Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

Derde herziene versie 2010


CANTO 1: Schepping

 

Inleiding

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de Vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-verse gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld (âcârya's) hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava goeroe's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap. Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde Canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde Canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt de z.g. ShareAlike regeling: men is vrij te copiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en link naar deze site bhagavata.org) en dat men er geen commercieel doel mee dient. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen.

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 02-10-2009.    

 

Hoofdstuk 1: Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke die in de materiële wereld zowel als in het voorbije aanwezig is en van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de Vedische kennis werd doorgegeven in het hart van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen, zoals dat met een luchtspiegeling van water is in relatie tot [het vuur van] de zon, in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de illusie van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die altijd op zichzelf staat, de bovenzinnelijke [allerhoogste en absolute] waarheid is en die de weerlegging vormt die vrij is van illusie.

(2) In dit boek wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen. Men treft er het hoogste in aan dat kan worden begrepen door onzelfzuchtige, waarheidlievende personen. Hierin wordt dat geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Waarom zou men andere verhalen nodig hebben als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke, zoals dat werd samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] en dat, met de hulp van de vromen die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart vestigt. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de Vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] zich manifesteerde als zoete nectar die volmaakt is in ieder opzicht. O jullie die zo bedreven en gewetensvol verrukt zijn over de toewijding, geniet toch altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U die vrij bent van alle zonde en op de hoogte bent van de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen - en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Alstublieft o hooggeëerde, vertel ons daarom, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u als een onderworpen discipel vernomen hebt van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een lang leven, vertel ons in eenvoudige bewoordingen vanuit uw goedheid alstublieft wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) U bent gezegend Sûta, omdat u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta u zou, zoals de traditie het voorschrijft, ons die er zo naar verlangen moeten vertellen over Zijn incarnatie die er is voor het heil en de bemoediging van alle levende wezens. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood vinden we zelfs als we er niet geheel met ons verstand bij zijn bevrijding als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, zij die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de wijzen die zijn verzonken in toewijding vinden meteen zuivering door eenvoudigweg omgang met ze te hebben, terwijl een dergelijke zuivering met het water van de Ganges alleen maar wordt bereikt als men het cultiveert. (16) Wie die verlangt naar bevrijding zou nu niet liever willen vernemen over de Heer Zijn aanbiddelijke, deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Vertel ons, volijverige gelovigen, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de zegenrijke avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) Wij die de smaak weten te waarderen zijn het nooit moe steeds weer te bidden en te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte die ons telkens weer verrukken. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons voor langere tijd hier op deze plek die voor de toegewijden is bestemd verzameld, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid die ons als de kapitein van een schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali kan loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor iemands goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn verblijfplaats."

 

Hoofdstuk 2: Goddelijkheid en Dienst aan God  

(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormingsceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathiserend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levenservaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.

(5)
O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken. (6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [de Opperbevelhebber]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is het karma er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken,  herinneren en aanbidden. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke gedaanten der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele gedaanten van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard. (28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestatie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3: Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreidde, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men gaat ervan uit dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke die de uitnemendheid van het zuiverste bestaan vormt. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze bron van de veelvormige incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."

(6) "De zonen van Brahmâ [de Kumâra's] werden eerst gedisciplineerd in versobering om continuïteit te verzekeren. (7) Toen Hij vervolgens incarneerde omwille van de welvaart van de wereld, hief Hij, als een everzwijn, haar op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van Vedische kennis wat betreft het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweelingzoon van koning Dharma in de gedaante van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajña, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken,
tezamen met Zijn zoon Yama gedurende de periode van Svâyambhuva Manu. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende in reactie op de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, toen Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman bamboe splijt. (19) Ten vijftiende nam Hij de gedaante aan van Vâmana [de dwergbrahmaan] die naar het offerperk van Mahârâja Bali ging en daar om drie voetstappen land vroeg, terwijl Hij in feite de drie werelden veroveren wilde. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî met Parâs'ara Muni als Zijn vader, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna zal in het Kalitijdperk Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om hen die jaloers zijn op de theïsten te misleiden. (25) Daaropvolgend als er twee yuga's in elkaar overgaan, en er nauwelijks nog een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."

(26) "O tweemaal geborenen, verschenen uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Zij die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer ontstonden zonder twijfel uit de Ene die geen gedaante heeft en transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met hun elementen. (31) Voor de minder intelligente waarnemer zijn ze er om te worden waargenomen zoals men wolken in de lucht ziet en stof in de wind. (32) Dit ongemanifesteerde zelf in het voorbije, dat men niet kan zien of horen heeft geen gedaante die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen in het zelf ontstaan vanwege de onwetendheid, verliezen ze hun waarde en verwerft men omgang met het goddelijke. (34) Als de bedrieglijke materiële energie niet meer voorop staat raakt men verrijkt met de volle kennis der verlichting en heeft men aldus gevestigd kennis van de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Vanwege Zijn manipulaties kan Hij, optredend als een acteur in een toneelstuk, door hen die het mankeert aan de nodige kennis niet door middel van speculaties en redeneringen worden gekend in Zijn handelingen, namen en gedaanten. (38) Alleen hij die onvoorwaardelijk, onafgebroken en welgezind dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten kan kennis nemen van de transcendentale heerlijkheden van de almachtige Schepper die het wiel van de strijdwagen in Zijn hand heeft. (39) Men kan in deze wereld slagen als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en die inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de gevreesde vicieuze cirkels van het wereldse belang zal aantreffen."

(40) "Dit boek waarin men het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden aantreft is samengesteld door de wijze man van God en is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed alle mensen succes, geluk en perfectie te bezorgen. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het verhaal, dat de room vormt die hij van alle Vedische geschriften en geschiedenissen wist te verzamelen, door aan zijn zoon die de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden is. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die omringd door de wijzen bij de Ganges neerzat om te vasten tot de dood erop volgde. (43) Nu Krishna is vertrokken naar Zijn hemelverblijf en samen met Hem ook het juiste gedrag en het spiritueel inzicht is verdwenen, is deze Purâna helder als de zon aan de horizon verschenen terwille van al de mensen die het in het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal vernam, slaagde ook ik, die perfect aandachtig was door zijn genade, erin het te begrijpen, zodat ik het nu vanuit mijn eigen realisatie ook aan u kan vertellen."

 

Hoofdstuk 4: De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke onder hen die men respecteert als sprekers, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze op een dag de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg toen hij er naar vroeg van zijn zoon zeiden dat ze zich niet voor hem schaamden daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek toen hij rondzwierf door de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners van Hastinâpura [nu: Delhi] op het moment dat hij de stad bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze Vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Als pelgrim die plaatsen zegenend die hij bezocht verbleef hij niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd die nodig is om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eersteklas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer, die de naam van Pându eer aandeed, de rijkdom van zijn koninkrijk toen hij aan de Ganges neerzat om boete te doen tot de dood erop volgde? (11) Waarom toch gaf hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de Vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overging in het derde en aldus eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren als de zoon van Parâs'ara uit de schoot van de dochter van Vasu. Hij vormde een deelaspect van de Heer. (15) Op een ochtend toen de schijf van de zon boven de horizon uitkwam zat hij, na zich met het water van zijn ochtendrituelen te hebben gewassen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) De rishi die het verleden en de toekomst kende zag dat er zich geleidelijk onregelmatigheden ontwikkelden in het dharma van zijn tijd. Het was iets dat men wel vaker in de verschillende tijdperken op aarde ziet optreden als gevolg van niet te stuiten, ongeziene krachten. (17-18) De wijze die zich in zijn bovenzinnelijke visie bezon op het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven, zag toen vanuit zijn transcendentale positie hoezeer men met het afgestompte en ongeduldige van ongelovigen tekortschoot in goedheid, er sprake was van een afname van de natuurlijke capaciteit van allerlei soorten mensen alsook van de andere schepselen en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde. (19) Overeenkomstig het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de ene oorspronkelijke Veda in vier gedeelten van offerhandelingen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's [de enkele geschiedenissen] en de Purâna's [de verzamelingen van verhalen] de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda nam Angirâ zich ter harte - die ookwel Sumantu Muni wordt genoemd - terwijl de Itihâsa's en de Purâna's werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde de grote wijze Vyâsa, de Heer in dezen, zich erom dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de vrouwen, de dwazere arbeidersklasse, [zie 6.9: 6 & 9] en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet zozeer voor het begrip werken, was de wijze zo genadig om in hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."

(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat daar toen tevreden over te zijn. (27) In afzondering gezuiverd verkerend aan de oever van de Sarasvatî, zei hij, wetende wat religie inhoudt, derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier mijn respect betoond in het overeenkomstig de traditie van de Vedische hymnen brengen van mijn offers met achting voor de meesters. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat men moet zeggen over het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen wat betreft het bespreken van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen persoon, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is.'

(32)
Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, zoals ik al zei, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer op de manier zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

 

 Hoofdstuk 5: Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

(1) Sûta zei: "Toen hij comfortabel naast hem zat richtte de alom bekende rishi van God met de vînâ in zijn handen zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, kan u in de zelfrealisatie van uw ziel de tevredenheid vinden van het lichaam en de geest? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld waaraan u uw uitgebreide verklaringen hebt toegevoegd. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het dat u niet genoeg zou hebben gedaan voor het doel van de ziel.'

(5)
Vyâsa zei: 'Wat u allemaal zei is zeker waar maar mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik aan u die zich vanuit de ziel heeft ontwikkeld als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, vanuit de transcendentie boven de geaardheden van de materiële natuur, het universum wordt geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstublieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'

 (8)
S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwlijks de glorie van de onberispelijke Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel u, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit als men persoonlijke namen loslaat. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer moeizaam werken voor een resultaat als men de Heer ermee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid moeten nadenken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14)
Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats wordt meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet u vanuit uw goedheid hen, die gebonden aan de geaardheden het aan geestelijke kennis ontbreekt, de wegen en handelingen van de Heer tonen.

(17)
Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men als men de eigen, ware aard verloochent in die positie ten val komen. Maar wat voor een ongeluk overkomt de niet-toegewijde wel niet die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch geneigd zijn zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen. In de loop van de tijd, de tijd die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men automatisch het genoegen - zo goed als de misère - als resultaat van de gedane arbeid overal vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Vanuit uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij ervan. Hij vormt het begin en het einde van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een natuurgetrouwe beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer. U immers kan door het perfecte inzicht van uw eigen ziel achterhalen wat de transcendentie inhoudt van de Persoonlijkheid van de Superziel waarvan u een volledig aspect bent omdat u geboorte hebt genomen terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) De erkende geleerden zijn het er allen over eens dat het onmiskenbare doel van de versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en de liefdadigheid van een ieder eruit bestaat te komen tot de beschrijving van de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer die in de verzen wordt verheerlijkt.

(23)
O wijze, in het voorgaande millennium nam ik geboorte uit een dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta]. Nog maar een kleine jongen was ik hen druk van dienst toen ik met hen samenleefde gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen in die periode het mij eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik door die handeling bevrijd van al mijn zonden en zo manifesteerde zich in mij die in zuiverheid van dienst was, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna hoorde ik iedere dag hoe het leven van Krishna werd beschreven. Door hun respect voor mij o mijn beste Vyâsa, slaagde ik erin aandachtig te luisteren en kon zich zo bij iedere stap die ik deed mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, zo de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele van het leven aanvaardt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste der transcendentie. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend niets anders horend dan de glorie zoals die werd bezongen door de wijzen, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de [invloed van de] geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een gehoorzame jongen vrij van zonde slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne is, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Toen die toegewijden zo vol van zorg voor de deemoedigen vertrokken, waren ze zo genadig mij te instrueren in die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men de toevlucht die Hij is kan bereiken.

(32)
O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in [het tegengaan van] dat wat er de oorzaak van is? (34) Zo zullen ook alle handelingen van de mens die zijn gericht op het teweegbrengen van een materieel [een materialistisch] bestaan aan dat zelf [aan die zelfzucht] een einde maken als men erin slaagt ze te wijden aan de Bovenzinnelijkheid. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we daarom mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) Die persoon die aldus de Heer die geen vorm heeft aanbidt met behulp van de geluidsvorm [van deze namen] die Hem vertegenwoordigen is, in zijn aanbidden van [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, door op deze manier bezig te zijn werd ik, goed op de hoogte zijnde van het vertrouwelijke gedeelte van de Vedische kennis, gezegend met de kennis van Zijn bovenzinnelijke weelde en een intieme persoonlijke liefde voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U beste, goede ziel met uw uitgebreide Vedische kennis, weidt tevens uit over de Almachtige dankzij wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben om kennis te nemen van het transcendentale. Beschrijft u alstublieft Zijn handelingen om het lijden terug te dringen van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "

 

Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Saûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Wat deed u, voordat uw huidige leven een aanvang nam, nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken? (3) Wat waren de levensomstandigheden waaronder u verkeerde na deze inwijding en hoe bent u in de loop van de tijd tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, want maakt de tijd op den duur niet aan alles een einde?'

(5)
S'aî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken gebeurde er het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ik, haar nageslacht, werd volkomen door de emotionele band die ik met haar had bepaald en had niemand anders om me te beschermen. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Ik volgde toen ik nog maar vijf jaar oud was het onderricht van de brahmanen en leefde afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, de richting en de plaats waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier waarin ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen zoals ik dat had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de gedaante van de Heer die alle strijdigheid uit de geest bant te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik met mijn denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en ik raakte zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Het op die eenzame plek alsmaar proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis wegvaagden. (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde al de lust uit het hart wordt verdreven. (23) Als men zelfs maar voor een paar dagen het Absolute van dienst zijnd een gefixeerde intelligentie jegens Mij heeft bereikt, zal men met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn gezelschap. (24) De intelligentie die op deze manier betrokken is in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden omdat, of levende wezens nu in wording zijn of uit beeld verdwijnen, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25)
Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, dankbaar voor de genade, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik bevrijd en tevreden de wereld in alle bescheidenheid en wachtte zonder rancune mijn tijd af. (27) Op die manier vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld verzonken zijnd in Krishna o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood me halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Aan het einde van het tijdperk nam de Heer die zich had neergevleid in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en staan daar en wanneer ik maar wil. (32) Aldus beweeg ik me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer en het bespelen van de bovenzinnelijk geladen vînâ waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen vol van zorgen zijn, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaalde bezingen van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust steeds weer ondervangen met behulp van de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, vrij van zonden als je bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, zowel voor de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

(37)
Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes aan de wijze der goden die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken."

 

Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft

(1) S' S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar op zijn plek concentreerde Vyâsadeva neerzittend temidden van bessenbomen zijn geest nadat hij zijn wateroffer gebracht had. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] samen met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Terwille van de gewone man die zich er niet van bewust is dat men in de yoga van de toewijding tot Hem die zich in het voorbije bevindt een einde ziet komen aan het ongewenste, verzamelde de wijze, die dit inzag, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, die de wijze is van het pad der zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, die op het pad der zelfverwerkelijking altijd innerlijk tevreden is met minachting voor al het overige, nu werk maken van zo'n uitgebreide studie?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van dien aard dat de gewone man zowel als de wijzen die vrij zijn van alle materiële bindingen, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zuivere, toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) De machtige zoon van Vyâsa was geliefd onder de toegewijden omdat hij, met het op zich nemen van de regelmatige studie van deze grootse vertelling, altijd was verzonken in de bovenzinnelijke kwaliteit van de Allerhoogste Heer. (12) Laat me u daarom vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, en over hoe de zonen van Pându tot het verzaken van de wereld kwamen. Deze verhalen leiden tot de verhalen over Krishna.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] treurde over zijn gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van trofee de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen. Maar toen de meester dit onder ogen kwam keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde vol verdriet bittere tranen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze woordkeus tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij vrezend voor zijn leven met grote snelheid in zijn strijdwagen weg zoals Sûrya ook voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een helder licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die middels Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie schenk Je in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn, met de deugd van Je invloed het hoogste goed van de rechtschapenheid en zo meer [dat het dharma kenmerkt: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en Je vrienden en zuivere toegewijden tevreden te stellen als hun constante voorwerp van bezinning. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'

(27)
De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde zonder te weten hoe hij het moet terugtrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan door gebruik te maken van je eigen brilliante krijgskunsten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand vastgebonden had en hem met geweld naar het militaire kampement had gebracht, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toegeroepen, omdat als gevolg van de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat. (38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan.' "

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, die door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting werd onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, ookal was die dan de schandelijke moordenaar van zijn zoons. (41) Op het moment dat hij daarop samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda zijn kampement bereikte, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze hem zag die als een crimineel stil van zijn schandelijke daad als een dier in touwen geslagen naar haar werd toegebracht, betoonde Draupadî vanuit de schoonheid van haar aard de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen zoals hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij als brahmaan is een leraar van ons. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het lanceren en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, want zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] is niet uit het leven gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijke bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal het, samen met haar familieleden, in verdriet belanden.' "

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma der rechtspraak en ze genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen vielen haar allen bij. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Over het feit dat hij zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, slapende kinderen gedood heeft, wordt gesteld dat hij de dood verdient.'

(52) De vierarmige [Heer Krishna] die de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord had en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] had gezien, zei met een flauwe glimlach: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet men niet ter dood brengen, hoewel men een agressor wel ter dood brengt - wat Mij betreft staat vast dat de uitvoer van beiden staat voorgeschreven als we ons willen houden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van de belofte die je deed toen je je vrouw genoegdoening beloofde en je tevens inspannen om zowel Bhîma als Mij tevreden te stellen.'

(55) Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel tezamen met het haar van het hoofd van de tweemaal geborene. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook door het verlies van zijn juweel aan kracht had ingeboet, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de rijkdom en verbanning zijn de soorten van fysieke straffen die gereserveerd zijn voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."

Voetnoot

*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.   


Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat hem mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, met al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Jou, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, ben Jij als een acteur uitgedost voor het acteren.  (20) Jij verschijnt terwille van de gevorderde transcendentalisten en filosofen die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, om de wetenschap in praktijk te brengen die ze verenigt in de toewijding. Maar hoe moeten wij vrouwen dan respect voor Je oefenen? (21) Daarom breng ik Je mijn respectvolle eerbetuigingen, Jij, de beschermer van de koeien en de zinnen, de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, Hij van Nanda en de koeherders van Vrindâvana. (22) Mijn eerbetoon is er voor Jou, die een lotusachtige welving in Je buik hebt, die altijd gesierd bent met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) Jij bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een langdurige gevangenschap opgelegd door de afgunstige [oom] koning Kamsa. En, o Heer, Jij hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt Jij ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we Jou keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want Jou ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot Jou te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan Jou, de rijkdom van hen die in armoede leven; Jij die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; Jij als degene die in Zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor Jou,  de meester der zaligheid. (28) Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en een einde is, en als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Je spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat Je partijdig bent, maar Je begunstigt niemand en hebt ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Je geboorte nemend hoewel Je ongeboren bent en handelend hoewel Je inactief bent, ben Je waarlijk verbijsterend zoals Je Je manifesteert met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me om te zien hoe Jij, toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw pakte om Je vast te binden, bang was en Je de make-up van Je ogen huilde, terwijl Je gevreesd wordt door de Vrees zelve. (32) Sommigen zeggen dat Je, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat Je bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor Je baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat Je, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat Je Je geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat Je verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over Je vernemen, het Jou in gedachten houden en met het Jou aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Je handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Je lotusvoeten zien die een einde maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat Jij voor ons gedaan hebt, laat Je, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter. Wij, Je intieme vrienden die, enkel bij Jouw genade, in afhankelijkheid van Je lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder Jou, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Je voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Jouw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aantrekking voor Jou zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Jouw niet aflatende heldenmoed bevrijdt Je de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, Jou biedt ik mijn eerbetuigingen.' "

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn mystiek vermogen. (45) Dat alles zo aanvaardend werd de Heer, nadat Hij verder nog Zijn respect betoonde jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, toen Hij wilde vertrekken naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij notabene van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden de koning van streek als hij was niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij zei: (48) 'Och bezie mij nou eens die in de onwetendheid van zijn hart diep is gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Ik die zoveel jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren heb gedood, zal voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, uit de hel bevrijd raken. (50) Voor een koning die vecht voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hebben achtergelaten, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "

 

Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Yudhishthhira die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, vanuit zijn volle besef van de religieuze plicht, naar het slagveld waar hij de stervende Bhîshma op de grond liggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten volgden alle broers hem derwaarts, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij [de Koning] als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Toen Yudhishthhira Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond zag liggen, maakte hij tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, een buiging voor hem. (5) Aldaar waren al de wijzen onder de brahmanen, de goddelijken en de adel aanwezig, enkel om de leider te zien van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder]. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's die heel goed wist hoe hij zich naar tijd en omstandigheden volgens het dharma diende te gedragen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Krishna's heerlijkheid verwelkomde hij ook in aanbidding Hem, de Heer van het Universum die, zich bevindend in het hart, Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. Met tranen in zijn ogen was hij in staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându had Kuntî, mijn schoondochter, toen haar kinderen nog jong waren, veel te lijden wegens jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende goden, staan onder die controle zo goed als de wolken door de wind worden meegevoerd.(15) Waarom zou dat ongeluk er anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Niemand kan Gods plan doorgronden o Koning; het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitputtende onderzoekingen. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, Heer S'iva, Nârada de wijze onder de goden en de grote Heer Kapila zijn degenen die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van met alles wat Hij doet op ieder moment een verschil maken, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yogatoegewijden die met Hem in hun geest vroom mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen dat eigen is aan hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij die in mijn meditaties verschijnt als de vierarmige God der Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht mij opwachten op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "

(25) Sûta zei: "Yudhishthhira, die dit van hem die neerlag op een bed van pijlen hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf uitleg over de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door hun indelingen te geven en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit de bekende geschiedenissen. (29) Gedurende de tijd dat Bhîshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven als ze deze wereld willen verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, verviel toen in stilte en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me bevrijd van verlangens mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden [in de gedaante van een avatâra] er genoegen in schept deze materiële wereld met haar schepping en vernietiging te aanvaarden. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamâlaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die op het slagveld met zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met het dragen van Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij Zijn strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Terwijl de troepen op afstand toekeken, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde om zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.

(37) Terwille van mijn taakvervulling om er feitelijk meer werk van te maken en tegen Zijn gezworen principe in [zich buiten de strijd te houden] kwam Hij van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op om - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden.(38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in de woedende stemming van de grote agressor in mijn richting om me te doden. Moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke gedaante realiseerden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] die in extase Hem nadeden, hun oorspronkelijke natuur. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Râjasûya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de geestelijke ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die in Zijn positie in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op Krishna alleen gefixeerd viel hij toen stil en stopte hij met ademhalen nadat hij was overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden.(46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren over [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Heer Krishna, keerden toen met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) Koning Yudhishthhira ging samen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva voldeed hij, getrouw de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen aan zijn koninklijke verplichtingen."

 

Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? Zij moesten toch de geneugten des levens aan banden leggen nietwaar?"

(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira's koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, doorgrond van perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.

(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, nadat Hij om de nodige toestemming had gevraagd, toegestaan te vertrekken. Na zich toen te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij Zijn strijdwagen, en daarbij werd Hij door de anderen op dezelfde manier geëerd en omhelsd. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchits moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar één enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en bewogen zich rusteloos, gebonden als ze waren door pure genegenheid. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Op dat moment klonken er mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.

(19) Van alle kanten kon men de woorden horen weerklinken van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren gezien het feit dat de Absolute Waarheid daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke Persoon die, toen Hij zich materieel nog niet gemanifesteerd had, in Zichzelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur was begonnen. Hij is die Superziel, die Allerhoogste Heer, waar de levende wezens met hun energieën uiteindelijk in opgaan zoals ze 's nachts gaan rusten. (22) Hij als degene die de geopenbaarde geschriften in de praktijk brengt kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel telkens weer opnieuw namen en vormen toe als Hij [in de gedaante van een avatâra] de uiterlijke schijn van de materiële natuur in het leven roept. En die namen geeft Hij aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien. Het zijn zij die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, het is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, dat vertrouwelijk wordt beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden wordt besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, als Hij die door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt zonder er ooit aan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn die onwetend als beesten tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten in verscheidene gedaanten terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe hoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, want Hij die hier ten tonele verscheen en rondging is de allerhoogste leider van alle levende wezens en de echtgenoot van de godin van het geluk. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], de plaats die, tot de meerdere deugd en glorie van de aarde, de roem van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde ongetwijfeld met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van een volmaakte aanbidding geweest voor de Heer. O vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden thuisgebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in Zijn hart te sluiten, aldus nooit alleen thuis achtergelaten.'

(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's over om terug te keren. Ze werden geheel beheerst door de gedachte aan het komende afscheid. Daarna vervolgde Hij met Zijn geliefde metgezellen Zijn weg naar Dvârakâ. (34-35) Reizend door Kurujângala [de provincie van Delhi], Pâñcâlâ [een deel van Punjab], S'ûrasenâ, Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en trok Hij door de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Toen kwam Hij door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat] door te hebben getrokken, kwam Hij, o S'aunaka, met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ. (36) In verschillende plaatsen gebeurde het dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."

 

Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ

(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht zag, hoewel hij rood kleurde door de lippen van de Grote Avonturier, eruit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid waar de angst om een materieel bestaan zelf nog bang voor is, spoedden al de burgers zich in de richting ervan om de beschermer van de toegewijden te treffen waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze Hem, de In Zichzelf Tevredene die hen bij de genade van Zijn eigen vermogen onophoudelijk in alles voorzag, een welkomstceremonie. Het was alsof men een lamp offerde voor de zon. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.

(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, omdat U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, zelfs de halfgoden krijgen immers Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kurus op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we  als U elders verkeert nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder dat we Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht zien?'

Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren ging de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, toen de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook met de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat Hij die hun het meest lief was thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in blijde verwachting samen met de brahmanen op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes die er hevig naar verlangden Hem te zien volgden in hun voertuigen, oogverblindende oorbellen dragend die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde met het nodige betoon van respect iedere vriend en burger die op Hem afkwam om Hem te verwelkomen en ontvangen zoals het hoort. (22) Hij, de Almachtige, die tot aan de laagsten aan toe Zijn begeerde zegeningen schonk, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd en begroette hen in woorden, omhelsde ze en schudde hun handen. (23) Toen ging Hij, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen,  de stad binnen waar Hij eveneens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.

(24) O hoog geleerden, terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep klommen de dames van stand op het dak van hun huizen om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel het hun gewoonte was altijd zo naar Hem te kijken, waren de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nimmer moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer in Zijn gele kledij en bloemenslingers eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.

(28) Maar toen Hij daarna Zijn ouderlijk huis inging werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, bevolkt met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Toen ze op een afstandje hun echtgenoot thuis zagen komen stonden de dames innerlijk verheugd met een verlegen blik onmiddellijk van hun zitplaatsen op. (32) Op het moment dat Hij verscheen stuurden ze hun zoons op Hem af en omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst vanbinnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij schiep, zonder er zelf deel aan te hebben, de onderlinge vijandschap tussen de heersers die sedert de dag dat ze geboren waren een last voor de aarde waren geworden met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind dat doet met bamboestaken als hij middels wrijving vuur veroorzaakt. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade op eigen initiatief naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot van een leven met de waardigsten onder de vrouwen alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is van dien aard dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat ze met Hem te maken hadden met een meeloper die wordt gedomineerd en geïsoleerd door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot zoals dat ook het geval is met de geest der atheïsten die Hem niet kennen als de Opperheer."

 

Hoofdstuk 12: De Geboorte van Keizer Parîkchit

(1) S'aunaka zei: "De [vrucht van de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer weer opnieuw tot leven gewekt. (2) Hoe vond de geboorte plaats van keizer Parîkchit, die hoog intelligent was en zich bewees als een grote ziel? Hoe precies vond hij de dood en waar bracht hem die dood? (3) Vertel het ons alstublieft, we willen allemaal graag alles te weten komen over wat u over hem het vermelden waard vindt; we hebben niets dan achting voor u aan wie S'ukadeva Gosvâmî de kennis van het Allerhoogste gaf."

(4) Sûta zei: "Koning Yudhishthhira bracht welvaart op de manier zoals zijn vader dat deed, door in zijn achting voor Krishna's voeten zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsbevrediging het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in het rijk der hemelen. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als een godvrezende persoon, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de bewoners van de hemel op uit zijn.

(7) Toen Parîkchit de grote strijder als kind in de schoot van zijn moeder te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de Purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) Terwijl Hij de straling van de brahmâstra tegenging zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Hij zag hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenen, de gloed wegnam waarna de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het oog verdween. (12) Toen daarna de gunstige voortekenen van een goede stand van de sterren zich geleidelijk ontwikkelden nam hij die net zo bedreven als Pându zelf zou blijken te zijn, zijn geboorte als de troonopvolger van Pându. (13) Koning Yudhishthhira liet verheugd priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Wetend waar, wanneer en hoe, beloonde hij vrijgevig bij die gelegenheid de geschoolden met goed voedsel en giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Puru's, en lieten hem weten dat ze zich zeer verplicht voelden aan de afstamming in de lijn van de Puru's [van de nazaten van de voorvader koning Puru]. (16) Ze zeiden: 'Teneinde u aan Hem te verplichten werd deze zoon door de allesdoordringende en almachtige Heer gered van de ondergang als gevolg van het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend raken als degene die door Vishnu wordt beschermd. Zonder twijfel zal hij een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'

(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen? Zal hij de goede naam van zijn familie eer aandoen en zich aan zijn woord houden in wat hij tot stand brengt?'(19) De brahmanen antwoordden: 'O zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal de behoeder zijn van alle levende wezens, precies zoals koning Ikshvâku, de zoon van Manu, en hij zal trouw zijn in zijn beloften en respect hebben voor de geleerden, net zoals Râma, de zoon van Das'aratha. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en de overgegeven zielen beschermen. Hij zal zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya], hij zal zo onweerstaanbaar zijn als vuur en zo onoverkomelijk als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo vrijgevig en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en de toevlucht vormen voor alle levende wezens zo goed zijnde als de Opperste Heer bij wie de godin van het geluk verblijft. (24) Volgend in de voetsporen van Heer Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, hij zal de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was met Heer Krishna en zal hij vele As'vamedha [paard-]offers brengen en trouw zijn aan de ouderen en ervarenen. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, terwille van de wereldvrede en de religie, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zal sterven, veroorzaakt door een slangevogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht zoeken bij de Heer. (28) Nadat hij bij de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht heeft opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven opgeven en zal hij een leven vrij van vrees bereiken.'

(29) Nadat ze de koning aldus op de hoogte hadden gesteld en ze rijkelijk beloond waren, keerden zij die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel, terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, o meester [S'aunaka], zou in deze wereld beroemd worden als Parîkchit, de onderzoeker, omdat hij door wat hij vóór zijn geboorte had gezien, met Hem in gedachten alle mensen steeds nauwlettend onderzocht. (31) Net zoals de wassende maan dag na dag toeneemt, groeide ook de kroonprins onder de hoede van zijn beschermende ouders spoedig op tot wie hij zou zijn.

(32) Koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden van het hebben gestreden tegen zijn familieleden, dacht erover fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen op aanraden van de Onfeilbare noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon Yudhishthhira, de bezorgde, godvruchtige koning, drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer, met wiens hulp de tweemaal geborenen de offerplechtigheden konden verrichten, bleef toen, daartoe uitgenodigd door de koning, nog een paar maanden langer om degenen die Hem liefhadden een plezier te doen. (36) Daarna, beste brahmanen, ging Hij met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadudynastie."

 

Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis

(1) Sûta zei: "Toen Vidura [*] rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden had hij van de grote wijze Maitreya kennis ontvangen over de bestemming van het zelf, en aangezien hij door die kennis voldoende op de hoogte was van alles wat er te weten viel, keerde hij terug naar de stad Hastinâpura. (2) Na al de vragen die Vidura aan Maitreya had voorgelegd in zijn aanwezigheid, had zich in hem een onverdeelde toewijding voor Govinda ontwikkeld en zag hij af van verdere vragen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bood hem een zitplaats en bereidde hem vervolgens een ontvangst.

(7) Nadat hij rijkelijk had gegeten, gerust had en comfortabel gezeten was boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of vernomen hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo gelukkig zijn in hun liefde voor God, allen gelukkig met waar ze wonen?'

(12) Aldus door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals dat gepast was, het ene na het andere onderwerp afhandelend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over dit in feite zo onverkwikkelijke en onverdragelijke aspect van het gedrag van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god past , enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Vanwege een vloek van Mandûka Muni [die onder Yama's verantwoordelijkheid onrechtvaardig was behandeld], moest Vidura honderd jaar lang de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] spelen. Aryamâ nam zolang zijn plaats in om de straffen uit te delen die de zondaars toekwamen [**].

(16) Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen en genoot samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote welstand. (17) Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft op onnavolgbare wijze al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer] trek je alstjeblieft zonder te dralen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, omdat het de Allerhoogste Heer betreft die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, zo dierbaar als het is voor een ieder, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd die werd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden en te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien dat dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.

(31) Terugkerend naar het paleis wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], nadat hij de halfgoden had aanbeden met offerandes en giften voor de  brahmanen, de ouderen zijn respect betonen met eerbetuigingen, maar hij kon zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar zijn mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren zij de weldoeners die ons allen beschermden die nog maar kleine kinderen waren - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "

(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd in de liefde voor zijn meester hem niet kon vinden, was van streek over de gescheidenheid en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Met de voeten van zijn meester in gedachten veegde hij met zijn handen de tranen van zijn gezicht en deed hij zijn best zich te hervinden om koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet wat uw ooms of Gândhârî van plan waren, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en op een gepaste wijze ter verwelkoming van de wijze hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.'

Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, want de Allerhoogste Heer waakt over u. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeenbrengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier er door de hymnen en voorschriften van de Veda aan gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]. Heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]. De zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning, nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan en nu wacht Hij de verdere loop der gebeurtenissen af. Zo ook moeten jullie Pândava's zolang als Hij hier nog op aarde aanwezig is, de zaak bezien en maar afwachten.

(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevluchtsoord hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Met behulp van zithoudingen, adembeheersing en het naar binnen richten van de geest weg van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en de wijsheid te laten opgaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, net zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het breken met de effecten van de werking der geaardheden zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet langer gehinderd in het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval o zoon van de Kurudynastie, zal met gemengde gevoelens van verrukking en verdriet vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.' (60) Nadat hij aldus de koning had toegesproken steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira die  zich de instructies ter harte nam, gaf daarna al zijn weeklagen op."


*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.


**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.

 

Hoofdstuk 14: De Verdwijning van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Degene Verheerlijkt door de Vedische Hymnen, te zien en om uit te vinden wat Zijn verdere plannen waren. (2) Na een paar maanden, toen Arjuna daar niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zondigheid zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan. (4) Er was bedrog in normale transacties, wanbegrip wierp zich op in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl er ook tussen man en vrouw strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

(6) Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok om zijn vrienden te zien en ook om uit te vinden wat Krishna van plan was. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok o Bhîmasena, en ik weet niet precies waarom dat zo is. (8) Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten? (9) Aan Hem hebben we onze welvaart, koninkrijk en vrouwen te danken. Door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en door Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en leven voor een betere wereld. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest. Al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen als gevolg van de angst die ik voel. Dit wijst allemaal op ongewenste gebeurtenissen. (12) Zie, o Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt met zonsopkomst en hoe de hond zonder angst naar me blaft. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links liggen en ezels en dergelijke draaien om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif lijkt een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft rondhangen en hoe de aarde tezamen met de heuvels en de bergen verzucht onder luide donderslagen bij een heldere, wolkenloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof, en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen. Wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en toevluchtsoorden hebben hun schoonheid verloren, beroofd als ze zijn van alle geluk. Wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo opwerpt zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van de buitengewone kwaliteit van de Allerhoogste Persoon zal onfortuinlijk zijn zonder die gunstige tekens.' 

(22) O brahmaan, terwijl koning Yudhishthhira op die manier denkend de slechte voortekenen waarnam, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Terwijl hij voor de voeten van de koning boog was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die van zijn naar beneden gerichte gezicht uit zijn lotusogen liepen. (24) Toen hij het benauwde hart en het bleke voorkomen van Arjuna zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Zijn onze Yaduverwanten van Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka allen gelukkig met de dagen die ze doorbrengen in Dvârakâ? (26) Is mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] S'ûrasena goed gezond met het slijten van zijn laatste dagen en gaat het met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers allemaal goed? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - alle zeven zusters met Devakî in eigen persoon aan het hoofd, met hun zonen en schoondochters allen gelukkig? (28-29) Zijn koning Ugrasena, wiens zoon de slechterik was [Kamsa], en zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Is ook alles goed met de Hoogste Persoonlijkheid Balarâma, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, en de andere eminente zoons van Krishna en hun bovenste beste zoons? (32-33) En gaat het ook net zo goed met de constante metgezellen van Krishna als S'rutadeva, Uddhava en anderen, Sunanda, Nanda en andere leiders? En zijn ook de andere bevrijde zielen in orde die de besten onder de mensen zijn? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna er ook aan hoe het met ons gaat? (34) Schept de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen [zij die onderlegd zijn in de geestelijke kennis], nog altijd genoegen in het zedige gezelschap van de vrienden rondom Hem in Dvârakâ? (35-36) Ten behoeve van de bescherming en de verheffing van alle leefwerelden verkeert er in het gezelschap van de oceaan van leden van de Yadudynastie de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter alsmede Ananta [Balarâma]. In Zijn eigen stad genieten de leden van de Yadufamilie van Zijn beschutting en proeven ze daarbij het transcendentale genoegen zoals de ingezetenen van de hemel dat doen. (37) Middels het hoogst belangrijke bestieren van de gemakken aan de voeten, zorgden de zestienduizend metgezellen van het zwakke geslacht met Sathyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de ingezetenen van de hemel onderwierp, zodat zij konden genieten van wat normaal is voorbehouden aan de vrouwen van de heer van de donder. (38) De Yadu's, die de bescherming van Zijn armen genieten, betreden immer onbevreesd de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste der goden waardig was.

(39) Mijn beste broer, ben je helemaal gezond? Het lijkt me dat je je luister hebt verloren. Is het omdat je het respect mist en verwaarloosd bent of, mijn broer, omdat je zo lang weg was? (40) Heb je je greep verloren omdat iemand je onvriendelijk heeft bejegend of je bedreigde, of kon je niet vrijgevig zijn of de belofte nakomen dat te zullen doen? (41) Was jij die benaderd wordt voor de bescherming van de geschoolden, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen, er niet toe in staat in de behoeften te voorzien van ieder levend wezen dat zijn toevlucht zocht? (42) Kwam je in contact met een verwerpelijke vrouw of heb je misschien een acceptabele vrouw onheus behandeld, of is je goede zelf onderweg alsnog verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je oude mannen en jongens die het verdienden met je samen te eten over het hoofd gezien of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend Heer Krishna, je een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere redenen bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "

 

Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug

(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, die gescheiden van Krishna erg vermagerd was, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren antwoord te geven. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen veegde en met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als de weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie zelfs maar voor een enkel moment gescheiden alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven toeschijnen, alsof ze allemaal lijken zijn. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten en kon ik het wonderschoon gebouwde vergaderhuis realiseren dat werd ontworpen door Maya [uit dankbaarheid dat hij hem redde uit de brand in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha [in zijn hoofdstad] waren bijeengebracht om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [van de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik ooit eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en de andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er levend in dit lichaam in een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire macht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner werd ik door Hem verlost wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kuru-dynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem verkeerdelijk aan voor een vriend die gelijk is aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.

(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen. Als gevolg van die vloek hebben ze, dronken van de rijstwijn, elkaar als een stel dwazen met stokken gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen o Koning, nam ook de Almachtige Ene de last die werd gevormd door de Yadu's weg van de wereld door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "

(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met een geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend die hij midden op het slagveld ontving en terugdenkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Omdat hij vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slaagde te breken met de twijfels die werden opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de transcendentie van het bestaan zonder een materiële gedaante, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadudynastie, besloot ook Yudhishthhira voor het heil van de ziel zich terug te trekken en de wereld achter zich te laten. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadudynastie] door de Ongeborene prijsgegeven zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien voor de Heer alle doorns hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, gaf Hij, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke over wie te vernemen zo de moeite waard is, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.

(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken en kleedde zich dan ook gepast voor dat doel. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en qua kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij voor de gelegenheid in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd begrensd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid volkomen ongeïnteresseerd. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen terug in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood en in volledige toewijding verenigde hij dat weer met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel die hij richtte op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen en bracht hij zijn dagen door met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij zich ook begaf.

(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de bovenzinnelijke voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen, de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, vertrok na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die besefte dat haar echtgenoten zich niet meer om haar bekommerden concentreerde zich op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid terwille van het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie aldus komen tot de toegewijde dienst van de Heer."


Hoofdstuk 16: Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

(1) Sûta zei: "O hooggeleerden, daarna regeerde Parîkchit, de grote toegewijde, over de aarde onder leiding van de tweemaal geborenen met de kwaliteiten waarvan de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, hadden gedacht dat hij ze zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar met Janamejaya als de eerste. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers met gepaste beloningen voor Kripâcârya, die hij als zijn geestelijk leraar had gekozen, en de godsbewusten die erbij kwamen kijken. (4) Eens, tijdens een veroveringscampagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kalitijdperk terecht te wijzen die, vermomd als een koning, maar lager dan een s'ûdra [loonarbeider] de poten van een koe en een stier aan het pijnigen was."

(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom berispte hij tijdens zijn campagne alleen maar de meester van Kali die uitgedost was als een koning maar als iemand lager dan een s'ûdra tegen de poten sloeg van een koe? O fortuinlijke, beschrijf dat allemaal voor ons alstublieft, voor zover het verband houdt tenminste met de gespreksonderwerpen van Krishna. (6) Want waarom zouden zij die bevrijd zijn en van de honing aan Zijn lotusvoeten genieten, nu hun leven verspillen met het eindeloos bespreken van illusoire zaken? (7) O Sûta, in deze wereld van sterfelijke menselijke wezens die maar kort te leven hebben wordt voor het heil van hen daarin die een eeuwig leven verlangen de heer van de dood, Yamârâja aangeroepen die heerst over het zoenoffer [van het vlees van de dieren]. (8) [Men is ervan overtuigd dat] niemand zal sterven zolang hij die over de dood heerst hier zijn plaats heeft. Om die reden wordt hij er door de wijzen als [de vertegenwoordiger van] de grote heer bij betrokken. Laat [dus] hen die onder zijn gezag vallen drinken van de nectar van de vertellingen van Zijn goddelijke spel en vermaak. (9) Brengen zij die lui zijn, oppervlakkig van belangstelling zijn en maar kort leven, hun dagen en nachten niet door met doelloze activiteiten en met slapen?"

(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuruhoofdstad verbleef, hoorde dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij, in zijn verantwoordelijkheid om militair het gezag te handhaven, zijn pijl en boog ter hand. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij de hoofdstad in het gezelschap van strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen om zich te verzekeren van een overwinning. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurus'a achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde en waar hij zijn gezag handhaafde door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna onder de mensen die hij ontmoette. Ook vernam hij over zijn eigen bevrijding van het wapen van As'vatthâmâ en over de toewijding voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard] onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ. Zeer blij daarmee beloonde hij, met grote  ogen van vreugde, de mensen grootmoedig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) Optredend als een wagenmenner, voorzittend in bijeenkomsten, handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, had Hij die van Vishnu is en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd [Krishna], gehandeld met gebeden en eerbetuigingen in relatie tot de godvrezende zoons van Pându. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.

(17) Aldus verzonken in gedachten over de goede kwaliteiten van zijn voorvaderen hield hij in zijn dagelijkse bezigheden vast aan hun voorbeeld. Verneem nu van mij over een zeer opmerkelijk voorval dat zich toen niet ver van hem vandaan voordeed. (18) De persoonlijkheid van de religie die slechts op één poot stond [de z.g. 'stier' van dharma waarvan de poten staan voor de vier menselijke hoofdwaarden], kwam rondzwervend de bedroefde koe [moeder aarde] tegen die tranen in haar ogen had zoals een moeder die haar kind heeft verloren. (19) Dharma zei: 'Mevrouw, gaat het wel helemaal goed met uw gezondheid? Bedroefd kijkend met een hangend gezicht ziet u eruit alsof u wordt gekweld door een ziekte of dat u in beslag wordt genomen door een verwant ver van u vandaan, o moeder. (20) Treurt u erover dat drie van mijn poten achteruit zijn gegaan en ik nog maar op één poot sta, of is het omdat de vleeseters gebruik willen maken van uw lichaam? Of komt het omdat de verlichte zielen en aanverwanten het moeten stellen zonder hun aandeel in het offer als gevolg van een tekort aan plechtigheden of omdat de levende wezens in toenemende mate te lijden hebben onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het moeten stellen zonder de bescherming van hun echtgenoten en vaders of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolden zich afzet tegen de principes van de godin [van het leren]? Of spijt het u dat de meesten van hen tegen de brahmaanse cultuur in handelen door hun toevlucht te zoeken bij de heersende klasse? (22) Is het omdat de nakomelingen van de adel onder invloed van het Kali-tijdperk hun verstand lijken kwijt te zijn en de aangelegenheden van de staat links en rechts in het honderd laten lopen? Of is het vanwege de gewoonten die  de samenleving heeft opgevat om zich te voeden en te drinken en hoe men slaapt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Kan het zijn, o moeder aarde, dat u denkt aan het heil dat werd gesticht door de handelingen van de incarnatie van de Heer die uw zware last verlichtte maar nu uit het zicht is verdwenen? (24) Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droevenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd u beroofd van het goede geluk waarover zelfs de verlichte zielen zich lovend uitlieten?'

(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O Dharma ik zal mijn best doen antwoord te geven op al de vragen die u gesteld heeft, daar u met uw vier poten [de vidhi] er in al de werelden bent om het geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En zeker ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - al deze en vele andere vormen de eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nimmer aflatende hogere natuur welke kan worden bereikt door degenen die de grootheid waardig zijn. Dankzij Hem ben ikzelf, net zoals de godin van het geluk dat is, een dergelijke bron van kwaliteiten, maar in de afwezigheid van Hem die de spil ervan is, treft men Kali, de bron van alle zonden, aan in alle werelden.  (31) Ik treur voor mezelf zowel als voor u en ook voor de besten onder de verlichte zielen, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, alsook voor alle mensen in hun statusoriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de godin van het geluk] wiens genade werd gezocht door halfgoden als Brahmâ en voor wie de goden menigmaal boete deden in overgave aan de Heer, heeft terwille van de eredienst haar eigen verblijfplaats in het woud der lotusbloemen opgegeven uit gehechtheid aan de zaligmakende voeten. Als gevolg van wat Hij deed slaagde ik, die op mijn huid de voetafdrukken ervoer van de Hoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, erin op schitterende wijze in de drie werelden te zegevieren uitgerust als ik was met de door mij verworven speciale vermogens van de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok. Maar op het laatst, juist toen ik mij zo gelukkig achtte, heeft Hij me verlaten. (34) Hij die me heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde eveneens voor u in de Yadufamilie, en wel vanwege het feit dat u, die de kracht miste om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, vraag ik u, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de liefde, blikken, glimlachen en hartelijkheden van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon die de gepassioneerde wrake en ernst van een vrouw als Satyabhâmâ overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over de afdruk van Zijn voeten?'

(36) Terwijl de aarde en de persoonlijkheid van de religie aldus converseerden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."



Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali

(1) Sûta zei: "Daar [bij de rivier de Sarasvatî] zag de koning hoe een s'ûdra [iemand van de laagste klasse] die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was, alsof er niemand was om ze te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsnood en urineerde en trilde van de angst terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe en van streek vanwege de s'ûdra die haar tegen haar poten sloeg, was zonder een kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze in haar zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij om te denken dat je op deze plek de hulpelozen, die onder mijn bescherming staan, ter dood kan brengen! Als een acteur doe je je krachtig voor verkleed als een godsbewust man, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het twee maal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als de schurk die je op die manier bent verdien je het gedood te worden!'

(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons in de vorm van een stier verdrietig maakt? (8) Nog nooit heeft er, behalve dan in het geval van u die tranen in uw ogen heeft om een ander, er onder de bescherming van het gezag [van de armen] van welke koning van de Kurudynastie dan ook een dergelijke treurnis op aarde bestaan. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser over en onderwerper van de afgunstigen, zal het u goed gaan. (10-11) O kuise, hij in wiens staat de levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen. Het is voorzeker de hoogste plicht voor koningen gezag uit te oefenen zodat er een einde komt aan het leed van hen die te lijden hebben en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie heeft uw drie poten afgehakt, o zoon van Surabhi? Wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me daarom over hem die u verminkt heeft en die de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zonder twijfel de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en, veilig overeenkomstig de geschriften, diegenen terecht te wijzen die in deze wereld het spoor bijster zijn geraakt.'

(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al hetgeen u zei ter wille van de vrijheid van angst van hen die te lijden hebben past iemand van de Pândavadynastie, de dynastie die door zijn kwaliteiten Heer Krishna ertoe aanzette zich te gedragen als een dienaar en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, omdat de persoon verbijsterd is als gevolg van alle meningsverschillen, kunnen we niet zeggen wie [of wat] de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die zich afkeren van alle dualiteiten verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de werking van de materiële natuur of het gevolg is van het aanvaarden van gezag van buitenaf. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat. Wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "

(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie had te zeggen, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverwogen. (22) 'U o kenner der plichten, o dharma in de vorm van een stier, u spreekt alleen maar op deze manier [van de niet te achterhalen oorzaak] omdat u weet dat [net zoals dat gaat met een goeroe die op het karma wijzend het karma op zich neemt] hij die met zijn vinger wijst naar degene die fout bezig is zelf in de positie belandt fout bezig te zijn. (23) Met andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is iets dat voor levende wezens niet te verwoorden noch te doorgronden is. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya-yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, het vasthouden aan het hebben van seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde bevrijd van een grote last, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten nu genoten door mensen van een laag niveau die verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'

(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden wierp Kali, onder de druk van de angst, zijn koninklijke uitdossing af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij die de armen welgevallig is en in staat is met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held die hij was ten voeten was gevallen, hij, de held van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven. Wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar dat wil nog niet zeggen dat u in mijn koninkrijk kan blijven. U bent immers de vriend van de goddeloosheid. (32) Met u fysiek aanwezig als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid en dat alles welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in de buurt van die plaatsen van eerbetoon waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers hun offeranden hebben. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "

(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekend als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij.' "

(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, want goud is door de hartstocht de vijfde zonde vanwege de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet die personen die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door activiteiten aan te moedigen die de drie verloren gegane poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier weer terugbrachten, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Het huidige bestuur hebben we aan hem te danken, het is de troon die werd overgedragen door de koning, de grootvader [Yudhishthhira] toen die het wenste zich in het woud terug te trekken. Door die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Door de ervaring van de zoon van Abhimanyu de koning, dankzij zijn heerschappij over de aarde, kunt u nu allen de inwijding genieten van het uitvoeren van dit soort offers."



Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Door een brahmaan vervloekt te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Nadat hij al degenen die hem nabij stonden had achter gelaten en hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke had begrepen, gaf hij als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî] zijn lichaam op aan de oever van de Ganges. (4) Zij die met Zijn voeten in gedachten zich bezighouden met Zijn lofzangen en waardering hebben voor de nectargelijke verhalen waarin Hij wordt verheerlijkt, zullen zelfs niet in hun stervensuur in verwarring verkeren. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Net als een bij die recht op de nectar afgaat wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich inspannend voor het ongunstige nooit iets bereikt. (8) Kali die in de ogen van de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was Parîkchit als een tijger onder de mensen degene die onder de zorgelozen de zorgzame was. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld die er over de vrome Parîkchit in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kennis te nemen van alles wat ik heb besproken aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) Met het brengen van dit offer waarvan de afloop onzeker is zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die onvermijdelijk op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik volmaakt in evenwicht verkeren in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Als men er eenmaal de smaak van te pakken heeft zal men nooit genoeg krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, Hem wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees, o geleerde, zo aardig om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert, nadat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa met het doel hem in te wijden inzake het pad der bevrijding. (17) Vertel ons daarom over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [de toewijding] is vervat. Beschrijf voor ons, op de manier zoals het Parîkchit werd verteld, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, die door deze manier van converseren zijn verbonden met de groten, ondanks dat we van een verschillende komaf zijn, er duidelijk toe zijn bevorderd vandaag [een hogere] geboorte [in de geest des Heren] te nemen. Als men hen van dienst is die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig bevrijd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiële] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel temeer geldt dat niet voor hen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat u die zo sterk als de zon bent er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als met de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd terwijl hij onaangedaan in trance verkeerde verheven boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt door zijn lange, samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) O brahmanen, gegeven de omstandigheid dat hij door zijn honger en dorst was aangeslagen, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij met de punt van zijn boog kwaad een levenloze slang van de grond op en legde die op zijn weg naar buiten over de schouder van de wijze om vervolgens terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van de wijze van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen, geen vals voorgewende trance was om een ontmoeting uit de weg te gaan met een lagere bestuurder.

(32) Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien gaan ze recht in tegen wat is vastgesteld voor dienaren, terwijl ze niet meer zijn dan waakhonden bij de deur! (34) De zonen van de heersende klasse hebben over de geleerden te waken als waakhonden - op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en van hetzelfde bord te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben!' (36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede zijn speelkameraadjes toesprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende donderslag van woorden: (37) 'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.' (38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende hij die was geboren in de familie van Angirâ langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning die nimmer mocht worden veroordeeld omdat hij de beste onder de mensen is, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar jammerde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dermate onbetekenende overtreding! (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijke persoon van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43)O mijn jongen, de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt wordt vertegenwoordigd door deze monarch, als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die er meteen toe zullen overgaan de onbeschermden te pakken te nemen alsof ze lammeren zijn. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en zal men ook verkeerd omgaan met de vrouwen en de dieren. (45) De rechtschapen samenleving van mensen die zich overeenkomstig de Vedische voorschriften ontwikkelen in hun roepingen en levensstadia zal dan systematisch teniet worden gedaan, en met het economisch handelen dat dan in dienst zal staan van het zingenot zal dat resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een directe, eersteklas toegewijde van de Heer en een heilige van adel; een groot brenger van paardoffers - en als hij hongerig en dorstig is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt.'

(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die door het qua intelligentie onvolgroeide kind werd begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpen ziel. (48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs als een van hen wordt gedood, zullen de verdraagzame toegewijden van de Heer zich nooit wreken voor deze dingen.' (49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk niet vond dat het beledigen van de kant van de koning iets zondigs was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, ze bevinden zich immers in de bovenzinnelijkheid van de ziel."


Hoofdstuk 19: De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

(1) Sûta zei: "Toen de koning op weg was naar huis bedacht hij dat wat hij gedaan had iets afschuwelijks was en hij raakte zeer gedeprimeerd bij de gedachte: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Voorzeker is het vanwege het ingaan tegen de voorschriften dat ik zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen zal moeten zien. Ik hoop van harte dat dat zo gauw mogelijk gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik, vandaag nog, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van het zondigen tegen de Heer, de cultuur en de koeien me niet weer zal overkomen.' (4) Terwijl hij zo aan het peinzen was vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon. (5) Hij besloot deze wereld op te geven alsmede de wereld hierna, want hij was reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren ten opzichte van een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna. Dus ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten. Dat was wat hij naar zijn mening het beste kon doen. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Heer Krishna dat de wereld vanbinnen en vanbuiten heiligt en zelfs de Heer der Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon die gedoemd is te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) Met dat besluit gaf hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, met zijn plaatsnemen aan de oever van de rivier die stroomde van de voeten van Vishnu, zich over aan de genade van Mukunda tot de dood erop volgde. Hij zou vrij van alle vormen van materiële gehechtheid, het vasten volbrengen zonder af te wijken van de geest der geloften die door de wijzen worden gerespecteerd.
 
(8) Al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld op een hoger plan kunnen brengen,  kwamen toen daar bijeen met het argument van een bedevaart. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthanemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten der wijzen die de meest vooraanstaande adel van advies dienden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën der wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Met allen comfortabel gezeten en na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, sprak hij, voor hen staand als iemand wiens denken zich heeft losgemaakt van wereldse zaken, nederig met gevouwen handen over zijn besluit om te vasten. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om van al de koningen die het geleerd hebben om open te staan voor de gunsten der grote zielen degene te zijn die zo fortuinlijk is, want aan de voeten der brahmanen zijn de koninklijke geslachten vanwege hun verwerpelijke handelingen niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden. (14) Vanwege mijn zonden, heeft de Heerser over zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld via die brahmaan een vloek tegen me uitgesproken, ik die in mijn gehechtheid almaar aan familiezaken zat te denken. Met het aangenomen hebben van die gedaante zal Hij spoedig, met de vrees die Hij aanjaagt, mijn wereldse gehechtheid hebben verslagen. (15) Aanvaard mij derhalve o hoog geleerden, als iemand die met de Heer in zijn hart zijn toevlucht heeft genomen tot de goddelijke moeder de Ganges. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten. En gaat u alstublieft door met het verslag doen van de daden van Heer Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook met betrekking tot de Allerhoogste Onbeperkte Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen in eerbetoon voor de tweemaal geborenen mag aantreffen.'

(17) En zo gebeurde het dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten terwijl hij naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Al de goden die vanuit de hemel hadden gezien dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden daarop waarderend de aarde met bloemen waarbij ze vergenoegd op de hemelse trommen sloegen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn aldus betoonde wijsheid en zeiden, instemmend vanuit de macht van hun goedheid voor de levende wezens, een goedheid die kwalitatief van dezelfde schoonheid is als het goddelijke geprezen in de geschriften: (20) 'Het wekt geen verbazing dat deze heilige koning die ons allen die strikt Krishna volgen aanvoert, met het bekleden van de troon die versierd is met de helmen der koningen, zijn leven onmiddellijk opgaf in zijn verlangen om omgang met de Fortuinlijke te krijgen. (21) We zullen allen zolang hier blijven als de koning nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van het Allerhoogste terug te keren, alwaar deze vooraanstaande toegewijde volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'

(22) Nadat hij de verzamelde wijzen aldus onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij in zijn verlangen te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle windstreken als de vertegenwoordiging van de Ene boven de drie werelden [Heer Brahmâ], met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige Vedisch geleerden, me nu,  na de nodige bezinning, te zeggen wat  van al de verschillende verplichtingen van een ieder en in het bijzonder van diegenen die op het punt staan heen te gaan, de juiste en gepaste handelwijze zou zijn.'

(25) Op dat moment verscheen, als geroepen, de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî. Hij die eruitzag als een bedelmonnik reisde zelfvoldaan in zijn zelfverwerkelijking omringd door kinderen rond zonder zich te bekommeren om materiële gemakken of om een identiteit. (26) Hij, slechts zestien jaar oud, had een fijngebouwd lichaam met delicate armen, benen, handen, dijen, schouders en voorhoofd. Zijn ogen waren prachtig groot in een gezicht met een hoog oplopende neus, daarbij passende oren, fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en extra lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwarte, donkere huid, de schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen. En dus stonden ze allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om hem zijn eer te betuigen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich meteen terug toen hij zijn verheven zitplaats innam in ontvangst van het respect. (30) Aldaar omringd door de grootsten der grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijken, straalde S'ukadeva als de hoogste heer, zo prachtig als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend werd de wijze  benaderd door de grote toegewijde, de koning, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verboog en hem toen beleefd en vriendelijk vragen stelde.

(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, wat een zegen is het voor ons van de heersende klasse om vandaag te zijn uitverkozen als de dienaar van de toegewijde, om bij uw genade dat u onze gast wil zijn, het bezoek waardig te worden geacht van al deze relaties van uwe goedheid. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat meteen al de plaatsen waar we wonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden. (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden onze zwaarste zonden terstond weggevaagd, precies zoals dat gebeurt met de ongelovigen als Vishnu aanwezig is. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, mij genadig en heeft Hij, voor het genoegen van Zijn neven en broers mij, hun afstammeling, aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe was het anders mogelijk dat u, uit eigen beweging, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, hier bent verschenen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, normaal gesproken niet onder de gewone man wordt aangetroffen? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar der asceten, om duidelijk te maken wat voor een persoon in dit leven de volmaaktheid, de uiteindelijke zaligheid is, en wat voor iemand die op het punt staat te sterven allemaal de plicht zou zijn. (38) Leg alstublieft uit o meester, waar de mensen in het algemeen naar moeten luisteren en wat ze moeten bezingen, wat ze moeten doen, wat ze in gedachten moeten houden en delen, alsmede wat in strijd met de beginselen zou zijn. (39) Dit vraag ik u omdat, o allerhoogste toegewijde, men thuis bij de huishouders u zich zelden langer ziet ophouden dan de precieze tijd nodig om een koe te melken.' "

(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva die zo goed thuis was in de kennis van iemands eigenlijke plicht, met zijn antwoord."

 

Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Schepping.


Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2010 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/