), neurotisering (onzeker en verkrampt raken), psychose (de controle verliezen), zijn allen gevolg van de onwetendheid. We zijn in feite als varkens als we denken een lichaam te zijn, we zijn mensen als we denken een lichaam te hebben. Dit inzicht is het begin, de basis, het fundament (âdhar) van alle geestelijke gezondheid. In de geschriften bestaat er een populaire vergelijking aangaande de getuigenis van de ziel die in het lichaam zit. De ziel is als twee vogels in een boom, de atomische ziel met haar materiële volijver is bezig de vruchten van de boom te genieten, terwijl de superziel een tweede vogel is die toekijkt. De vogel die opgaat in de geneugten van de materiële wereld is pas van zijn angst bevrijd als hij zich keert tot de vogel die rustig toeziet: je bent niet alleen en kunt alle vruchtdragende aktiviteiten aan de vrije vogel opdragen. K r i s h n a is de vrije vogel, de individuele ziel degene die gehecht is aan de vruchten van zijn arbeid.

Geestelijke vrede is het resultaat van zelfrealisatie. Wie in zijn hogere Zelf K r i s h n a herkent raakt niet meer in de war door de complicaties van de materiële wereld en heeft zijn bestemming gevonden. De altijd volijverige geest is dan een dienaar en niet een diktator. Hier is een gelijkenis over: ' Er was eens een man die een wonderlamp vond. Toen hij deze lamp wreef, verscheen er een grote geest die hem zei alle wensen in vervulling te doen gaan. Aanvankelijk genoot de man van zijn dienaar die hem alles bracht waar hij om vroeg, maar toen hij eenmaal moe en voldaan was, bleef de machtige geest maar vragen: 'en wat wil je nu', tot hij er helemaal gek van werd. In zijn wanhoop vroeg hij toen om een voorraad wijn om zijn geest te kunnen vergeten, maar niets hielp. Toen er een priester verscheen alwaar hij verbleef, wierp hij zich in wanhoop aan zijn voeten en smeekte om hulp. De priester droeg hem op te bidden en dat bleek uiteindelijk de enige remedie te zijn tegen zijn welwillende en gedienstige kwelgeest.' Het denken van de mens is altijd doortrokken van materiële motieven. Ze wordt door de v a i s h n a v a's als een vorm van materie beschouwd, ongeveer zoals electrische impulsen in de hersenen, teweeggebracht door zintuiglijke indrukken. De enige manier om al deze impulsen tot orde, rust en vrede te brengen is ze te onderwerpen aan een besturend beginsel dat persoonlijk en verheven is: K r i s h n a die men zich heugt door H a r e_ K r i s h n a_H a r e_ K r i s h n a ,_K r i s h n a_K r i s h n a , H a r e_H a r e , H a r e_R â m a_H a r e_R â m a, R â m a_R â m a, H a r e _ H a r e, te herhalen tot het hele wezen Zijn werkelijkheid vibreert.

 

2.24 Deze individuele ziel kan breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk, onbeweeglijk en immer eender.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a noemt hier nog een kenmerk van de eeuwige ziel: ze is alomtegenwoordig (s a r v a - g a t a h). Dit betekent natuurlijk niet dat hetzelfde individuele bewustzijn overal aanwezig is. Dat is overal anders. Met de alomtegenwoordigheid van de zelfbewuste ziel wordt het bewustzijn van ieder individueel bestaan bedoeld; dat heeft, behalve K r i s h n a Zelf, nooit het vermogen van het v i b h u - â t m â, hoewel gevorderde y o g i ' s speciale gaven kunnen ontwikkelen (s i d d h i ' s) die bij de genade van K r i s h n a het bewijs van Zijn almacht vormen. Dit betekent dat alle dingen, hoe onbeduidend ook, een zelfbewuste ziel hebben. De uitdrukkingsvaardigheid van de individuele omhulsels van de ziel verschilt, maar is in voortdurende evolutie van lagere naar hogere orde. Het doel van deze evolutie is 'Zijn' evenbeeld te worden en te blijven, zonder Hem zelf te willen zijn (anders valt het zelfbewustzijn van het individu weg). Het is een paradoxale ontwikkeling: het levend wezen evolueert naar steeds hogere vormen om uiteindelijk van de ideale vorm te verschillen. Logisch gesproken kunnen we natuurlijk alleen echt van Hem verschillen als we Zijn volledig vermogen kunnen aanwenden. Een spel tennis, b.v., lukt alleen goed als beide partijen aan elkaar gewaagd zijn. Met een konijn kan men nu eenmaal niet tennissen. De paradox is er als we Hem ontkennen als 'spelpartner', dan voelen we ons dieven en zijn we respekt verschuldigd. Is het respekt er eenmaal, dan moet men tegenspel bieden: ik ben niet gelijk aan Jou, ik wil Jou niet zijn, ik wil me ook waarmaken.

Het woord onbeweeglijk heeft betrekking op het v i b h u - â t m â, dat steeds van alle aktiviteiten van de met het lichaam geïdentificeerde ziel, de stille getuige is. Zo gauw we tot rust komen verenigen we ons met Hem en komt de geest op gang die het tegenspel van respekteren en verschillen moet ontwikkelen. Het respekt uit zich in het bezigen van m a n t r a's zoals ' om nam0 bhagavate vâsudevâya' (alle eer aan de Allerhoogste Heer, Vâsudeva - de zoon van Vasudeva - S.B. 1.1:1) Het tegenspel uit zich in de speciale aanpassingen aan plaats en tijd (v i - b h a g a v i t) die iedere persoon als godsdienstig doen kennen. In feite is iedere persoonlijke ziel God's dienaar ookal weet men dit in staat van begoocheling niet. Zelfrealisatie impliceert dus niet dat men meteen een ander leven moet leiden, maar dat men zijn geliefde bezigheden in het juiste licht, het licht van de ziel plaatst. Dit is ook de betekenis van de uitdrukking 'bewustzijn ontwikkelen'. Het gaat om het bewustzijn van Heer C a i t a n y a: men is op wonderbaarlijke wijze één, maar toch verschillend van Hem. Dat is Zijn spel en vermaak: Zijn l î l â.

 

2.25 Er is gezegd dat de ziel onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Nu je dit weet, mag je niet meer om het lichaam treuren.

T o e l i c h t i n g

Rupa Goswâmî heeft een lijst van vierenzestig eigenschappen van K r i s h n a, de Superziel, opgesteld waarvan v i - b h a g a v i t, aangepast aan tijd en omstandigheden er één is. K r i s h n a zelf noemt hier een aantal grondkenmerken. Behalve de reeds genoemde woorden gebruikt hij ook de termen onzichtbaar en a c i n t h y a. Dit tweede woord a c i n t h y a, onvoorstelbaar, vinden we ook terug in Heer C a i t a n y a's_a c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a, dat ieders individuele aanpassing begrijpelijk maakt. Voor de materialistische visie benadrukt Heer K r i s h n a dat er niets te zien valt als het over de ziel gaat. We kunnen alleen een existentieel bewijs van de eeuwige ziel krijgen: bij de genade van Heer K r i s h n a Zelf, die alwetend is, kunnen we voor onszelf zekerheid verkrijgen over wie we zijn geweest en zelfs wie we zullen zijn. Een gereïncarneerde wijze die personen uit zijn vorige leven herkent en hun aanspreekt alsof hij nooit is weggeweest, zulke heiligen bestaan in India, leveren weliswaar bewijs van de eeuwigheid van de ziel, maar kunnen daarmee nog niet aan de eisen van herhaalbaarheid en kontroleerbaarheid voldoen die de materiële wetenschap stelt. Zo is het ook met bewijzen van onder hypnose verkregen gegevens. Voor de wetenschap in wereldse zin is de uitzondering niet de bevestiging van de regel, hoewel dit spreekwoordelijk wel voor het individu van toepassing is. De materiële wetenschap redeneert voor het (materiële) nut van het algemeen en baseert zich op voor een ander herhaalbare en verifieerbare zaken. Vanuit K r i s h n a bekeken kunnen we dan ook zeggen dat Hij, als de werkzame kracht achter de wetenschap, het van belang acht voor het nut van het algemeen ervan uit te gaan dat we niet meer terugkeren naar deze wereld. Dit is ook de leer van het christendom. De bevestiging bij uitzondering dat reîncarnatie op dezelfde planeet een feit kan zijn, kan onmogelijk als algemene waarheid gelden voor de talloze zielen die beslist niet meer terugkeren. Hoe precies deze gigantische werkelijkheid van de overgaande ziel in elkaar zit is voor een ieder a c i n t h y a, onvoorstelbaar. De enige die er zicht op heeft is Heer K r i s h n a Zelf (of Hij als nederdalende a v a t â r a in een andere gedaante). A r j u n a op het slagveld heeft van dit alles nog geen weet, maar hij is er wel rijp voor om dit van K r i s h n a te ontdekken. Wie eenmaal K r i s h n a op deze wijze heeft leren kennen is genezen van al zijn twijfel (ookal kan er nog veel lijden zijn vanwege allerlei k a r m a).

De werkelijkheid van K r i s h n a wordt vergeleken met een ijsberg in de zee: slechts een klein gedeelte (1/4) is zichtbaar, de materiële wereld. Het grootste gedeelte is er slechts in de geest als een mogelijkheid die afhankelijk van de ziel als meer of minder werkelijk wordt ervaren (vanwege een zekere doorleefdheid). Zo kan men in de bijbel van de v a i s h n a v a, het Srîmad Bhâgavatam, de meest ongelofelijke verhalen aantreffen die voor de gevorderde toegewijde veel werkelijker zijn dan voor de beginner. Op dit nivo van kennis zijn de begrippen van tijd en ruimte zo ver verwijderd van wat we naar aardse maatstaven gewend zijn, dat daar slechts het woord kosmisch op van toepassing is. K r i s h n a is als nederdaling een cosmische a v a t â r a die zelfs al als klein kind in staat was zijn lieve moeder Yasodhâ een visioen van de uitgestrektheid van de ganse schepping te geven toen ze Hem in Zijn mondje wilde kijken omdat Hij aarde gegeten zou hebben. Ook voor A r j u n a heeft K r i s h n a iets dergelijks in petto. De angst voor de strijd en de angst voor de realisatie van dit soort zaken zijn te vergelijken met de angst die de gewone burger voelt voor de (Absolute) waarheid en voor controleverlies. Feit is echter dat de absolute kwaliteit van het bewustzijn van het Ware Zelf, K r i s h n a, voor ieder levend wezen een onvermijdelijke realisatie is, evenzogoed als het feit dat niemand te allen tijde de volledige controle kan hebben of ook zelfs maar een gedeelte ervan. Een wijs mens geeft dit voor zichzelf toe en aanvaardt de gevolgtrekking dat men is overgeleverd aan wat we met z'n allen voor de Opperheer kunnen betekenen ter verwerving van Zijn Genade. Door ons onvermogen zijn we overgeleverd aan Zijn genade. Ookal moet iedereen zijn eigen weg zoeken, het pad van de toewijding is door Hemzelf, Heer C a i t a n y a, reeds gebaand en in die zin zijn we dan ook gebonden aan de overgave en genade van Zijn toegewijden. Ook dit pad behoort tot het onzichtbare en onvoorstelbare van de Superziel. Ookal hebben we boeken over Zijn leven als K r i s h n a's toegewijde, naar onze plaats en tijd bezien is het echter geenszins een direkt zichtbare en voorstelbare weg. Slechts langs de wegen der geleidelijkheid kan het christendom v e d i s c h rijpen tot religieuze volwassenheid. Voordat de Europeanen zich vedisch-hervormd-katholiek kunnen noemen, zal net zoveel jaren vergen als het kost om al het water in de Rijn te zuiveren èn te heiligen.

 

2.26 Denk je echter dat de ziel voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds geen reden tot weeklagen, o sterkgearmde.

T o e l i c h t i n g

 K r i s h n a ontneemt A r j u n a het recht op klagen. Hij moet met de aanname van de continuïteit van de levende ziel niet over zijn lichamelijke lotsbeschikking treuren. En als er geen wedergeboorte zou zijn dan hoeft hij zich ook geen zorgen te maken over de gevolgen van het doen van zijn plicht als k s a t r i y a tegenover zijn familie. Terwijl de aanwezigheid van K r i s h n a zelf voor A r j u n a het bewijs zal zijn van de eeuwigheid van de ziel, maakt K r i s h n a hem duidelijk dat, ookal ziet hij het nu nog niet in, hij nog steeds geen recht op klagen heeft.

In feite is het gejammer over de dood meer een bewijs van een idee dat erna toch nog het één en ander te verantwoorden is dan dat het daarna allemaal afgelopen zou zijn. Waarom zou je je over de dood zorgen maken als je met één goede dreun van het hele probleem verlost zou zijn? Dan zou je voor de dood niet meer angst moeten voelen dan voor de tandarts: het doet misschien pijn, maar om daarover in existentiële nood te geraken is toch wat anders. Zo is onze angst voor een werkelijk materiële destructieve oorlog meer gebaseerd op de angst voor een slecht geweten dan op de angst voor onderdrukking en pijn. Blijkbaar weten we toch wel met de moderne tijd, na een paar wereldoorlogen dat een slecht geweten zwaarder weegt dan een vernietigd materieel leven. De last van een slecht geweten neemt een ziel mee naar het hiernamaals, of het hiernogmaals. De vernietiging van de aanhangende materie is een natuurlijke vanzelfsprekendheid die we aan de zorgen van slopersbedrijven, doodgravers en doktoren over kunnen laten. Zo kan de mensheid zich er militair beter mee bezig houden als wereldeenheid een zodanige discipline te ontwikkelen dat de intelligentie de overhand krijgt, dan alsmaar het domme spelletje van 'ik kan me niet beheersen' en 'ik weet niet welke waarheid absoluut is' te spelen. Het is het zich geen raad weten met een slecht geweten dat de oorlog gaande houdt. Als we een slecht geweten zien als een uitnodiging om de liefde van en voor K r i s h n a te ontdekken, waarbij Zijn genade de last van b.v. moord en doodslag kan omzetten in een dragelijke werklast, zal het met de goede wil wel lukken om van materiële oorlogsvoering over te stappen op een strijd tegen de illusie die onze intelligentie versluiert.

In de strijd tegen de illusie van het tegendeel, de tijdelijkheid van het aan de ziel aanhangend lichaam, moet de vijand bekend zijn. In feite is deze vijand kenbaar gemaakt met het navoegsel -isme, dat is afgeleid van schisma, splijting of scheuring. K r i s h n a -bewustzijn impliceert heelmaking, niet splijting. V a i s h n a v i s m e is de misvatting van de v a i s h n a v a dat er geen onderling verschillende wegen naar K r i s h n a mogelijk zouden zijn. Het bestaan van de verschillende scholen, m a t h ' s, in de navolging van Heer C a i t a n y a, bewijst dat v a i s h n a v i s m e een illusie is van mensen die er te weinig vanaf weten. Hoe meer we ervan afweten, hoe minder gespleten we zijn. Dat is een uitnodiging. Iedereen die snapt dat het z.g. voordeel van de twijfel uiteindelijk alleen aan K r i s h n a is voorbehouden en daarbij weet dat twijfel niet zonder meer als een voordeel moet worden gezien (b.v. Christus gaf de Romeinen het voordeel van de twijfel en versloeg uiteindelijk als ziel het romeinse rijk), zal zijn favoriete -isme waarin hij de afgescheidenheid van zijn grootheidswaanzinnige (groeps-) ego koestert afzweren en zijn heelheid beamen. De v a i s h n a v a keert zich in het algemeen tegen het monisme (alles is één), voidisme (God is niet een persoon), impersonalisme (het onpersoonlijke is het hoogste goed) en materialisme (we stammen van de aap af en niet van ons ideaal-beeld: de Godspersoon).

In het licht van de moderne tijd kunnen we daar nog een hele reeks -ismen aan toevoegen, die echter nog niet direkt in de boeken zijn terug te vinden als 'erkende vijand'. Het zijn -ismen afgeleid van de reeds genoemde -ismen: mechanicisme (de machine maakt de dienst uit), pragmatisme (gemakzucht is de weg naar de hemel), realisme (de wonderbaarlijkheid is z.g. bedrog), cognitivisme (denken is het panacea voor alles) en het alomtegenwoordige sexisme (sex is de oplossing voor alles). In het geestelijk leven geneest men van de illusie dat machines de dienst uit zouden maken, gemakzucht de weg naar de verlichting is, wonderen niet bestaan, geloven een kwestie van goed denken is, en sexuele vrijheid godsdienstig is (in de z.g. t a n t r i s c h e sex wordt alle sex aan de meditatie onderworpen).

 

2.27 Wie geboren is, gaat een wisse dood tegemoet, en wie dood is, wordt zeker weer herboren. Daarom behoor je bij het onvermijdelijk vervullen van je plicht geen klacht te uiten.

T o e l i c h t i n g

Leven is een periode van aktiviteit die een begin en een einde kent. We sterven tijdens ons lichamelijk bestaan vele malen, moeten leren ophouden en weer met wat nieuws beginnen. Ons ego, onze afgescheidenheid van K r i s h n a en de mensen die voor K r i s h n a leven moet ten einde komen en plaats maken voor een gewetensvol medeleven als een spirituele, geestelijke ziel. Het materiële bestaan komt altijd ten einde, het geestelijke duurt immer voort. Een ik van ontkennen, maakt plaats voor een ziel van heugenis die niet langer afhankelijk is van één lichaam, noch van willekeurig welk lichaam ook. Een ziel is een collectief bezit, behorend tot een gemeenschap, K r i s h n a's s a t - s a n g a, en men hoeft er alleen maar voor te zorgen dat het voor de anderen, K r i s h n a niet te vergeten, zinnig is om je te herinneren. Men moet b.v. een aangenaam, gecultiveerd, beschaafd persoon zijn vol goede eigenschappen, altijd stabiel, vol van wijsheid, schoonheid, liefde en verzaking. Een toegewijde van K r i s h n a worden impliceert een opvoeding ondergaan, p â n c a r â t r i k a genaamd: van mens aangetast door de symptomen van K a l i- y u g a (zijn als een s û d r a) wordt men bevorderd tot de status van een d e v a die niet ten val behoort te komen, maar volmaakte dienstbaarheid is. Uiteraard, nogmaals, is de volmaakte toegewijde alleen K r i s h n a zelf, Heer C a i t a n y a, en doen alle anderen verwoed hun best ook zo'n overgave te ontwikkelen. Wat is het leven waard als je de ware liefde niet kunt leven? Als de ziel niet onvernietigbaar zou zijn had om die reden menigeen allang de hoop op zelfrealisatie opgegeven. Maar men heeft nu eenmaal een geestelijk gevormd 'materieel' lichaam om zijn liefde voor God waar te kunnen maken. Ook de m a h â j a n a (vader der religie), d e v a r s h i S'rî N â r a d a die men zelfs B h a g a v â n noemt omdat Hij alle achting geniet als de hoogste toegewijde heeft nog een fijnstoffelijk lichaam nodig om zijn ijlzinnig werk te kunnen doen en o.a. de schrijver dezes bij te staan in het arrangeren van de muziek voor K r i s h n a. Zonder Heer B r a h m â is het filosoferen niet mogelijk, ook aan Hem alle eer. Zonder K r i s h n a hebben we geen doel en valt alles uiteen. Lichamen zijn nodig. Een geliefde ziel die heengaat moet weer terugkeren vanwege die liefde. Een persoon die niet geliefd is en heengaat, keert ook terug naar de plaats waar zijn liefde naar uitging. Liefde werkt van twee kanten: de liefde die men opwekt is de liefde waar men zich toe verplicht. Zo ontstaat ieders eigen aard en plicht. Hier kan niemand aan ontsnappen. Zelfs de grootste demon kan niet aan zichzelf ontkomen. Zo schept de werkelijkheid van de ziel de eeuwige plicht, de universele en absolute religie Hem te dienen: het s a n â t a n a_d h a r m a, dat hoewel het zijn eenduidige vervolmaking in K r i s h n a vindt, voor iedereen een weg zonder einde is, zoals een ezel die achter een wortel aanloopt, door de voerman aan een stok vastgebonden. K r i s h n a snelt ons als de wortel steeds vooruit en wij zijn gedoemd er als ezel steeds maar achteraan te sukkelen. In materiële termen lijkt dit afschuwelijk, maar de gevorderde toegewijde die de eeuwige vreugde, Heer N i t y â n a n d a's genade, kent te zijn ingewijd in de geheimen van de toegewijde dienst, is het een eeuwige verrukking een gevallen ziel, een ezel en een sukkelaar te zijn. Waarom haast hebben om in de Hemel te komen? In het Srîmad Bhâgavatam schrijft V y â s a d e v a in de lofzang van Brahmâ op de jeugdige K r i s h n a die Hij niet kon verslaan:

gevangenschap hier en verlossing hieruit-
't zijn woorden van blindheid, zinledig en dom.
In het licht van het Zelf, zo onfeilbaar en klaar,
zijn zij als de dag en de nacht voor de zon.

(.....)

Toch kent alleen iemand die een sprankje slechts ontvangt,
van het goddelijk heil van uw lotusvoetenpaar,
O Heer, Alvervuld', Uw volkomen heerlijkheid-
niet iemand die eenzaam altijd naar binnen staart.

(S.B. 10.14: 26 & 29) Daar het doen en laten van onze plicht zo onvermijdelijk is als het moeten gehoorzamen aan de eigen zelfgekozen liefde, zegt K r i s h n a dat we geen klacht dienen te uiten. We hebben het zelf gewild. Christus moest uit Zijn eigen liefde aan het kruis sterven, het was Zijn genade voor de onwetenden om de weg naar de Hemel zo rigoreus voor te stellen. Christus klaagde niet over Zijn beulen, maar riep de Vader, K r i s h n a, aan: 'waarom hebt U Mij verlaten?' De vraag die K r i s h n a (Zichzelf) Christus stelt is: 'waarom heb Je Mij verlaten?' Het drama van Christus bestond eruit dat Hij de taal van de mensen moest spreken om ze in hun hart te kunnen bereiken. Het drama van A r j u n a is dat hij tegen zijn familie moet vechten om zijn eer te redden. Het drama van de schrijver is dat hij met inkt moet praten omdat mensen een boek makkelijker hanteerbaar (pragmatischer) vinden dan een mens. Het heeft geen zin ons er bij Hem over te beklagen. Wat we dan zeggen is wat Hij ons wil zeggen.

Er is een lied van de v a i s h n a v a's dat de glorie van S'rî N â r a d a bezingt. Het is geschreven door Bhaktivinoda Thâkur, een groot â c â r y a (geb.1832) die de s a n k î r t a n a-beweging van Heer C a i t a n y a een nieuwe stimulans gaf door zijn talrijke liederen, geschriften en het in eer herstellen en bekendmaken van de geboorteplaats van Heer C a i t a n y a, het plaatsje Navadvipa in Bengalen.

 

2.28 - 2.35

  

2.28 Alle geschapen wezens zijn niet geopenbaard in het begin, openbaar in hun tussentoestand en wederom niet- openbaar wanneer ze worden vernietigd. Wat valt er dus te treuren.

T o e l i c h t i n g

Ten tijde van de vernietiging aan 'het einde der tijden', worden de levende wezens opgenomen in het v i b h u - â t m â, t.w. Mahâ-Vishnu. Ze behouden daar wel hun identiteit, maar zijn niet meer openbaar. Met het niet-geopenbaard zijn wordt aangegeven dat de ziel niet meer belichaamd is in een materieel (geconditioneerd) lichaam. In het Sanskriet van dit vers staat n i d h a n â n i, hetgeen letterlijk allen die overwonnen zijn betekent. Er is dus geen sprake van de vernietiging van het geestelijk wezen, maar een overwonnen zijn door de z.g. Hoogmogende Tijd die allen onderwerpt. Wat valt er te treuren als alleen de manifestatie in de materiële wereld komt en gaat, maar de ziel onveranderd blijft bestaan, met al zijn identiteitskenmerken, voor zover die geestelijk tot ontwikkeling zijn gekomen (zie ook 2.12).

In Het S r î m a d B h â g a v a t a m staat het volgende over dit onderwerp:

"Het opgaan van de levende wezens met hun geconditioneerde levensneiging in de mystiek sluimerende M a h a-V i s h n u wordt het terugwinden van de kosmische openbaring genoemd. Verlossing is de blijvende toestand van de wezensgedaante van het levend wezen nadat het zijn veranderlijke fijn- en grofstoffelijk lichaam heeft prijsgegeven." (2.10:6).

In de geestelijke wereld leven de toegewijden in een geestelijk lichaam. Ze worden dan n i t y a - m u k t a, eeuwig bevrijd, genoemd. Dit is de staat van de meeste levende wezens. De materieel geconditioneerde wezens zijn in de materiële wereld om er hun neiging van heersen en genieten bot te vieren en de lijdende ziel een kans te bieden naar God terug te keren. Tijdens het materieel geconditioneerde leven komt de ontwikkeling van dit lichaam reeds op gang. Ieder materieel geconditioneerd wezen zoekt verlichting van het materiële lijden. Als het levende wezen zich zijn oorspronkelijke positie in relatie tot K r i s h n a begint te herinneren, omdat het lijden hem aanzet tot meditatieve aktie, wordt geleidelijk de versluiering van onwetendheid die de ziel bedekt, 'besmet' heeft, weggenomen. Dan ondergaat de persoon het transformatieproces waarin hij een aantal stadia doorloopt. Het lijkt op de rouwprocessen rondom overlevenden. Eerst weet men niets en aanvaardt men niets van de noodzaak afscheid te nemen, maar voelt men zich toch wel aangetrokken tot de verlichting die het meditatieve biedt, men geniet de genade, maar is nog niet bereid de prijs te betalen: voor iedere graad van vrijheid moet men iets van de wereld opgeven. In dit stadium wordt de toegewijde p r â k r t a genoemd (zie ook toel. 2:13), hetgeen is afgeleid van p r a k r i t i hetgeen duidt op de energie van de materiële natuur en staat tegenover p u r u s h a of de (God's)persoon als kern van het levend wezen. p r a k r i t i en p u r u s h a zijn de eerste twee onderscheiden elementen van de werkelijkheid van God S a n k a r s a n (de j i v a-God). De benaming p r â k r t a heeft dus betrekking op het feit dat de ziel zich nog volledig identificeert met de materiële natuur maar reeds wel als toegewijde wordt beschouwd omdat hij zich aangetrokken voelt tot de meditatieve staat. In het daaropvolgend stadium ontwikkelt zich met vallen en opstaan een relatie met andere toegewijden en maakt men kennis met leraren en met de literatuur. In dat stadium is men nog niet echt onthecht en klampt men zich nog vast aan allerlei zaken die in de weg staan van een continue beleving van het Ware Zelf, K r i s h n a. Men weet er wel van, maar is nog niet in staat deze relatie zelfstandig gaande te houden en te ontwikkelen. Herhaaldelijk valt men terug in m â y â, hetgeen steevast samenhangt met onverwerkte verlangens, die altijd een vorm van verzet tegen K r i s h n a inhouden. Dan wordt men zich ook bewust dat achter iedere begeerte agressie schuilgaat. Agressie betekent letterlijk: niet vooruit komen. Men wisselt steeds van gemoed, van hemelhoog juichend naar zwaar teneer geslagen maar komt niet ten val: b h a k t i houdt stand. Dit stadium wordt m a d h y a m a genoemd (tegenover het in relatie tot K r i s h n a k a n i s t h a genoemde daaraan voorafgaande): er is geen sprake van volledige onthechting, noch van stabiliteit. In dit stadium doen zich allerlei min of meer ernstige geloofscrises voor ('beproevingen van de duivel'), waardoor men geneigd is zich telkens tot andere autoriteiten te wenden. Deze autoriteit hoort dan bij het stadium van ontwikkeling. Langzaam aan leert men herkennen dat de verwijten die men deze autoriteit maakt in de teleurstelling over de instabiliteit van het geestelijk leven, vooral de eigen tekortkomingen (k a r m a) weerspiegelen. In dit stadium waarin men de s â d h a k a's aantreft die halverwege hun ontwikkeling staan, spreekt men ookwel van k a r m a- en j n â n a - y o g a, omdat men voortdurend k a r m a inlost met ieder geestelijk avontuur en daar ook kennis door opdoet. Zo rijpt men geleidelijk van warhoofd tot een welbespraakte toegewijde die de weg begint te herkennen en anderen vooruit kan helpen. In het epos van R â m a, de R a m â y â n a, heet het: dharmo raksati rakSîtâh, hetgeen betekent: wie het d h a r m a, de vervulling van de religieuze plicht redt, wordt gered. Verderop in de G î t â, maakt K r i s h n a duidelijk hoe dit in relatie tot Hem uitwerkt (o.a. hfdstk 12 over toegewijde dienst).

Het derde stadium is dat van de feitelijke dood van het afgescheiden, valse ego. Men verliest de motivatie voor het in stand houden van het materiële lichaam, geeft zijn bezit op, weigert voor zichzelf te leven en laat familie en vrienden achter voor een geestelijk leven. S w a m i P r a b h u p â d a:

"Sommige van de gebonden zielen echter, die zich naar de bovenzinnelijke klank richten in de vorm van de vedische teksten en zo naar God kunnen terugkeren, verkrijgen na het verlaten van hun geconditioneerde fijn- en grofstoffelijk lichaam hun oorspronkelijke geestelijke gedaante" (bet. S.B. 2.10:6).

In India ziet men talloze s â d h u ' s (waarheidzoekers) die de wereld hebben losgelaten en alleen nog voor de ziel leven. Ze gaan van heilige plaats tot heilige plaats tot ze tot volledige zelfverwerkelijking gekomen zijn. In dit stadium leert men de onafhankelijkheid te aanvaarden en zelfstandig (d.w.z. alleen van K r i s h n a afhankelijk) zich de kennis eigen te maken noodzakelijk voor de prediking. Iedere geestelijke moet de literatuur kennen die de wezenlijke positie in relatie tot K r i s h n a beschrijft. In dit stadium begint men serieus deel uit te maken van het v i b h u - â t m â, de vermogende grote ziel waarin men de Hoogste Persoonlijkheid, het p a r a m â t m â (V i s h n u), heeft leren herkennen. De illusiegangers onder hen blijven steken in de onpersoonlijke realisatie (b r a h m a - j y o t i), zonder een idee te hebben van hoe men met K r i s h n a moet omgaan. Deze zielen zijn wel zelf-gerealiseerd, maar niet ontwikkeld. Ze hebben alles losgelaten, zijn de ego-dood gestorven, maar zijn niet behoorlijk geschoold geraakt en dus ook niet naar behoren in staat om de samenleving iets wezenlijks te bieden. Het verschil tussen escapisten, mensen die op de vlucht zijn voor de complicaties van de materiële wereld en m â y â v a d i ' s is slechts te vinden in de mate waarin laatstgenoemden in staat zijn te doen alsof ze wèl de moeite genomen hebben om materieel levende personen naar behoren de waarheid voor te houden. De gevorderde ziel die zich niet alleen een geestelijk leven heeft eigen gemaakt, maar er ook in is geslaagd door te dringen tot de noodzaak van zijn bescheidenheid, zijn dienende relatie tot S r i K r i s h n a en Zijn werkelijkheid zoals beschreven in het Srîmad Bhâgavatam, het boek waarin het beste van het verhaal van K r i s h n a in is opgetekend, worden m a h â - b h â g a v a t a genoemd, zuiver en van de hoogste (u t t a m a) graad. Deze laatste toegewijden (a d h i k â r i ' s) hebben hun geestelijk lichaam gerealiseerd en zijn in staat anderen ook te bevrijden uit de materiële levensopvatting.

 

2.29 sommigen beschrijven de ziel als verbazingwekkend en sommigen horen over haar als verbazingwekkend, terwijl anderen, ookal hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen.

T o e l i c h t i n g

De ziel zien, erover horen en haar beschrijven is voor sommigen ronduit verbazingwekkend, terwijl anderen er geen idee van hebben. Het vereist meer dan enige levenservaring om de ziel te herkennen, te begrijpen waar men het over heeft als erover gesproken wordt en te kunnen beschrijven voor anderen wat haar werkelijkheid inhoudt. Swami Prabhupâda legt uit dat als men er op één of andere manier in slaagt te begrijpen hoe het allemaal zit met de ziel, men zijn levensdoel bereikt. Het grootste struikelblok op weg naar de kennis van de ziel wordt gevormd door het geweten, dat, als er identificatie is met de stoffelijkheid, niet goed functioneert. Als we voortdurend in de weer zijn terwille van het materiële lichaam en daarbij het belang van God verwaarlozen, zijn we egocentrisch bezig, zelfs als we materieel voor anderen zorgen. Het ego dat we vals noemen als het berust op identificatie met de materie, kenmerkt zich door de illusies van ik en mijn, waardoor men noch in de geest, noch stoffelijk in staat is te delen met anderen. Daardoor beseft men niet zijn oorspronkelijke staat: die van verbondenheid met God, via de ouderlijke liefde. Men groeit op in deze verbondenheid die heel vanzelfsprekend is voor het onverantwoordelijke kind. Als met de jaren (of levens) de last van de verantwoordelijkheid toeneemt, is deze verbondenheid niet meer zo vanzelfsprekend. Men moet er offers voor brengen en er gemeenschapszin voor ontwikkelen: de rol van het kinderlijke is uitgespeeld, men kan zich niet eindeloos laten verzorgen - iets wat dan opeens regressief genoemd wordt - maar men moet de kost verdienen en zelf zorg dragen zoals anderen het voor jou deden. In de illusie dat het slechts gaat om het spelletje 'wie zorgt voor wie', verkijkt de naieve persoon zich op het geheel als een zuiver materiële kwestie en gaat dan dromen van veel geld en veel aandacht voor zijn persoon (macht), hetgeen het gevoel van afgescheidenheid, vervreemding alleen maar erger maakt. Om deze reden zeggen de v a i s h n a v a's dan ook dat het de bedoeling is dat men de weg terug naar huis, terug naar God, vindt.

De kennis die men nodig heeft om stof en ziel van elkaar te kunnen onderscheiden wordt â t m â - t a t t v a genoemd, de wezenlijke aard van de ziel. Zonder inzicht in deze werkelijkheid is er geen sprake van bevrijding uit de stoffelijke ellende. In het Srîmad Bhâgavatam staat het als volgt beschreven: " mensen zonder a t m a - t a t t v a verdiepen zich niet in de levensgenoten als lichaam, kinderen en vrouw. Al hebben ze genoeg levensproblemen, aangezien ze teveel gehecht zijn aan de feilbare bondgenoten als lichaam, kinderen en vrouw. Al hebben ze genoeg levenservaring, toch hebben ze geen oog voor de onvermijdelijke vernietiging' (S.B. 2.1:4). De weg terug is gekenmerkt door onbaatzuchtigheid, wijsheid en toewijding. Alleen door deze kenmerken te ontwikkelen kan men terug naar de ware aard der ouderlijke liefde, de liefde van God de vader K r i s h n a en de liefde van de Heilige Moeder, die vertegenwoordigd wordt door de Heilige Geschriften, de vedische literatuur (S w a m i P r a b h u p â d a: ook moeder natuur en Vader K r i s h n a). Ook is het niet toevallig dat alle vrouwelijke toegewijden moeder worden genoemd (m a of m a t a j i). Een vrouw zonder toewijding is in feite geen moeder, ookal is dit biologisch misschien wel zo. Als de persoon het lichamelijke niet meer langer als zijn zo zeer gekoesterde zelf beschouwt, maar zichzelf begint te herkennen als een dienaar van onbaatzuchtigheid, wijsheid en toewijding; zichzelf herkent in de toegewijde dienst aan K r i s h n a, dan ontwaakt zijn geweten zoals het moet zijn: gericht op de werkelijkheid van de ziel i.p.v. de vergankelijkheid die angst verwekt.

 

2.30 O Telg van Bharata, de ziel in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoef je over geen enkel schepsel te treuren.

T o e l i c h t i n g

Met dit vers vat K r i s h n a Zijn betoog over de ziel samen. Als we alle argumenten bij elkaar nemen zijn het geweten, nodig om de plicht te doen; de verbondenheid, nodig om de angst voor de vergankelijkheid te overwinnen en de wijsheid, de â t m â - t a t t v a-kennis nodig om het onderscheid te kunnen maken, tesamen de sleutel om de raadselen van de persoonlijke en superpersoonlijke ziel te kunnen ontsluieren. Omdat dit geen geringe opdracht is, K r i s h n a is er met A r j u n a nog lang niet over uitgepraat, gaat het er bij de beginner allereerst om om niet uit de concentratie te raken. De krachten van m â y â zijn zo sterk, dat zelfs al weet men er veel van af, men gemakkelijk wegdrijft op de getijden van de oceaan van het materiële lijden. Men maakt in m â y â geen vooruitgang en blijft zitten met de agressie van een geblokkeerde ontwikkeling. Dit kan indien gecultiveerd tot ernstige ziekte leiden. Dit kan zo erg zijn dat men denkt dat K r i s h n a en Zijn toegewijde dienst slecht zouden zijn, terwijl dezen juist de ellende van het lijf houden. Wat men lief heeft, daar vecht men mee. Daarom vloeken demonen zoveel in een negatieve liefde: zonder God aan te roepen om hun eigen verdoemenis kunnen ze niet doorgaan. De noodzakelijke concentratie, ookwel s a m â d h i genoemd, is oorspronkelijk het eindresultaat van een gestadige y o g a-praktijk, a s t a n g a - y o g a of het achtvoudige pad genaamd. In de moderne tijd is deze weg, nogmaals, echter te moeilijk om het doel, de concentratie op K r i s h n a, absorptie in K r i s h n a -bewustzijn te kunnen bereiken. Heer C a i t a n y a daalde speciaal om deze reden neer in de stof om ons duidelijk te maken dat het zingen van de heilige namen de enige redding is die er bestaat om uit de ellende van de (moderne) wereld bevrijd te raken en een relatie met K r i s h n a op te bouwen. De meest eenvoudige manier om onze concentratie te bewaren is het zingen, voor zichzelf monotoon gedaan chanten genoemd als het tussen opzeggen en zingen inzit, van:

H a r e K r s n a H a r e K r s n a , K r s n a K r s n a , H a r e H a r e, H a r e R â m a H a r e R â m a, R â m a R â m a, H a r e H a r e.

Als we geduldig iedere dag deze m a n t r a chanten (16x108 keer), kunnen we zonder veel af te weten van K r i s h n a en zijn toegewijde dienst, toch doorzetten en dus uiteindelijk voldoende kennis nemen van de literatuur, de toegewijden en onze relatie met K r i s h n a zelf. Dit is het begin van van het moderne geestelijk leven. Zonder j a p a (chanten) geen K r i s h n a-bewustzijn. 

 

2.31 Ten aanzien van je bijzondere plicht als k s a t r i y a behoor je te weten dat er voor jou geen betere taak bestaat dan strijden volgens de religieuze beginselen - het is dus onnodig dat je nog aarzelt.

T o e l i c h t i n g

De in dit vers gebezigde term is s v a - d h a r m a, hetgeen dus betrekking heeft op de eigen plichtsvervulling overeenkomstig de eigen aard. Het is niet zo dat iedereen geweld zou moeten toepassen zoals A r j u n a dat moet. Het begrip d h a r m a heeft betrekking op de religieuze fundering van de plichtsvervulling. Blijft men in religieus opzicht in gebreke, dan is een verdere plichtsbetrachting ter wille van duurzaam geluk onmogelijk. Men kan zijn materiële leven niet ongestraft van het geestelijke scheiden. Het onrecht dat de Kaurava's A r j u n a en zijn broers hadden aangedaan, diskwalificeerde hen als handhavers van het dharma voor bestuurders. Daarom moet A r j u n a niet aarzelen. Het bestuur is met het onrecht weggevallen en A r j u n a is degene die het allemaal aangaat. Het begrip strijden en religieuze beginselen noemt K r i s h n a in één ademtocht in betrekking tot de bestuursfunctie. Zoals A r j u n a niet langer kan aarzelen te vechten, kan een rechtgeaard geestelijke niet aarzelen zijn plicht na te komen als handhaver van het respekt voor de Opperheer. Zonder zichzelf te verheffen of vals gezag uit te oefenen, zal hij zijn plicht, zijn d h a r m a, moeten nakomen. Evenzo kan een godvrezend handelaar het niet verzuimen de samenleving te voorzien van al het nodige, m.i.v. de godsdienstige toebehoren, zonder een gerechte winstmarge in acht te nemen. Zo kan ook een arbeider het niet nalaten bescheiden en standvastig zijn taak in het geheel te vervullen: zonder zijn lichamelijke kracht valselijk aan te wenden voor andere zaken dan zijn plichtsvervulling. Dit is de oorspronkelijke integriteit van K r i s h n a's v a r n â s r a m a samenleving. Als een ieder zich houdt aan de religieuze stelregels, zal er vrede en voorspoed heersen en zullen de mensen gelukkig zijn. Verzaakt men echter de plicht aan God, dan komen alle plichtsvervullingen op het hellende vlak omdat niet meer duidelijk is met welk doel men denkt dienst te kunnen leveren. Zo ontstaat het valse kaste-besef dat bestaat uit de valse zelfverheffing van de ene klasse boven de andere. Door de menselijke zwakheden, je vergissen, foute waarneming of imperfectie van de zintuigen, bedriegen en falen, raakt telkens het d h a r m a, de religieuze plichtsvervulling in de knel en beginnen mensen zich egoïstisch te beroepen op hun nationaliteit, ras, bezit en andere ego-kenmerken. In dit vers geeft K r i s h n a de remedie: zonder blikken of blozen de plicht doen met de zekerheid van Hem aan je zijde. Kiest men voor de kwaliteit, een goede geest en stelt men de kwantiteit, veel materiële macht op de tweede plaats, dan kiest men voor de persoon van K r i s h n a zelf en dat is de enige manier om zich in de strijd der begoochelende materiële wereld staande te houden.(zie ook 1.43 over v a r n â s r a m a).

In deze tijd, het 'ijzeren tijdperk' van de twist, K a l i- y u g a, waarin soberheid, reinheid, mededogen en waarheidliefde (t a p a h, s a u c a m, d a y â , s a t h y a m) niet meer zonder meer deel uitmaken van de normale samenleving en men slechts nog de waarheidliefde heeft om de religieuze verbondenheid (a s t i k a m) in stand te houden, is het moeilijk om niet in egotistische ondernemingen te vervallen en zo ten prooi te vallen aan de vier menselijke zwakheden. De neiging te denken alsof het allemaal nog is 'als vroeger' heeft menigeen doen ontwaken uit de slaap der onwetendheid en voor de vraag geplaatst of de medemens nog wel 'te vertrouwen' is. Wat betreft de waarheidliefde kunnen we nog een beroep op elkaar doen. Vragen we echter om mededogen, zuivere liefde en versobering, dan is dat in deze tijd naar de maatstaven van de v e d i s c h e kennis makkelijk een illusie. In vele landen is de sociale zorg ver beneden peil en huldigt men een op de handel gebaseerd concurrentiebeginsel dat vele rechtgeaarden zonder meer tot wanhoop voert. Een zuivere geest en zuivere levensgewoonten zijn zonder s â d h a n a, de geestelijke praktijk, vrijwel onmogelijk te behouden onder de zwaarwegende invloed van de motieven van zinsbevrediging. Versobering is een politiek thema, dat echter niet gelijk staat aan de bescheidenheid die ermee bedoeld wordt. Het politieke bezuinigen is geïnspireerd op een 'zich terugtrekkende' overheidsbemoeienis die de mensen overlevert aan het dierlijke beginsel van het overleven van de sterksten. Het is niet het huldigen van 'kracht' als het hoogste principe dat de regering dient te voeren als leidmotief. Als de leiders zelf geen respekt hebben voor de geestelijke autoriteiten is het moeilijk de deugd hoog te houden die mensen de nodige bescheidenheid bijbrengt. Zonder bescheidenheid is er geen soberheid leefbaar, zonder soberheid verliest men de zuivere visie, wordt het leven een leugen en breekt de vrede door een algemeen gebrek aan mededogen. Ookal is het niet de taak van de regering zedepreken af te steken, het is wel hun taak als leiders anderen voor te gaan in de noodzaak van het respekt ervoor.

De weg van de v a i s h n a v a, degene die zich houdt aan de v i d h i ' s: de vier regulerende beginselen voor het Kali-tijdperk en het nodige respekt betoont aan God de Behouder, V i s h n u, de transcendentale gedaante van S'rî K r i s h n a, maakt het mogelijk de nodige zuiverheid, soberheid en genade op te brengen die de waarheidliefde tot zijn recht doet komen. Daartoe doet men j a p a, is men vegetarisch, celibatair behalve bij kinderwens, is men vrij van intoxicatie en economische winstspeculatie.

 

2.32 O Pritha, gelukkig de k s a t r i y a's die buiten hun toedoen zo'n gelegenheid krijgen om te strijden, waardoor de toegang tot de hemelse planeten zich voor hen opent.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a zegt hier dat we in de hemel komen als we voor de goede zaak in het strijdperk treden. Omgekeerd zegt hij ook dat we in de hel terecht komen of in het vagevuur (aards) blijven steken als we niet wezenlijk bijdragen tot een hoger leven. Stilstand leidt tot achteruitgang, aangezien de agressie die achter een dergelijke gehechtheid zit de intelligentie bederft (of de ontvankelijkheid ervoor) zodat men zijn positie niet kan behouden. Om een klein stapje vooruit te komen, klein voor het individu maar groot voor de mensheid (...), moeten mensen soms grote offers brengen. De ziel aan K r i s h n a wijden is een groot offer (ookal was Hij er altijd al de Oorsprong van). Meestal geeft men zijn ziel aan een partner die dan, het is onmogelijk, voor God moet spelen. In verband met allerlei slechte levensgewoonten kan men zijn ziel ook aan andere vormen van goddelijkheid overgeven, die echter meestal onpersoonlijk zijn: God is een abstract begrip, een kracht een macht, wit licht of een 'gelukzalig niets'. De godheid in kwestie is dan slechts een leraar, een profeet of een heilige. Welke God is ècht Onze vader, een persoonlijkheid met een duidelijk herkenbare vorm? God is zo veelomvattend dat we ons er eigenlijk, met ons beperkte verstand, geen voorstelling van kunnen maken hoe deze hele werkelijkheid voortkomt uit één persoon, zoals een droomwereld 's nachts door onszelf wordt voortgebracht. Ieder mens moet dan een paar ogen van Hem, de dromer van een oneindig aantal dromen zijn. Zich aan K r i s h n a overgeven wil zeggen: ik wil ontwaken uit die droom, ik wil Zijn eeuwige Gelukzaligheid in eeuwige kennis ervaren, ik wil alleen nog dit doel dienen: een dienende relatie met Hem aangaan.

Zichzelf als offer brengen is heel veel. A r j u n a op het slagveld begint te begrijpen dat met K r i s h n a's verhaal over de eeuwigheid van het samenzijn met Hem (2.12) en de kwaliteiten van de ziel als de basis van het bestaan, hij K r i s h n a als persoon in zichzelf niet langer kan ontkennen. K r i s h n a bewijst zichzelf als de bron van die kennis van de ziel, K r i s h n a is â t m â - t a t t v a zelf, de weg uit de misère, waar ook geen ontkennen meer aan is. Voor A r j u n a lijkt de conclusie onvermijdelijk: Hij moet zijn eeuwige metgezel zijn, K r i s h n a is zijn bondgenoot, en niet zomaar een intelligente aardige vriend. K r i s h n a is degene waar Hij zijn essentiële kennis aan ontleent. K r i s h n a is zijn geestelijk leraar. Geen enkel mens kan die rol op zich nemen anders dan door naar K r i s h n a te verwijzen. Geen mens moet je definitief vertrouwen die zijn uitspraken niet op het woord van K r i s h n a baseert. A r j u n a ontdekt langzaam aan wat het is om met een bona fide leraar te maken te hebben. K r i s h n a spreekt geen onbekende taal, K r i s h n a vat het totaal van de v e d i s c h e kennis samen op een manier die alleen Hij kan: als volledig verantwoordelijke voor het geheel van de schepping. Verderop in de G î t â komen deze zaken uitgebreid aan de orde (o.a. in hfdstk 9 en 10 maakt Hij duidelijk wat Hij allemaal is). Na K r i s h n a's betoog over de ziel en zijn eeuwige positie als een wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke eenheid in verscheidenheid opent zich langzaam de poort naar een hogere leefwereld (planeet). Het is K r i s h n a die de geestelijke weg beheerst en voor een ander open kan leggen.

De enige reden op grond waarvan A r j u n a nog langer kan twijfelen is zijn gebrek aan ervaring. Intellectueel kan men wel een zeker begrip voor de zaak ontwikkelen, maar zonder de ervaring ervan is het maar een idee. Omdat K r i s h n a ookwel de Alaantrekkelijke wordt genoemd, die door Zijn eeuwige schoonheid zelfs Cupido van de wijs kan brengen, raakt uiteindelijk iedereen in de ban van Zijn werkelijkheid. Ieder weldenkend mens met een goede zin voor het ware, bewuste en schone (s a t h y a m, s i v a m, s u n d a r a m) kan K r i s h n a niet ontkennen als de bron van alle levensvreugd. Het is slechts dat kleine offer dat men moet brengen, dat opgeven van een slechte gewoonte, dat beetje belangstelling, dat kleine beetje moeite, om zich bewust te worden van het grote offer dat ook mogelijk is. Herkent men eenmaal de eigen liefde in K r i s h n a, dan is er geen wellevend goed mens die K r i s h n a zal afwijzen. K r i s h n a dringt zich nooit op, maar gaat wel meteen in op onze roep om bijstand. Hij ziet het als Zijn plicht een ieder die zich tot Hem wendt te beschermen en bij te staan. Als we het er moeilijk mee hebben om de concentratie op Hem te kunnen handhaven is dat altijd uit onwetendheid. Er zijn zoveel gehechtheden die de gezonde ontwikkeling van een extatische liefdesrelatie met Hem in de weg staan. Een r a s a, zo'n relatie, ontwikkelt zich niet zomaar. Ware liefde is kwetsbaar. Begint men deel uit te maken van het gevecht om de bescherming van K r i s h n a, het s a n â t a n a - d h a r m a, dan vecht men zoals K r i s h n a het bedoelt: aan Zijn zijde.

K r i s h n a gebruikt hier de woorden 'buiten zijn eigen toedoen'. Letterlijk staat er: vanzelf-ook-aangekomen (yadrcchayâ copapannam). Hiermee geeft K r i s h n a aan dat het om een defensieve strijd gaat. Vechten moet men, maar vergeet je dat het is ter verdediging van de waarden van de eeuwigheid, dan delft men uiteindelijk steeds weer het onderspit. De ziel, de Superziel, K r i s h n a, is immers onoverwinnelijk, onvernietigbaar. Hem ontkennen is mogelijk, maar offensief, d.w.z. in overtredingen standhouden is onmogelijk.

 

2.33 Als je deze religieuze oorlog echter niet strijdt, zul je wegens plichtsverzuim zonden op je laden en zo je naam als held verliezen.

T o e l i c h t i n g

Hier noemt K r i s h n a een oorzaak van zonde: nalatigheid. De klassieke y o g a, zoals we die hier in het Westen hebben leren kennen, de h a t h a - y o g a van lichaamshoudingen, wekt de indruk van plichtsverzuim. Ook de deplorabele toestand waarin men de indische samenleving kan aantreffen heeft de goede naam van de y o g a geschaad. De westerling redeneert: als de y o g a zo superieur zou zijn, waarom doen y o g i ' s dan de hele dag niks dan mediteren en gooit men er maatschappelijk maar wat met de pet naar. Ter verdediging moet men hierbij opmerken dat de h a t h a - y o g a - â s a n a's (de houdingen), slechts een onderdeel van de oorspronkelijke a s t a n g a - y o g a vormen waarvan we reeds geconstateerd hebben dat in de moderne tijd deze methode geen bevredigend resultaat oplevert. Y o g a is het indische Sanskriet woord voor verbondenheid met God, religie is het opnieuw tot stand brengen (re-ligare) van de y o g a. Het is dus duidelijk dat veel Indiërs aan y o g a doen, maar er even zoveel y o g i ' s niets met het religieuze te maken hebben. In de prediking van Heer C a i t a n y a is er sprake van impersonalisten en illusiegangers, m â y â v a d i ' s, die, omdat ze zich vastklampen aan methoden die hebben afgedaan, als een hindernis op de weg der toegewijde dienst worden beschouwd. Ongetwijfeld is het zo dat als iedere indiër een v a i s h n a v a zou zijn, India keurig op orde zou zijn. India is echter een zeer, zeer oude beschaving, waarin de waarden van de persoonlijke vrijheid voorop staan. Ieder heeft zijn eigen weg te gaan, K r i s h n a is geen jaloerse God. In India zet men elkaar niet op de brandstapel omdat men in een andere God gelooft of een andere methode volgt. In India kiezen mensen voor de vuurdood uit vrije wil omdat een geliefd persoon is overleden (sati is overigens al in onbruik vanwege traditionalistische dwangmatigheid). Als men zich afvraagt hoe het religieus verval in India heeft plaatsgevonden, moet men niet de invloed onderschatten die wij westerlingen en andere onderdrukkers, op dit gastvrije volk hebben uitgeoefend. We hebben ze de spoorwegen en de klok gebracht en net als in China heeft dat ook bij hun aktentassen en 'cognitive science' ten gevolge. Dit alles komt het oorspronkelijk systeem van religieus gefundeerde sociale zorg niet ten goede.

Men moet de gevallen staat van de hele wereld in ogenschouw nemen, wil men begrijpen hoe dat voor ieder land zijn eigen gevolgen heeft. Als de westerling zich vastklampt aan uiterlijke schijn en de chinees aan communisme, zo klampt de Indiër zich vast aan zijn tradities hetgeen er dan ook traditionalistisch als een soort van diktatuur uitziet. De moderne wereld, K a l i- y u g a, is gespletenheid. God de behouder V i s h n u, is niet meer zo populair als God de Schepper en God de Vernietiger. Behoud vergt nu eenmaal de grootste inzet. Scheppen en vernietigen is zo gebeurd. We zijn afgespleten van het idee dat we met onze creatieve en destructieve neigingen God de Behouder moeten dienen, willen we er geluk mee vinden (zie ook 3:9). De ziel verkopen is voor de westerling een traditioneel probleem, de ziel behouden voor de oosterling. Het is hetzelfde probleem, maar dan in een ander stadium van ontwikkeling. Ook in het Westen komen we in de situatie onszelf kwijt te zijn en ons af te vragen welke traditie ons het behoud kan bieden. Ons christelijk alsmaar op te offeren leidt vanzelf tot de vraag hoe we God de Vader, K r i s h n a, werkelijk kunnen dienen en aan Zijn rechterhand op een 'hogere planeet' kunnen vertoeven. Was het niet Christus Zelf die zich afvroeg waar de Vader was gebleven? Zo hebben in feite sedert K r i s h n a het kwaad wegvaagde en de priesters daarop een aparte cultuur van heugenis in het leven riepen een tweesplitsing van een materieel bestaan en een geestelijk bestaan gekregen; twee werelden die relatief onafhankelijk van elkaar bestaan en ook doen denken aan het bestaan van de plotselinge verlichting (satori), de definitieve 'doorbraak' (bekering) of de verrijzenis van Christus. Dit is filosofisch-theologisch het fundamentele probleem van de moderne schizoïdie. V i s h n u als de allesoverheersende godheid is in dit tijdperk niet meer te verwezenlijken. Slechts in de beslotenheid van geestelijke leefgemeenschappen (kloosters, tempelcommunes) kan V i s h n u het materiële domineren. We kunnen elkaar altijd traditionalisme en materialisme verwijten, hetgeen de twee strijdende partijen in de oorlog van de eeuwigheid eigen is. De verlichte traditionalist beschouwt zichzelf echter niet als afgespleten terwijl de verlichte materialist een moralistische gespletenheid ziet in de ander op verdenking van zijn eigen motieven. Zoals we in het vorige vers zagen, moet de offensieve houding die in m â y â de tegenstelling niet accepteert het verliezen. Het is dus geen strijd meer van personen tegen personen, maar van personen tegen de illusie dat de strijd niet allang 5000 jaar geleden gestreden zou zijn (en door A r j u n a en K r i s h n a gewonnen). Als we de woorden van K r i s h n a op ons toepassen, moeten we zeggen dat we ons met zonden overladen als we niet de illusie van de moderne tijd bestrijden, mèt mensen en niet ertegen.

 

2.34 De mensen zullen altijd schande van je blijven spreken - en voor mensen die eer hebben genoten is eerloosheid erger dan de dood.

T o e l i c h t i n g

In dit vers komt de erekwestie aan bod. Onze eer moet ons heilig zijn willen we niet verguisd raken. De illusie van de moderne tijd is niets anders dan een verguisde eer. Het is niet de eer van een europeaan b.v. om republikeins, atheïstisch, materialistisch, communistisch en socialistisch de adel te haten omdat die ook niet zo heilig bleek. De europese adel voor zover ze nog bestaat, is goeddeels hervormd geraakt in het besef dat het dogmatisch rooms katholicisme, helemaal niet katholiek meer was, doch slechts romeins dogmatisch (net als de fascisten). De hervormden hebben echter niet de moed gehad zichzelf hervormd katholiek te noemen (kom van dat dak af). Sedert dien bestaat het katholicisme in de ware zin van het woord kath-holos, het geheel betreffende, niet meer. Er bestaat alleen traditionalisme in verschillende verpakkingen dat in de twintigste eeuw met de verwording van het tijd-ruimte begrip, schizoïde genoemd moet worden afgespleten als ze is van de heelheid van de aanpassing aan plaats en tijd (= K r i s h n a). Het is moeilijk de eigen zwakheid toe te geven (v a i s h n a v a's zijn traditionalistisch en personalistisch); toe te geven dat we hopeloos gespleten zijn geraakt, puur uit onwetendheid hoe we met God een goede tijd moeten hebben. We kenden Hem gewoonweg niet. We hadden de Reformator nodig om een idee van op-weg-zijn-naar te kunnen koesteren, in het besef dat God wèl iets met verandering, dynamische natuur en natuurlijke harmonie te maken heeft. God is geen culturele verkramping, dat is het kruis. Er is een verschil tussen het kruis en de godheid die we dat kruis opleggen. Cultuur moeten we ook niet haten omdat dat altijd een kramp zou zijn. De grote collectieve ziekte schizoïdie (met nu en dan een oorlogspsychose), kenmerkt zich door het symptoom generalisatie dat ons een makkelijke tweedeling van de wereld geeft als vuistregel.

De m a h â b h a g a v a t a, degene die K r i s h n a en Zijn woord kent en leeft, de overgegeven, zuivere toegewijde, herkent de werking van God, B h a g a v â n, K r i s h n a, in alles en allen, ookal ligt hij niet meteen voor alles op de knieën. Het gaat erom in de verscheidenheid de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke eenheid van Heer C a i t a n y a te herkennen. Alles staat K r i s h n a ten dienst uit dankbaarheid voor Hem als de Oorsprong. Dat is nu het katholieke zonder zijn -isme: God is alomtegenwoordig, de hele verscheidenheid is Zijn geheel. Katholicisme is net als protestantisme een strijd om de macht die bij God liggend alleen de verscheidenheid aangaat en niet de mogelijke tegengesteldheid ervan. Het geslachtelijke is de fundamentele tegenstelling waar we kinderen mee moeten verwekken. Maar om nu ter ere van die liefde al het overige tegengesteld te verklaren is een ziekte. Het is de oneer van zichzelf te weten dat men zich, met name wat betreft deze fundamentele dierlijke tegenstelling van het geslachtelijke, niet beheersen kan. Pas als de kennis doordringt van het feit dat geslachtsverkeer niets onheiligs is als het volgens de regels van de v a i s h n a v a tot stand komt (B.G. 7:11), dan pas kunnen we van ons traumatisch sexistisch schizoïde generaliserende reductionisme genezen. Uiteindelijk is het de zonde die voortkomt uit onwetendheid die alles ingewikkeld maakt. Heiligheid is nog altijd eenvoud (niet te verwarren met gemakzucht). De v a i s h n a v a hanteert de vuistregel 'Hij is mij, omvat mij, maar ik ben Hem niet, kan Hem niet omvatten' (K r i s h n a: mat - sthâni sarva bhûtâni na câham tesu avasthitah: 'allen zijn in Mij, maar ik niet in hen' B.G. 9:4) en herkent zo Zijn werkelijkheid in alles en met iedereen. Eer en oneer zijn feiten van het menselijk bestaan. Het gaat erom de juiste concentratie op Heer K r i s h n a te ontwikkelen, alleen zo heeft men voldoende weerstand tegen de macht van de begoocheling die uitgaat van het spel der tegenstellingen. Zo is het meer eervol de eigen vergissingen, fouten en andere zwakheden in te zien, dan zich te schande te zetten door ze te ontkennen. Het ontdekken van fouten kan men beter niet aan anderen overlaten. Voor een v a i s h n a v a is het heel normaal om zich te vernederen: ik ben maar een raaskaller, een onwetende gevallen ziel, een strootje op de weg, een hond aan de lijn, een laag persoon. Ik stel niets voor, maar met K r i s h n a valt het allemaal reuze mee. Dit is de grootheid van K r i s h n a: je kan alleen maar bij Hem blijven als je jezelf onbeduidend acht. Zijn volheden zijn zoals gezegd de honingpot waar de toegewijde met volle teugen uit geniet en waarvan slechts één druppel in feite al genoeg is om de hele verzuring van het menselijk bestaan te verdrijven. In dit licht doet de christen er goed aan zijn eer te ontlenen aan het idee de ezel te zijn waarop Christus reed toen Hij als B h a g a v â n werd binnen gehaald in Jeruzalem. Als ik als Christen kan zeggen 'ik ben maar een ezelachtige dienaar van de Heer', dan zal het hem vroeg of laat wel lukken om de Hemelse Vader van de profeet die hij met zich meetorst te herkennen in Heer K r i s h n a en K r i s h n a-C a i t a n y a.

 

2.35 De grote veldheren die een hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen denken dat je louter uit angst het slagveld hebt verlaten en je daarom een lafaard vinden.

T o e l i c h t i n g

Het is zeer essentiëel om van de materiële wereld op een goede, eervolle manier afscheid te nemen. Als men zich tot K r i s h n a wendt met het idee dat Hij alles wel voor je zal regelen, heb je het mis. In dit vers zegt K r i s h n a eenduidig dat je niet als een hond met de staart tussen de benen de wereld kunt verlaten. Je moet je eer verdedigen. Dat de vijand (het onrecht) daar niet zo'n behoefte aan heeft is niet jouw probleem. Zo staan Hare K r i s h n a's op straat te dansen en te zingen en boeken uit te delen. Ze maken er zich geen zorgen over als de mensen daar geen behoefte aan hebben. Het gaat erom dat je je eer verdedigt en dat is in hun geval: sociaal zijn, vreugdevol zijn, bescheiden zijn, uitgaand zijn, zuiver bezig blijven. Geen geloof kan stand houden als de liefde niet wordt uitgedragen zoals een boom zijn vruchten moet afwerpen om te kunnen voortbestaan. Heer C a i t a n y a is de missie tegen het materialisme dat de 'westerse' mens in duisternis dompelt. Zijn methode is simpel: zingen. Dat daar nu eenmaal wat boekenwijsheid en discipline bij hoort, moet men maar op de koop toe nemen.

Mensen die voor toegewijde willen doorgaan, maar verzuimen naar behoren afscheid te nemen van de materiële wereld worden door K r i s h n a veroordeeld. Bhayâd ranâd, uit angst het slagveld verlaten, zijn Zijn eerste woorden in dit vers. Daarom heeft men l â g a v a m, aan waarde ingeboet (vertaald: lafheid). Dat is dus niet de bedoeling. Het feit dat we ons voor God vernederen moeten, wil niet zeggen dat we ons oneervol zouden moeten gedragen. Besef van eigenwaarde is fundamenteel en komt voort uit zelfkennis. Weet men niet wat zijn eer is, dan kent men zichzelf nog niet. Zelfstandig door het leven gaan is voor de meeste volwassenen de eer, wie echter denkt dat hij daarmee het sociale belang kan verwaarlozen is volgens de p a r a m p a r â een lafaard. De gemeenschap voor het K r i s h n a -bewustzijn, ISKCON- m a t h, maakte in den beginne een sektarische indruk vanwege het feit dat zovele verloren zielen er hun toevlucht in zochten en er zich zo afhankelijk van opstelden. De tijd leert het echter anders. K r i s h n a is een verrijking van de europese cultuur die niet meer uit te wissen is. Ze vertegenwoordigt een supranationaal besef dat voor de vrede van de internationale eenwording van essentiëel belang is. Dat ze als 'geestelijke wereld' een besloten karakter houdt is daar niet mee in strijd. Een ieder is volledig vrij zo zelfstandig als maar mogelijk is ermee kennis te maken en er de geneugten van culturele verheffing van te proeven. De gestage, standvastige vooruitgang ingebouwd in de b h a k t i (lees: de werking van V i s h n u). maakt dat men werkelijk op ieder maatschappelijk terrein er de vruchten van kan genieten, op den duur. Eén van die vruchten is de Râdhika-stava, het loflied op S'rîmate Râdhârâni, de jeugdige metgezellin, de grote jeugdliefde van K r i s h n a (Mâdhava, de 'bloeiende').

 

2.36-2.43

 

2.36 Je vijanden zullen vele onvriendelijke woorden over je spreken en de draak steken met je heldhaftigheid. Wat zou er pijnlijker voor je kunnen zijn?

T o e l i c h t i n g

Een mens brengt vele offers in zijn leven. Dezen worden echter niet altijd op prijs gesteld. Als we ons gewoon voor de medemens opofferen loopt dat vaak op teleurstellingen uit. Men krijgt niet de waardering die men verwacht en moet maar tevreden zijn met een handje geld. 'Waar doe ik het allemaal voor?', is de vraag die dan rijst. Is mijn medemens het wel waard? Allerlei wrokgevoelens en verdriet kunnen zich voordoen. Een mooi huis voor de geliefde echtgenote, maar als ze geen kind kan krijgen zit men opeens met een echtscheiding en een leeg huis omdat ze een andere minnaar kreeg, b.v. De liefde wordt zinloos en wat rest is de afknapper. Dit is het materieel bestaan. Samsâra dâvânala lîda loka, zingt men met de Gurv-astaka; de mensen zijn aangedaan door de laaiende bosbrand van het materieel bestaan. Het zonnetje dat men in zijn wereldse verlangen ziet schijnen, heeft altijd een schaduw. Het is deze schaduw die de mens in angst doet leven. Waar is God als mijn liefde mislukt? Is God niet gewoon een fantasie op zo'n moment, is God gewoon niet de meerwaarde van het menselijk samenzijn dat door niemand kan worden volgehouden? Zo twijfelt de materieel gebonden ziel in staat van onwetendheid.

De bevrijde ziel in staat van kennis ziet met dezelfde ziel heel anders. Hij weet dat het geheel van God meer is dan de delen. Hij weet dat God een persoon is die niet normaal menselijk of materieel genoemd kan worden. Hij weet dat zijn Ideale Zelf, een baken is waar hij hard voor moet 'werken' om er enigszins op te kunnen koersen. Hij weet dat niets doen dierlijke onwetendheid is en aktief zijn een dienst moet zijn aan iemand die boven het normaal menselijke staat. Hij weet dat hij die bovenmenselijkheid in zijn eigen ziel moet zien terug te vinden en niet bij een ander moet zoeken of verlangen. Hij weet dat het samen met anderen alleen goed gaat als niemand in het bijzonder de aandacht naar zich toetrekt. Hij is er blij mee dat er een Heer is die de beperkingen van de ruimte en de tijd overstijgt. Hij is blij met het wonderbaarlijke.

Er is een geschiedenis van de jonge K r i s h n a (S.B. 10.19: 1-16), de koeherder, die samen met zijn vriendjes zo druk aan het spelen was, dat ze het vee uit het oog verloren. Toen ze het na lang zoeken in het riet terug vonden, bleek er om hen heen een bosbrand te zijn uitgebroken. Angstig zochten de jongens hun toevlucht tot K r i s h n a en Zijn goddelijke metgezel Balarâma, van wie ze al verschillende heldendaden hadden meegemaakt. K r i s h n a zei tot hen: 'waar zijn jullie bang voor? Sluit je ogen'. Toen ze hun ogen sloten slokte K r i s h n a de hele brand in zich op en bracht K r i s h n a de g o p a's in een oogwenk over naar een vertrouwde plek. Toen de jongens een kort moment later de ogen weer open mochten doen, waren ze stomverbaasd wat K r i s h n a had bewerkstelligd. Sedert dien waren ze ervan overtuigd dat K r i s h n a geen gewoon mens kon zijn.

Als we K r i s h n a als onze vriend zien en we ons 'vee' zijn kwijtgeraakt (onze koetjes en kalfjes), d.w.z. ons leven onvruchtbaar zien, dan is het K r i s h n a die ons uit de brand helpt en ons naar een vertrouwde plek brengt. Zo komen we veilig thuis, terug bij God.

De schande en oneer waar A r j u n a mee worstelt in zijn volwassen konflikt is een afspiegeling van zijn onwetendheid over de ware aard van K r i s h n a. Hij weet niet dat hij met Hem niets te vrezen heeft. Reeds vóór de strijd begon had Hij immers beloofd dat de p â n d a v a's allen ongedeerd van het slagveld zouden terugkomen. En zo gebeurde het ook. Een normaal mens speelt ook dit soort alwetendheid na, maar valt steeds als goedprater die zijn zaak niet waar kan maken door de mand. K r i s h n a is degene die model staat voor alle bedriegers, zonder het Zelf ooit te zijn. Hij is het spel der valsspelers zegt Hij (10:36). De meest voorkomende zwakheid is jaloers op Hem te zijn en in Zijn schoenen te gaan staan. Een ervaren mens weet van die erfzonde en houdt ermee op. Uiteindelijk is je bedrog niets meer dan schande en oneer. Lafheid in de strijd tegen de illusies. Waak daartegen, is K r i s h n a's wil. Alleen een dwaas breekt zijn eigen hart, zingt men op de radio.

 

2.37 O zoon van Kuntî, óf je zult op het slagveld worden gedood en de hemelse planeten bereiken, óf je zult de strijd winnen en van je aardse koninkrijk genieten. Daarom - sta op en strijd vastberaden.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a praat mee met de angsten van A r j u n a, hoewel Hij van tevoren al weet wat de uitkomst van het gevecht is. Hier blijkt uit dat Hij echt niet altijd de wijze uil in de hemel uithangt, maar heel goed empatisch, therapeutisch kan meedenken in de trant van de illusie van de klager. Zo kunnen we denken in ons lichaam helemaal alleen te zijn zonder Zijn inspiratie en steun. De strijd die ieder normaal mens moet strijden is de strijd tegen de illusie dat de ziel kan bestaan zonder zijn oorsprong. Veel van de angst voor dit samenzijn met Hem hangt samen met het feit dat men in staat van begoocheling bezeten kan raken van allerlei 'neigingen' die tegengesteld zijn aan wat men wil, wat men is en wat men was. Dan spreekt men wel van 'boze geesten', demonen en astrale wezens. Het is zonder meer zo dat men zich van alles en nog wat in het hoofd kan halen om de eenzaamheid van het ego te doorbreken. Het normale denken is er een voorbeeld van. Gesprekken met anderen gaan gewoon door in de voorstelling die men zich ervan maakt en brengt men in werkelijkheid zo'n gesprek niet tot een goed einde, dan kan dat je een leven lang achtervolgen tot men er gek van wordt. Er mag niet te veel verschil zijn tussen in de geest vertoeven en in de wereld aanwezig zijn. Dit heet het dogma van de objectieve kennis en houdt v e d i s c h in dat men gebonden is aan de associatie van toegewijden, zodat men zijn gemaakte voorstellingen kan kontroleren tegen het licht van de medemenselijke werkelijkheid die alleen voortduurt als ze in een bewuste relatie staat tot de eeuwige ziel van de ziel, K r i s h n a Zelf. Het gesprek met zichzelf, waarbij men zijn mond niet behoort te bewegen om dat gesprek als denken te kunnen aanmerken, zodanig tot een goed einde brengen dat men ten eerste God terug vindt en ten tweede zijn medemensen, is het doel van de b h a k t i - y o g a. Iemand in de geest b.v. excuses aanbieden ter wille van de geestelijke vrede doet men met de G a y â t r i- m a n t r a (om bhur buvah svah , tat savitur varenyam, bhargo devasya dîma hi , dhyo yonah prachodayat: Om aarde, de ether, de hemel, dat vitaal, dat bidden wij, de genade God's voor iedereen, het denken zuiver in harmonie). Geïnitieerde toegewijden gebruiken een ingewikkelder versie maar als beginner (ook s â d h a k a) volstaat deze versie. Zo is deze vorm van y o g a in overeenstemming met alle andere vormen van y o g a, terwijl deze op zich als sporten op de ladder 'naar boven' er niet voor zijn om bij te blijven stilstaan. Als men halverwege is kan men denken al boven te zijn en van het uitzicht te kunnen genieten. De veranderlijkheid van de tijd echter dwingt ons te kiezen zoals K r i s h n a het A r j u n a hier voorspiegelt: of je gaat als Christus eervol ten onder en naar de Hemel, of je wordt je illusie van beheersen en genieten de baas en leeft in dankbaarheid en voorspoed met K r i s h n a en Zijn toegewijden. Het derde alternatief: als ziel in rook oplossen is zelfmoord, waanzin, schande, oneer en laffe pijnlijkheid. Iets onmogelijks draagt de kenmerken van de ellende, iets werkelijks draagt de kenmerken van het wonderbaarlijke en het goddelijke. Wie nu ter plekke de strijd wil opvatten reserveert voor zichzelf en K r i s h n a een paar uur de tijd en pakt een bidsnoer (j a p a - m a l a), dat het wapen is tegen m â y â en chant alleen nog maar aan K r i s h n a denkend: H a r e K r s n a H a r e K r s n a , K r s n a K r s n a H a r e H a r e , H a r e R â m a H a r e R â m a, R â m a R â m a H a r e H a r e.

 

2.38 Strijd om derwille van de strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of nederlaag. - als je zo handelt blijf je altijd van zonden vrij.

T o e l i c h t i n g

Deze uitspraak van K r i s h n a is van toepassing op A r j u n a. We kunnen er niet zomaar van uitgaan dat als we uit pure strijdlust elkaar zomaar in de haren vliegen we van zonden vrij zullen blijven. Het is A r j u n a die de zonde van de plichtsverzaking (zie vers 33) moet vermijden. In het oorspronkelijke Sanskriet staat p â p a m, hetgeen vertaald is met terugslag van zonden. M a h â - p â p m â, betekent uiterst zondig. Dit woord gebruikt K r i s h n a verderop in Zijn Lied als Hij het heeft over de gevaren van de hartstocht (3.37). K s a t r i y a's heten in de geaardheid hartstocht te verkeren, terwijl b r a h m a n e n in de geaardheid goedheid hun leven leiden. A r j u n a is een krijger, ridder, politicus. K r i s h n a weet dat deze mensen steeds met de last van het bestuur door de geaardheid hartstocht zijn aangedaan en weet dat daardoor men makkelijk van alles over het hoofd ziet en in jammerlijke daden vervalt. K r i s h n a neemt de rol van b r a h m a a n op zich. Hij heeft de taak van het geestelijke aanvaard: te prediken vanuit de geaardheid goedheid. K r i s h n a weet dat zonden, jammerlijke daden, zo hun gevolgen hebben. Door Duryodhana's zonden en die van zijn familieleden staat men immers op het slagveld tegenover elkaar. Zowel Duryodhana als A r j u n a moeten de gevolgen onder ogen zien ongeacht wat de oorzaak van dit gedrag is. Wie echter moet boeten, de terugslag van dit gedrag moet ondervinden, moet in de strijd duidelijk worden. De oorlog is een vuurproef van de deugd. Wie niet deugt kan nooit een goede krijger zijn en moet dus altijd verliezen. Dit is de klassieke methode om recht te halen. In de v e d i s c h e tijd was dit een normale, goed geregelementeerde zaak: men vocht plichtmatig met waardige tegenstanders tot de zon onderging b.v. en ging dan vrolijk over tot meer aangename bezigheden. Dat was heel normaal. In onze tijd, in Europa, kennen we dergelijke regels niet meer. We geloven dat het recht de sterkste geldt en dat God enkel de levenskracht is. Misbruik makend van het feit dat subliminale krachten agressief kunnen worden aangewend, is er heel wat onrecht jegens zwakkeren in de europse geschiedenis bekend. Men heeft zelfs gewaagd in naam van de sublimatie alleen zich de titel a r y a n (ariër) aan te meten, terwijl er toch wel wat meer kennis bij komt kijken om deze v e d i s c h e benaming van een beschaafd mens te kunnen voeren. Misbruik is wat strijdende partijen elkaar verwijten. Wie heeft het recht, God, aan zijn zijde?

K r i s h n a maakt in dit vers duidelijk dat dergelijke ruzies, dergelijke oorlogen, over wie er de schuld heeft, over wie de terugslag moet ondervinden, punt één niet uit de weg moeten worden gegaan. Men moet zich immers niet op de kop laten zitten. Punt twee, verzekert K r i s h n a ons hier dat als we de deugd gelijkmoedigheid betrachten, we gevrijwaard zullen blijven van de terugslagen. Dit is geen geringe zaak. In de burgermond zou je kunnen zeggen: wie kwaad wordt verliest. Gelijkmoedigheid in winst en verlies staat gelijk aan vergevingsgezindheid. Als men wrok koestert, haat, dan vertaalt zich dit vroeg of laat in gedrag met de nodige rampzalige gevolgen van dien. A r j u n a mag er zeker van zijn dat hij de strijd als held uit zal komen als hij de begeerte te winnen opgeeft en plichtmatig handelt. Ook moet hij niet staan juichen als hij iemand een kopje kleiner gemaakt heeft. Vreugde en woede over wereldse zaken zijn elkaars tegenpolen. Laat je je verleiden tot één van de twee, dan kom je de andere pool weer tegen. Op het slagveld moet A r j u n a dus wel als een z.g. 'harde bonk' zijn, maar niet een hatelijke demon. Van Heer Jezus is ook niet bekend dat Hij plezier met Zijn leerlingen had. In het predikwerk moet men de ernst van de strijd onder ogen zien. Zo ook A r j u n a op het slagveld. De kunst der beoefening van de gelijkmoedigheid is niet hetzelfde als zich hard opstellen. De weerbare indruk van de gelijkmoedige, moet niet met hardheid in de zin van ongevoeligheid worden gelijkgesteld, ookal ziet men er soms hard uit. Het harde van A r j u n a bestaat meer uit het talent om in gelijkmoedigheid voor de ander de spiegel op te houden. Gelijkmoedigheid is hardheid met een ziel. Hardheid voor zich als houding, idee of pose, is een vorm van gevoelloosheid die uiteindelijk nadelig werkt voor de strijder die al zijn zintuigen wijd open moet stellen voor iedere indruk. Hardheid op zich beschouwt men in de b h a k t i als een kenmerk van het demonische. Egocentrisme is zielloze afgescheidenheid gemotiveerd door angst en afkeer. Zelfgecentreerdheid, in de zin van verbonden zijn met het ideale Zelf van de goedheid, opgehouden door de geestelijk leraar (K r i s h n a), verschaft de openheid en onbevreesdheid die vergevingsgezind als zuivere ziel uit de strijd naar voren komt. Uit de geschiedenis van de europese heiligheid is b.v. een martelaar bekend die nog tijdens het martelen een gelijkmoedige opmerking kon maken als: 'de andere zijde graag, deze kant is gaar', toen hij op een vuurtje werd geroosterd. Zijn we van de duivel als we hierover in de lach schieten? Als we niet zo gemotiveerd zijn kunnen we een hoop lol hebben, maar als we de noodzaak van de strijd inzien staat de wet ons in alle ernst op het gezicht geschreven. Deze beheersing komt met de y o g a die uiteindelijk ook mislukt als ze niet onder gezag van de leraar der leraren, K r i s h n a staat.

 

2.39 Tot dusver heb ik je de analytische kennis van de sankhya-filosofie uiteengezet. Luister nu naar wat ik te zeggen heb over de y o g a, waarbij men werkt zonder dat men daardoor aan zijn handelen gebonden raakt, o zoon van Prithâ, als je je deze kennis eigen maakt, kun je jezelf bevrijden van de terugslagen van je doen en laten.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a's uiteenzetting over â t m â - t a t t v a, de ontledende (s a n k h y a-) kennis aangaande het onderscheid tussen stof en ziel die nodig is om uit de stof bevrijd te raken, gaat hier vloeiend over in een uiteenzetting over hoe we van de terugslagen van ons handelen, ons k a r m a, bevrijd kunnen raken. In het vorige vers benadrukte K r i s h n a de gelijkmoedigheid bij winst en verlies. In dit vers spitst hij dit toe op het begrip onbaatzuchtigheid. Gelijkmoedigheid en onbaatzuchtigheid zijn zo twee keerzijden van dezelfde bevrijdingsstrategie; letterlijk vertaald zegt K r i s h n a:

al deze - aan jou beschreven - door analytische kennis intelligentie - werk zonder winstoogmerk - maar dit - luister door intelligentie - verbonden - waardoor - o zoon van Prithâ gebondenheid door terugslagen van het handelen - je kunt worden bevrijd van.

Swami P r a b h u p â d a merkt hierbij op dat het door intelligentie verbonden zijn, wat men b u d d h i y o g a noemt, hier synoniem is gesteld met k a r m a - y o g a, bevrijd worden van tegenslagen door onbaatzuchtig handelen. In gewoon nederlands kan men zeggen: als je je verstand goed gebruikt snap je dat je verbondenheid met God en je medemensen waarachtig is als je er niet materieel op probeert vooruit te gaan. Als je gewoon bescheiden meedoet, zonder meer te verlangen dan waar je recht op hebt, dan is men in de gemeenschap geborgen en kan men zich defensief opstellen. Een schaapje in de kudde, of dat nu de schapen van Christus zijn, of de koeien van K r i s h n a, heeft het altijd makkelijker dan de eenzame strohalm die knakt bij het eerste briesje wind. Men zegt ook wel eens: een bundel is sterker dan een enkel afzonderlijk deel ervan. Tegen het licht gehouden van heer C a i t a n y a's liefde onafhankelijkheid te huldigen, rijzen hier een aantal twijfels: Is saamhorigheid hypocriete plakkerigheid? Gaat het niet om de zelfverwerkelijking van ieder afzonderlijk in relatie tot K r i s h n a? Is het niet de definitie van de ziel dat we in overgave aan Hem alleen onze ziel terugvinden en behouden? Waar wil K r i s h n a heen met ons? Duidelijk is dat toegewijden niet zonder Hem kunnen en in massa's om B h a g a v â n heendrommen en samenzweren.

Een tipje van de sluier licht K r i s h n a hier op: als we niet op enige winst uit zijn is Hij met ons. Maar wat is winst? Het voordeel van de twijfel genieten? Zich geldelijk verrijken? De saamhorigheid omzetten in produkten? Allemaal samen misschien? Aandacht krijgen, produceren en geld verdienen gaat graag samen. Als we geen aandacht krijgen gaat het geld verdienen en geïnspireerd werken ook niet zo goed. Een winkelier heeft klanten nodig en een werknemer de aandacht van zijn baas. De v a i s h n a v a's beantwoorden deze vraag eenduidig: men moet K r i s h n a als zijn baas zien, voor Hem produceren en het gewin ter wille van Hem afstaan, en zichzelf dus als Zijn dienaar zien. Dat dienaren elkaar op de kop kunnen zitten vanwege het 'hoger', 'eerder', 'ouder' en 'ingewijd' zijn is duidelijk. Daar staat tegenover dat niemand op een eiland in zijn eentje woont. Je hoort altijd ergens bij. Vanwege de onvermijdelijkheid van de menselijke saamhorigheid werpt K r i s h n a zich op als de bevrijder van de tirannie der materiële natuur. Hij plaatst voor A r j u n a alles onder het gezag van Zijn persoon. Een intelligent mens snapt: ten eerste dat er leiding nodig is en ten tweede dat niemand in zijn eentje de verantwoordelijkheid van God op zich kan nemen zonder ten val te komen. We kunnen individueel altijd maar een deel van God, Hem, K r i s h n a, bewerkstelligen en moeten dan samenwerken om er een zinvol geheel van te maken. In dit vers benadrukt K r i s h n a de werking van de intelligentie als de agent die de bovengenoemde twijfels wegneemt. K r i s h n a is de enige die zowel bij de geisoleerde als bij de saamhorige verwijlt. De Heer van de Y o g a staat het toe dat we ons net zo lang afzijdig houden als we zelf willen. Uit de R a m â y â n a is b.v. het verhaal bekend van een vrouw Ahalya genaamd, echtgenote van een beroemde R i s h i (een wijze), die door haar schoonheid aan beproevingen onderworpen, in een steen veranderde tot R â m a haar uit die toestand had bevrijd. Hij respekteert ieders individuele lotsbeschikking en zal, behalve de duivel, de personificatie van het kwaad, zelf nooit iemand dwingen zich aan Hem te onderwerpen. Ieder mag Hem naar eigen inzicht gestalte geven. Hij is immers a c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a, de onvoorstelbare eenheid in de verscheidenheid. Als we de wet 'samen staan we sterker' op K r i s h n a toepassen zijn we praktisch zo onoverwinnelijk als Hij Zelf is. We moeten echter ook zo intelligent zijn om te beseffen dat de Hoogste Vorm automatisch samengaat met de Hoogste Norm en het dus niet zonder meer de makkelijkste goddelijkheid is om te aanvaarden. Zoals reeds eerder geconstateerd: K r i s h n a is bitter in het begin, maar zoet op den duur. Bittere pillen, dikke boeken, waar moeten wij de zoetheid zoeken? Heer C a i t a n y a staat bekend als de meest genadevolle: slechts de vier regels en j a p a zijn voldoende om Zijn gezelschap te kunnen behouden.

 

2.40 Wie dit nastreeft lijdt verlies noch achteruitgang - en een kleine vooruitgang op deze weg kan een mens voor het ernstigste gevaar behoeden.

T o e l i c h t i n g

Onbaatzuchtigheid biedt veel voordelen. De zaken die men zo aanpakt draaien stabiel: er is geen werkelijke achteruitgang of verlies. Wat is er te verliezen als je niet op winst uitbent? Met materiële, egotistische ogen zien we dit niet direkt in. Onbaatzuchtigheid betekent materieel gesproken dat men min of meer gratis zijn werk doet in ruil voor kost en inwoning, ongeveer als iemand die vrijwilligerswerk doet in ruil voor een uitkering. Het materialistisch standpunt is: wie stil staat gaat achteruit. Bedrijven moeten blijven groeien, anders is het afgelopen. In de geestelijke wereld gelden andere waarheden. Iets wat eenmaal opgebouwd is is een permanente verworvenheid in de ziel. Stabiel zijn met V i s h n u is geen achteruitgang. Als men eenmaal een bepaalde vrijheid geproefd heeft, weet wat eeuwigheid, gelukzaligheid en kennis inhoudt, weet dat dit onvergankelijke zaken zijn die, als men ze even uit het oog verliest als men door wereldse aktiviteiten in beslag is genomen, niettemin voortbestaan. In K r i s h n a blijft de relatie behouden zoals hij was. K r i s h n a zegt zelfs dat wie Hem eenmaal heeft leren kennen niet meer terugkeert naar de oude wereld (4:9). Zijn wereldbeeld is definitief veranderd. Zo een iemand lijdt geen verlies of achteruitgang. Als men het geluk, de kennis en de wijsheid uit het oog verliest, is het nog wel aanwezig en werkzaam. Het bewustzijn dat men naar huis, terug naar God kan terugkeren is niet uit te wissen: het is een verworvenheid in de ziel die voortbestaat ondanks de afwezigheid van de ervaring, een gebrek aan heugenis in het tijdelijke materiële leven. Met geld b.v. gaat dit niet op: men kan als normaal geconditioneerd mens niet zonder. Ongelukkig zijn lukt echter velen levend zonder K r i s h n a-bewustzijn. Een kind snapt dit soort redeneringen nog niet zo goed. Het is zijn geluk nog nooit kwijtgeraakt en heeft wel degelijk angst dat dat ooit zal gebeuren. Pappie en mammie kunnen immers boos zijn. Voor een volwassene komt de liefde van God de Vader, K r i s h n a en de Heilige Moeder, de geschriften, in de plaats van pappie en mammie. Ook hiermee hebben ze dezelfde verlatingsangsten. K r i s h n a stelt dat je God nooit echt kunt verliezen. Je gaat er in feite, geestelijk levend of niet, nooit op achteruit, terwijl het wèl zo is dat één stapje dichter bij K r i s h n a een enorm verschil kan maken. Hij spreekt zelfs van het grootste gevaar, dat men daarmee uit de weg kan gaan. K r i s h n a is een veilige haven, Hij beschermt Zijn toegewijden. Vergeten we Zijn uiterlijkheid, dan is er nog geen man over boord. Vanuit ons valse ego, onze gehechtheid aan het lichaam is het moeilijk te snappen: je raakt je lichamelijke waarneming van het geluk kwijt en je voelt er dan ook niets meer voor: 'wat niet blijft kan niet deugen'. Natuurlijk is dit kinderachtig gedacht vanuit het idee dat het geluk allemaal van jezelf uit zou moeten komen als je het kwijt bent. Het hangt samen met een psychologische wet die stelt dat iemand altijd in overeenstemming (consonantie) met zijn eigen situatie denkt.

Voor A r j u n a is het een groter gevaar het erbij te laten zitten en het te overleven, dan de strijd aan te binden en het risico van de dood te lopen. In het eerste geval is hij zeker van de helse dominantie van het onrecht. In het tweede geval heeft hij alle kans het te overwinnen. Mocht hij door de dood het zicht op K r i s h n a's lichaam verliezen dan zou hij in het hiernamaals nooit zo'n hel aantreffen als op aarde. Als er een leven hierna is, dan sluit dat aan bij wat we hiervoor deden, 'life goes on' zegt men (B.G. 15:8-10). Proberen we echter weg te kruipen onder moeders rokken, dan wordt het als volwassene moeilijk het zelfrespekt te handhaven en eervol te blijven. Wie het wil winnen kan verliezen. Wie het verliest moet zichzelf weer overwinnen. Op de materie van winst en verlies kunnen we eigenlijk nooit echt vat krijgen omdat ook K r i s h n a een rol meespeelt: de mens wikt, God beschikt. Wat zeker is: wie voor K r i s h n a kiest, kiest voor de overwinning.

 

2.41 Degenen die deze weg begaan, zijn vastberaden en kennen slechts één doel. Maar de besluitelozen, o geliefd kind van de Kuru's worden geleid door een verstand dat zich op vele dwaalwegen begeeft.

T o e l i c h t i n g

Het doel is de toegewijde dienst aan K r i s h n a (K r i s h n a: 'de bedoeling van de V e d a's is dat men Mij leert kennen': vedais ca sarvair aham eva vedyo, B.G. 15:15; en dat men zich 'alleen aan Mij overgeeft': mam ekam saranam vraja 18:66). Men doet zijn werk Hem indachtig. Het middel daartoe is de bevrijding, m u k t i, uit de stoffelijke wereld. De methode is het zingen van de heilige namen en de weg is het volgen van de regulerende beginselen (v i d h i ' s) die zijn gebaseerd op de vier poten van de stier der religie: soberheid (t a p a h): geen financiële speculatie; reinheid (s a u c a m): geen illegitieme sexuele betrekkingen; waarheidliefde (s a t y a m): niet het bewustzijn bedwelmen door intoxicatie; mededogen (d a y â): geen dieren doden zonder noodzaak alleen voor de eetlust (zie ook S.B. 1.17:24). Zo zien de v a i s h n a v a's het. Voor een minder overtuigd persoon is het doel misschien de kinderen en het huisdier te verzorgen, in de kerk gaan zitten om daar boven te staan, daar wat mee te zingen en verder een beetje aardig te blijven voor elkaar. K r i s h n a stelt in dit vers dat twijfel over het doel des levens een verstand geeft dat zich op vele dwaalwegen begeeft (bahu sâkhâ hy anantas ca , buddhaya vyavasâyinâm). Het gaat erom dat men vastberadenheid ontwikkelt. Gaan we twijfelen over het doel des levens als de kinderen het huis uit zijn, of omdat het huisdier de geest gegeven heeft, waar moet men dan zijn liefde op richten? God is natuurlijk heel eenvoudig leven in liefde. Maar hoe moet dat als alle voorwerpen van de liefde slechts tijdelijk zijn? Als man en vrouw elkaar aanbidden, noemt men dat verliefdheid. De werkelijkheid is echter dat men van elkaar echter spoedig ontnuchtert. Meer dan een deel van God kan men als een geheel van God niet verwerkelijken zodat geen sterveling of halfgod volkomen voldoening kan schenken. Concreet komt deze kwestie erop neer hoe we ons K r i s h n a voor de geest moeten halen, hoe we voor Hem kunnen zorgen, bevrijding bij Hem kunnen vinden, hoe we met en voor Hem kunnen musiceren en onze stem(ming) ontwikkelen en hoe we daar sober, rein, mededogend en waarheidlievend mee door het leven kunnen gaan. Praktisch gesproken klinkt het antwoord simpel: geef de afbeelding van K r i s h n a een plaatsje in huis, liefst in een kamertje apart (een schrijnkamer) zet daar de portretten bij van degenen die bij Hem horen zoals de Pancha-tattva, Heer Nrsimhadev, de geestelijk leraar en zijn voorgangers. Zo houdt men ook kontakt met de heiligheid van K r i s h n a die uit ervaring onderrichten kan hoe met K r i s h n a om te gaan. Drie maal daags hoort men op K r i s h n a te mediteren. Deze meditaties zijn: stille meditatie met de S i s u m â r a- m a n t r a (zie 3.41), het mediteren hardop met de m a h â m a n t r a (16x108), b h a j a n (zoals in dit boek op muziek gezet), het offeren van voedsel (om te beginnen onder begeleiding van het drie maal opzeggen van de m a h â m a n t r a) en het hardop voorlezen en bespreken van de literatuur van zuivere toegewijden. Alles bij elkaar kan men zo wel zes uur per dag met K r i s h n a bezig zijn, hetgeen voldoende is om de geestelijke gezondheid te behouden zonder verdere k a r m i s c h e aktiviteiten te ontwikkelen (waarover ook nog meer in hoofdstuk 3). Als we niet een dergelijke liefde ontwikkelen zijn we aangewezen op mindere zaken die K r i s h n a dus als dwaalwegen omschrijft. Men raakt onherroepelijk in de ban van m â y â als het schip van arbeid en offers niet aan het anker van de b h a k t i ligt. Als men teveel of te weinig (ongereguleerd) eet of teveel of te weinig (meer dan zes uur) slaapt, wil de y o g a ook niet lukken (B.G. 16: 16). Men dient als men zich als toegewijde serieus wil nemen zijn bevrediging en rust in de toegewijde dienst (b h a g a v a t â - d h a r m a) te zoeken die uiteindelijk de enige manier is om met de medemensen in vrede te leven. Ze bestaat uit de volgende negen onderdelen: over K r i s h n a horen (s r a v a n a m), voor K r i s h n a zingen (k î r t a n a m), zich K r i s h n a herinneren (v i s n o h - s m a r a n a m), K r i s h n a zijn 'voeten' of toevlucht dienen door respekt te betonen middels bezichtiging, pelgrimeren en het helpen van toegewijden (p â d a - s e v a n a m), eerbetoon voor mûrti's (a r c a n a m), het doen van gebeden, j a p a met het vermijden van overtredingen, zoals met de rug naar K r i s h n a toe zitten of heilige zaken op de grond leggen e.d. (v a n d a n a m), dienst verlenen voor K r i s h n a, zoals geofferd voedsel uitdelen en prediken e.d. (d â s y a m), een vrienschappelijke relatie met Hem aangaan waarbij de nadruk op de rituelen wegvalt (s a k h y a m) en alleen nog maar voor K r i s h n a leven (â t m a - n i v e d a n a m zie ook S.B. 7.5:23-24). Men spreekt daarbij van twee hoofdstadia: s â d h a n a - b h a k t i, bij beginners die zich onder leiding de discipline eigen maken en r â g a - b h a k t i, voor degenen die een relatie (een r a s a) met K r i s h n a hebben ontwikkeld; gehecht zijn geraakt. Het hoogste stadium wordt p a r â - b h a k t i genoemd: de positie van een intieme relatie met K r i s h n a die men heeft bereikt door in feite enkel te leren luisteren (S.B. verkl. 3.7:14, 3.9:5.). Wat betreft het eerbetoon aan beeltenissen is het goed zich voor te houden wat Heer Kapila, een a v a t â r a voor de y o g afilosofie, hierover gezegd heeft: 'Zelfs volvoerd met het juiste ritueel en de juiste parafernalia, behaagt een persoon die onwetend is over Mijn aanwezigheid in alle levende wezens, Mij nooit met de aanbidding van Mijn beeltenissen in de tempel. Zijn voorgeschreven plichten vervullend moet men de beeltenis van de Hoogste Persoonlijkheid vereren tot men zich Mijn aanwezigheid in het hart realiseert als ook in de harten van andere levende wezens' (S.B. 3.29:24&25). Men moet de vriendschap met toegewijden en het mededogen met andere levende wezens nooit verzaken, ookal moet men slecht gezelschap vermijden.

 

2.42-2.43 Mensen met weinig kennis voelen zich bijzonder aangetrokken door de bloemrijke taal der Veda's, die hun verschillende vormen van baatzuchtig streven aanbevelen in geval ze worden verheven naar hemelse planeten, waar hun een goede geboorte, macht en hemelse vreugde wachten. Begerig naar zingenot en een leven in weelde zeggen ze dat dit alles te boven gaat.

T o e l i c h t i n g

Mensen die denken dat ze in hun religieuze activiteiten er materieel op vooruit kunnen gaan of dat het doel van de toegewijde activiteiten de verlichting is, hebben het mis. Zonder veel kennis van zaken bezigt men mooie woorden en doet men zich voor als een volgeling van de v e d i s c h e kennis zonder iets anders te verlangen dan zingenot in hemelse werelden, hetgeen dan in het materiële leven zijn vruchten moet afwerpen. Met dergelijke ceremoniën probeert men dan in dergelijke bevrediging de volheid van God te realiseren. Zo werkt het echter niet. Moeite doen om liefde voor K r i s h n a op te vatten kan niet gebaseerd zijn op begeerte naar een betere materiële positie, ookal voelen berooiden zich soms wel aangetrokken tot K r i s h n a. Integendeel, onlosmakelijk is s a n t u s h, tevredenheid, een onderdeel van het proces van de y o g a dat tot K r i s h n a-bewustzijn voert ('t behoort tot de n i y a m a van de a s t a n g a - y o g a). Het mag de materialist misschien raar in de oren klinken, maar je kan alleen uit liefde tot God komen en niet uit begeerte. Het proces gaat ongeveer zo dat men eerst aangetrokken raakt door de prettige sfeer van de toegewijde dienst, dan geleidelijk leert hoe deze sfeer moet worden bewerkstelligd in associatie van toegewijden en dat men ten slotte een relatie met K r i s h n a opbouwt en zichzelf daarin verwerkelijkt. Gaan we als vervelende kinderen bij K r i s h n a staan dreinen dat Hij ons gelukkig moet maken, dan heeft dat alleen maar tot gevolg dat we kwaad worden als Hij ons de spiegel van onze eigen liefdeloosheid voorhoudt. Het probleem van de toegewijde dienst is dus zelfverwerkelijking. Hoe moet ik K r i s h n a van dienst zijn? Alleen maar meelopen en 'aan de honingpot likken' geeft op den duur teleurstellingen. De liefde van God is de liefde voor God. Zo leert men K r i s h n a kennen. Denken we aan ons zelf alleen, dan heeft dat geen zin. Denken we aan anderen alleen, dan raken we gefrustreerd. Ook in het christendom weet men dat men zijn naaste moet liefhebben gelijk zichzelf (en God boven alles). Je kan niet met twee maten meten. Wie een hekel heeft aan zichzelf, heeft ook een hekel aan de anderen. Zonder een gezond idee van wat het ideale Zelf allemaal voorstelt, en de wil om zich daar positief bij in te leven, kan men K r i s h n a helemaal niet bereiken en er ook geen vooruitgang mee boeken er op hypocriete wijze aan mee te doen met een materieel verlangen. Wat betreft de v e d i s c h e kennis moet men dus echt begrepen hebben waar het om gaat. Men kan zich welwillend een oor laten aannaaien van zo en zo zou het moeten, maar dat is allemaal van nul en generlei waarde als men er ten eerste niet van overtuigd is dat men de wereld moet loslaten en ten tweede niet uit zichzelf een zekere warmte voor de Hoogste Persoon kan voelen. Herkent men noch in zichzelf, noch in anderen, noch in de boeken en afbeeldingen de liefde van K r i s h n a, dan is men gedoemd in verwarring van crisis tot crisis door te leven. Sommigen moeten eerst de hel ervaren om de hemel te kunnen waarderen. Dit geldt ook voor christenen in relatie tot God de Vader en moslims in relatie tot Allah. Zonder verzaking en liefde voor de Persoon van God, heeft het allemaal geen zin en valt men terug. Zonder liefde voor de persoon kunnen we K r i s h n a niet bereiken. Degene die altijd voor iedereen de eerste persoon is in relatie tot K r i s h n a, degeen die voor ons in relatie tot Hem alles mogelijk maakt is Heer B a l a r â m a. Alle moeilijkheden die wij in relatie tot Hem kunnen ondervinden, zijn Hem bekend. Hij wordt ookwel als degene die de â t m â - t a t t v a-kennis van B h a g a v â n is gezien en derhalve ook Bhagavân genoemd, de Allerhoogste. Hij geldt als de nederdaling van K r i s h n a's kracht (b a l a) en vreugde (r â m a). Hij wordt als de beschermer en geestelijk leraar van alle toegewijden beschouwd, zonder wiens genade we Hem niet kunnen leren kennen. Men ziet Hem als het eerste Gods-deel als Zijn Volkomen openbaring behorend tot de werkelijkheid van V i s h n u (V i s h n u- t a t t v a). Hij wordt herkend als de incarnatie van de broer van R â m a, L a k s m â n a en ook Heer N i t y â n a n d a is als zodanig herkend. In feite daalt K r i s h n a altijd met Hem en nog andere expansies op aarde neer om Zijn taak te volbrengen. Het volgende lied van Narottama Dâsa Thâkura bezingt de glorie van Heer Nityânanda. Het lied heet 'Leringen voor de Geest' Manah-siksâ.'

 

2.44 - 2.50

 

2.44 Degene die te zeer aan zingenot en aardse weelde hangen en hierdoor verward van geest zijn, komen niet tot het vaste besluit de Allerhoogste te dienen.

T o e l i c h t i n g

In het S r î m a d B h â g a v a t a m, waarin het verhaal van de Heer en Zijn toegewijden staat opgetekend, wordt het zo gesteld:

"Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid? (2.2:11)

K r i s h n a noemt mensen die, ookal doen ze zich voor als religieus, maar gehecht zijn aan beest en feest, ronduit warhoofden (apahrta - cetasâm). In het vorige vers legde hij al uit dat baatzucht en v e d i s c h e kennis geen waarachtige combinatie vormen. Hier maakt hij duidelijk dat men er gewoon van in de war raakt. Zoals ook het B h â g a v a t a m stelt raken we zo verstrikt in de terugslagen van ons doen en laten. De zaak hoopt zich op en dan is de ellende van de wereld niet meer tegen te houden. De grove materialist wil enkel vluchtigheid kennen als het op personen aankomt, de hypocriete gelovige die het niet echt meent, maar er wel zijn voordeel in meent te kunnen herkennen leidt net zo'n vluchtig leven, omdat hij zonder een overtuiging (zie 2.41) in vastberadenheid zich op vele dwaalwegen zal bevinden. Van de twee bovengenoemde materialisten, de grove en de schijnheilige, is de laatste natuurlijk beter af. Ookal doet men zich slechts voor als toegewijde, men is toch wel beter op de hoogte van het belang van de Heer en Zijn toegewijden. Daarom zal het lijden en de verwarring van deze mensen minder zijn dan dat van de grove onwetendheid. Beter ten halve bekeerd dan ten hele gedraald. Een p r â k r t a is nog altijd een toegewijde, ookal is hij dan een materialist zonder veel wil tot vooruitgang in het geestelijk leven.

K r i s h n a stelt dat we er met halve maatregelen niet komen. Als we Hem niet echt willen kennen, slechts een beetje aan de honingpot willen likken omdat dat nou eenmaal sociaal is etc., dan zijn we niet echt bevrijd uit de materiële opvatting van het leven. Verlangens naar zingenot zijn ongereguleerd als een span wilde paarden zodat de geest zich gaat gedragen als een stelletje apen van de hak op de tak springend. Men wil niet horen, niet zien en niet spreken. Zo werkt het apenverstand. De onverlichte geest ratelt maar door in het stramien van steeds meer en het ik en mijn van de eigenwaan. Omdat men zo geen rust kan vinden raakt men verslaafd aan allerlei slechte gewoonten waardoor men niet tot het vaste besluit kan komen K r i s h n a te dienen. Wie het geluk niet dient kan het ook niet verwerven. De logica van de materialist mag dan een demonisch wapen zijn, in de handen van een geestelijk gemotiveerde leidt ze tot bevrijding. Heeft men eenmaal geleerd dat geluk geen geluk is als het tijdelijk is en dat duurzaam geluk zonder een eeuwige ziel ondenkbaar is, dan is men in staat om de verlichting te bereiken die resulteert uit het verzaken van de ongereguleerde zinsbevrediging (die men dan als een kwelling kan ervaren). Hierover zegt K r i s h n a tegen de koeherdersmeisjes die Hij eens de kleren wegstal toen ze, ongeoorloofd, naakt aan het baden waren:

"Wie enkel naar Mij verlangt, wordt nooit meer door aardse lust bestookt, zoals geen korrel meer ontkiemt, van rijst die eenmaal is gekookt." (S.B. 10. 22:26)

Zo kan men van K r i s h n a leren hoe verzaking en plezier hebben zich heel goed laten kombineren. Dit is de essentie van de b h a k t i. De werelds georiënteerde liefde die zich vergelijken laat met de naaktzwemmerij van de g o p i ' s, krijgt van K r i s h n a alleen de kleren terug als ze zich voor Hem willen bloot geven met gevouwen handen. Zo heeft S'rî K r i s h n a-D v a i p â y a n a_V y â s a, de auteur van het S r î m a d B h â g a v a t a m, het voor ons beschreven. In concreto houdt dit in dat allerlei verstandige mensen die snappen dat de wereldse verlangens een onoverkomelijke hindernis vormen in de zelfrealisatie, zich als ze het nut van de bescheidenheid inzien verbinden in toegewijde dienst en onder leiding van ervaren toegewijden de handen vouwen in tempels die speciaal voor b h a k t a's programma's hebben om ze te leren met K r i s h n a om te gaan.

 

2.45 De Veda's handelen hoofdzakelijk over de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Rijs boven deze geaardheden uit, O A r j u n a. Wees aan alle ontstegen. Wees vrij van alle dualisme en alle bezorgdheid om veiligheid en winst en wees hecht verankerd in het zelf.

T o e l i c h t i n g

Hier preludeert K r i s h n a op het thema van de drie geaardheden (g u n a's) goedheid (s a t t v a), traagheid (t a m a s) en hartstocht (r a j a s) van de materiële natuur dat Hij in het veertiende hoofdstuk van de G î t â nader uitwerkt. In het Sanskriet heet het (dit vers):

traigunyo - visayâ vedâ nistraigunyo bhavârjuna nirvandvo nitya - sattva - stho niryoga - ksema âtma vân

Letterlijk:

betrekking hebbend op de drieërlei aard der stoffelijke natuur /terzake van /vedische geschriften / in zuiver geestelijk wezensstaat / o A r j u n a / vrij van de pijn der tegenstellingen/ altijd in goedheid verblijvend / vrij van verwerven en bewaren / altijd in het zelf verankerd.

De V e d a's hebben een filosofisch gedeelte dat bestaat uit 108 z.g. U p a n i s h a d ' s. Hierin wordt het begin van het geestelijk leven mogelijk gemaakt. De B h a g a v a d G î t â is hier een afspiegeling van en wordt ook wel de G i t o p a n i s h a d genoemd. K r i s h n a maakt duidelijk dat het er allemaal om gaat boven de werking der geaardheden uit te stijgen (n i r - g u n a). In vers veertien van dit Hoofdstuk zegt K r i s h n a al dat het gaat om het 'onbewogen leren verdragen'. Hoe dat in zijn werk gaat is de strekking van de u p a n i s h a d i s c h e wijsheid die de hechte verankering in het Zelf, waarvan K r i s h n a zegt dat Hij het is (10:20), predikt door vrijmaking van dualisme en bezorgdheid over vergaren en bewaren. Dualisme is de gespletenheid van het valse ego. In de macht van de materiële aantrekking vergeet het levend wezen zijn oorspronkelijke levensstaat als verbonden ziel en ontwikkelt hij afgescheidenheid. In dit vals ego voelt hij zich eenzaam en gefrustreerd waardoor hij zich de verwarring van het verlangen op de hals haalt. Dan is men voortdurend bezorgd over winst en verlies en voelt men zich niet veilig (men leeft in angst). S w a m i_P r a b h u p â d a definiëert geloof, dat de voorwaarde vormt voor vooruitgang op de geestelijke weg als: een onwankelbaar vertrouwen in iets verhevens (B.G. verkl. 2:41). Het Sanskriet woord voor geloof is: s r a d d h â. Ook in andere filosofische systemen dan dat van Heer C a i t a n y a erkent men het allesoverwegende belang van een gezond vertrouwen in de Allerhoogste; de Verhevenheid. Er zijn zes verschillende systemen in de y o g a filosofie waarvan na die van K r i s h n a(-C a i t a n y a), die van Patanjali het meest bekend is in het Westen. Patanjali, die men beschouwt als een incarnatie van  d i - s e s a, het slangenbed waar K r i s h n a op rust in de oceaan der oorzaken voorafgaande aan de nederdaling van de geest in de stof, stelt het zo: sraddha - virya - srmti - samâdhi - prajna - pûrva kahitaresâm. (Yoga Sûtra: I:20). Hiermee bedoelt Patanjali te zeggen dat men de spirituele impasse met geloof en vertrouwen, doorzettingskracht, herinnering (van de v e d i s c h e waarheid) en concentratie (op de Allerhoogste) moet doorbreken zodat men tot p r a j n a, bewustzijn van de ware kennis van God kan komen. K r i s h n a had al uitgelegd dat wijze woorden (p r a j n a) en klagen niet samengaan in de b h a k t i. Hoewel Patanjali als filosoof nauwlijks het belang van I s v a r a, K r i s h n a, de Heer van de Y o g a, aangeeft - hij heeft er slechts één vers voor over - is zijn filosofie een goede voorbereiding op de b h a k t i (Y o g I s v a r a: een titel die ook andere y o g a-grootheden wel eens wordt aangemeten, terwijl K r i s h n a bekend staat als de Allerhoogste). Als men niet gelooft dat het Verhevene de onpersoonlijke lege waarheid is, maar dat Y o g I s v a r a dienen het doel van de gewenste dienstbaarheid is, kan men bevrijding, m u k t i vinden. Een hechte verankering in het Zelf is alleen mogelijk als de ware aard daarvan doorgrond is. Zonder kennis van en liefde voor K r i s h n a geen werkelijke bevrijding.

De impasse (itaresam; een andere staat) waar Patanjali op doelt is de situatie die ontstaan kan als men ontstegen aan de materiële conceptie van het valse ego in de onpersoonlijke realisatie van het geestelijke (b r a h m a n), in een toestand van isolatie terecht komt die erop neerkomt dat men gewoonweg niet aanwezig is en zich alleen weet. Door realisatie van het p a r a m â t m â, het overal plaatselijk aanwezig persoons-aspekt van K r i s h n a, ookwel Ksirodakasâyi-V i s h n u genoemd, kan men hieruit komen. Het is deze impasse waar men in de b h a k t i van Heer C a i t a n y a tegen vecht: ontstijging moet niet tot een isolement in de onpersoonlijke realisatie op het b r a h m a n -nivo blijven steken. O.a. om deze reden is het onpersoonlijk b r a h m a n ook niet als de oorzaak maar als de uitstraling van de Allerhoogste, Bhagavân K r i s h n a te beschouwen, hetgeen K r i s h n a in de G î t â bevestigt: ' bramano hi pratisthânam', ' B r a h m a n rust in Mij, 14:27). Om met het p a r a m â t m â op nivo van associatie te komen, moet men na het ontwaken 's morgens één à twee uur voor de (gemiddelde) zonsopgang (circa 4 à 5 uur, de zomertijd niet meegerekend, dit heet de b r a h m â - m u h u r t a), j a p a doen en associatie met toegewijden zoeken. Verschillende vormen van y o g a-beoefening kunnen hiertoe leiden. Door kontakt met toegewijden van B h a g a v â n K r i s h n a, kan men dan geleidelijk opstijgen tot het hoogste nivo: de B h a g a v â n-realisatie (omgang met K r i s h n a). Zonder j a p a valt men weer terug in het onpersoonlijke door een gebrek aan bescheidenheid en/of een gebrek aan weerstand tegen de invloed van m â y â. Als men p r â k r t a's, die de laagste graad van toewijding vertegenwoordigen, in de familie heeft, christenen b.v., heeft men het makkelijker K r i s h n a te benaderen.

 

2.46 Alle doeleinden die een kleine bron geleidelijk dient, kunnen ineens worden gediend door meren en zeeën. Evenzo kunnen alle doeleinden van de Veda's worden gediend door degeen die weet wat hun ene doel is.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a maakt hier duidelijk dat het loslaten van de wereld nog niet betekent dat men erbuiten staat. Men is in de wereld, ookal is men er niet van. Als men zich geleidelijk aan bewust wordt hoe men het doel van de Veda's moet dienen, hoe men met K r i s h n a moet omgaan, dan is men, ookal is men aan de stoffelijkheid ontstegen, niettemin volledig in de wereld aanwezig op zo'n manier dat alle (v e d i s c h e) doeleinden daarmee gediend zijn zoals een grote zee ineens de geleidelijkheid van een kleine bron. Maakt men onderdeel uit van K r i s h n a's dienst, dan maakt men onderdeel uit van de grote zee van Zijn Alomtegenwoordige werking.

A r j u n a krijgt van K r i s h n a stevig het hart onder de riem gestoken: hij moet zich geen zorgen maken dat hij, als hij zijn baatzucht, zijn verlangen naar winst en werelds genoegen moet opgeven, zijn plicht zou verzaken en oneervol door het leven zou gaan. Zijn probleem is zijn idee alles zelf te moeten regelen. Alles zou van hem afhangen, of hij vecht of niet, of hij heerst of niet. Dit is zijn illusie. In feite zijn alle levende wezens met K r i s h n a verbonden, ookal zijn ze zich dit allemaal nog niet zo bewust. In die zin dienen ze Hem wel, maar niet bij het bewustzijn dat het handelen gelukkig maakt. Een levend wezen dat niet direkt voor het eeuwig geluk bezig blijft, moet van vorm veranderen tot hij merkt dat dat gebeurt uit een verlangen naar dat eeuwige geluk. Zo is ieder streven naar geluk indirekt een dienst aan de Opperheer, ookal is de kwaliteit nog zo abominabel. Een student die werkt om later een beroep uit te kunnen oefenen, is nog niet rechtstreeks dienstbaar, maar is door zijn gerichtheid al wel een richtingaanwijzer voor degenen die hetzelfde doel nastreven. Het kleinste levende wezen is al bezig met het opbouwen van orde: een vitaal lichaam. Zelfs in eencellige aanwezigheid dient het al de Behouder Vishnu en is het creatief, zichzelf reproducerend bezig en vernietigt het voor zijn voeding zijn voedsel. Het p a r a m â t m â is zelfs in de kleinste molecuul aanwezig als een potentiële heelheid van K r i s h n a: als een dienaar van behoud, schepping en vernietiging: 'Met slechts één deeltje van Mijzelf doordring ik dit hele universum' (10:42). Zo moet men de hele materiële schepping zien als één grote zindering van K r i s h n a's Liefde. Leven kan je materieel niet direkt zien, anders dan het af te leiden uit de bewegingen om ons heen en de werking van de Tijd. Men ziet slechts de uitdrukking, de ziel zelf is immers onzichtbaar (B.G. 2:25). Men kan de wereld als een grote leegte zien om te kunnen ontsnappen aan zijn bepaaldheden. K r i s h n a richt de aandacht op het tegendeel: je maakt deel uit van een gigantisch geheel, de kosmische werkelijkheid van alle planeten, sterrenstelsels en alle levende wezens die zich daarop bevinden en die allen op het zelfde moment hun dienst aan K r i s h n a leveren. K r i s h n a richt onze blik op die ongelooflijke werkelijkheid. We moeten niet in de put gaan zitten met het idee van een lege wereld waarin je hopeloos rondworstelt met het idee dat je de boel in je eentje naar je hand zou moeten zetten. Dat is onmogelijk, dat druist tegen alle gezonde verstand in. Wees zo wijs A r j u n a, te begrijpen dat als je als enkel individu het Allerhoogste dient je je verenigt met de dienstbaarheid van alle bestaande individuen van alle tijden in de gehele kosmische schepping.

De grote universele (kosmische) gedaante van K r i s h n a, de z.g. v i r a t - r u p a, is het object van meditatie van alle beginnende toegewijden die vanuit het grove materiële idee nog niet direkt dienst aan K r i s h n a ontwikkelen. In het begin is het heel moeilijk om zich duidelijk een voorstelling te maken van wat K r i s h n a allemaal met Zich meebrengt en hoe men zich moet gedragen. Voor deze beginners die nog erg verknocht zijn aan de materiële conceptie van het bestaan, wordt in het S r î m a d B h â g a v a t a m gezegd dat dezen allereerst op de v i r a t - r u p a moeten mediteren (2.1:23-24, 2.2: 14). Zo gauw zich dan het gevoel ontwikkelt dat K r i s h n a in dit vers beschrijft, het gevoel van alle v e d i s c h e doeleinden dienende alomtegenwoordige liefde van en voor God, dan kan men zich in toegewijde dienst verbinden. Dit alles natuurlijk nadat men zijn normale verplichtingen heeft vervuld. Het kan niet genoeg gezegd worden dat men niet zomaar van het 'slagveld' van de plichtsvervulling kan wegvluchten. Meditatie heeft pas zin als men daar aan toe is. Na gedane arbeid is het goed rusten. Zo is het ook met mediteren. Men moet zich er in den beginne steeds van overtuigen of er niet iets over het hoofd is gezien in de plichtsvervulling. Pas met het idee 'ik heb gedaan wat ik kon' kan men tot K r i s h n a komen. Ookal kan iedereen zich in principe te allen tijde aan K r i s h n a overgeven en van verdere materiële verplichtingen worden bevrijd, toegewijde dienst blijft 'doen wat men kan' (k a r m a - y o g a). Meditatie is het natuurlijk gevolg van het doen van arbeid. God schiep de wereld in zeven dagen. Op die dag, de zevende, rustte Hij uit en zag dat het goed was. Dit is alle christenen bekend. Wil men als christen tot K r i s h n a komen, dan bezint men zich op de filosofie van de v a i s h n a v a's die het idee van arbeid voortzetten tot in de geestelijke wereld. Het is niet zo dat men de wereld vergeestelijken wil, het is zo dat men zelf vergeestelijkt in de wereld, terwijl men gewoon zijn werk daarin doet. K r i s h n a-bewustzijn betekent ontwikkeling van beschaving en intelligentie. Hoe dichter men bij K r i s h n a, de bron van alle kennis komt, deste beter de intelligentie functioneert. Met meditatie op Hem bezig blijven met werk voor Hem is wat men verbondenheid met God door toewijding ofwel b h a k t i - y o g a noemt.

 

2.47 Je hebt het recht je voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten ervan komen je niet toe. Zie jezelf nooit als de oorzaak van het resultaat van je bezigheden en tracht nooit je plicht te verzuimen.

T o e l i c h t i n g

Alvorens men zijn plicht kan verzaken, moet men weten wat die plicht is. Onwetendheid hierover kenmerkt de z.g. k a r m i, iemand die verstrikt is in baatzuchtig werk. Men denkt dan 'ik werk voor het gewin, ik kan net zo goed iets anders doen dat ook wat oplevert'. Het gaat echter niet om het geld, maar om het werk dat men doet. Waarvoor doe ik het, hoe en waarom. Plichtsbesef krijgt men als men het nut van zijn werk inziet. Zo zou je kunnen zeggen: men heeft de plicht zichzelf te bekeren, anders bekeert de wereld jou. Wie wil er zich als een slaaf van de wereld laten bepalen? Op basis van een dergelijk gezond verstand kan men het nut ervan inzien waarom met K r i s h n a saamhorigheid te ontwikkelen. K r i s h n a heeft het hier over voorgeschreven plichten. Daarmee doelt Hij op de plichten die voortvloeien uit de maatschappelijke positie waarin men zich bevindt. Men moet dit niet los van K r i s h n a zien, de maatschappelijke geledingen met de daarbij behorende taken zijn een natuurlijke gegevenheid. Stamhoofden, priesters en handelaren vindt men in allerlei menselijke samenlevingsvormen weer terug. Zonder deze geledingen kan men moeilijk spreken van beschaving. Wat K r i s h n a eenduidig wil is beschaving. Hij wil niet dat we het erbij laten zitten, ookal kost dat moeite, is het onvolmaakt of Gaat het samen met allerlei konflikten en menselijk lijden. We behoren de maatschappelijke geledingen met zijn taakverdelingen waarin een ieder zijn plaats kan zoeken en vinden als een uiting van Zijn wil te beschouwen. In de B h a g a v a d G î t â stelt Hij dat Hijzelf dit systeem in het leven heeft geroepen (4:13). In het S r î m a d B h â g a v a t a m 11.10:1 stelt Hij:

' Volledig toevlucht tot Mij nemend, met de geest zorgvuldig gefixeerd in de toegewijde dienst van de Heer zoals door Mij gesproken, moet men leven zonder persoonlijk verlangen en het sociale en beroeps-systeem genaamd v a r n â s r a m a beoefenen.'

Als we op dat systeem gaan afgeven, zijn we Hem aan het vervloeken en vragen we om onze ondergang. Het is zelfs zo dat we er blij mee en dankbaar voor moeten zijn. Men bezigt in de twintigste eeuw wel eens de term klassenloze maatschappij, hetgeen een eufemisme is voor een samenleving zonder respekt. Natuurlijk zijn er klassen, priesters, bestuurders, handelaren en gewone arbeiders. Zoals gezegd zullen deze v a r n a's of klassen altijd in een zinnige samenleving terug te vinden zijn. Misschien dat men er zo over geruzied heeft wie er nou eigenlijk de baas is dat men het er niet meer over wil hebben. De toegewijde dienst voor K r i s h n a is er speciaal voor om het respekt te oefenen dat men in de normale (K a l i- y u g a) samenleving kwijt is. In die zin staat de dienst aan K r i s h n a boven het systeem en Heer C a i t a n y a kon zich om die reden er niet mee identificeren, de valse trots van een bepaalde maatschappelijke positie herkennende als een hindernis in de relatie met K r i s h n a (zie verkl. S.B.11.2:51). Feit is dat de illusie van beheersen en genieten zonder een idee van de ziel te hebben niet samengaat met het koesteren van het volste respekt voor de medemens. Als we als medeburgers, van het systeem, in de ander een dienaar van God herkennen, mogen we elkaar niet meer kritiseren dan nodig is en zijn we elkaar zeker respekt schuldig. Toegewijden van K r i s h n a hebben daar geen moeite mee, het spreekt vanzelf. Als ze elkaar tegenkomen, na elkaar een tijd niet gezien te hebben zeggen ze, een buiging naar de grond makend:

' vânchâ - kalpa - tarubhyas ca krpâ - sinduhya eva ca , patitânâm pâvanabhyo vaisnavebhyo namo namah.'

In het nederlands:'ik buig me eerbiedig neer voor alle v a i s h n a v a-toegewijden van de Heer, die ieders wensen in vervulling kunnen laten gaan, zoals wensbomen dat kunnen en die vol mededogen zijn voor de gevallen zielen.' Minder beschaafde lieden zeggen 'hoi', 'goedendag' en 'hallo'. Het uiterste in Nederland was: 'aangenaam met u kennis te maken'. Dat is dan zeer beleefd. Gezien de volmaaktheid van de materiële voorzieningen zou je kunnen zeggen dat men wel toe was aan wat meer omgangsvormen. Is religie niet niets anders dan de cultuur van het respekt? Is a d h a r m a, irreligie of Goddeloosheid niet een ander woord voor een hekel hebben aan elkaar?. Als we God in elkaar niet meer terug kunnen vinden, is dat niet een definitie van oorlog? Duidelijk is dat de eerste plicht eruit bestaat het verstand eens te gebruiken. Pas dan heeft het zin om K r i s h n a's woorden te overdenken als Hij zegt dat we het recht hebben ons best te doen. Hij zegt dan: laat je niet ontmoedigen. Niemand werkt voor zichzelf alleen zodat je het resultaat ook niet voor jezelf alleen kan reserveren. Pas dan dringt het ook tot je door dat jezelf zien als de oorzaak van het resultaat onzin is als we een ander dienstbaar moeten zijn. Was die ander er niet, dan had het resultaat niet veel zin. Iets tot stand brengen is mede de genade van degene die men dienstbaar is. Daarom heet het in de litanie aan het einde van iedere k i r t a n: alle eer aan de verzamelde toegewijden, alle eer aan S'rî Guru en S'rî Gauranga. De vraag als men dit eenmaal weet is: 'hoe komen we erbij om de plichten die met deze elementaire inzichten samenhangen te verzaken?'.

Wat K r i s h n a hier laat zien is Zijn autoriteit. A r j u n a heeft zich overgegeven en krijgt nu met alle liefde God's de wind van voren: liefde is delen in het vruchtgebruik (lees b.v.: als christen belasting betalen) en elkaar helpen door je dienst niet op te geven; dienst aan God staat nooit los van je medeschepselen. Alles is een enorme co-produktie. Als er geen sterveling is waar we dat voor over zouden hebben, wat kunnen we dan anders dan van de Persoon van God spreken? Wie waagt het om in Zijn schoenen te gaan staan? Wederom: de psychiater verdient er zijn brood mee als we ons dit alles niet afvragen. Vanwege de noodzaak van het nodige respekt bij het chanten en zingen van de namen van God, houden de v a i s h n a v a's zich aan een aantal regels:

1) Geen kwaad spreken, onnodig kritiek hebben of jaloers zijn op toegewijden.

2) K r i s h n a niet scheiden van zijn Naam of miskennen als de Hoogste Persoonlijkheid van God.

3) De geestelijk leraar minachten of als een gewoon mens beschouwen.

4) De geschriften en het geschrevene in navolging ervan kritiseren en bagatelliseren.

5) De heerlijkheid van de heilige Naam minachten, interpreteren of bekladden.

6) Denken zich van alles te kunnen permitteren omdat men chant.

7) Denken dat rituelen, verzaken, boete of offeren hetzelfde resultaat oplevert als het chanten.

8) Tegenover mensen die er niets voor voelen de heerlijkheid van de heilige namen verkondigen.

9) De aandacht laten dwalen bij het chanten.

10) Gehechtheden handhaven of het belang van het chanten miskennen ondanks de instucties van de geestelijk leraar.

Als men deze regels in acht neemt en niet in deze overtredingen vervalt kan de toegewijde er geestelijk op vooruitgaan.

 

2.48 Wees standvastig in yoga, A r j u n a. Doe je plicht en laat alle gehechtheid aan slagen en falen varen. Zo'n evenwichtigheid van geest wordt y o g a genoemd.

T o e l i c h t i n g

Y o g a werkt zoals gezegd door a b h y â s a en v a i r â g h y a, standvastigheid en onthechting. De gelijkmoedigheid die voortvloeit uit de onthechte levensvisie is waar K r i s h n a hier het accent op legt. We zijn in y o g a als onze geest evenwichtig is ondanks slagen of falen. Hiermee zegt hij automatisch dat het grondprobleem van de irreligiositeit, het a d h a r m a, de onbeheerste, onevenwichtige geest is. De oorzaak van deze moeilijkheid is de bepaaldheid door de materiële wereld die ons van ons zuivere evenwichtige oordeel berooft als we verlangen naar winst of treuren over verlies. Plichtmatigheid is het antwoord op het probleem van de aktie. Zoals we in het vorige vers zagen hangt plichtsbesef samen met bewustzijn van het doel van aktie, anders zien we het nut er niet van in. Tot toegewijde dienst komen is het doel als K r i s h n a degeen is die dan het laatste woord heeft. Op dat punt dan samenwerken op zo'n manier dat ieders eigen plichtsopvatting tot zijn recht komt, in relatie tot Hem, is de uitdaging. In hoeverre hebben we elkaar nodig om van b h a k t i, toewijding tot K r i s h n a te kunnen spreken? De methode van Heer C a i t a n y a: het (gezamenlijk) chanten van de heilige namen en de vier regulerende principes [zie v i d h i ' s] is dan de weg die we moeten volgen. De tien inachtnemingen [zie boven] voor het vermijden van overtredingen vormen de verkeersregels op die weg. In dit vers verwijst K r i s h n a niet naar Zichzelf, maar naar de y o g a. De y o g a is de verbinding die het individu , de z.g. j i v - â t m â, de individuele ziel of persoon, heeft met de Superziel, het p a r a m â t m â dat ookwel V i s h n u of K r i s h n a's transcendentale gedaante wordt genoemd. De twijfel die we hebben is gelegen in de vraag in hoeverre we zelfstandig kunnen zijn. Als het begrip ziel alleen zin heeft als er sprake is van y o g a, verbondenheid met de Superziel, dan is onafhankelijkheid in feite een illusie. We zijn in feite altijd van Hem afhankelijk en aan Hem verplicht. Om die reden moeten we C a i t a n y a's liefde voor de zelfstandige mens herkennen als Zijn wens dat we ons t.o.v. de wereld zo onafhankelijk mogelijk ontwikkelen. Ons lichaam is een samenstel van elementen uit de wereld en we zijn geneigd ons als de dienaar van het lichaam, het zintuiglijk apparaat, ookwel gewoon de zinnen genoemd, op te stellen. De manier om het lichaam aan de geest te onderwerpen is regulatie van de behoeften. Het heeft geen zin te ontkennen dat er fysieke behoeften zijn. Zo is de behoefte aan expressie van emoties in het gezamenlijk zingen en individueel chanten van de heilige namen vervat. De b h a k t i ziet dit als de essentie van de liefde voor God. Gaan we iets anders zingen, dan vervalt de garantie van behoud en raken we vroeg of laat in m â y â. De behoefte aan aktie kan men desnoods door de hele dag met K r i s h n a bezig te zijn lenigen. Normaliter is bidden, werken, slapen en recreëren met elkaar in evenwicht. Aangezien een evenwichtig leven en evenwichtig denken beter niet gescheiden van elkaar kunnen worden gezien lijkt het verstandig om de dag op deze manier in vieren te delen. De vraag is natuurlijk hoe groot de tolerantie is. Zullen we K r i s h n a- b h a k t a's op de tennisbaan aantreffen? Gaan K r i s h n a- b h a k t a's gewoon naar kantoor? Willen ze wel een beetje normaal gaan slapen en niet op de vlucht daarvoor verlangen naar andere planeten? (zonder slaap, of rust, kan het lichaam zich niet goed ontgiften en sterft men voortijdig zie ook 16: 16). Wat is de moeilijkheid om een kwart van de dag met K r i s h n a in meditatie door te brengen? K r i s h n a zegt hier dat we ons er in ieder geval niet al te druk over moeten maken of ons zo'n evenwichtigheid van leven meteen wil lukken of niet. Het is wel bekend dat de kans van slagen groter is als we ons er gezamenlijk op concentreren: samen voor K r i s h n a bidden, samen voor K r i s h n a slapen, met K r i s h n a recreëren en samen voor K r i s h n a werken. Hoe beter de concentratie, hoe intenser de s a m â d h i, meer geluk, minder m â y â. In leefgemeenschappen voor K r i s h n a-bewustzijn doet men dit. De buitenwereld mag dan zeggen dat het eenzijdig is en dus nooit evenwichtig van aard kan zijn, maar men moet wel bedenken dat het makkelijker is om van K r i s h n a naar de materiële wereld te komen dan om van de greep der wereld, m â y â af te komen en K r i s h n a te bereiken. K r i s h n a Zelf stond midden in de wereld, sliep, werkte, recreëerde en mediteerde. Zoals de leider is, zo zijn de volgelingen. Het is dus niet waarschijnlijk dat er ook maar iets zal zijn van de wereld, ook de moderne wereld, waar toegewijden niet op K r i s h n a-bewuste wijze gebruik van zullen maken (met anticonceptiva b.v. kan men nog altijd de toename van 'ongewenst nageslacht' - van niet-toegewijden - tegengaan als K r i s h n a-bewust voorschrijvend arts b.v.).

 

2.49 O Dhanañjaya, bevrijd jezelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst en geef je aan dat bewustzijn volkomen over. Zij die de vruchten van hun werk willen plukken zijn slechts schrapers.

T o e l i c h t i n g

Dhanañjaya betekent overwinnaar van de rijkdom. K r i s h n a brengt hier het reeds eerder genoemde begrip krpana, vrek of schraper naar voren. Waar het Hem hier om gaat is dat we moeten inzien dat dûrena hy karma avaram, dat we voor-altijd-zeker-afschuwlijk-werk moeten opgeven. Afschuwlijk is hier vertaald met baatzuchtig. De term die K r i s h n a gebruikt voor toegewijde dienst is b u d d h i - y o g a dat zoals we reeds eerder zagen gelijkgesteld werd met b h a k t i - y o g a. Als we onze intelligentie in y o g a verbinden kunnen we niet zonder toewijding verder komen. Eren we niet wie ere toekomt, dan zal ons doel, liefde voor God, onbereikbaar zijn. K r i s h n a zegt afschuwlijk werk. Niets is zo erg als je almaar voor het lichaam in te spannen, er een slaaf van te zijn en daarmee te moeten constateren dat de filosofie van de leegte waar die misvatting op gebaseerd is, steeds tot ongeluk en chaos leidt. Zo komt men van kwaad tot erger zodat men van de slager bij de chirurg terecht komt en van het doden van dieren tot het doden van medemensen overgaat. Afschuwlijk zijn de gevolgen van een gebrek aan onderscheid. Zelfs als we elkaar christelijk angstvallig de hand boven het hoofd houden brengt met de genade van Christus een minder goede levensgewoonte als het onnodig doden van dieren k a r m a_a v a r a m met zich mee. God, K r i s h n a verbiedt ons deze zonde niet, met Christus heeft Hij genade met de boetvaardige; dit wil echter nog niet zeggen dat we voor 'het grootste gevaar' veilig zijn. In het S r î m a d B h â g a v a t a m staat het zo:

"In deze materiële wereld is de geconditioneerde ziel altijd geneigd tot sex, vlees-eten en intoxicatie. Daarom moedigen religieuze geschriften in feite nooit zulke aktiviteiten aan. Hoewel de schriftuurlijke voorschriften voorzien in sex door het sacrament van het huwelijk, vlees-eten door rituele offers en intoxicatie door het accepteren van rituele wijnbekers, zijn dergelijke ceremoniën bedoeld voor de uiteindelijke opzet der verzaking." (11.5:11).

In de christelijke bijbel staat daaromtrent de vraag gesteld dat hoewel 'alles' (wat betreft het gebruik van het offervlees) is toegestaan, men zich moet afvragen of dat wel heilzaam en gedienstig is. Met Christus een gewelddadige dood onder ogen zien is in het christendom vervat. Men mag daarvoor kiezen, maar moeten, daar kan met K r i s h n a geen sprake van zijn. Als we de illusie opgeven dat het plezier van een perfekt verzorgd lichaam bevredigd in al zijn zinnelijk verlangen gelijk staat aan het eeuwige hemelse genoegen, de â n a n d a , b h â v a en p r e m a; gelukzaligheid, genegenheid en liefde van K r i s h n a, dan noemt Hij die mens onbaatzuchtig. Willen we echter een gelukkig lichaam najagen ten koste van het veelzijdig hemels geluk, dan noemt Hij ons vrekken en schrapers. Wie niets voor het ware geluk overheeft, verpilt zijn leven en komt bedrogen uit.

 

2.50 Wie toegewijde dienst verricht, bevrijdt zich nog tijdens dit leven van de terugslagen zowel van het goede als van slechte daden. A r j u n a, tracht dus te handelen in y o g a, de kunst aller arbeid.

T o e l i c h t i n g

Zowel door goede als door slechte daden raakt men gebonden aan deze wereld. Dienstbaarheid aan K r i s h n a echter bevrijdt van de terugslagen van allebeide vormen van arbeid. Gehecht aan het doen van goede dingen is men bezorgd over anderen en gaat men allerlei verplichtingen aan en komt men in gezelschap van hulpbehoevenden. Men schept verwachtingen en plaatst zichzelf in de positie van de onmisbare, hetgeen allerlei terugslagen ten gevolge heeft. Hoge bomen vangen veel wind. Plaatst men zichzelf voorop, dan krijgt men ook van alles de schuld. Dit zijn de onvermijdelijke gevolgen van het doen van goede daden. Nu ontkomt geen enkele toegewijde aan het doen van goede daden. Het gaat er K r i s h n a om dat we niet het doen van goede daden verzaken, maar dat we bevrijd raken van de terugslagen ervan. Toegewijde dienst houdt immers nog niet in dat we ons werk zouden verzaken. Men wordt verondersteld op een normale manier aan de kost te komen en zich tot handelen overeenkomstig zijn eigen aard verplicht te zien. Zoals met het handelen in het goede gehecht raken een gevaar is, zo geldt dat zeker voor handelen volgens minder rechtgeaarde wijzen. Zo moet men met geld verdienen ten koste van, oppassen (a s t e y a = niet stelen). Gehechtheid betekent dat men aan zijn werk verslaafd raakt, een werkezel of zwoeger is, in de illusie dat dit alle bevrediging zal schenken. Zoals opgemerkt bij 2:48 bestaat het leven uit bidden, werken, slapen en recreëren; werken voor God, werken voor je medemens, werken voor jezelf en werken voor je gezondheid. Wie niet wil werken wordt gek en wie geen evenwicht weet te houden, moet terugslagen incasseren.

Als K r i s h n a zegt, tracht te handelen in y o g a, dan doelt hij erop dat we werken voor onszelf, voor anderen en voor de gezondheid nooit zonder Hem, zonder de y o g a moeten doen. We moeten leren een gedeelte van de dag met Hem zinvol door te brengen. Als overige aktiviteiten uiteindelijk die dienst aan Hem op het oog hebben, raakt men geleidelijk aan gezuiverd en zal er een zekere vergeestelijking optreden waarbij men de ware vlucht der intelligentie, het geluk kan proeven. In tegenslagen moet men Zijn wil herkennen om de toegewijde dichter naar zich toe te trekken, in voorspoed mag men niet vergeten aan wie men het allemaal te danken heeft en hoe men het bereikte moet behouden. Zolang we ons in de materiële wereld bevinden, moeten we terugslagen ondervinden. Dat is onvermijdelijk. Niet handelen is niet mogelijk, goed handelen verplicht en kwaad handelen een nare schaduw. Zo gaat het in de wereld. Pas als gericht op K r i s h n a in b u d d h i - y o g a vanuit toewijding de intelligentie opbloeit, ontdekt bewust zijn wat het doel van alle handeling is. In het bewustzijn van s a t - c i t - â n a n d a - v i g r a h a, K r i s h n a als de verpersoonlijking van eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid, verdwijnt de versluiering van het onbenul niet te weten hoe men uit het 'dichte woud der begoocheling' (zie 2:52) moet komen waarin men door k a r m a steeds weer opnieuw verzeild raakt. De confrontatie met m â y â is onvermijdelijk. Vluchten van het slagveld is er met K r i s h n a niet bij. We zijn als zielen, eeuwige zielen in deze wereld geboren ('gevallen' zeggen de toegewijden) en we moeten haar op de goede manier weer zien te verlaten: zó dat we er niet meer naar terug hoeven omdat we niet zouden weten van lagere en hogere leefwerelden (planeten). Iedereen weet van goed en slecht gezelschap. Zo weet men ook van hemel en hel. Dat ontkennen is niets anders dan dwaasheid of de zonde van de burgerman: verbijstering (m o h a), woede (k r o d h a), jalouzie (m â t s a r y a), begeerte (k â m a), bezitsdrang (l o b h a) en valse trots (m a d a). Het overwinnen van alle deze en erbij behorende a n a r t h a's, ongewenstheden of slechte eigenschappen is dus onvermijdelijk in de strijd tegen de heks m â y â. Leven leren met K r i s h n a, leven leren voor K r i s h n a geeft het wapen, toegewijde dienst genaamd waarmee we de strijd voor het geluk kunnen winnen. Narottama Dâsa Thâkur heeft een lied geschreven waarin het bewustzijn tot uitdrukking komt van het feit dat zonder de genade van Heer C a i t a n y a, N i t y â n a n d a en andere â c â r y a's in erfopvolging er geen kans bestaat op bevrijding uit de materiële ellende. In de smeekbede geeft hij uitdrukking aan het feit dat uiteindelijk K r i s h n a degene is die, via zijn leraren, Heer C a i t a n y a indachtig, de lakens uitdeelt. Met onze houding van dienstbaarheid mogen we hopen op hun welwillendheid en genade. Zonder hun aktie is er voor de gevallen ziel, zoals iedere toegewijde, hoe verheven ook, zich beschouwd, vanwege de materiële conditionering, geen uitweg. Narottama noemt zich zelfs de meest gevallen ziel in dit lied: wie is er meer verloren in deze wereld dan de toegewijde die alles heeft opgegeven en de genade van Heer C a i t a n y a moet missen? Het lied is een grote oproep tot saamhorigheid en aktie in K r i s h n a-bewustzijn en muzikaal van een onvergelijkelijke verfijning en schoonheid.

 

2.51 - 2.56 

 

2.51 De wijzen die toegewijde dienst verrichten, zoeken hun heil in de Heer en bevrijden zich uit de kringloop van geboorte en dood door van de vruchten van hun arbeid in de stoffelijke wereld af te zien. Zo kunnen ze daar komen, waar men vrij van alle ellende is.

T o e l i c h t i n g

K r i s h n a geeft hier een soort garantie door te wijzen op het feit dat allerlei lieden die zo verstandig zijn 'de begeerte naar de vruchten van hun handelen' op te geven, bevrijd raken uit k a r m a - banda de gevangenschap van de zich herhalende wedergeboorte. Hier brengt K r i s h n a wedergeboorte in verband met baatzucht. In gewoon nederlands kan je zeggen: als je zo egoïstisch bent de vruchten van je arbeid voor jezelf te reserveren, ben je gedoemd in afgescheidenheid terug te vallen in de ellende der vrekken en schrapers. In m â y â zijn, een slaaf zijn van het lichaam, een gevangene van de begeerte zijn, is niet prettig. Niemand wil dat ondervinden en we hebben een moderne psychologie van ontkenning en compensatie om u tegen te zeggen, waarbij we steeds weer opnieuw kunnen beginnen met waar en onwaar van elkaar te onderscheiden in een 'nieuwe geboorte' of een andere afgescheidenheid van zelfgewaarwording (ego). Ookal bouwen we een paleis van onze psychologie, de ellende is pas bezworen als we de leiding aan K r i s h n a overdragen. Hij is 'psycholoog' nummer één. Vergeten we dit, dan krijgen we Zijn oordeel te dragen: schandelijke, materialistische, egoïstische vrekken en schrapers. Dat is zijn mening, zijn lied van de verheffing en heerlijkheid die voor schrapers onbereikbaar is. Compenseren, halfgoden aanbidden, therapeutje spelen etc. etc., het is allemaal best, het zal de goede wil wel dienen, maar we mogen vrolijk steeds weer opnieuw beginnen met het psychologisch water naar de psychologische zee te dragen als we de ware aard van de oceaan van het K r i s h n a -bewustzijn niet onderkennen. Doen we al onze goed-bedoelde hulpverlening niet langer voor onze eigen verheerlijking, maar ter meerdere eer en glorie van de authentieke 'supervisor' K r i s h n a, dan kunnen we wat de toegewijden 'Vaikuntha' noemen bereiken, de plaats, de positie waarin men van alle ellende vrij is. Men stelt zich daarbij een aparte hemelse planeet [of wereld] voor en niet een voor een boekenkast geplaatste zetel, het verdedigingsbolwerk van de intellectueel die niet kan zingen en feesten voor iemand boven zich.

 

2,52 Wanneer je verstand uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn komt, zul je onverschillig zijn jegens alles wat er gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden.

T o e l i c h t i n g

De onverschilligheid waar K r i s h n a op doelt is de goddelijke onverschilligheid van degene die onaangedaan door de geaardheden der natuur (goedheid, hartstocht, traagheid) en de werking van de tijd in gelijkmoedigheid zijn geest in evenwicht heeft weten te brengen. Hiermee definieert K r i s h n a m â y â als die vorm van begoocheling waarin we geen weerstand hebben tegen dingen die gezegd worden in voor- en tegenspoed of nog zouden kunnen worden gezegd. Simpel gezegd komt het er op neer dat als we op tijd uit bed komen, onze expressiebehoefte op K r i s h n a richten en ons aan de regels van de y o g a houden, we sterk genoeg zijn om zelfstandig door het leven te kunnen. A r j u n a moet de verantwoordelijkheid voor de strijd op zich nemen, stort in en vraagt K r i s h n a om steun. Dit is zijn antwoord. Dat er nog veel haken en ogen zitten aan het idee van 'weerstand tegen de invloeden van buitenaf' blijkt nog verderop in de B h a g a v a d G î t â.

In zijn commentaar wijst S w a m i P r a b h u p â d a op het feit dat personen in K r i s h n a -bewustzijn uitrijzen boven wat s' a b d a - b r a m a n genoemd wordt. Hiermee is aangegeven dat de cultuur van rituelen en schriftuurlijke voorschriften die de weg naar de verwezenlijking van het doel uitmaken overstegen is als men eenmaal in K r i s h n a-bewustzijn is. In staat van begoocheling heeft men aan allerlei plichten te voldoen om op eervolle wijze zichzelf weer terug te vinden als een toegewijde in dienst van de Allerhoogste. Voor een westerling betekent dat dat zovele religieuze verplichtingen zoals het lezen van de bijbel en het bezoeken van de kerk komen te vervallen als men associatie in K r i s h n a-bewustzijn heeft ontwikkeld. Zolang men met zijn toegewijde dienst de macht van de begoocheling te boven is heeft men slechts die plicht die s v a - d h a r m a wordt genoemd, die taak van vertegenwoordiging van K r i s h n a's belang die aansluit bij de eigen aard: de specifiek eigen taak. Het begrip d h a r m a, waarmee rechtgeaardheid en religieuze plicht wordt aangeduid betekent ook 'de wezenlijke aard', individueel toegepast met het voorvoegsel s v a- aangegeven. Om deze reden heet het K r i s h n a -bewustzijn meer de wetenschap van de zelfverwerkelijking dan een religie van ritueel en voorschrift. Er zijn dus wel allerlei rituelen en voorschriften in de beoefening van het K r i s h n a -bewustzijn om toegewijden uit het woud der begoocheling te leiden; men moet zich echter geenszins verplicht voelen meteen zelf als een full-time tempeltoegewijde door het leven te gaan, zich op te scheren en in d h o t i en k u r t a (de kleding van tempel toegewijden), over straat te gaan en te prediken. Ook van s a n n y â s i ' s, degenen die voor K r i s h n a alles hebben opgegeven, is bekend dat ze doorgaans weinig interesse hebben in regels, rituelen en formaliteiten, die ze echter op zich wel respekteren als noodzakelijke inachtnemingen. Het liefst zitten ze met liefhebbers zonder verdere plichtplegingen vrijuit te zingen en te prediken onverschillig over alles wat er gezegd is of gezegd zou kunnen worden. S w a m i P r a b h u p â d a zelf zei te zijn neergedaald tot het nivo van handelen waarop hij voor diegenen die in m â y â zijn het voorbeeld kan zijn om het doel van zuivere toewijding tot K r i s h n a te kunnen prediken waarbij hij af en toe dan lamenteerde: 'wanneer zullen jullie het ooit leren intelligent te zijn?' Het dagelijkse dankbaarheidsritueel voor de geestelijk leraar moet steeds weer in herinnering brengen dat we alleen door een dergelijke genade van een zuivere toegewijde de oceaan van het materiële lijden (s a m s â r) kunnen oversteken. Dat niet iedereen die tot K r i s h n a komt zich als een s w a m i hoeft te gedragen is duidelijk: als het niet tot je s v a - d h a r m a behoort zal het je niet gebeuren. In verband met de onverschilligheid over rituelen van baatzuchtige p r â k r t a's haalt S w a m i P r a b h u p â d a S'rî Mâdhavendra Puri, een â c â r y a, aan, die zegt:

' O Heer drie maal daags breng ik U alle eer in mijn gebeden, als ik me baad zing ik Uw lof. O halfgoden, o voorouders! Neem me a.u.b. niet kwalijk dat ik me voor U niet kan verootmoedigen. Waar ik me ook bevind kan ik de grote telg van de Yadu-dynastie (K r i s h n a) voor de geest halen, de vijand van Kamsa, en me zo van alle banden der zonde verlossen. Ik denk dat dit me voldoende is'.

 

2.53 Is je geest niet meer in beweging te brengen door de bloemrijke taal van de Veda's en verkeert hij onwankelbaar in de verheven rust der zelfverwerkelijking, dan ben je het goddelijk bewustzijn deelachtig geworden.

T o e l i c h t i n g

De onrustige geest die is aangedaan door de werking van de materiële wereld vindt zijn anker in de geschriften, tussen de toegewijden en aan de voeten van de geestelijk leraar die met een lotus worden vergeleken qua zuiverheid. Zo zijn er drie realisatienivo's in het K r i s h n a-bewustzijn: b r a h m a n, p a r a m â t m â en b h a g a v â n genaamd die achtereenvolgens de onpersoonlijke boven de stof uitrijzende geest vertegenwoordigt, de aan plaats en persoon gebonden integriteit daarvan en de realisatie van de volheden van de goddelijke persoon die ontstaat bij het besef dat men nooit gelijk kan zijn aan zijn ideale zelfbeeld: S'rî K r i s h n a. Men moet niet het idee hebben dat als men zich hier een duidelijke voorstelling van kan maken, men zijn doel bereikt heeft. In feite bereikt men dit doel nooit. Slechts ten dele kunnen we het deelachtig worden en dan is het nog zeer moeilijk om hierin stabiliteit te ontwikkelen. In de moderne tijd is de verheven rust der zelfverwerkelijking zeer snel verstoord door de ellende van het bestaan die van de drie categorieën van k l e s a's, die van de persoon zelf, van andere personen en van de wereld daaromheen afkomstig zijn. Daarenboven ontkomt niemand aan de realisatie van de zes vormen van ellende, de s a t - û r m i die samenhangen met het hebben van een materieel lichaam: honger, dorst, verval, dood, verdriet en illusie (S.B. 11.15:19), ookwel verkort in vieren aangeduid met geboorte, ziekte, ouderdom en dood [zie ook V â s a n â ]. Door een gestadige (b h a k t i -) y o g a-praktijk kan men de goddelijke staat van onverschilligheid tot stand brengen waarin men zich van alles, lijden en geluk, bewust is, maar steeds verankerd blijft in het ware Zelf waarvan de individuele ziel slechts een vonkje is (Deze staat moet men niet verwarren met de onverschilligheid van werelds egoïsme: goddelijke onverschilligheid berust op plichtsvervulling terwijl egoïsme berust op plichtsverzuim). Heer C a i t a n y a zei: trinâd api sunicena , taror api sahisnuna (zie Siksâstaka), als we niet nederig zijn als een strootje op de weg en toleranter dan een boom, kunnen we deze realisatie niet behouden. Een ieder die het doet voorkomen alsof dat niet zo zou zijn is een illusieganger, een m â y â v a d i: met verbeelding en intolerantie zijn we zonder K r i s h n a valselijk trots en zonder respekt. Wie niet groot is in het klein kan het ware niet deelachtig zijn. Om die reden kennen de toegewijden K r i s h n a ook graag als de jeugdige vrije en blije vriend van de koeherdersjongens en meisjes, de g o p a's en g o p i ' s van V r i n d â v a n a. S'ukadeva Gosvâmî, de verteller van het B h a g a v a t a Pu r â n a, Het S r î m a d B h â g a v a t a m, zegt:

Wanneer Govinda het bos in was,

ging het hart der Gopi's met Hem mee

en zongen ze de hele dag,

van K r i s h n a's spel, vol liefdeswee.

(S.B. 10.35:1)

Het gaat uiteindelijk om de liefde voor Zijn spel en vermaak. Zonder de genade van Heer C a i t a n y a was deze voor ons nooit bereikbaar geweest.

 

2.54 Waaraan herkent men iemand wiens bewustzijn aldus opgaat in het bovenzinnelijke? Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

T o e l i c h t i n g

S t i t h a - p r a j n a zijn de eerste woorden van dit vers. Het is het Sanskriet voor iemand die onwankelbaar in de verheven rust der zelfverwerkelijking verkeert. Dergelijke mensen noemt men ook wel verlicht. Ze hebben alle verlangen naar stoffelijke genoegdoening opgegeven en hun leven volkomen ingericht naar de transcendentale dienst en toewijding tot K r i s h n a. Diegenen onder hen die zich hebben aangesloten bij het systeem van de geestelijke erfopvolging der v a i s h n a v a's noemt men m a h â b h a g a v a t a's. De v a i s h n a v a's stellen bij herhaling aan de orde dat de verlichting (k a i v a l y a) niet het doel is van de y o g a. Zoals uit deze verzen blijkt is de verlichting echter wel een onmisbaar onderdeel van de toegewijde dienst. A r j u n a wil weten hoe een verlicht persoon functioneert. Het antwoord luidt dat zuivere toegewijden in staat van verlichting uitsluitend praten ten behoeve van K r i s h n a, meestal in de meditatiehouding zitten en verblijven op een afgezonderde plek, ook als ze in een tempel verblijven. Tempels hebben altijd een apart kamertje voor de â c â r y a. Ze reizen onder begeleiding van verzorgers voortdurend van plaats naar plaats en hebben de neiging om te vergaren en te bewaren opgegeven. Ze onderhouden geen bijzondere relaties met hun eigen verwanten en behandelen deze als alle anderen, hoewel de ouders soms speciale aandacht krijgen vanwege hun levenslange toewijding. Op het nivo van B h a g a v â n-realisatie (K r i s h n a-bewustzijn) kan de s t i t h a - p r a j n a veel discipelen om zich heen verzamelen en een cultuur van grote schoonheid, rijkdom, roem, kennis, verzaking en invloed opbouwen. Ze leven altijd celibatair en blijven belezen wat betreft de heilige boeken. Zo blijft de prediking 'fris' en kan de intellectuele horizon zich verruimen. Hun levenswandel is niet persé onbesproken omdat ze voordat ze verlicht raakten, ze als gewone mensen leefden en nadat ze verlicht raakten aan de normale wetmatigheden ontstegen zijn. Verschillende moderne g u r u ' s brachten een tijd in de gevangenis door. De wetten van het land worden natuurlijk wel gerespekteerd, terwijl het andersom niet altijd zo gaat. Als volgelingen niet worden gestimuleerd in hun zelfstandigheid, kan men vraagtekens plaatsen bij de kwaliteit van de prediking. Omdat leerlingen wordt toegestaan zich volledig over te geven is het vaak niet duidelijk waar het sektarisch sfeertje door wordt veroorzaakt. Verlichte mensen hebben zeker een eigen s v a - d h a r m a en maken met hun volgelingen een zekere ontwikkeling door. Zolang er sprake is van geestelijke erfopvolging komt de zaak met de s t i t h a - p r a j n a meestal wel op z'n pootjes terecht, ondanks de soms hoog oplopende emoties. De leidende volgelingen in successie van Heer C a i t a n y a schrijven boeken of laten ze door anderen schrijven naar aanleiding van lezingen e.d. S w a m i P r a b h u p â d a:

'de eerste plicht van de wereldverzakende orde bestaat erin een boek te schrijven ten dienste van de mensenwezens om hen van gerealiseerde aanwijzingen te voorzien op het pad der zelfverwerkelijking' (toel. S.B. 2.2.5).

M a h â b h a g a v a t a's zijn altijd muzikaal, ookal wisselt het talent wel. Er is vrijwel altijd een bepaalde discipline die de volgelingen in acht moeten nemen. Ook binnen dezelfde tak van het v a i s h n a v i s m e (er zijn er vier genaamd Brahmâ-, Rudra-, S'rî en Kumâra- s a m p r a d â y a), zijn vele scholen (m a t h ' s) met ieder hun eigen accent op onderdelen van de onderling overeengekomen vormen van toegewijde dienst. Hoe meer men samenwerkt, hoe sterker en duidelijker de gezagsverhoudingen liggen. Komt een g u r u ten val, dan kan dit rampzalige gevolgen hebben voor de gehele school van volgelingen die dan alle kanten op gaan op zoek naar nieuwe associatie. De hier in het Westen aktieve s a m p r a d â y a is de Brahmâ-Gaudiya- s a m p r a d â y a en A.C. Bhaktivedanta S w a m i P r a b h u p â d a zijn eigen m a t h, de 'internationale gemeeschap voor het K r i s h n a-bewustzijn' opgericht met centra over de gehele wereld heet zoals gezegd: ISKCON. Iskcon verdient zijn geld door het binnenhalen van donaties door vaste leden, toegewijden die boeken verspreiden en een beetje handel in oosterse artikelen. Er zijn geen eigenaren, wel beheerders die echter van positie kunnen wisselen. Soms gaat er wel eens iemand met het kapitaal vandoor, hetgeen samen met het vallen van g u r u ' s de gemeenschap een dynamisch voorkomen geeft waardoor toegewijden in hun zelfstandigheid worden bevorderd. Het drama van het failliet gaan werkt nooit zo sterk als in het materiële leven omdat andere centra altijd toegewijden kunnen opnemen die in een afhankelijke positie verkeren. Gewoonlijk wordt er tussen de verschillende centra goed samengewerkt. Een zuivere toegewijde gaat nooit echt verloren, ookal verdwijnt hij wel eens uit het zicht. Dit is de aard van V i s h n u, God de behouder. Heer K r i s h n a en Heer B a l a r â m a, Heer C a i t a n y a en Heer N i t y â n a n d a; in één woord: B h a g a v â n - is het kenmerk van alle handelingen van de m a h â b h a g a v a t a wiens taak het is de toegewijden te beschutten. Heer C a i t a n y a merkt daarbij op:

"Zelfs als een zuivere toegewijde de volheid van K r i s h n a ziet, accepteert hij het niet. Daarom is zuiver bewustzijn meer verheven dan bewustzijn van de volheden van de Heer" (C.c. A.l. 7:35).

De verheven toegewijde, de m a h â b h a g a v a t a, weet van K r i s h n a's volheden, maar laat ze even zo gemakkelijk los in alle bescheidenheid.

 

2.55 De Allerhoogste zei: O Pritha, wanneer men alle zinnelijk verlangen dat uit het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en wanneer men de geest alleen in het zelf bevrediging laat vinden, heet men in zuiver bovenzinnelijk bewustzijn te verkeren.

T o e l i c h t i n g

S a n s k r i e t:

praja hâti yadâ kâmân , sarvân pârtha mano - gatân âtmany evâtmanâ tustah, sthita - prajnas tadocyate

Letterlijk:

geeft op - wanneer - verlangens naar zinsbevrediging / van allerlei soorten- O zoon van Prithâ - van verstandelijke overweging / in de zuivere staat der ziel - zeker - door de gezuiverde geest - bevredigd / bovenzinnelijk gesitueerd - te dien tijde - wordt gezegd.

Naar de zinsconstructie kunnen woorden meerduidig zijn zodat er van één vers meerdere vertalingen mogelijk zijn. Zo gaf Heer C a i t a n y a 61 verschillende interpretaties van het atmarâma-vers (S.B. 1.7: 10, zie voorwoord) alleen al naar de verschillende bijbetekenissen van de afzonderlijke woorden. Om die reden is de G î t â van S w a m i P r a b h u p â d a voorzien van de originele Sanskriet-teksten met woord voor woord-vertalingen zoals hierboven gegegeven zodat ieder voor zich de betekenis kan nagaan. Een andere manier om met de gegeven betekenissen het bovenstaande vers te vertalen is: "Wanneer door verstandelijke overwegingn allerlei soorten van verlangens naar zinsbevrediging zijn opgegeven, o Pritha, en een gezuiverde staat der ziel door een gezuiverde geest tot stand is gebracht, dan heet men bovenzinnelijk gesitueerd te zijn." [of zoals ook in de lopende vertaling hierboven]. In de p a r a m p a r â, de erfopvolging der leraren is met S w a m i P r a b h u p â d a het accent komen te liggen op het feit dat door materiële betrokkenheid men een verstand heeft dat zich op vele dwaalwegen begeeft en dat daardoor lust ontstaat. Dit is afgeleid uit andere verzen in de Gîtâ. Of K r i s h n a dit Zelf in dit vers ook bedoelde te zeggen is niet helemaal duidelijk. Feit is dat beide vertalingen juist zijn. K r i s h n a is A r j u n a even zo goed aan het overtuigen dat door zijn intelligentie in vastberadenheid en overtuiging te vestigen hij tot een zuivering van zijn ziel kan komen. Ook dit kan men uit andere verzen in de B h a g a v a d G î t â afleiden. K r i s h n a komt op dit onderwerp dus nog terug. Tot zover is van belang dat er een verband gelegd is tussen de werking van het verstand, het hebben van zinnelijke verlangens, zuivering en bovenzinnelijk gesitueerd raken. De uitdaging voor A r j u n a is het verband te ontdekken tussen deze onderdelen van de filosofie. In het Westen heerst een traditie van rationalisme dat als credo 'ik denk dus ik ben' heeft. Dit credo verwijst naar de werkelijkheid van het geestelijk bestaan met betwijfeling van al het overige en verwerpt het idee van onbezonnen existentie. Het is verstandig om verstandig te zijn. Spottend kan men zeggen: 'ik denk, dus ik ben er nog mee bezig'. Als we K r i s h n a's wens tot evenwichtigheid serieus nemen is het verstandig ervan uit te gaan dat denken en doen, filosoferen en muziek maken b.v.met elkaar in evenwicht moeten zijn. De b h a k t i is hier het beste voorbeeld van als het aankomt op sociaal vergeestelijken - de missie van C a i t a n y a komt met S w a m i P r a b h u p â d a immers neer op het bestrijden van de onpersoonlijke leegte. We willen geen geleerdheid van de sofa meer, maar geleerdheid van de toegewijde dienst. Dat is het standpunt van de C a i t a n y a- v a i s h n a v a. Geleerdheid uit de studeerkamer, hoe therapeutisch begeleid ook, kan geen feestvieren zonder een kater te krijgen en moet daarom als culturele ego-gerichte navelstaarderij worden aangemerkt. Als we alsmaar het ik zoeken in sociaal verband en proberen onze afgescheidenheid van de ander te bewerkstelligen, dan kan men zich beter afvragen waar de ik-neurotische plakkerigheid vandaan komt, dan water naar de zee te dragen door deze steeds te bevestigen. Het moderne ego zit door de electronische revolutie met een eenheidsbesef dat gebaseerd is op de illusie van gelijktijdigheid. In die illusie kan men zich voorstellen dat er een dwangmatige (pathologische) behoefte ontstaat zich te onderscheiden. S w a m i P r a b h u p â d a zegt dat verlost raken van de dwangmatigheid van naam en aanduiding het begin is van het louteringsproces (S.B. 6.16: 21). We kunnen ons, geïdentificeerd met radio's, televisies (droommachines), telefoons en recentelijk de electronische 'snelweg' van de computerverbondenheid, moeilijk losmaken van het idee dat we niet dezelfde tijd hebben met het pragmatisch-politiek gereguleerde uurwerk. Waar is: we delen wel het moment, maar het moment zelf is in de tijd gescheiden. Iedere plaats heeft zijn eigen tijd en levensritme. De ontkenning van deze waarheid geeft een illusie van verbondenheid die niets meer te maken heeft met in harmonie leven met de natuur van het Hier en Nu, het lokaal overal aanwezige in verscheidenheid verbonden zijn in het p a r a m â t m â, de Superziel van K r i s h n a. Door een vervalsing van het tijdbegrip is men niet meer zozeer verbonden met zijn omgeving, maar met de politiek van beheersen en genieten die allerlei -ismen hooghoudt die zeker niet bevorderlijk zijn voor het ontwikkelen van wat K r i s h n a  s t i t h a - p r a j n a noemt, in gewoon nederlands: 'er boven staan'. Met andere woorden: de induktie (het veralgemenen) van de standaardtijd sleept ons mee in een (amerikaanse?) droom van altijd elders en nooit nu.

Heer C a i t a n y a zegt a c i n t h y a - b h e d a - a b h e d a - t a t t v a om aan te geven dat K r i s h n a de eenheid in de verscheidenheid is. Niet de bij demo(n)cratische meerderheid gekozen politici die de zaak met deels baatzuchtige motieven naar hun hand willen zetten kunnen Zijn plaats innemen. Het scheiden van fundamentele zaken als tijd en ruimte moet zeker als een ernstige vorm van maatschappelijke gespletenheid worden opgevat en als een vijand in de oorlog tegen m â y â, ookal heeft K r i s h n a de standaardtijd ingevoerd om de demonische lieden op een dwaalspoor te zetten (vâsudevah sarvam iti: Hij is de oorzaak aller oorzaken 7:19). Onthechten van de bepalingen van het uurwerk en leren vertrouwen op de relatie met het lokale van K r i s h n a, de Superziel, V i s h n u , behoort zeker tot de y o g a-praktijk en de zekere toekomst van K r s n a - b h a k t i in Nederland. Is niet de reformatie van de moderne geest de ziel van Holland en noemt men niet het moderne steeds bij zijn grondkenmerk Tijd? Als we ervan uitgaan dat het dwalen van onze gedachten, behalve met het valse ego ook samenhangt met de m â y â van materiële identificatie met culturele tijdbegrippen en andere vormen van ellende die niet direkt voortkomen uit de persoon zelf of door een ander worden teweeggebracht - dan is saamhorigheid terwille van bovenzinnelijke realisatie makkelijker te bewerkstelligen. Het idee van 'het (tijd-)systeem' als gemeenschappelijke (binnen de K r i s h n a-gemeenschap) vijand doet niemand kwaad, is cultureel zelfkritisch en zet aan tot zinvolle arbeid terwille van de eeuwige waarden. Iedereen die wel eens in India geweest is begrijpt volkomen wat met het onthechten van valse tijdbepalingen wordt bedoeld.

 

2.56 Wie zich niet van streek laat brengen door het drievoudig leed, wie in gelukkige omstandigheden niet opgetogen is en wie vrij is van gebondenheid, vrees en woede, wordt een wijze van standvastige geest genoemd.

T o e l i c h t i n g

We doen het allemaal onszelf aan, door onze identificaties met de materie, anderen dragen daar een steentje toe bij en daarnaast zitten we met een grote wereld en een maatschappelijk systeem waar ook niemand vat op heeft. Deze vormen van ellende worden achtereenvolgens a d h y â t m i k a-, a d h i b h a u t i k a- en a d h i d a i v i k a - k l e s a's genoemd. Deze hindernissen belemmeren de weg naar het verwezenlijken van het doel der zelfverwerkelijking. Als we gaan chanten om de werking van deze ellende te boven te komen zijn we kwaad met goed aan het verdringen. In tegenstelling tot de westerse geestelijke gezondheidszorg waar een taboe heerst op verdringing, omdat men de krachten die men daarmee oproept zonder y o g a niet beheersen kan, schaamt de b h a k t a zich er absoluut niet voor zijn eigen onbeheerste geest, de invloed van anderen en de werking van de wereld de kop in te drukken met de m a h â m a n t r a. Het is gewoon de gezonde mens die weerstand biedt tegen. We zijn neurotisch genoemd als we niet het nut van het bieden van weerstand inzien (de z.g. psychastene variant).

K r i s h n a legt een verband met woede, vreesachtigheid en naïeve vreugde. We moeten wat Hem betreft bedaard, moedig en ernstig zijn, anders kunnen we de oorlog tegen de illusie niet winnen. Valse verbondenheid en de wanen die dat met zich meebrengt moet worden bestreden door zich hecht te verankeren in volmaakte kennis. De kennis van de ziel, â t m â - t a t t v a, wordt ookwel volmaakt of absoluut genoemd, omdat een ziel zonder K r i s h n a als een auto zonder benzine is: een loos ego zonder wezenlijke reden tot voortbestaan. Dat velen K r i s h n a anders benoemen doet hier niets aan af. Een gebrek aan ernst, lafheid en geloven in agressie zijn kenmerken van onwetendheid, onbebul, a v i d h y a, die een ziel tot een geïsoleerd ego degradeert. Een wijze, ookwel m u n i genaamd, is iemand die in staat is naar behoren zijn verstand te gebruiken. Deze mensen heten zeldzaam te zijn. De moderne politiek doet er vele generaties over om mensen van formaat voort te brengen die vanachter de schermen in staat zijn blijk te geven van hun vermogen tot zelfbeheersing. Dit soort wijsheid is echter niet precies wat K r i s h n a hier voor ogen heeft. Het gaat om de wijze die s t i t h a - p r a j n a is, stabiel geworden is in bovenzinnelijke realisatie. Dit soort wijzen laat zich niet als een pion over het politieke schaakbord heen en weer schuiven en worden ookwel sthita - di - muni genoemd. Veel van de wijsheid der modernen, mensen die er altijd al waren, is gebaseerd op het hooghouden van de (ver)schijn(ing) waarbij de ziel uiteindelijk wel gebonden moet zijn aan de wijsheid achter de schermen e.d. (denk aan het fameuze beeld van de intellectueel voor zijn - half gelezen - boekenkast). Zo kan men begrijpen dat K r i s h n a in een land vol half-was gelovigen niet direkt op de voorgrond staat. De politiek is ook niet bevoegd Zijn woord te prediken. De gruwelijke afgang van diegenen die dat wel deden staat nu nog bekend als het crimineel fascistisch vervalsen van het â r y a n i s h e [z.g. arische] ideaal. Er is een gevaar van eigenmachtig optreden, dat niet aankunnen en dan de waanzin overdekken met nog meer van dezelfde ellende. De gevreesde regressie der systemen en de induktie van foute generalisaties doet nog menige europeaan de rillingen over de rug lopen. Bevrijd raken van vrees en woede is geen geringe zaak en wordt geestelijk leven genoemd. Wereldse belangstelling (sex & geld) gaat altijd samen met voorkeur en afkeer, de vader en moeder van vrees en woede. Daarom is het zo dat, ookal zijn de oplossingen al lang bekend en is de conclusie van de sthita - di - muni al lang duidelijk, men er toch niet direkt iets van terecht kan brengen. Vooral kennis evolueert maar langzaam. Swami Prabupâda merkt hierbij nog op dat in de toegewijde dienst er zelfs geen sprake is van gehechtheid aan de onthechting. K r i s h n a-bewustzijn maakt alles mogelijk. Of de zaken nu wel of niet willen lukken, de b h a k t a, in tegenstelling tot de s â d h a k a die K r i s h n a eigenlijk nog niet goed kent, maar wel een spirituele discipline volgt, is altijd onwankelbaar in zijn streven, niet bepaald door uiterlijkheden. De smaak van de b h a k t i, die onwankelbaar maakt, vindt men in de m a h â m a n t r a. Afwisseling is K r i s h n a zelf, steeds nieuw, daarom nogmaals de m a h â m a n t r a, maar dan anders.

 

2.57 - 2.63

 

2.57 Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer iets kwaads geschiedt, is hecht verankerd in volmaakte kennis.

T o e l i c h t i n g

De s t h i t a - p r a j n a, de onwankelbare persoon, die zijn anker heeft gevonden in de wijsheid van K r i s h n a, is steeds in s a m â d h i, d.w.z. geconcentreerd op K r i s h n a en altijd bezig met de dienst aan Hem voor ogen. Dit is volmaakte kennis, men is slechts aan K r i s h n a verplicht, overige bindingen zijn daaraan ondergeschikt. Vrienden, familierelaties, collega's, ze kunnen allemaal de ellende van de wereld over je afroepen. De zuivere toegewijde is hier nooit bang voor omdat hij te midden van dezen ongebonden is, onafhankelijk, steeds in het Ware Zelf verzonken en daaraan dienstbaar. Noch vreugdevolle zaken, noch verdrietige zaken kunnen hem van de liefde van zijn ideaal, de Hoogste Godspersoon, weerhouden. Zo konden christelijke martelaren geduldig hun lijden dragen en hun beulen vergeven terwijl dezen met hun werk bezig waren. De ziel is eeuwig, onvernietigbaar. Het is het (geestelijk) lichaam in kontakt met de materiële natuur met zijn drie geaardheden en zijn tijdelijke aard, dat alle gewaarwordingen verwerken moet. De ziel is zich hier als getuige van bewust en weet dat hij niet alleen is, maar tesamen is met zijn Oorsprong. De toegewijde ontleent zijn integriteit aan de Allerhoogste en is in die zin zelf onsterfelijk en onkwetsbaar, wat het lichaam ook te verduren krijgt. Wie stabiel gevestigd raakt in deze kennis wordt een zelfgerealiseerde ziel genoemd, iemand voldaan in volmaakte kennis.

 

2.58 Wie - zoals een schildpad zijn ledematen intrekt onder zijn schild - in staat is zijn zinnen af te wenden van wat ze prikkelt, wordt geacht zich waarlijk in staat van kennis te bevinden.

T o e l i c h t i n g

Personen die niet kunnen loslaten zijn niet in y o g a. Een schildpad loopt en zwemt vrolijk rond met zijn zware pantser, blij omdat hij zich altijd overal meteen kan terugtrekken in zijn vesting. Zo vormt ware kennis het pantser van de toegewijde waarbinnen hij zijn bevrediging kan vinden en ongebonden blijft. Alles wat de zintuigen beroert, zelfs een slecht gemoed en een onbeheerste geest kunnen door simpel weg los te laten in toewijding, dus door over te gaan op meditaties met K r i s h n a als doel, worden overwonnen. Door de rijke gevariëerdheid van de toegewijde dienst met zijn negen onderdelen, is er voor iedereen wel een weg van toewijding te vinden die zelfverwerkelijking mogelijk maakt. De één ziet het meer sociaal, de ander meer creatief, de volgende meer in een liefdesrelatie. Iedereen kan met K r i s h n a zijn weg vinden, omdat er geen weg is die niet naar 'Rome' leidt. Als we het europese 'Rome', christelijk of niet, leren herkennen in de Hoogste Persoonlijkheid van God, Hij die altijd in ons hart bij ons is geweest en die ons met onze medemensen in verbinding stelt en die wij herkennen in Christus en Mohammed, de Buddha en C a i t a n y a, dan zijn we bevrijd van de begoocheling der verdeeldheid en de angst der tegenstellingen van de materiële wereld. Holisten die de tradities niet kennen en traditionalisten die het geheel niet kennen, personalisten die de wereld niet aankunnen en impersonalisten die de persoon niet aankunnen; ze kunnen allemaal hun vrede in Hem vinden. In dit vers stelt K r i s h n a het heel simpel: keer je af van alles wat de zinnen prikkelt (Christelijk: 'indien uw oog u hindert, ruk het uit'). Dat vermogen, daar gaat het om in de b h a k t i - y o g a. Wees als een schildpad en zorg voor je 'bewapening'. De a c â r y a verstrekt de nodige 'vergunningen', want ongeoorloofd zomaar uitspraken lanceren kan geen vrede geven. Ongeoorloofde wapening is zowel in de materiële als in de geestelijke wereld een strafbaar feit. In de materiële wetenschap noemt men het de referentieplicht omdat al onze uitspraken verifieerbaar moeten zijn. Daarom moet de logica gericht zijn op zelfverwerkelijking die zonder een heilig voorbeeld een gevaar voor de samenleving vormt. De schrijver dezes laat eerst K r i s h n a aan het woord, dan de leraar van de erfopvolging, dan de toegewijden en zegt dan pas wat hij er zelf van meent begrepen te hebben. Zo kan iedereen nagaan of hij raaskalt of door K r i s h n a-C a i t a n y a geïnspireerd is. Het gezag van zijn woorden is kontroleerbare, weerlegbare zelfrealisatie en daarom bona-fide. Omdat we allemaal de neiging hebben om in onzin te vervallen, het te ontkennen, er de schijn mee op te houden en daar de mist mee in te gaan, is het algemene advies aan iedereen die zich hiervoor interesseert dezelfde kontroleprocedures te volgen. Alles wat niet verwijst naar een heilig voorbeeld, noemen we valse prediking. Als we daarintegen b.v. zeggen: 'Jezus zat op een fiets naar de maan', dan kan een goede theoloog daar nog heel wat betekenis in herkennen.

 

2.59 De belichaamde ziel kan weliswaar van zingenot weerhouden worden, hoewel ze haar smaak voor het zinneprikkelende behoudt. Maar wanneer ze zich er niet meer om bekommert, doordat ze een hogere smaak ervaart, is ze hecht in bovenzinnelijke kennis verankerd.

T o e l i c h t i n g

Een hogere smaak is de smaak van het geestelijk leven. Het is Heer C a i t a n y a die hierover heeft gezegd:

' Zuivere liefde van K r i s h n a is als een oceaan van geluk, als je er één druppel van krijgt, kan de hele wereld in die druppel verdrinken. Het is niet gepast uiting te geven aan een dergelijke liefde voor God, maar iemand die er gek van is moet er over praten. Echter, alhoewel hij erover spreekt, gelooft niemand hem' (C.c. M.l. 2:49).

Liefde van K r i s h n a is voor de ander niet zomaar tot uitdrukking te brengen. Toegewijden kunnen over de grond rollen en als waanzinnigen tekeer gaan in hun extase. Voor een buitenstaander is dit ongepast gedrag.

In dit vers maakt K r i s h n a duidelijk dat dit soort liefde sterk genoeg is om de prikkeling der zinnen te weerstaan. In de y o g a kan men zich leren van zingenot te onthouden door het te reguleren, echter als er niets voor in de plaats zou komen, zou men het nooit kunnen opbrengen dit vol te houden. Wie vanuit de verheven rust der zelfverwerkelijking ontdekt dat de wereld in K r i s h n a-bewustzijn er dubbel zo interessant uitziet, is geneigd tot zaken die een ander niet meer kan begrijpen. Hiervoor moet men oppassen. In de associatie van toegewijden is er ruimte geschapen om zich uit te leven tijdens k i r t a n s, waarin heftig gedanst en gezongen kan worden, soms uren lang. Proberen we de liefde van K r i s h n a in ons eentje te bevatten, dan vallen we in waanzin. De liefde van God is er niet voor de persoon alleen, maar voor de persoon in saamhorigheid. Liefde moet echt liefde zijn en niet een idee ervan. De heilige wet luidt dat liefde vorm moet aannemen, een God zonder vorm is niets meer dan een oefening om van valse voorstellingen af te komen en heeft alleen betekenis op weg naar de uitdrukking van die liefde. Men is belichaamd zelf een vorm van K r i s h n a en is een dienaar van die liefde. Het heeft geen enkele zin die liefde alleen voor zichzelf te reserveren. Het groepsego geeft altijd de indruk dat God een exclusiviteit is die in een andere vorm van religie alleen maar als een illusie wordt afgespiegeld. Alleen de eigen overtuiging is juist, nooit die van een ander. Een nuchter mens weet dat dit onzin is. Iemand die werkelijk de liefde van God leeft - stabiel is in de kennis, ziet dat iedereen door die liefde wordt gedreven. Hoe meer men zich bewust is van het belang van de verbondenheid van de ziel, hoe groter de kans dat men die liefde niet verliest. Een waarlijk intelligent persoon weet dat K r i s h n a de continuïteit van die liefde is, de eeuwige liefde Zelf is. Wij zijn als toegewijden altijd gevallen en hebben als opdracht steeds weer uit het woud der begoocheling, m â y â, te komen door ons aan de leidraad van de toegewijde dienst vast te klampen en ons te weren met de m a h â m a n t r a en andere vormen van toewijding. S w a m i P r a b h u p â d a zegt hierover:

'we hebben tot opdracht geboorte, dood, ziekte en ouderdom te overwinnen, en aangezien we hiertoe met geen mogelijkheid in staat zijn, aangezien de begoocheling of m â y â ons in haar ban heeft, worden we steeds weer met p a r â b h a v a of een nederlaag geconfronteerd. De term p a v a r g a wordt gebruikt om de strijd om het bestaan en onze konfrontatie met de nederlaag, uitputting, gevangenschap, angst en ten slotte de dood aan te duiden. K r i s h n a heet degeen te zijn die ons a p a v a r g a, de weg naar de verlossing openbaart ' (N.Z.L p.227).

Aanvaarden we a p a v a r g a, de openbaring van K r i s h n a, dan rest ons k a i v a l y a, het vorderen op de weg der emancipatie in het K r i s h n a-bewustzijn. Als we K r i s h n a een andere naam geven zijn we uit op de verwerkelijking van één aspekt van die liefde. Wie het onpersoonlijke moe is en de begoocheling van het machtsspel van de halfgoden niet meer kan verdragen, is rijp voor K r i s h n a. Volgen we deze weg, dan spreekt men van k a i v a l y a - p a n t h â om aan te duiden dat dit de enige manier is om God als zijnde de Allesomvattende Allerhoogste Persoonlijkheid te bereiken. Langs vele wegen kan men verlichting, k a i v a l y a, bereiken, maar zijn we daarmee op de weg die k a i v a l y a p a n t h â heet, dan is er maar één slotconclusie of s i d d h â n t a: K r i s h n a (zie ook S.B. 2.3:12). Het doet er niet toe welke kleding we dragen als het er om gaat de naakte mens te zien zoals hij is: als God's evenbeeld. We zien er als K r i s h n a uit omdat we van K r i s h n a houden. In die zin zijn we allemaal vrouwen openstaand voor Zijn werkelijkheid en allemaal mannen levend naar Zijn initiatief.

 

2.60 De zinnen zijn zo sterk en onstuimig , o Arjuna, dat ze zelfs de geest meeslepen van een mens die onderscheidingsvermogen bezit en juist zijn zinnen tracht te beheersen.

T o e l i c h t i n g

Hier bevestigt K r i s h n a het feit dat iedereen, zelfs degenen die het weten en zich beheersen kunnen door zich op K r i s h n a te richten 'haranti prasabham', met geweld gesmeten, onder de invloed van m â y â komen. Hierover zegt N â r a d a tegen V y â s a d e v a:

'Iemand die zijn aktiviteiten krachtens zijn materiële positie heeft laten varen om de Heer toegewijd te kunnen dienen kan weliswaar wegens onervarenheid even ten val komen, maar er bestaat geen gevaar dat hij zal falen. Een niet-toegewijde daarintegen die volkomen in zijn materiële plichten opgaat komt daar geen stap mee verder' (S.B. 1.5:19).

In het oorspronkelijke Engels staat er:

' My dear Vyâsa, even though a devotee of Lord K r i s h n a sometimes falls down somehow or other, he certainly does not undergo material existence like others [fruitive workers etc.] because a person who has once relished the taste of the lotusfeet of the Lord can do nothing but remember that ecstasy again and again' (zie ook voetnoot*)

In het oorspronkelijk Sanskriet staat er: ' na vai jano jâtu kathancana...', letterlijk: nooit - zeker - een persoon - wanneer ook. Zo bezien lijkt de westerse systematische twijfel het van Nârada Muni te mogen winnen wat betreft de vraag of we God als volkomen zekerheid kunnen kennen. Duidelijk is wel dat de p a r a m p a r â-methode in deze kwestie superieur is als we niet in de overtreding vervallen toegewijden te kritiseren om hun taalkundige bijdrage. Onze psychologie is van dien aard dat we steeds maar ontkennen dat we in minvermogen vallen moeten, omdat de Heer altijd meer ervaring heeft in de weg die Hij voorgaat, ookal stijgen we nog zo hoog op de ladder. Dit is Zijn wereld, Zijn universum, Zijn zelfverwerkelijking, Zijn droom, Zijn spel en Zijn Schepping. Hij kan ons maken en breken, opheffen en weer teneer werpen. Heer C a i t a n y a:

'Omarmd met vreugde, neer voor Hem of over me heen, niet zichtbaar voor mij, een gebroken hart, ik laat Hem begaan. Zoals Hij wil, ik laat Hem begaan, afgewezen, in mijn leven mijn Heer, maar Hem alleen, geen ander hoe ook' (8e vers Siksâstaka).