Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het Verhaal van de Fortuinlijke"
Derde herziene versie 2010
Inleiding
CANTO 1: Schepping
Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen
Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God
Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.
Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.
Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.
Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva
Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft
Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî
Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna
Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ
Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit
Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis
Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna
Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug
Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging
Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali
Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.
Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî
CANTO 2: De Kosmische Manifestatie
Hoofdstuk 1 De Eerste Stap in de Godrealisatie
Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart
Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart
Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping
Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken
Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd
Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.
Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit
Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer
Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen
CANTO 3: De Status Quo
Hoofdstuk 1 Vragen gesteld door Vidura
Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna
Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana
Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya
Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya
Hoofdstuk 6 De Manifestatie van de Universele Gedaante
Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.
Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.
Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping
Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom
Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâras en Anderen
Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha
Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond
Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods
Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen
Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum
Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha
Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen door Brahmâ
Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama
Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti
Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht
Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni
Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst
Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur
Hoofdstuk 27 Het Begrijpen van de Materiële Natuur
Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk
Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst
Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen
Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens
Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden
Hoofdstuk 33 De Activiteiten van Kapila Muni
Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer
Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu
Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva
Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî
Hoofdstuk 4 Satî Verlaat Haar Lichaam
Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid
Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden
Hoofdstuk 7 Het Offer ten Uitvoer Gebracht door Daksha
Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud
Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis
Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's
Hoofdstuk 11 Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen
Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God
Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja
Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena
Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning
Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen
Hoofdstuk 17 Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde
Hoofdstuk 18 Mahârâja Prithu Melkt de Aarde
Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers
Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu
Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Mahârâja Prithu
Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's
Hoofdstuk 23 Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis
Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva
Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana
Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan
Hoofdstuk 27 De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.
Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven
Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi
Hoofdstuk 30 De activiteiten van de Pracetâ's
Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's
CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping
Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata
Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra
Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi
Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva
Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons
Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten
Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata
Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja
Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata
Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana
Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana
Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata
Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata
Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot
Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata
Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan
Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt
Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's
Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha
Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners
Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya
Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten
Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel
Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden
Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta
Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag
CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid
Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila
Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam
Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers
Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer
Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha
Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha
Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati
Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde
Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura
Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura
Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura
Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan
Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde
Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen
Hoofdstuk 15 De Heiligen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu
Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer
Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu
Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden
Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel
CANTO 7: De Wetenschap van God
Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind
Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis
Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden
Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum
Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu
Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes
Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder
Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen
Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden
Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura
Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw
Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten
Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon
Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder
Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita
CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping
Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum
Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra
Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave
Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld
Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's
Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara
Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari
Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen
Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen
Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt
Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's
Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur
Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes
Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden
Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie
Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja
Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden
Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer
Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over
Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer
CANTO 9: Bevrijding
Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu
Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni
Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni
Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha
Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni
Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ
Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva
Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân
Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld
Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.
Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î
Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer
Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen
Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ
Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd
Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust
Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata
Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva
Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's
Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna
Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
CANTO 10: Het Hoogste Goed
Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding
Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot
Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna
Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa
Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva
Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ
Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum
Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond
Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast
Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera
Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen
Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura
Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren
Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna
Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier
Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya
Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand
Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba
Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand
Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana
Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit
Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's
Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend
Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana
Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op
Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering
Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden
Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna
Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt
Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ
Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid
Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's
Hoofdstuk 33 De Râsadans
Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood
Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt
Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa
Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst
Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula
Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ
Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden
Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ
Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog
Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda
Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa
Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar
Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda
Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij
Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden
Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura
Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ
Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda
Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna
Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî
Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd
Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna
Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht
Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven
Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ
Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi
Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî
Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk
Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend
Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen
Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon
Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld
Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur
Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida
Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede
Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding
Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek
Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha
Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd
Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen
Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood
Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen
Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's
Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort
Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet
Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen
Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna
Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen
Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna
Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna
Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen
Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug
Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva
Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon
Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura
Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug
Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat
CANTO 11: Algemene Geschiedenis
Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie
Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's
Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer
Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven
Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva
Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken
Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid
Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ
Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële
Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden
Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst
Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis
Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ
Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu
Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's
Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer
Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders
Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers
Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis
Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting
Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad
Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter
Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana
Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat
Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven
Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ
Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God
Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke
Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen
Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie
Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna
CANTO 12: Het Tijdperk van Verval
Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga
Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist
Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga
Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging
Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit
Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven
Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's
Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi
Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond
Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi
Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod
Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat
Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam
Inleiding
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het boek telt zo'n 18.000 verzen en bestaat uit twaalf onderafdelingen, z.g. Canto's. Deze afdelingen vertellen het volledige verhaal van de Vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Svâmî Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen and theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Svâmî Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld (âcârya's) hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava goeroe's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Svâmî Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashtha, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap. Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde Canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde Canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor de copyrights op deze vertaling geldt de z.g. ShareAlike regeling: men is vrij te copiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en link naar deze site bhagavata.org) en dat men er geen commercieel doel mee dient. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen.
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 02-10-2009.
CANTO 1: Schepping
Hoofdstuk 1: Vragen van de Wijzen(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke die in de materiële wereld zowel als in het voorbije aanwezig is en van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de Vedische kennis werd doorgegeven in het hart van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen, zoals dat met een luchtspiegeling van water is in relatie tot [het vuur van] de zon, in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de illusie van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die altijd op zichzelf staat, de bovenzinnelijke [allerhoogste en absolute] waarheid is en die de weerlegging vormt die vrij is van illusie.
(2) In dit boek wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen. Men treft er het hoogste in aan dat kan worden begrepen door onzelfzuchtige, waarheidlievende personen. Hierin wordt dat geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Waarom zou men andere verhalen nodig hebben als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke, zoals dat werd samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] en dat, met de hulp van de vromen die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart vestigt. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de Vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] zich manifesteerde als zoete nectar die volmaakt is in ieder opzicht. O jullie die zo bedreven en gewetensvol verrukt zijn over de toewijding, geniet toch altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!
(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U die vrij bent van alle zonde en op de hoogte bent van de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen - en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Alstublieft o hooggeëerde, vertel ons daarom, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u als een onderworpen discipel vernomen hebt van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een lang leven, vertel ons in eenvoudige bewoordingen vanuit uw goedheid alstublieft wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) U bent gezegend Sûta, omdat u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta u zou, zoals de traditie het voorschrijft, ons die er zo naar verlangen moeten vertellen over Zijn incarnatie die er is voor het heil en de bemoediging van alle levende wezens. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood vinden we zelfs als we er niet geheel met ons verstand bij zijn bevrijding als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, zij die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de wijzen die zijn verzonken in toewijding vinden meteen zuivering door eenvoudigweg omgang met ze te hebben, terwijl een dergelijke zuivering met het water van de Ganges alleen maar wordt bereikt als men het cultiveert. (16) Wie die verlangt naar bevrijding zou nu niet liever willen vernemen over de Heer Zijn aanbiddelijke, deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Vertel ons, volijverige gelovigen, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de zegenrijke avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) Wij die de smaak weten te waarderen zijn het nooit moe steeds weer te bidden en te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte die ons telkens weer verrukken. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons voor langere tijd hier op deze plek die voor de toegewijden is bestemd verzameld, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid die ons als de kapitein van een schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali kan loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor iemands goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn verblijfplaats."
Hoofdstuk 2: Goddelijkheid en Dienst aan God
(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormingsceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathiserend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levenservaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.
(5) O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken. (6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [de Opperbevelhebber]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is het karma er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken, herinneren en aanbidden. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.
(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke gedaanten der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele gedaanten van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard. (28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestatie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."
Hoofdstuk 3: Krishna is de Bron van alle Incarnaties
(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreidde, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men gaat ervan uit dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke die de uitnemendheid van het zuiverste bestaan vormt. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze bron van de veelvormige incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."
(6) "De zonen van Brahmâ [de Kumâra's] werden eerst gedisciplineerd in versobering om continuïteit te verzekeren. (7) Toen Hij vervolgens incarneerde omwille van de welvaart van de wereld, hief Hij, als een everzwijn, haar op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van Vedische kennis wat betreft het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweelingzoon van koning Dharma in de gedaante van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajña, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken, tezamen met Zijn zoon Yama gedurende de periode van Svâyambhuva Manu. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende in reactie op de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, toen Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman bamboe splijt. (19) Ten vijftiende nam Hij de gedaante aan van Vâmana [de dwergbrahmaan] die naar het offerperk van Mahârâja Bali ging en daar om drie voetstappen land vroeg, terwijl Hij in feite de drie werelden veroveren wilde. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî met Parâs'ara Muni als Zijn vader, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna zal in het Kalitijdperk Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om hen die jaloers zijn op de theïsten te misleiden. (25) Daaropvolgend als er twee yuga's in elkaar overgaan, en er nauwelijks nog een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."
(26) "O tweemaal geborenen, verschenen uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Zij die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer ontstonden zonder twijfel uit de Ene die geen gedaante heeft en transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met hun elementen. (31) Voor de minder intelligente waarnemer zijn ze er om te worden waargenomen zoals men wolken in de lucht ziet en stof in de wind. (32) Dit ongemanifesteerde zelf in het voorbije, dat men niet kan zien of horen heeft geen gedaante die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen in het zelf ontstaan vanwege de onwetendheid, verliezen ze hun waarde en verwerft men omgang met het goddelijke. (34) Als de bedrieglijke materiële energie niet meer voorop staat raakt men verrijkt met de volle kennis der verlichting en heeft men aldus gevestigd kennis van de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Vanwege Zijn manipulaties kan Hij, optredend als een acteur in een toneelstuk, door hen die het mankeert aan de nodige kennis niet door middel van speculaties en redeneringen worden gekend in Zijn handelingen, namen en gedaanten. (38) Alleen hij die onvoorwaardelijk, onafgebroken en welgezind dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten kan kennis nemen van de transcendentale heerlijkheden van de almachtige Schepper die het wiel van de strijdwagen in Zijn hand heeft. (39) Men kan in deze wereld slagen als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en die inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de gevreesde vicieuze cirkels van het wereldse belang zal aantreffen."
(40) "Dit boek waarin men het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden aantreft is samengesteld door de wijze man van God en is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed alle mensen succes, geluk en perfectie te bezorgen. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het verhaal, dat de room vormt die hij van alle Vedische geschriften en geschiedenissen wist te verzamelen, door aan zijn zoon die de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden is. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die omringd door de wijzen bij de Ganges neerzat om te vasten tot de dood erop volgde. (43) Nu Krishna is vertrokken naar Zijn hemelverblijf en samen met Hem ook het juiste gedrag en het spiritueel inzicht is verdwenen, is deze Purâna helder als de zon aan de horizon verschenen terwille van al de mensen die het in het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal vernam, slaagde ook ik, die perfect aandachtig was door zijn genade, erin het te begrijpen, zodat ik het nu vanuit mijn eigen realisatie ook aan u kan vertellen."
Hoofdstuk 4: De Verschijning van S'rî Nârada.
(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke onder hen die men respecteert als sprekers, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze op een dag de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg toen hij er naar vroeg van zijn zoon zeiden dat ze zich niet voor hem schaamden daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek toen hij rondzwierf door de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners van Hastinâpura [nu: Delhi] op het moment dat hij de stad bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze Vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Als pelgrim die plaatsen zegenend die hij bezocht verbleef hij niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd die nodig is om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eersteklas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer, die de naam van Pându eer aandeed, de rijkdom van zijn koninkrijk toen hij aan de Ganges neerzat om boete te doen tot de dood erop volgde? (11) Waarom toch gaf hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de Vedische hymnen."
(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overging in het derde en aldus eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren als de zoon van Parâs'ara uit de schoot van de dochter van Vasu. Hij vormde een deelaspect van de Heer. (15) Op een ochtend toen de schijf van de zon boven de horizon uitkwam zat hij, na zich met het water van zijn ochtendrituelen te hebben gewassen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) De rishi die het verleden en de toekomst kende zag dat er zich geleidelijk onregelmatigheden ontwikkelden in het dharma van zijn tijd. Het was iets dat men wel vaker in de verschillende tijdperken op aarde ziet optreden als gevolg van niet te stuiten, ongeziene krachten. (17-18) De wijze die zich in zijn bovenzinnelijke visie bezon op het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven, zag toen vanuit zijn transcendentale positie hoezeer men met het afgestompte en ongeduldige van ongelovigen tekortschoot in goedheid, er sprake was van een afname van de natuurlijke capaciteit van allerlei soorten mensen alsook van de andere schepselen en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde. (19) Overeenkomstig het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de ene oorspronkelijke Veda in vier gedeelten van offerhandelingen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's [de enkele geschiedenissen] en de Purâna's [de verzamelingen van verhalen] de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda nam Angirâ zich ter harte - die ookwel Sumantu Muni wordt genoemd - terwijl de Itihâsa's en de Purâna's werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde de grote wijze Vyâsa, de Heer in dezen, zich erom dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de vrouwen, de dwazere arbeidersklasse, [zie 6.9: 6 & 9] en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet zozeer voor het begrip werken, was de wijze zo genadig om in hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."
(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat daar toen tevreden over te zijn. (27) In afzondering gezuiverd verkerend aan de oever van de Sarasvatî, zei hij, wetende wat religie inhoudt, derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier mijn respect betoond in het overeenkomstig de traditie van de Vedische hymnen brengen van mijn offers met achting voor de meesters. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat men moet zeggen over het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen wat betreft het bespreken van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen persoon, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is.'
(32) Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, zoals ik al zei, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer op de manier zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."
Hoofdstuk 5: Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.
(1) Sûta zei: "Toen hij comfortabel naast hem zat richtte de alom bekende rishi van God met de vînâ in zijn handen zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, kan u in de zelfrealisatie van uw ziel de tevredenheid vinden van het lichaam en de geest? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld waaraan u uw uitgebreide verklaringen hebt toegevoegd. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het dat u niet genoeg zou hebben gedaan voor het doel van de ziel.'
(5) Vyâsa zei: 'Wat u allemaal zei is zeker waar maar mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik aan u die zich vanuit de ziel heeft ontwikkeld als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, vanuit de transcendentie boven de geaardheden van de materiële natuur, het universum wordt geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstublieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'
(8) S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwlijks de glorie van de onberispelijke Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel u, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit als men persoonlijke namen loslaat. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer moeizaam werken voor een resultaat als men de Heer ermee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid moeten nadenken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.
(14) Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats wordt meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet u vanuit uw goedheid hen, die gebonden aan de geaardheden het aan geestelijke kennis ontbreekt, de wegen en handelingen van de Heer tonen.
(17) Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men als men de eigen, ware aard verloochent in die positie ten val komen. Maar wat voor een ongeluk overkomt de niet-toegewijde wel niet die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch geneigd zijn zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen. In de loop van de tijd, de tijd die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men automatisch het genoegen - zo goed als de misère - als resultaat van de gedane arbeid overal vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Vanuit uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij ervan. Hij vormt het begin en het einde van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een natuurgetrouwe beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer. U immers kan door het perfecte inzicht van uw eigen ziel achterhalen wat de transcendentie inhoudt van de Persoonlijkheid van de Superziel waarvan u een volledig aspect bent omdat u geboorte hebt genomen terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) De erkende geleerden zijn het er allen over eens dat het onmiskenbare doel van de versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en de liefdadigheid van een ieder eruit bestaat te komen tot de beschrijving van de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer die in de verzen wordt verheerlijkt.
(23) O wijze, in het voorgaande millennium nam ik geboorte uit een dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta]. Nog maar een kleine jongen was ik hen druk van dienst toen ik met hen samenleefde gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen in die periode het mij eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik door die handeling bevrijd van al mijn zonden en zo manifesteerde zich in mij die in zuiverheid van dienst was, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna hoorde ik iedere dag hoe het leven van Krishna werd beschreven. Door hun respect voor mij o mijn beste Vyâsa, slaagde ik erin aandachtig te luisteren en kon zich zo bij iedere stap die ik deed mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, zo de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele van het leven aanvaardt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste der transcendentie. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend niets anders horend dan de glorie zoals die werd bezongen door de wijzen, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de [invloed van de] geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een gehoorzame jongen vrij van zonde slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne is, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Toen die toegewijden zo vol van zorg voor de deemoedigen vertrokken, waren ze zo genadig mij te instrueren in die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men de toevlucht die Hij is kan bereiken.
(32) O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in [het tegengaan van] dat wat er de oorzaak van is? (34) Zo zullen ook alle handelingen van de mens die zijn gericht op het teweegbrengen van een materieel [een materialistisch] bestaan aan dat zelf [aan die zelfzucht] een einde maken als men erin slaagt ze te wijden aan de Bovenzinnelijkheid. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we daarom mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) Die persoon die aldus de Heer die geen vorm heeft aanbidt met behulp van de geluidsvorm [van deze namen] die Hem vertegenwoordigen is, in zijn aanbidden van [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, door op deze manier bezig te zijn werd ik, goed op de hoogte zijnde van het vertrouwelijke gedeelte van de Vedische kennis, gezegend met de kennis van Zijn bovenzinnelijke weelde en een intieme persoonlijke liefde voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U beste, goede ziel met uw uitgebreide Vedische kennis, weidt tevens uit over de Almachtige dankzij wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben om kennis te nemen van het transcendentale. Beschrijft u alstublieft Zijn handelingen om het lijden terug te dringen van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "
Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva
(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Wat deed u, voordat uw huidige leven een aanvang nam, nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken? (3) Wat waren de levensomstandigheden waaronder u verkeerde na deze inwijding en hoe bent u in de loop van de tijd tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, want maakt de tijd op den duur niet aan alles een einde?'
(5) S'aî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken gebeurde er het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ik, haar nageslacht, werd volkomen door de emotionele band die ik met haar had bepaald en had niemand anders om me te beschermen. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Ik volgde toen ik nog maar vijf jaar oud was het onderricht van de brahmanen en leefde afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, de richting en de plaats waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier waarin ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen zoals ik dat had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de gedaante van de Heer die alle strijdigheid uit de geest bant te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik met mijn denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en ik raakte zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Het op die eenzame plek alsmaar proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis wegvaagden. (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde al de lust uit het hart wordt verdreven. (23) Als men zelfs maar voor een paar dagen het Absolute van dienst zijnd een gefixeerde intelligentie jegens Mij heeft bereikt, zal men met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn gezelschap. (24) De intelligentie die op deze manier betrokken is in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden omdat, of levende wezens nu in wording zijn of uit beeld verdwijnen, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'
(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, dankbaar voor de genade, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik bevrijd en tevreden de wereld in alle bescheidenheid en wachtte zonder rancune mijn tijd af. (27) Op die manier vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld verzonken zijnd in Krishna o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood me halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Aan het einde van het tijdperk nam de Heer die zich had neergevleid in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en staan daar en wanneer ik maar wil. (32) Aldus beweeg ik me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer en het bespelen van de bovenzinnelijk geladen vînâ waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen vol van zorgen zijn, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaalde bezingen van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust steeds weer ondervangen met behulp van de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, vrij van zonden als je bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, zowel voor de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "
(37) Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes aan de wijze der goden die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken."
Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft
(1) S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"
(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar op zijn plek concentreerde Vyâsadeva neerzittend temidden van bessenbomen zijn geest nadat hij zijn wateroffer gebracht had. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] samen met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Terwille van de gewone man die zich er niet van bewust is dat men in de yoga van de toewijding tot Hem die zich in het voorbije bevindt een einde ziet komen aan het ongewenste, verzamelde de wijze, die dit inzag, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, die de wijze is van het pad der zelfverwerkelijking."
(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, die op het pad der zelfverwerkelijking altijd innerlijk tevreden is met minachting voor al het overige, nu werk maken van zo'n uitgebreide studie?"
(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van dien aard dat de gewone man zowel als de wijzen die vrij zijn van alle materiële bindingen, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zuivere, toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) De machtige zoon van Vyâsa was geliefd onder de toegewijden omdat hij, met het op zich nemen van de regelmatige studie van deze grootse vertelling, altijd was verzonken in de bovenzinnelijke kwaliteit van de Allerhoogste Heer. (12) Laat me u daarom vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, en over hoe de zonen van Pându tot het verzaken van de wereld kwamen. Deze verhalen leiden tot de verhalen over Krishna.
(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] treurde over zijn gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van trofee de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen. Maar toen de meester dit onder ogen kwam keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde vol verdriet bittere tranen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze woordkeus tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij vrezend voor zijn leven met grote snelheid in zijn strijdwagen weg zoals Sûrya ook voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een helder licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die middels Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie schenk Je in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn, met de deugd van Je invloed het hoogste goed van de rechtschapenheid en zo meer [dat het dharma kenmerkt: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en Je vrienden en zuivere toegewijden tevreden te stellen als hun constante voorwerp van bezinning. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'
(27) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde zonder te weten hoe hij het moet terugtrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan door gebruik te maken van je eigen brilliante krijgskunsten.' "
(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand vastgebonden had en hem met geweld naar het militaire kampement had gebracht, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toegeroepen, omdat als gevolg van de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat. (38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan.' "
(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, die door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting werd onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, ookal was die dan de schandelijke moordenaar van zijn zoons. (41) Op het moment dat hij daarop samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda zijn kampement bereikte, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze hem zag die als een crimineel stil van zijn schandelijke daad als een dier in touwen geslagen naar haar werd toegebracht, betoonde Draupadî vanuit de schoonheid van haar aard de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen zoals hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij als brahmaan is een leraar van ons. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het lanceren en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, want zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] is niet uit het leven gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijke bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal het, samen met haar familieleden, in verdriet belanden.' "
(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma der rechtspraak en ze genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen vielen haar allen bij. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Over het feit dat hij zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, slapende kinderen gedood heeft, wordt gesteld dat hij de dood verdient.'
(52) De vierarmige [Heer Krishna] die de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord had en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] had gezien, zei met een flauwe glimlach: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet men niet ter dood brengen, hoewel men een agressor wel ter dood brengt - wat Mij betreft staat vast dat de uitvoer van beiden staat voorgeschreven als we ons willen houden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van de belofte die je deed toen je je vrouw genoegdoening beloofde en je tevens inspannen om zowel Bhîma als Mij tevreden te stellen.'
(55) Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel tezamen met het haar van het hoofd van de tweemaal geborene. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook door het verlies van zijn juweel aan kracht had ingeboet, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de rijkdom en verbanning zijn de soorten van fysieke straffen die gereserveerd zijn voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."
Voetnoot
*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.
Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî
(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.
(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat hem mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "
(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, met al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.
(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Jou, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, ben Jij als een acteur uitgedost voor het acteren. (20) Jij verschijnt terwille van de gevorderde transcendentalisten en filosofen die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, om de wetenschap in praktijk te brengen die ze verenigt in de toewijding. Maar hoe moeten wij vrouwen dan respect voor Je oefenen? (21) Daarom breng ik Je mijn respectvolle eerbetuigingen, Jij, de beschermer van de koeien en de zinnen, de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, Hij van Nanda en de koeherders van Vrindâvana. (22) Mijn eerbetoon is er voor Jou, die een lotusachtige welving in Je buik hebt, die altijd gesierd bent met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) Jij bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een langdurige gevangenschap opgelegd door de afgunstige [oom] koning Kamsa. En, o Heer, Jij hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt Jij ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we Jou keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want Jou ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot Jou te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan Jou, de rijkdom van hen die in armoede leven; Jij die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; Jij als degene die in Zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor Jou, de meester der zaligheid. (28) Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en een einde is, en als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Je spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat Je partijdig bent, maar Je begunstigt niemand en hebt ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Je geboorte nemend hoewel Je ongeboren bent en handelend hoewel Je inactief bent, ben Je waarlijk verbijsterend zoals Je Je manifesteert met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me om te zien hoe Jij, toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw pakte om Je vast te binden, bang was en Je de make-up van Je ogen huilde, terwijl Je gevreesd wordt door de Vrees zelve. (32) Sommigen zeggen dat Je, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat Je bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor Je baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat Je, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat Je Je geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat Je verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over Je vernemen, het Jou in gedachten houden en met het Jou aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Je handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Je lotusvoeten zien die een einde maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat Jij voor ons gedaan hebt, laat Je, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter. Wij, Je intieme vrienden die, enkel bij Jouw genade, in afhankelijkheid van Je lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder Jou, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Je voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Jouw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aantrekking voor Jou zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Jouw niet aflatende heldenmoed bevrijdt Je de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, Jou biedt ik mijn eerbetuigingen.' "
(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn mystiek vermogen. (45) Dat alles zo aanvaardend werd de Heer, nadat Hij verder nog Zijn respect betoonde jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, toen Hij wilde vertrekken naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij notabene van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden de koning van streek als hij was niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij zei: (48) 'Och bezie mij nou eens die in de onwetendheid van zijn hart diep is gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Ik die zoveel jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren heb gedood, zal voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, uit de hel bevrijd raken. (50) Voor een koning die vecht voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hebben achtergelaten, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "
Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna
(1) Sûta zei: "Yudhishthhira die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, vanuit zijn volle besef van de religieuze plicht, naar het slagveld waar hij de stervende Bhîshma op de grond liggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten volgden alle broers hem derwaarts, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij [de Koning] als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Toen Yudhishthhira Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond zag liggen, maakte hij tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, een buiging voor hem. (5) Aldaar waren al de wijzen onder de brahmanen, de goddelijken en de adel aanwezig, enkel om de leider te zien van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder]. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.
(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's die heel goed wist hoe hij zich naar tijd en omstandigheden volgens het dharma diende te gedragen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Krishna's heerlijkheid verwelkomde hij ook in aanbidding Hem, de Heer van het Universum die, zich bevindend in het hart, Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. Met tranen in zijn ogen was hij in staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându had Kuntî, mijn schoondochter, toen haar kinderen nog jong waren, veel te lijden wegens jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende goden, staan onder die controle zo goed als de wolken door de wind worden meegevoerd.(15) Waarom zou dat ongeluk er anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Niemand kan Gods plan doorgronden o Koning; het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitputtende onderzoekingen. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, Heer S'iva, Nârada de wijze onder de goden en de grote Heer Kapila zijn degenen die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van met alles wat Hij doet op ieder moment een verschil maken, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yogatoegewijden die met Hem in hun geest vroom mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen dat eigen is aan hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij die in mijn meditaties verschijnt als de vierarmige God der Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht mij opwachten op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "
(25) Sûta zei: "Yudhishthhira, die dit van hem die neerlag op een bed van pijlen hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf uitleg over de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door hun indelingen te geven en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit de bekende geschiedenissen. (29) Gedurende de tijd dat Bhîshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven als ze deze wereld willen verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, verviel toen in stilte en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me bevrijd van verlangens mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden [in de gedaante van een avatâra] er genoegen in schept deze materiële wereld met haar schepping en vernietiging te aanvaarden. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamâlaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die op het slagveld met zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met het dragen van Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij Zijn strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Terwijl de troepen op afstand toekeken, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde om zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.
(37) Terwille van mijn taakvervulling om er feitelijk meer werk van te maken en tegen Zijn gezworen principe in [zich buiten de strijd te houden] kwam Hij van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op om - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden.(38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in de woedende stemming van de grote agressor in mijn richting om me te doden. Moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke gedaante realiseerden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] die in extase Hem nadeden, hun oorspronkelijke natuur. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Râjasûya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de geestelijke ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die in Zijn positie in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "
(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op Krishna alleen gefixeerd viel hij toen stil en stopte hij met ademhalen nadat hij was overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden.(46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren over [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Heer Krishna, keerden toen met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) Koning Yudhishthhira ging samen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva voldeed hij, getrouw de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen aan zijn koninklijke verplichtingen."
Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? Zij moesten toch de geneugten des levens aan banden leggen nietwaar?"
(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira's koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, doorgrond van perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.
(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, nadat Hij om de nodige toestemming had gevraagd, toegestaan te vertrekken. Na zich toen te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij Zijn strijdwagen, en daarbij werd Hij door de anderen op dezelfde manier geëerd en omhelsd. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchits moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar één enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en bewogen zich rusteloos, gebonden als ze waren door pure genegenheid. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Op dat moment klonken er mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.
(19) Van alle kanten kon men de woorden horen weerklinken van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren gezien het feit dat de Absolute Waarheid daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke Persoon die, toen Hij zich materieel nog niet gemanifesteerd had, in Zichzelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur was begonnen. Hij is die Superziel, die Allerhoogste Heer, waar de levende wezens met hun energieën uiteindelijk in opgaan zoals ze 's nachts gaan rusten. (22) Hij als degene die de geopenbaarde geschriften in de praktijk brengt kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel telkens weer opnieuw namen en vormen toe als Hij [in de gedaante van een avatâra] de uiterlijke schijn van de materiële natuur in het leven roept. En die namen geeft Hij aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien. Het zijn zij die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, het is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, dat vertrouwelijk wordt beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden wordt besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, als Hij die door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt zonder er ooit aan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn die onwetend als beesten tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten in verscheidene gedaanten terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe hoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, want Hij die hier ten tonele verscheen en rondging is de allerhoogste leider van alle levende wezens en de echtgenoot van de godin van het geluk. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], de plaats die, tot de meerdere deugd en glorie van de aarde, de roem van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde ongetwijfeld met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van een volmaakte aanbidding geweest voor de Heer. O vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden thuisgebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in Zijn hart te sluiten, aldus nooit alleen thuis achtergelaten.'
(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's over om terug te keren. Ze werden geheel beheerst door de gedachte aan het komende afscheid. Daarna vervolgde Hij met Zijn geliefde metgezellen Zijn weg naar Dvârakâ. (34-35) Reizend door Kurujângala [de provincie van Delhi], Pâñcâlâ [een deel van Punjab], S'ûrasenâ, Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en trok Hij door de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Toen kwam Hij door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat] door te hebben getrokken, kwam Hij, o S'aunaka, met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ. (36) In verschillende plaatsen gebeurde het dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."
Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ
(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht zag, hoewel hij rood kleurde door de lippen van de Grote Avonturier, eruit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid waar de angst om een materieel bestaan zelf nog bang voor is, spoedden al de burgers zich in de richting ervan om de beschermer van de toegewijden te treffen waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze Hem, de In Zichzelf Tevredene die hen bij de genade van Zijn eigen vermogen onophoudelijk in alles voorzag, een welkomstceremonie. Het was alsof men een lamp offerde voor de zon. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.
(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, omdat U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, zelfs de halfgoden krijgen immers Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kurus op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we als U elders verkeert nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder dat we Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht zien?'
Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren ging de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, toen de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook met de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat Hij die hun het meest lief was thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in blijde verwachting samen met de brahmanen op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes die er hevig naar verlangden Hem te zien volgden in hun voertuigen, oogverblindende oorbellen dragend die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde met het nodige betoon van respect iedere vriend en burger die op Hem afkwam om Hem te verwelkomen en ontvangen zoals het hoort. (22) Hij, de Almachtige, die tot aan de laagsten aan toe Zijn begeerde zegeningen schonk, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd en begroette hen in woorden, omhelsde ze en schudde hun handen. (23) Toen ging Hij, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen, de stad binnen waar Hij eveneens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.
(24) O hoog geleerden, terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep klommen de dames van stand op het dak van hun huizen om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel het hun gewoonte was altijd zo naar Hem te kijken, waren de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nimmer moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer in Zijn gele kledij en bloemenslingers eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.
(28) Maar toen Hij daarna Zijn ouderlijk huis inging werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, bevolkt met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Toen ze op een afstandje hun echtgenoot thuis zagen komen stonden de dames innerlijk verheugd met een verlegen blik onmiddellijk van hun zitplaatsen op. (32) Op het moment dat Hij verscheen stuurden ze hun zoons op Hem af en omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst vanbinnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij schiep, zonder er zelf deel aan te hebben, de onderlinge vijandschap tussen de heersers die sedert de dag dat ze geboren waren een last voor de aarde waren geworden met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind dat doet met bamboestaken als hij middels wrijving vuur veroorzaakt. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade op eigen initiatief naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot van een leven met de waardigsten onder de vrouwen alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is van dien aard dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat ze met Hem te maken hadden met een meeloper die wordt gedomineerd en geïsoleerd door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot zoals dat ook het geval is met de geest der atheïsten die Hem niet kennen als de Opperheer."
Hoofdstuk 12: De Geboorte van Keizer Parîkchit
(1) S'aunaka zei: "De [vrucht van de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer weer opnieuw tot leven gewekt. (2) Hoe vond de geboorte plaats van keizer Parîkchit, die hoog intelligent was en zich bewees als een grote ziel? Hoe precies vond hij de dood en waar bracht hem die dood? (3) Vertel het ons alstublieft, we willen allemaal graag alles te weten komen over wat u over hem het vermelden waard vindt; we hebben niets dan achting voor u aan wie S'ukadeva Gosvâmî de kennis van het Allerhoogste gaf."
(4) Sûta zei: "Koning Yudhishthhira bracht welvaart op de manier zoals zijn vader dat deed, door in zijn achting voor Krishna's voeten zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsbevrediging het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in het rijk der hemelen. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als een godvrezende persoon, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de bewoners van de hemel op uit zijn.
(7) Toen Parîkchit de grote strijder als kind in de schoot van zijn moeder te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de Purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) Terwijl Hij de straling van de brahmâstra tegenging zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Hij zag hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenen, de gloed wegnam waarna de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het oog verdween. (12) Toen daarna de gunstige voortekenen van een goede stand van de sterren zich geleidelijk ontwikkelden nam hij die net zo bedreven als Pându zelf zou blijken te zijn, zijn geboorte als de troonopvolger van Pându. (13) Koning Yudhishthhira liet verheugd priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Wetend waar, wanneer en hoe, beloonde hij vrijgevig bij die gelegenheid de geschoolden met goed voedsel en giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Puru's, en lieten hem weten dat ze zich zeer verplicht voelden aan de afstamming in de lijn van de Puru's [van de nazaten van de voorvader koning Puru]. (16) Ze zeiden: 'Teneinde u aan Hem te verplichten werd deze zoon door de allesdoordringende en almachtige Heer gered van de ondergang als gevolg van het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend raken als degene die door Vishnu wordt beschermd. Zonder twijfel zal hij een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'
(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen? Zal hij de goede naam van zijn familie eer aandoen en zich aan zijn woord houden in wat hij tot stand brengt?'(19) De brahmanen antwoordden: 'O zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal de behoeder zijn van alle levende wezens, precies zoals koning Ikshvâku, de zoon van Manu, en hij zal trouw zijn in zijn beloften en respect hebben voor de geleerden, net zoals Râma, de zoon van Das'aratha. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en de overgegeven zielen beschermen. Hij zal zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya], hij zal zo onweerstaanbaar zijn als vuur en zo onoverkomelijk als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo vrijgevig en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en de toevlucht vormen voor alle levende wezens zo goed zijnde als de Opperste Heer bij wie de godin van het geluk verblijft. (24) Volgend in de voetsporen van Heer Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, hij zal de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was met Heer Krishna en zal hij vele As'vamedha [paard-]offers brengen en trouw zijn aan de ouderen en ervarenen. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, terwille van de wereldvrede en de religie, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zal sterven, veroorzaakt door een slangevogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht zoeken bij de Heer. (28) Nadat hij bij de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht heeft opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven opgeven en zal hij een leven vrij van vrees bereiken.'
(29) Nadat ze de koning aldus op de hoogte hadden gesteld en ze rijkelijk beloond waren, keerden zij die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel, terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, o meester [S'aunaka], zou in deze wereld beroemd worden als Parîkchit, de onderzoeker, omdat hij door wat hij vóór zijn geboorte had gezien, met Hem in gedachten alle mensen steeds nauwlettend onderzocht. (31) Net zoals de wassende maan dag na dag toeneemt, groeide ook de kroonprins onder de hoede van zijn beschermende ouders spoedig op tot wie hij zou zijn.
(32) Koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden van het hebben gestreden tegen zijn familieleden, dacht erover fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen op aanraden van de Onfeilbare noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon Yudhishthhira, de bezorgde, godvruchtige koning, drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer, met wiens hulp de tweemaal geborenen de offerplechtigheden konden verrichten, bleef toen, daartoe uitgenodigd door de koning, nog een paar maanden langer om degenen die Hem liefhadden een plezier te doen. (36) Daarna, beste brahmanen, ging Hij met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadudynastie."
Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis
(1) Sûta zei: "Toen Vidura [*] rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden had hij van de grote wijze Maitreya kennis ontvangen over de bestemming van het zelf, en aangezien hij door die kennis voldoende op de hoogte was van alles wat er te weten viel, keerde hij terug naar de stad Hastinâpura. (2) Na al de vragen die Vidura aan Maitreya had voorgelegd in zijn aanwezigheid, had zich in hem een onverdeelde toewijding voor Govinda ontwikkeld en zag hij af van verdere vragen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bood hem een zitplaats en bereidde hem vervolgens een ontvangst.
(7) Nadat hij rijkelijk had gegeten, gerust had en comfortabel gezeten was boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of vernomen hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo gelukkig zijn in hun liefde voor God, allen gelukkig met waar ze wonen?'
(12) Aldus door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals dat gepast was, het ene na het andere onderwerp afhandelend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over dit in feite zo onverkwikkelijke en onverdragelijke aspect van het gedrag van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god past, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Vanwege een vloek van Mandûka Muni [die onder Yama's verantwoordelijkheid onrechtvaardig was behandeld], moest Vidura honderd jaar lang de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] spelen. Aryamâ nam zolang zijn plaats in om de straffen uit te delen die de zondaars toekwamen [**].
(16) Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen en genoot samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote welstand. (17) Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft op onnavolgbare wijze al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer] trek je alstjeblieft zonder te dralen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, omdat het de Allerhoogste Heer betreft die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, zo dierbaar als het is voor een ieder, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd die werd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden en te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien dat dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.
(31) Terugkerend naar het paleis wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], nadat hij de halfgoden had aanbeden met offerandes en giften voor de brahmanen, de ouderen zijn respect betonen met eerbetuigingen, maar hij kon zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar zijn mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren zij de weldoeners die ons allen beschermden die nog maar kleine kinderen waren - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "
(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd in de liefde voor zijn meester hem niet kon vinden, was van streek over de gescheidenheid en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Met de voeten van zijn meester in gedachten veegde hij met zijn handen de tranen van zijn gezicht en deed hij zijn best zich te hervinden om koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet wat uw ooms of Gândhârî van plan waren, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en op een gepaste wijze ter verwelkoming van de wijze hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.'
Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, want de Allerhoogste Heer waakt over u. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeenbrengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier er door de hymnen en voorschriften van de Veda aan gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]. Heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]. De zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning, nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan en nu wacht Hij de verdere loop der gebeurtenissen af. Zo ook moeten jullie Pândava's zolang als Hij hier nog op aarde aanwezig is, de zaak bezien en maar afwachten.
(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevluchtsoord hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Met behulp van zithoudingen, adembeheersing en het naar binnen richten van de geest weg van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en de wijsheid te laten opgaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, net zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het breken met de effecten van de werking der geaardheden zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet langer gehinderd in het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval o zoon van de Kurudynastie, zal met gemengde gevoelens van verrukking en verdriet vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.' (60) Nadat hij aldus de koning had toegesproken steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira die zich de instructies ter harte nam, gaf daarna al zijn weeklagen op."
*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.
**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.
Hoofdstuk 14: De Verdwijning van Heer Krishna
(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Degene Verheerlijkt door de Vedische Hymnen, te zien en om uit te vinden wat Zijn verdere plannen waren. (2) Na een paar maanden, toen Arjuna daar niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zondigheid zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan. (4) Er was bedrog in normale transacties, wanbegrip wierp zich op in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl er ook tussen man en vrouw strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.
(6) Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok om zijn vrienden te zien en ook om uit te vinden wat Krishna van plan was. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok o Bhîmasena, en ik weet niet precies waarom dat zo is. (8) Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten? (9) Aan Hem hebben we onze welvaart, koninkrijk en vrouwen te danken. Door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en door Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en leven voor een betere wereld. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest. Al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen als gevolg van de angst die ik voel. Dit wijst allemaal op ongewenste gebeurtenissen. (12) Zie, o Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt met zonsopkomst en hoe de hond zonder angst naar me blaft. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links liggen en ezels en dergelijke draaien om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif lijkt een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft rondhangen en hoe de aarde tezamen met de heuvels en de bergen verzucht onder luide donderslagen bij een heldere, wolkenloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof, en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen. Wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en toevluchtsoorden hebben hun schoonheid verloren, beroofd als ze zijn van alle geluk. Wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo opwerpt zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van de buitengewone kwaliteit van de Allerhoogste Persoon zal onfortuinlijk zijn zonder die gunstige tekens.'
(22) O brahmaan, terwijl koning Yudhishthhira op die manier denkend de slechte voortekenen waarnam, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Terwijl hij voor de voeten van de koning boog was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die van zijn naar beneden gerichte gezicht uit zijn lotusogen liepen. (24) Toen hij het benauwde hart en het bleke voorkomen van Arjuna zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Zijn onze Yaduverwanten van Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka allen gelukkig met de dagen die ze doorbrengen in Dvârakâ? (26) Is mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] S'ûrasena goed gezond met het slijten van zijn laatste dagen en gaat het met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers allemaal goed? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - alle zeven zusters met Devakî in eigen persoon aan het hoofd, met hun zonen en schoondochters allen gelukkig? (28-29) Zijn koning Ugrasena, wiens zoon de slechterik was [Kamsa], en zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Is ook alles goed met de Hoogste Persoonlijkheid Balarâma, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, en de andere eminente zoons van Krishna en hun bovenste beste zoons? (32-33) En gaat het ook net zo goed met de constante metgezellen van Krishna als S'rutadeva, Uddhava en anderen, Sunanda, Nanda en andere leiders? En zijn ook de andere bevrijde zielen in orde die de besten onder de mensen zijn? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna er ook aan hoe het met ons gaat? (34) Schept de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen [zij die onderlegd zijn in de geestelijke kennis], nog altijd genoegen in het zedige gezelschap van de vrienden rondom Hem in Dvârakâ? (35-36) Ten behoeve van de bescherming en de verheffing van alle leefwerelden verkeert er in het gezelschap van de oceaan van leden van de Yadudynastie de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter alsmede Ananta [Balarâma]. In Zijn eigen stad genieten de leden van de Yadufamilie van Zijn beschutting en proeven ze daarbij het transcendentale genoegen zoals de ingezetenen van de hemel dat doen. (37) Middels het hoogst belangrijke bestieren van de gemakken aan de voeten, zorgden de zestienduizend metgezellen van het zwakke geslacht met Sathyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de ingezetenen van de hemel onderwierp, zodat zij konden genieten van wat normaal is voorbehouden aan de vrouwen van de heer van de donder. (38) De Yadu's, die de bescherming van Zijn armen genieten, betreden immer onbevreesd de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste der goden waardig was.
(39) Mijn beste broer, ben je helemaal gezond? Het lijkt me dat je je luister hebt verloren. Is het omdat je het respect mist en verwaarloosd bent of, mijn broer, omdat je zo lang weg was? (40) Heb je je greep verloren omdat iemand je onvriendelijk heeft bejegend of je bedreigde, of kon je niet vrijgevig zijn of de belofte nakomen dat te zullen doen? (41) Was jij die benaderd wordt voor de bescherming van de geschoolden, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen, er niet toe in staat in de behoeften te voorzien van ieder levend wezen dat zijn toevlucht zocht? (42) Kwam je in contact met een verwerpelijke vrouw of heb je misschien een acceptabele vrouw onheus behandeld, of is je goede zelf onderweg alsnog verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je oude mannen en jongens die het verdienden met je samen te eten over het hoofd gezien of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend Heer Krishna, je een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere redenen bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "
Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug
(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, die gescheiden van Krishna erg vermagerd was, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren antwoord te geven. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen veegde en met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als de weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie zelfs maar voor een enkel moment gescheiden alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven toeschijnen, alsof ze allemaal lijken zijn. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten en kon ik het wonderschoon gebouwde vergaderhuis realiseren dat werd ontworpen door Maya [uit dankbaarheid dat hij hem redde uit de brand in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha [in zijn hoofdstad] waren bijeengebracht om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [van de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik ooit eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en de andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er levend in dit lichaam in een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire macht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner werd ik door Hem verlost wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kurudynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem verkeerdelijk aan voor een vriend die gelijk is aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.
(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen. Als gevolg van die vloek hebben ze, dronken van de rijstwijn, elkaar als een stel dwazen met stokken gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen o Koning, nam ook de Almachtige Ene de last die werd gevormd door de Yadu's weg van de wereld door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "
(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met een geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend die hij midden op het slagveld ontving en terugdenkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Omdat hij vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slaagde te breken met de twijfels die werden opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de transcendentie van het bestaan zonder een materiële gedaante, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadudynastie, besloot ook Yudhishthhira voor het heil van de ziel zich terug te trekken en de wereld achter zich te laten. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadudynastie] door de Ongeborene prijsgegeven zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien voor de Heer alle doorns hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, gaf Hij, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke over wie te vernemen zo de moeite waard is, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.
(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken en kleedde zich dan ook gepast voor dat doel. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en qua kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij voor de gelegenheid in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd begrensd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid volkomen ongeïnteresseerd. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen terug in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood en in volledige toewijding verenigde hij dat weer met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel die hij richtte op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen en bracht hij zijn dagen door met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij zich ook begaf.
(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de bovenzinnelijke voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen, de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, vertrok na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die besefte dat haar echtgenoten zich niet meer om haar bekommerden concentreerde zich op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid terwille van het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie aldus komen tot de toegewijde dienst van de Heer."
Hoofdstuk 16: Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging
(1) Sûta zei: "O hooggeleerden, daarna regeerde Parîkchit, de grote toegewijde, over de aarde onder leiding van de tweemaal geborenen met de kwaliteiten waarvan de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, hadden gedacht dat hij ze zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar met Janamejaya als de eerste. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers met gepaste beloningen voor Kripâcârya, die hij als zijn geestelijk leraar had gekozen, en de godsbewusten die erbij kwamen kijken. (4) Eens, tijdens een veroveringscampagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kalitijdperk terecht te wijzen die, vermomd als een koning, maar lager dan een s'ûdra [loonarbeider] de poten van een koe en een stier aan het pijnigen was."
(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom berispte hij tijdens zijn campagne alleen maar de meester van Kali die uitgedost was als een koning maar als iemand lager dan een s'ûdra tegen de poten sloeg van een koe? O fortuinlijke, beschrijf dat allemaal voor ons alstublieft, voor zover het verband houdt tenminste met de gespreksonderwerpen van Krishna. (6) Want waarom zouden zij die bevrijd zijn en van de honing aan Zijn lotusvoeten genieten, nu hun leven verspillen met het eindeloos bespreken van illusoire zaken? (7) O Sûta, in deze wereld van sterfelijke menselijke wezens die maar kort te leven hebben wordt voor het heil van hen daarin die een eeuwig leven verlangen de heer van de dood, Yamârâja aangeroepen die heerst over het zoenoffer [van het vlees van de dieren]. (8) [Men is ervan overtuigd dat] niemand zal sterven zolang hij die over de dood heerst hier zijn plaats heeft. Om die reden wordt hij er door de wijzen als [de vertegenwoordiger van] de grote heer bij betrokken. Laat [dus] hen die onder zijn gezag vallen drinken van de nectar van de vertellingen van Zijn goddelijke spel en vermaak. (9) Brengen zij die lui zijn, oppervlakkig van belangstelling zijn en maar kort leven, hun dagen en nachten niet door met doelloze activiteiten en met slapen?"
(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuruhoofdstad verbleef, hoorde dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij, in zijn verantwoordelijkheid om militair het gezag te handhaven, zijn pijl en boog ter hand. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij de hoofdstad in het gezelschap van strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen om zich te verzekeren van een overwinning. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurus'a achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde en waar hij zijn gezag handhaafde door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna onder de mensen die hij ontmoette. Ook vernam hij over zijn eigen bevrijding van het wapen van As'vatthâmâ en over de toewijding voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard] onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ. Zeer blij daarmee beloonde hij, met grote ogen van vreugde, de mensen grootmoedig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) Optredend als een wagenmenner, voorzittend in bijeenkomsten, handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, had Hij die van Vishnu is en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd [Krishna], gehandeld met gebeden en eerbetuigingen in relatie tot de godvrezende zoons van Pându. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.
(17) Aldus verzonken in gedachten over de goede kwaliteiten van zijn voorvaderen hield hij in zijn dagelijkse bezigheden vast aan hun voorbeeld. Verneem nu van mij over een zeer opmerkelijk voorval dat zich toen niet ver van hem vandaan voordeed. (18) De persoonlijkheid van de religie die slechts op één poot stond [de z.g. 'stier' van dharma waarvan de poten staan voor de vier menselijke hoofdwaarden], kwam rondzwervend de bedroefde koe [moeder aarde] tegen die tranen in haar ogen had zoals een moeder die haar kind heeft verloren. (19) Dharma zei: 'Mevrouw, gaat het wel helemaal goed met uw gezondheid? Bedroefd kijkend met een hangend gezicht ziet u eruit alsof u wordt gekweld door een ziekte of dat u in beslag wordt genomen door een verwant ver van u vandaan, o moeder. (20) Treurt u erover dat drie van mijn poten achteruit zijn gegaan en ik nog maar op één poot sta, of is het omdat de vleeseters gebruik willen maken van uw lichaam? Of komt het omdat de verlichte zielen en aanverwanten het moeten stellen zonder hun aandeel in het offer als gevolg van een tekort aan plechtigheden of omdat de levende wezens in toenemende mate te lijden hebben onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het moeten stellen zonder de bescherming van hun echtgenoten en vaders of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolden zich afzet tegen de principes van de godin [van het leren]? Of spijt het u dat de meesten van hen tegen de brahmaanse cultuur in handelen door hun toevlucht te zoeken bij de heersende klasse? (22) Is het omdat de nakomelingen van de adel onder invloed van het Kali-tijdperk hun verstand lijken kwijt te zijn en de aangelegenheden van de staat links en rechts in het honderd laten lopen? Of is het vanwege de gewoonten die de samenleving heeft opgevat om zich te voeden en te drinken en hoe men slaapt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Kan het zijn, o moeder aarde, dat u denkt aan het heil dat werd gesticht door de handelingen van de incarnatie van de Heer die uw zware last verlichtte maar nu uit het zicht is verdwenen? (24) Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droevenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd u beroofd van het goede geluk waarover zelfs de verlichte zielen zich lovend uitlieten?'
(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O Dharma ik zal mijn best doen antwoord te geven op al de vragen die u gesteld heeft, daar u met uw vier poten [de vidhi] er in al de werelden bent om het geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En zeker ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - al deze en vele andere vormen de eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nimmer aflatende hogere natuur welke kan worden bereikt door degenen die de grootheid waardig zijn. Dankzij Hem ben ikzelf, net zoals de godin van het geluk dat is, een dergelijke bron van kwaliteiten, maar in de afwezigheid van Hem die de spil ervan is, treft men Kali, de bron van alle zonden, aan in alle werelden. (31) Ik treur voor mezelf zowel als voor u en ook voor de besten onder de verlichte zielen, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, alsook voor alle mensen in hun statusoriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de godin van het geluk] wiens genade werd gezocht door halfgoden als Brahmâ en voor wie de goden menigmaal boete deden in overgave aan de Heer, heeft terwille van de eredienst haar eigen verblijfplaats in het woud der lotusbloemen opgegeven uit gehechtheid aan de zaligmakende voeten. Als gevolg van wat Hij deed slaagde ik, die op mijn huid de voetafdrukken ervoer van de Hoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, erin op schitterende wijze in de drie werelden te zegevieren uitgerust als ik was met de door mij verworven speciale vermogens van de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok. Maar op het laatst, juist toen ik mij zo gelukkig achtte, heeft Hij me verlaten. (34) Hij die me heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde eveneens voor u in de Yadufamilie, en wel vanwege het feit dat u, die de kracht miste om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, vraag ik u, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de liefde, blikken, glimlachen en hartelijkheden van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon die de gepassioneerde wrake en ernst van een vrouw als Satyabhâmâ overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over de afdruk van Zijn voeten?'
(36) Terwijl de aarde en de persoonlijkheid van de religie aldus converseerden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."
Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali
(1) Sûta zei: "Daar [bij de rivier de Sarasvatî] zag de koning hoe een s'ûdra [iemand van de laagste klasse] die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was, alsof er niemand was om ze te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsnood en urineerde en trilde van de angst terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe en van streek vanwege de s'ûdra die haar tegen haar poten sloeg, was zonder een kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze in haar zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij om te denken dat je op deze plek de hulpelozen, die onder mijn bescherming staan, ter dood kan brengen! Als een acteur doe je je krachtig voor verkleed als een godsbewust man, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het twee maal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als de schurk die je op die manier bent verdien je het gedood te worden!'
(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons in de vorm van een stier verdrietig maakt? (8) Nog nooit heeft er, behalve dan in het geval van u die tranen in uw ogen heeft om een ander, er onder de bescherming van het gezag [van de armen] van welke koning van de Kurudynastie dan ook een dergelijke treurnis op aarde bestaan. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser over en onderwerper van de afgunstigen, zal het u goed gaan. (10-11) O kuise, hij in wiens staat de levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen. Het is voorzeker de hoogste plicht voor koningen gezag uit te oefenen zodat er een einde komt aan het leed van hen die te lijden hebben en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie heeft uw drie poten afgehakt, o zoon van Surabhi? Wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me daarom over hem die u verminkt heeft en die de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zonder twijfel de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en, veilig overeenkomstig de geschriften, diegenen terecht te wijzen die in deze wereld het spoor bijster zijn geraakt.'
(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al hetgeen u zei ter wille van de vrijheid van angst van hen die te lijden hebben past iemand van de Pândavadynastie, de dynastie die door zijn kwaliteiten Heer Krishna ertoe aanzette zich te gedragen als een dienaar en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, omdat de persoon verbijsterd is als gevolg van alle meningsverschillen, kunnen we niet zeggen wie [of wat] de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die zich afkeren van alle dualiteiten verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de werking van de materiële natuur of het gevolg is van het aanvaarden van gezag van buitenaf. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat. Wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "
(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie had te zeggen, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverwogen. (22) 'U o kenner der plichten, o dharma in de vorm van een stier, u spreekt alleen maar op deze manier [van de niet te achterhalen oorzaak] omdat u weet dat [net zoals dat gaat met een goeroe die op het karma wijzend het karma op zich neemt] hij die met zijn vinger wijst naar degene die fout bezig is zelf in de positie belandt fout bezig te zijn. (23) Met andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is iets dat voor levende wezens niet te verwoorden noch te doorgronden is. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya-yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, het vasthouden aan het hebben van seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde bevrijd van een grote last, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten nu genoten door mensen van een laag niveau die verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'
(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden wierp Kali, onder de druk van de angst, zijn koninklijke uitdossing af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij die de armen welgevallig is en in staat is met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held die hij was ten voeten was gevallen, hij, de held van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven. Wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar dat wil nog niet zeggen dat u in mijn koninkrijk kan blijven. U bent immers de vriend van de goddeloosheid. (32) Met u fysiek aanwezig als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid en dat alles welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in de buurt van die plaatsen van eerbetoon waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers hun offeranden hebben. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "Hoofdstuk 19: De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî
(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekend als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij.' "
(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, want goud is door de hartstocht de vijfde zonde vanwege de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet die personen die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door activiteiten aan te moedigen die de drie verloren gegane poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier weer terugbrachten, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Het huidige bestuur hebben we aan hem te danken, het is de troon die werd overgedragen door de koning, de grootvader [Yudhishthhira] toen die het wenste zich in het woud terug te trekken. Door die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Door de ervaring van de zoon van Abhimanyu de koning, dankzij zijn heerschappij over de aarde, kunt u nu allen de inwijding genieten van het uitvoeren van dit soort offers."
Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen
(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Door een brahmaan vervloekt te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Nadat hij al degenen die hem nabij stonden had achter gelaten en hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke had begrepen, gaf hij als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî] zijn lichaam op aan de oever van de Ganges. (4) Zij die met Zijn voeten in gedachten zich bezighouden met Zijn lofzangen en waardering hebben voor de nectargelijke verhalen waarin Hij wordt verheerlijkt, zullen zelfs niet in hun stervensuur in verwarring verkeren. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Net als een bij die recht op de nectar afgaat wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich inspannend voor het ongunstige nooit iets bereikt. (8) Kali die in de ogen van de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was Parîkchit als een tijger onder de mensen degene die onder de zorgelozen de zorgzame was. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld die er over de vrome Parîkchit in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kennis te nemen van alles wat ik heb besproken aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden."
(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) Met het brengen van dit offer waarvan de afloop onzeker is zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die onvermijdelijk op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik volmaakt in evenwicht verkeren in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Als men er eenmaal de smaak van te pakken heeft zal men nooit genoeg krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, Hem wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees, o geleerde, zo aardig om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert, nadat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa met het doel hem in te wijden inzake het pad der bevrijding. (17) Vertel ons daarom over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [de toewijding] is vervat. Beschrijf voor ons, op de manier zoals het Parîkchit werd verteld, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."
(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, die door deze manier van converseren zijn verbonden met de groten, ondanks dat we van een verschillende komaf zijn, er duidelijk toe zijn bevorderd vandaag [een hogere] geboorte [in de geest des Heren] te nemen. Als men hen van dienst is die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig bevrijd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiële] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel temeer geldt dat niet voor hen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat u die zo sterk als de zon bent er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als met de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.
(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd terwijl hij onaangedaan in trance verkeerde verheven boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt door zijn lange, samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) O brahmanen, gegeven de omstandigheid dat hij door zijn honger en dorst was aangeslagen, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij met de punt van zijn boog kwaad een levenloze slang van de grond op en legde die op zijn weg naar buiten over de schouder van de wijze om vervolgens terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van de wijze van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen, geen vals voorgewende trance was om een ontmoeting uit de weg te gaan met een lagere bestuurder.
(32) Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien gaan ze recht in tegen wat is vastgesteld voor dienaren, terwijl ze niet meer zijn dan waakhonden bij de deur! (34) De zonen van de heersende klasse hebben over de geleerden te waken als waakhonden - op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en van hetzelfde bord te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben!' (36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede zijn speelkameraadjes toesprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende donderslag van woorden: (37) 'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.' (38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."
(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende hij die was geboren in de familie van Angirâ langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning die nimmer mocht worden veroordeeld omdat hij de beste onder de mensen is, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar jammerde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dermate onbetekenende overtreding! (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijke persoon van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43) O mijn jongen, de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt wordt vertegenwoordigd door deze monarch, als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die er meteen toe zullen overgaan de onbeschermden te pakken te nemen alsof ze lammeren zijn. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en zal men ook verkeerd omgaan met de vrouwen en de dieren. (45) De rechtschapen samenleving van mensen die zich overeenkomstig de Vedische voorschriften ontwikkelen in hun roepingen en levensstadia zal dan systematisch teniet worden gedaan, en met het economisch handelen dat dan in dienst zal staan van het zingenot zal dat resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een directe, eersteklas toegewijde van de Heer en een heilige van adel; een groot brenger van paardoffers - en als hij hongerig en dorstig is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt.'
(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die door het qua intelligentie onvolgroeide kind werd begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpen ziel. (48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs als een van hen wordt gedood, zullen de verdraagzame toegewijden van de Heer zich nooit wreken voor deze dingen.' (49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk niet vond dat het beledigen van de kant van de koning iets zondigs was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, ze bevinden zich immers in de bovenzinnelijkheid van de ziel."
(1) Sûta zei: "Toen de koning op weg was naar huis bedacht hij dat wat hij gedaan had iets afschuwelijks was en hij raakte zeer gedeprimeerd bij de gedachte: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Voorzeker is het vanwege het ingaan tegen de voorschriften dat ik zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen zal moeten zien. Ik hoop van harte dat dat zo gauw mogelijk gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik, vandaag nog, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van het zondigen tegen de Heer, de cultuur en de koeien me niet weer zal overkomen.' (4) Terwijl hij zo aan het peinzen was vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon. (5) Hij besloot deze wereld op te geven alsmede de wereld hierna, want hij was reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren ten opzichte van een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna. Dus ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten. Dat was wat hij naar zijn mening het beste kon doen. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Heer Krishna dat de wereld vanbinnen en vanbuiten heiligt en zelfs de Heer der Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon die gedoemd is te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) Met dat besluit gaf hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, met zijn plaatsnemen aan de oever van de rivier die stroomde van de voeten van Vishnu, zich over aan de genade van Mukunda tot de dood erop volgde. Hij zou vrij van alle vormen van materiële gehechtheid, het vasten volbrengen zonder af te wijken van de geest der geloften die door de wijzen worden gerespecteerd.
(8) Al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld op een hoger plan kunnen brengen, kwamen toen daar bijeen met het argument van een bedevaart. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthanemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten der wijzen die de meest vooraanstaande adel van advies dienden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën der wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Met allen comfortabel gezeten en na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, sprak hij, voor hen staand als iemand wiens denken zich heeft losgemaakt van wereldse zaken, nederig met gevouwen handen over zijn besluit om te vasten. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om van al de koningen die het geleerd hebben om open te staan voor de gunsten der grote zielen degene te zijn die zo fortuinlijk is, want aan de voeten der brahmanen zijn de koninklijke geslachten vanwege hun verwerpelijke handelingen niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden. (14) Vanwege mijn zonden, heeft de Heerser over zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld via die brahmaan een vloek tegen me uitgesproken, ik die in mijn gehechtheid almaar aan familiezaken zat te denken. Met het aangenomen hebben van die gedaante zal Hij spoedig, met de vrees die Hij aanjaagt, mijn wereldse gehechtheid hebben verslagen. (15) Aanvaard mij derhalve o hoog geleerden, als iemand die met de Heer in zijn hart zijn toevlucht heeft genomen tot de goddelijke moeder de Ganges. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten. En gaat u alstublieft door met het verslag doen van de daden van Heer Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook met betrekking tot de Allerhoogste Onbeperkte Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen in eerbetoon voor de tweemaal geborenen mag aantreffen.'
(17) En zo gebeurde het dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten terwijl hij naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Al de goden die vanuit de hemel hadden gezien dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden daarop waarderend de aarde met bloemen waarbij ze vergenoegd op de hemelse trommen sloegen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn aldus betoonde wijsheid en zeiden, instemmend vanuit de macht van hun goedheid voor de levende wezens, een goedheid die kwalitatief van dezelfde schoonheid is als het goddelijke geprezen in de geschriften: (20) 'Het wekt geen verbazing dat deze heilige koning die ons allen die strikt Krishna volgen aanvoert, met het bekleden van de troon die versierd is met de helmen der koningen, zijn leven onmiddellijk opgaf in zijn verlangen om omgang met de Fortuinlijke te krijgen. (21) We zullen allen zolang hier blijven als de koning nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van het Allerhoogste terug te keren, alwaar deze vooraanstaande toegewijde volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'
(22) Nadat hij de verzamelde wijzen aldus onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij in zijn verlangen te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle windstreken als de vertegenwoordiging van de Ene boven de drie werelden [Heer Brahmâ], met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige Vedisch geleerden, me nu, na de nodige bezinning, te zeggen wat van al de verschillende verplichtingen van een ieder en in het bijzonder van diegenen die op het punt staan heen te gaan, de juiste en gepaste handelwijze zou zijn.'
(25) Op dat moment verscheen, als geroepen, de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî. Hij die eruitzag als een bedelmonnik reisde zelfvoldaan in zijn zelfverwerkelijking omringd door kinderen rond zonder zich te bekommeren om materiële gemakken of om een identiteit. (26) Hij, slechts zestien jaar oud, had een fijngebouwd lichaam met delicate armen, benen, handen, dijen, schouders en voorhoofd. Zijn ogen waren prachtig groot in een gezicht met een hoog oplopende neus, daarbij passende oren, fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en extra lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwarte, donkere huid, de schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen. En dus stonden ze allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om hem zijn eer te betuigen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich meteen terug toen hij zijn verheven zitplaats innam in ontvangst van het respect. (30) Aldaar omringd door de grootsten der grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijken, straalde S'ukadeva als de hoogste heer, zo prachtig als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend werd de wijze benaderd door de grote toegewijde, de koning, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verboog en hem toen beleefd en vriendelijk vragen stelde.
(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, wat een zegen is het voor ons van de heersende klasse om vandaag te zijn uitverkozen als de dienaar van de toegewijde, om bij uw genade dat u onze gast wil zijn, het bezoek waardig te worden geacht van al deze relaties van uwe goedheid. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat meteen al de plaatsen waar we wonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden. (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden onze zwaarste zonden terstond weggevaagd, precies zoals dat gebeurt met de ongelovigen als Vishnu aanwezig is. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, mij genadig en heeft Hij, voor het genoegen van Zijn neven en broers mij, hun afstammeling, aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe was het anders mogelijk dat u, uit eigen beweging, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, hier bent verschenen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, normaal gesproken niet onder de gewone man wordt aangetroffen? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar der asceten, om duidelijk te maken wat voor een persoon in dit leven de volmaaktheid, de uiteindelijke zaligheid is, en wat voor iemand die op het punt staat te sterven allemaal de plicht zou zijn. (38) Leg alstublieft uit o meester, waar de mensen in het algemeen naar moeten luisteren en wat ze moeten bezingen, wat ze moeten doen, wat ze in gedachten moeten houden en delen, alsmede wat in strijd met de beginselen zou zijn. (39) Dit vraag ik u omdat, o allerhoogste toegewijde, men thuis bij de huishouders u zich zelden langer ziet ophouden dan de precieze tijd nodig om een koe te melken.' "
(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva die zo goed thuis was in de kennis van iemands eigenlijke plicht, met zijn antwoord."
Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Schepping.
CANTO 2: De Kosmische Manifestatie
Hoofdstuk 1: De Eerste Stap in de Godrealisatie
(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'Dit vragen stellen door u voor het heil van allen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd zijn en blind voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en seks bedrijven gedurende de nacht en met het verwerven van inkomsten en het verzorgen van hun gezin overdag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze ondanks hun ervaring niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die reden o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die als de Superziel en de Hoogste Persoonlijkheid de heersende en overwinnende Heer is die hen die verlangens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn over het algemeen de wijzen die de sfeer van voorschriften en beperkingen hebben overstegen o Koning, die er behagen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.
(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara-tijdperk [de yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder leiding van mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Volledig gerealiseerd als ik was in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak [van de Heer] o heilige Koning, en dus bestudeerde ik de vertelling. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die respectvol er hun volle aandacht aan schenken zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [in Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die vrij zijn van materiële verlangens als voor hen die begeren, alsook voor allen die vrij van angst en twijfel zijn in hun innerlijk verenigd zijn [de yogi's] o Koning, vormt, in navolging van de traditie, het steeds weer zingen van de Heer Zijn heilige naam de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men welbewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khathvânga zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen moet men zich bevrijden van de angst voor de dood door, met behulp van het wapen der onthechting, te kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft. (16) Nadat men zijn thuis in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats verlaten heeft, behoort men overeenkomstig de reglementen naar behoren gereinigd en gezuiverd, in afzondering in de goede houding plaats te nemen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktiseren van de drie heilige letters [A-U-M]. Aldus het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] niet vergetend, realiseert men zich door het reguleren van zijn ademhaling de beheersing [die uitgaat] van het Allerhoogste. (18) Als men voor het heil van de deugd zich concentreert in meditatie, keert de geest zich af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden. Dit gebeurt omdat de intelligentie die is opgegaan in vruchtdragende handelingen geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Met het daarna, zonder het geheel uit het oog te verliezen, richten van de geest op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam alsook van de logica], moet men er dan ook voor zorgen dat men aan niets anders denkt dan die toevlucht [die wordt gevormd door de voeten] van de Allerhoogste Heer Vishnu die de geest tot rust brengt. (20) Vanwege de hartstocht en traagheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat weer goedkomt in de concentratie van hen die de vrede vonden die aan al het verkeerde een einde maakt. (21) Zij die gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis de vereniging zoeken en vasthouden aan deze toewijding zullen spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dat goedkeurt.'
(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van op welke plaats en met welke soort activiteiten een persoon zich moet bezighouden en mee moet blijven doorgaan, om zich zonder omwegen te kunnen ontdoen van een onzuivere geest?'
(23) S'rî S'uka zei: 'Als men beheerst neerzit, zijn adem onder controle heeft, de gehechtheid overwonnen heeft en de zinnen heeft onderworpen, moet men zijn aandacht richten op de grove materie van de uiterlijke gedaante van de Allerhoogste Heer [de virâth-rûpa].
(24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [zie kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de Purusha [de Oorspronkelijke Persoon] die de Allerhoogste Heer is. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden herkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], Rasâtala worden dan Zijn hielen en tenen genoemd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon heten de Talâtala werelden. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen Mahîtala o Koning. De kosmische ruimte houdt men voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere, verlichte werelden vormen Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar. Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en de andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de Vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde vormen, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] zijn, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is. De materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin staat voor de hunkering, religie vormt Zijn borst en het pad der ongelovigheid wordt gevormd door Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel zijn de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken, de Tijd, is Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materiële natuur vormt Zijn activiteit. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de grondoorzaak van de materiële schepping. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl Heer S'iva, zo zegt men, de innerlijke oorzaak is [Zijn ego, Zijn zelf]. Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstellen] middels het brengen van offers.
(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken. Buiten Hem is er in het grofstoffelijke als zodanig immers niets anders te vinden. (39) Hij die zich als de Superziel op zoveel manieren laat kennen in alle vormen, ongeveer zoals een dromer die zichzelf [in verschillende situaties] ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. Men moet zich op Hem richten en nergens anders op als men zich niet door gehechtheden verlaagd wil zien.'
Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart
(1) S'rî S'uka zei: 'Ontstaan uit de Superziel [zoals Heer Brahmâ] hervindt iemand in het zich bezinnen [op de Universele Gedaante], door het aldus voldoening vinden [met de Heer] de verloren gegane herinnering aan zijn voorgaande bestaan. Daarop kan hij [de individuele ziel] die met een opgehelderde blik de intelligentie vond zijn leven weer opbouwen zoals het voorheen was. (2) Als iemand [echter] de geestelijke klanken aanhangt van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid doet dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], verwijlen in onsamenhangende ideeën om reden waarvan men zonder ooit de vreugde te vinden rondwaart in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Om die reden moet een intelligent iemand die zijn aandacht heeft gefixeerd [op de Universele Gedaante], als hij de perfectie wil bereiken, slechts minimaal, naar gelang de noodzaak zich betrekken op benamingen [vormen en andere materiële belangen] zonder zich er ooit door te laten leiden. Hij behoort van het praktisch inzicht te zijn dat hij zich anders in zou zetten voor [niets dan] zware arbeid. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en wat is met de beschutting van bomen nu het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan hen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid. (7) Wie anders dan de materialisten zouden met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag der baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?
Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13) Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.
(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven o Koning, behoort men als wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het wensen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van de wetenschap van het terwille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen. (20) De mediterende moet de zwevende kracht geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottehoofd. Dit moet hij intelligent uitzoeken in meditatie. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener die van verzaking is om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de uitgang van de zeven centra het domein van het hoofd binnen te gaan om een poos ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot daar stand te houden terwille van het onvermoeibare en eeuwige.
(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren met behulp van de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan moet men onvermijdelijk ook rekenen met de geest en de zinnen die daarbij komen kijken. (23) Men beweert over de weg gevolgd door de grote transcendentalisten dat ze, vertrekkend vanuit het bereik van het subtiele lichaam, zich binnen en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, terwijl zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer de vooruitgang bereiken die is weggelegd voor hen die in de verzaking van hun toegewijde dienst verzonken zijn in de yoga.
(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men via het gracieuze verloop [de sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen] van de ademhaling, als men de hemelbewegingen volgt [de cakra-orde], de zuivere geest [Brahmaloka, de plaats van de Schepper] die opheldering verschaft en de onzuiverheden wegneemt. Dan bereikt men naar boven gericht o Koning, de schijf [de cakra, het wiel] genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt die aanbiddenswaardig is voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen der verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.
(28) Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, reikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit der zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego]. Bijgevolg vordert hij met het geheel buiten werking stellen van de materiële geaardheden in de richting van de werkelijkheid der volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].
(32) Alles wat ik u beschreven heb o beschermer van de mens, stemt zoals uwe Majesteit dat verlangde naar behoren overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken. (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er voorzeker geen methode van realisatie die beter is dan de weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die met het vullen van hun oren met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is van de nectar drinken, zullen hun door het materiële plezier verontreinigde geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die bij de lotus staan.'Hoofdstuk 3: Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart
(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reactie op de vragen die uw goede zelf stelde over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Zij die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's [Brihaspati]; Indra, de koning van de hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn er voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is er voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod is er voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn er voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgodenbroers] zijn er voor het verlangen om lang te leven, voor een sterk lichaam wordt moeder aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren de godinnen van de aarde en de hemelen. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het Universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Zo ook moeten zij die verlangen om te leren, S'iva aanbidden, terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.
(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun zorg zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder gewone verlangens. (9) De goddelijke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar men zoekt de demonen om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of hij nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, iemand die het ruimer beziet dient met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen in aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, door om te gaan met Zijn zuivere toegewijden een niet aflatende spontane aantrekking tot de Allerhoogste Heer. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke in de transcendentie van het onthecht zijn van deze geaardheden de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie die in beslag wordt genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in actie komen door deze aantrekking?"
(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de poëtische wijze? (14) O hooggeleerde Sûta, zet voor ons die er zo naar uitzien erover te vernemen deze onderwerpen uiteen. In een gezelschap van toegewijden zijn immers die verhalen welkom die leiden tot de vertellingen over de Heer. (15) Hij, die kleinzoon van de Pândava's, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, een groot strijder die als kind al met poppen de activiteiten van Heer Krishna naspeelde. (16) En zo moet het - met al die toegewijden daar - ook zo gegaan zijn in de aanwezigheid van de zoon van Vyâsadeva die, in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva die door zovelen wordt verheerlijkt, er al de goede kwaliteiten voor had. (17) Met uitzondering van degene die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen betreffende Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, maakt het op- en ondergaan van de zon de levensduur van de mensen alleen maar korter. (18) Leven de bomen ook niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en eten de beesten om ons heen ook niet en planten ze zich ook niet voort? (19) Een persoon wiens oor nimmer de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden bereikte is niet loffelijker dan een een hond, een varken, een ezel of een kameel. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, de Ene van de enorme vooruitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last als dat lichaam nooit neerbuigt voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], precies zoals handen, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, gelijk zijn aan die van een lijk, zelfs al zijn ze gesierd met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Vishnu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit en te nimmer het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en een afstammeling van Manu [een mens] is maar een ademend lijk als hij nooit de weelde van het aroma van de tulsîblaadjes van de lotusvoeten van Heer Vishnu heeft geroken. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks dat het verzonken is in het zingen van de Heer zijn naam, niet transformeert met de emoties van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) O Sûta Gosvâmî, u drukt zich uit in gunstige bewoordingen, vertel daarom welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende S'ukadeva Gosvâmî desgevraagd de koning die naar de waarheid zocht onthulde."Hoofdstuk 4: Het Proces van de Schepping
(1) Sûta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Heer Krishna. (2) Hij [aldus mediterend] gaf [voor een ogenblik innerlijk] zijn diep gewortelde en constante bezitsdrang op die samenhing met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist en al zijn verwanten en vrienden in zijn onbetwiste koninkrijk. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me het nu vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten overeenkomstig de drie principes [van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, economische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hooggeleerde; u die zonder smetten bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwerpen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum creëert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7) En alstublieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energieën handhaaft en ze weer terugtrekt, hoe Hij als de almachtige Hoogste Persoonlijkheid komt tot Zijn expansies, ze erbij betrekt alsook er zelf bij betrokken zijnd, ze presenteert en ze aanzet tot handelen [zie ook canto 1, hoofdstuk 3]. (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt middels Zijn verschillende incarnaties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt aan de hand van de geaardheden, tegelijkertijd in de materiële energie aanwezig is, danwel zich opeenvolgend manifesteert in vele gedaanten. (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aangezien u, zo goed zijnde als de Opperheer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de Vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid.' "
(11) Sûta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester der zinnen] te beschrijven ging S'uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, methodisch aan de slag.
(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugtrekken van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij Zich vanbinnen ophoudt als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen voor Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die het onware aanhangen, mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent waar zij die van de status zijn van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid naar zoeken [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor die grootse kameraad van de Yadudynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Voor Hem van wie de verheerlijking, de heugenis, het aanschouwen, de gebeden, het luisteren en het eerbetoon alle mensen terstond van de gevolgen van hun zonde bevrijdt, voor Hem over wie men zegt dat Hij ten gunste werkt in alle opzichten, breng ik telkens weer de eerbetuigingen die ik Hem schuldig ben. (16) Zij die helder van geest zijn en die door eenvoudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig bestaan volledig opgeven, brengen zonder moeilijkheden de vooruitgang van het hart en de ziel naar een spiritueel bestaan tot stand; die vermaarde, alles begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen. (17) De grote wijzen, de grote helden der liefdadigheid, zij die zich het meest onderscheiden, de grootste denkers, de grote mantrachanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen als die niet aan Hem zijn opgedragen. Hem over wie te vernemen zo iets gunstigs is breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India], Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en vele anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn raken meteen gezuiverd als ze hun toevlucht bij de Heer Zijn toegewijden zoeken. Voor Hem, de machtige Heer Vishnu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten, de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering. Moge die Allerhoogste Heer die de achting geniet van hen die boven alle pretenties verheven zijn - de Ongeboren Ene [Heer Brahmâ], Heer S'iva en anderen - mij gunstig gezind zijn. (20) Moge Hij, de Allerhoogste Heer en meester van de toegewijden, Hij die de eigenaar is van alle weelde, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde en de nummer één en bestemming van de [Yadu]koningen van de Sâtvata's, de Andhaka's en de Vrishni's, mij genadig zijn. (21) Men beweert dat te denken aan Zijn lotusvoeten en er op ieder ogenblik in verzonken zijn, met achting voor de autoriteiten, zuivert en de eigenlijke kennis verschaft van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden ertoe aanzet Hem naar eigen inzicht te beschrijven. O Mukunda, mijn Opperheer, moge Uw genade altijd met me zijn. (22) Moge Hij die de eerste van de Schepping kracht gaf [Heer Brahmâ] met heugenis in het hart omtrent Zijn aard en zijn eigen oorsprong, en die [aldus] van het begin af aan de Godin van het Leren inspireerde die uit Brahmâ's mond leek te zijn geschapen - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materiële schepping en al deze lichamen die zijn gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de Purusha [de oorspronkelijke persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onderdelen [bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van actie en de vijf zintuigen], moge die Allerhoogste Heer mijn uitlatingen kracht bijzetten. (24) Mijn eerbetuigingen voor hem, de grote expansie van Vâsudeva [te weten Vyâsadeva], die de vergaarder is van de Vedische literatuur van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) Het eerste levende wezen [Brahmâ] mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, vanbinnenuit de Vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "
Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken
(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen o god der halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen der materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam en een vorm die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend, die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u]. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'
(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, je bent zeer vriendelijk in je volmaakte navraag. Dit inspireert me ertoe nader in te gaan op de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) Mijn zoon, je hebt het bij het rechte eind met wat je zoëven zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste boven mij te kennen zal het zeker zo zijn als je beweerde. (11) Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen bij de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken zij die verbijsterd zijn een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie met de Eeuwige Tijd alsook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ze ieder voor zich geen waarde hebben. (15) Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Geïnspireerd door dat wat door Hem de Ziener, de Ziel van Allen, de Heerser over Alle Intelligentie werd geschapen die mij heeft geschapen, schep ook ik.
(18) Van deze [geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werden aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Het eeuwig bevrijde, levende wezen dat is onderworpen aan condities van oorzaak en gevolg is [echter] aangedaan door de geaardheden van de materiële energie die zich [in zijn leven dan] manifesteren als [respectievelijk] kennis, activiteiten en materiële traagheid. (20) Hij, de Opperheer, die als de getuige van de getuige [door het levende wezen dat is geketend] aan de symptomen van de drie geaardheden niet kan worden gekend in Zijn bewegingen o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] neemt aldus, vanuit Zijn eigen vermogen spontaan in verschillende, verworven [guna]gedaanten verschijnend, de werklast [het karma] op Zich zowel als de specifieke aard [of svabhâva, van het levende wezen]. (22) Door het toezicht van de oorspronkelijke persoon vond de schepping van de mahat-tattva [de 'grotere werkelijkheid'] plaats, door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit deze specifieke naturen vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Maar door de transformatie van het grotere geheel domineerden de hartstocht en de goedheid in sterke mate [in den beginne]. Daarop trad [tegenwicht biedend in reactie] de geaardheid der duisternis sterker naar voren die wordt gekenmerkt door materie, materiële kennis en een overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich naar de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid, en aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie. (25) Uit de vorm der duisternis die transformatie onderging, ontwikkelde zich [als de eerste] van de elementen de ether met haar subtiele vorm en geluidskwaliteit die de aanduiding vormen van zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam het [kosmisch] denken van de goden voort die handelen in goedheid, [overeenkomstig de vijf zintuigen van waarnemen en handelen] gekend als de tien heersers over de windrichtingen [de Digdevatâ's], de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemelen [Indra], de godheid der transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ]. (31) Vanuit de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie plaats die de levende energie de intelligentie verschafte van al de zinnen van het handelen - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus - en het waarnemen - het horen, zien, voelen, proeven en ruiken. (32) Zolang deze categorieën van de elementen, de zinnen, het denken en de geaardheden der natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o beste in de kennis [Nârada]. (33) Toen die [elementen] allemaal dankzij de [drijvende] kracht van de Allerhoogste de één na de ander waren samengevoegd en ze hun toepassing vonden, vond dit universum met zijn beide ware en illusoire, zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] zijn bestaan.
(34) Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de individuele ziel [de jîva of de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn onderbenen. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld der verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of Universele Gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.'
Hoofdstuk 6: De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd
(1) De Schepper zei: 'De mond [van de Universele Gedaante] vindt men in het vuur dat het centrum vormt van de stem van de zeven [metrums der] lofprijzingen [gezongen ter ere van] de essentiële ingrediënten [de natuurlijke elementen of de lagen van Zijn lichaam. Dhâtava, letterlijk: huid, vlees, zenuw, merg, been, bloed en vet]. Het met respect offeren van allerlei soorten voedsel en lekkernijen die door menselijke wezens dan worden gewaardeerd als de nectar [van de overblijfselen] vormt het veld van handelen [voor het heil van] Zijn tong. (2) Voor Zijn neus is er de levensadem en de buitenlucht om de bovenzinnelijke ervaring van een lang leven [de As'vinî halfgoden] voort te brengen in combinatie met al de medicinale kruiden en geuren die men kan genieten. (3) De ogen [van de grote gedaante] die allerlei vormen waarnemen alsook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleiden het door de oren horen uit alle richtingen van al de geluiden van het eerbetoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn uiterlijke verschijning [het aanzien van de Universele Gedaante] vormt het fundament voor alle dingen en gunstige gelegenheden en het veld waar men oogst, terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt die tot allerlei offerandes aanleiding geeft. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken met behulp waarvan in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken. Daarbij vormen de wolken met hun electriciteit, de stenen en het ijzererts Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien in de behoeften en het beschermen van de burgerbevolking. (7) In de Heer Zijn toevluchtverschaffende lotusvoeten herkent men de vooruitgang van de lagere, middelste en hemelse werelden, omdat ze in alle behoeften voorziend met het verschaffen van wat nodig is vrijwaren van vrees en alle zegeningen inhouden. (8) Water, het zaad en het vruchtbare van regens verwijst naar de genitaliën van de Schepper, de Heer, of de plek waar het geluk ontspringt dat wordt teweeggebracht door [de noodzaak van] het voortbrengen [van nageslacht of cultuurproducten]. (9) O Nârada, de opening waar de uitscheiding van de Universele Gedaante plaats vindt vormt de oorsprong van Yama, de godheid die heerst over alles wat op zijn einde loopt en van Mitra. Het vormt het rectum dat herinnert aan afgunst, ongeluk, de dood en de hel. (10) Frustratie, immoraliteit en onwetendheid ontdekt men aan Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene beweger [de Tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en de ook weer in Zijn buik [in de middelste werelden, S'iva] vernietiging vindende wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.
(12) Het door u, door mij, door mijn zoons [de Kumâra's] en door Heer S'iva behartigen van het dharma hangt af van het leven en de ziel van het Opperwezen [dat de veilige haven vormt] van waarheid en wijsheid. (13-16) Ik, u, Heer [S'iva], alsook de grote wijzen vóór u, de goddelijken, de demonen, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens, alsmede de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de sterren, kometen, planeten en manen en de donder en bliksem; al wat er was, wat er is en zal worden geschapen, dit gehele universum bij elkaar wordt [doordrongen en] omvat door de Oorspronkelijke Persoon in een formaat van niet meer dan zestien centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon zijn stralen vanbuiten uitspreidt en al het levende verlicht en [vanbinnen met prâna] kracht verschaft, wekt ook de expansie van de Universele Gedaante, de Hoogste Persoonlijkheid, het bestaande vanbinnen en vanbuiten tot leven. (18) Hij beheerst de onsterfelijkheid en onbevreesdheid en is verheven boven de dood en het vruchtdragend handelen van iedereen en derhalve, o Nârada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid als onmetelijk beschouwd.
(19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in [slechts] een kwart van het veilige reservoir van alle volheden waar geen dood of vrees bestaat. Dat reservoir is de Hoogste Persoonlijkheid die zich voorbij de materiële lagen van de drie werelden ophoudt. (20) Het [resterende] driekwart deel van Hem in het voorbije vormt de plaats waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen. Binnen [het kwart van de materiële wereld] vindt men daarentegen de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] die zijn gereserveerd voor de statusposities van hen die gehecht aan het gezinsleven zich niet strikt houden aan de gelofte van het celibaat. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten bekend zijn, en is aldus, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Hij uit wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstonden, samen met de elementen en de zinnen overeenkomstig de materiële kwaliteiten van het universum, is in de overtreffende trap van die Universele Gedaante te vergelijken met de zon [die] in verhouding tot de stralen en hitte die hij verspreidt [er altijd los van staat].
(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem ontspringend aan de navel van deze grote persoon, had ik naast de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niets om offers mee te brengen. (24) Om offers te brengen is dat wat men offert, zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro], nodig tezamen met een altaar alsook een raamwerk van de tijd [een kalender b.v.] om de geaardheden van de natuur te kunnen volgen. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen zijn hiermee gemoeid, o godvruchtige. (26) Ook het aanroepen van heilige namen en mantra's alsook het ontvangen van bijdragen en afleggen van geloften betreffende de specifieke godheid in kwestie spelen een rol. Daarbij is er voor het doel van ieder van deze zaken afzonderlijk een speciaal geschrift. (27) Om middels aanbidding te kunnen vorderen in de richting van het uiteindelijke doel en om van compensatie [vrijwaring, correctie en excuus] te kunnen zijn met de uiteindelijke offers die werden gebracht voor de diverse delen van het [bestuurlijke] lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de vertegenwoordigende halfgoden], voorzag ik in de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, gebruikmakend van al die benodigdheden, de expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) En dienovereenkomstig praktiseerden uw [gods-]broeders, de negen meesters der levende wezens [de negen scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5: 30], met gepast ritueel ter wille van de geziene en ongeziene persoonlijkheden. (30) In navolging [van die scholen of halfgoden] waren ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd van aanbidding om Hem te behagen, en zo deden dat ook de andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, tegenstanders [Daitya's] en de mensheid als geheel.
(31) Al deze hoogst machtige manifestaties, die de materiële illusie van het hebben van een gedaante hadden aanvaard in de sferen van het universum, vonden terwille van Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, hun bestaan in de werkelijkheid van schepping, behoud en vernietiging, alhoewel Hij aan zichzelf genoeg heeft in Zijn transcendentie. (32) Naar Zijn wil schep ik terwijl onder Zijn beschikking S'iva vernietigt. Hijzelf treedt daarbij op als de Oorspronkelijke Persoon en beheerser van de drie energieën die het hele universum behoudt.
(33) Aldus heb ik u op uw verzoek dit alles uitgelegd mijn beste. Waar je ook aan denkt, of het nu een oorzaak of een gevolg is, er is niets dat buiten de Allerhoogste Heer zijn bestaan heeft. (34) O Nârada, deze geestelijke instelling heeft zich steeds als de juiste bewezen omdat ik in mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. Mijn gedachtengang dwaalde er nooit mee af in onwaarheid en mijn zinnen haalden me er niet mee naar beneden in de tijdelijkheid. (35) Ik ben de Vedische wijsheid in eigen persoon, ben vol van verzaking, de aanbiddelijke meester van al de voorvaderen en een zelfgerealiseerde deskundige in de praktijk van de yoga, niettemin slaagde ik er niet in Hem uit wie ik zelf ben voortgekomen te doorgronden. (36) Ik ben [derhalve] de gezegende voeten van de Heer der overgegeven zielen toegewijd die de herhaling van geboorte en dood stoppen en zicht op het geluk verschaffen. Net zo min als de hemel zijn eigen begrenzing kan zien kan Hijzelf zich nog niet eens een voorstelling maken van het vermogen van Zijn eigen Persoonlijke energieën. En hoe zouden anderen dat dan wel kunnen? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al] Zijn bewegingen kunnen overzien, kan je ook niet verwachten dat andere godsbewusten dat kunnen. Met je intelligentie verbijsterd door de begoochelende energie van het geschapene heeft men alleen maar zicht zover als het vermogen reikt.
(38) Wij bieden Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken hoewel personen als wij Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de absolute, voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept in ieder millennium in Zichzelf, middels Zichzelf, Zijn eigen transcendentale aanwezigheid, handhaaft Zichzelf [voor enige tijd] en neemt [Zichzelf ook weer] op in Zichzelf. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het Absolute zonder een begin en een einde. Vrij van de natuurlijke geaardheden verkeert Hij in een positie waarin Zijns gelijke nooit en te nimmer te vinden is. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen als hun zinnen zijn behartigd en hun zelf tot vrede is gebracht, anders zal dit inzicht zeker verdraaid zijn door onhoudbare argumenten en uit het oog zijn verloren. (42) De eerste avatâra van de Heer, is de Oorspronkelijke Persoon: [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu. Hij vormt de basis van] de ruimtetijd [kâla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het volkomen geheel van al het bewegende en niet bewegende van het universele wezen [genaamd Garbhodakas'âyi Vishnu].
(43-45) Ikzelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver; al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's]; de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden; de aanvoerders van de hemelbewoners [van de Ghandarva, Vidyâdhara en Cârana werelden] alsook de leiders van de demonen [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld; de eersten onder de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de speciale talenten, de onbeschaafden en ook de doden; de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] met inbegrip van de grote waterdieren, beesten en vogels - met andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig is of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht is, bestaat alsof hij zelf de [opperste] gedaante van [het representeren van] Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zou zijn, maar in feite vormt ieder van hen slechts een onderdeel. (46) O Nârada, heb nu waardering voor de toewijding voor het spel en vermaak van de belangrijkste incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid. Die toewijding zal de trage materie doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je deze verhalen, die stuk voor stuk een genoegen zijn om naar te luisteren, de één na de ander vertellen zoals ze zich in mijn hart bevinden.'
Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's
(1) De Schepper zei: 'Toen de Heer als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aannam van het totaal van alle offers [als de everzwijn-avatâra Varâha], was Hij in die gedaante van plan de aarde op te heffen uit de [Garbhodaka] oceaan. In de oceaan verscheen toen de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand.
(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van Prajâpati Ruci, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht die werden aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie']. Met hen drong Hij in beduidende mate het leed van de wereld terug om reden waarvan de vader van de mensheid Svâyambhuva Manu hem de nieuwe naam Hari [de Heer] gaf.
(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de schoot van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] samen met zes zusters. Als Heer Kapila ['de analytische'] sprak Hij met Zijn moeder over spirituele zelfverwerkelijking, waardoor zij in dat leven verlost werd van de materiële geaardheden die de ziel overdekken en bereikte ze de bevrijding.
(4) Tevreden over de overgave van de wijze Atri die bad voor nageslacht, zei de Heer hem: 'Ik zal je Mij geven!' en om die reden kreeg Hij de naam Datta [Dattâtreya, 'hij die geschonken werd']. Het stof van Zijn lotusvoeten leidde tot de zuivering van het mystiek lichaam en bracht de rijkdom van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.
(5) Omdat ik in het verleden sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor werd de spirituele waarheid verwoest toen de wereld in het water verzonk, maar met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden werd de kennis volledig in ere hersteld.
(6) Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een Prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de vooruitgang van de mens']. De Opperheer aldus [nedergedaald] stond het op basis van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen nimmer toe dat Zijn geloften werden gebroken door de hemelse schoonheden die Hem met Cupido [de god van de liefde] benaderden. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Maar met [de twee van] Hem vanbinnen aanwezig, is de lust te bang om naar voren te treden. Hoe kan met Hem voor de geest nu ooit de lust de aandacht opeisen?
(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen van een bijvrouw die ondanks de aanwezigheid van de koning [Uttânapâda] werden geuit, nam zijn zoon Dhruva ['de onverzettelijke'], toen hij nog maar een jongen was, zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud. De Heer door zijn bidden behaagd bevestigde het doel van zijn realisatie [Dhruva loka, de spil der sterren] waarvoor de grote wijzen en de bewoners van de hemel naar boven en naar beneden gericht sedertdien bidden.
(9) Toen de tweemaal geborenen koning Vena ['de bezorgde'] vervloekten die afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag waarbij hij met al zijn grote daden en weelde in de hel belandde. Nadat er voor Hem was gebeden werd hij bevrijd door de Heer die naar de aarde kwam als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] en bracht daarbij tevens tot stand dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.
(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî. Evenwichtig in de aangelegenheid der yoga leek Hij dwaas terwijl Hij presteerde op het hoogste niveau der wijzen waarop men met het aanvaarden van de spirituele essentie - de onafhankelijkheid - de activiteit van de zinnen heeft onderworpen en volmaakt bevrijd is van materiële invloeden.
(11) De Allerhoogste Heer, de ziel van al de goden, de Persoonlijkheid van het Offer die in alle offers wordt aanbeden, verscheen in een offerande van mij met een hoofd als dat van een paard en een gouden glans [en wordt aldus Hayagrîva genoemd]. Door Zijn ademen door Zijn neusgaten kan men de geluiden van de Vedische hymnen horen.
(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk Heer Matsya ['de vis'] die als het behoud voor de aarde een toevlucht vormde voor alle levende wezens [in de vorm van een boot tijdens de zondvloed]. De Veda's die vanwege de grote angst voor het water voortkwamen uit mijn mond werden toen door Hem opgepikt die daar Zijn sport bedreef.
(13) Toen in de oceaan van melk [ofwel de kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, de 'grote berg'] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma], zodat het over Zijn rug schuurde en jeukte.
(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degene die de angst van de godsbewusten wegnam met het fronsen van Zijn wenkbrauwen en de schrikwekkende tanden van Zijn mond, terwijl Hij zonder pardon op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorboorde die Hem had uitgedaagd met een strijdknots in zijn handen.
(15) De leider der olifanten [Gajendra] die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem, terwijl hij een lotus vasthield, in grote nood op de volgende wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum. Uit U die beroemd bent als een pelgrimsoord komt al het goede voort als men alleen maar Uw naam hoort, de naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde kliefde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakrawapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.
(17) Hoewel Hij, de grootste in bovenzinnelijke kwaliteiten, [de jongste was van] al de zonen van Aditi ['de oneindige'], overtrof Hij [hen allen] door in dit universum al de werelden te omspannen en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd. Bedelend voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij zo als Heer Vâmana al het land [van Bali Mahârâja] in bezit zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten onder wiens gezag men nimmer zijn bezit mag verliezen. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit, zelfs niet als dat ten koste ging van zijn lichaam, aan iets anders vast te houden dan aan wat hij had beloofd omdat hij besloten had zich aan de Heer te wijden.
(19) De Opperheer tevreden over de goedheid die je ontwikkelde middels je bovenzinnelijke liefde o Nârada, gaf heel vriendelijk gedetailleerd uitleg over het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel die allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.
(20) Bij de glorie van Zijn persoonlijke kracht onderwerpt Hij onversaagd onder alle omstandigheden de drie systemen [zie loka] in al de tien windrichtingen als Hij in de verschillende Manutijdperken [manvantara's] incarneert als een nakomeling van de Manudynastie. Heersend over de onverlaten en de koningen van die aard met behulp van Zijn cakrawapen, vestigt Hij aldus Zijn roem tot in de wereld der waarheid [Satyaloka] *.
(21) Onder de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalt de Opperheer neer in het universum als de roem in eigen persoon om sturing te geven aan de kennis die men nodig heeft om een lang leven te verwerven. Hij doet dit middels het verschaffen van de nectar die voortkomt uit het [Kurma karn-]offer en snel de ziekten van alle levende wezens geneest.
(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te dringen zal de grote ziel [Heer Paras'urâma], de Opperste Geestelijke Waarheid in eigen persoon, al die doorns uit de wereld helpen die waren afgedwaald van het pad en solliciteren naar een hels bestaan. Hij hanteert voor dat doel ontzagwekkend machtig eenentwintig keer Zijn bovenzinnelijke bijl.
(23) Bij machte van Zijn grondeloze, allesomvattende genade, daalt de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud in zal trekken met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed veroorzaakte. (24) Voor Hem zal de angstige Indische oceaan snel baan maken, als ze ziet dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbranden, waarna Hij, vertoornd als Hij is over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], van een afstand met bloedrode ogen zal mediteren op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Als de slurf van de olifant die Indra draagt breekt op de borst van Râvana straalt er licht in alle richtingen. Râvana zal dan van vreugde heen en weer paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren zal aan dat lachen en de levensadem van hem die Sîtâ ontvoerde een einde komen door het zingen van de boog [van Râma].
(26) Als de hele wereld in staat van ellende verkeert vanwege de last van de soldaten der ongelovigen, zal Hij [Krishna], met Zijn Volkomen Aspect [Balarâma], Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, Hij wiens pad van glorieuze daden zo moeilijk te herkennen is voor mensen in het algemeen, onherroepelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie anders dan Hij zal in God's naam als een kind nog maar, een levend wezen kunnen doden dat de vorm van een gigantische demone heeft aangenomen [Pûtanâ], of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen alsook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna zal opgroeien] zal Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven wekken die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtige gif zal Hij er in de rivier behagen in scheppen de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhoudt met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden zal al de bewoners van Vraja [het koeiendorp] die diezelfde nacht zorgeloos liggen te slapen redden van verbranding door het vuur dat laait in het droge woud. Op die manier zal Hij hen die er zeker van waren dat het met hun leven was afgelopen, samen met Balarâma overtuigen van Zijn ondoorgrondelijke vermogen door ze simpelweg hun ogen te laten sluiten [en hen zo op dezelfde manier redden als Hij later de gopa's redt uit een andere bosbrand]. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-]moeder [Yas'odâ] ook zal proberen om haar zoon mee vast te binden, telkens zal het dan weer te kort blijken te zijn. En dat wat ze zal zien als Hij Zijn mond opendoet voor de twijfelende koeherdersvrouw [die naar aarde zoekt die Hij gegeten zou hebben] zijn al de werelden, hetgeen iets is dat haar op een andere manier zal overtuigen. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-]vader die Hij eveneens zal redden - van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] - en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] alsmede zij die [wonend in Vrindâvana] overdag hard werken en 's nachts slapen, zal Hij allen belonen met de hoogste wereld van de geestelijke hemel [Brahmaloka of Vaikunthha]. (32) Als de koeherders er [door Krishna] van worden weerhouden om hun offers voor de koning van de hemel te brengen, zal Indra een zware regenval veroorzaken. Hij [Krishna], dan nog maar zeven jaar oud, wil dan de dieren beschermen en zal in Zijn grondeloze genade zeven dagen lang met enkel één hand de heuvel Govardhana speels omhoog houden alsof [het een paraplu is], zonder dat Hij er moe van wordt. (33) Als Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos het verlangt om bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, zal Hij de liefdesverlangens opwekken van de vrouwen van Vrajabhûmi en hun ontvoerder [S'ankhacûda] onthoofden die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) [Demonische] types als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom], vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen als S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en een ieder die machtig en goed bewapend is zoals Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, zullen dankzij Hem van het toneel verdwijnen en Zijn hemelse woning bereiken, danwel dankzij een van de andere namen die bij Hem horen zoals Baladeva [Krishna's broer], Arjuna en Bhîma.
(36) Geboren uit Satyavatî zal Hij [als Vyâsadeva] na de nodige tijd inzien wat voor moeite de minder intelligente en maar kort levende mensen hebben met de al te ingewikkelde en toegespitste Vedische literatuur. Aangepast aan het tijdperk zal Hij dan de gehele verzameling van deze wensboom van de Veda's in verschillende takken onderverdelen.
(37) Voor hen die op de weg der scholing zeer goed onderlegd raakten maar jaloers zijn op het goddelijke en de werelden en de ether ongezien doorkruisen met uitvindingen van Maya [ofwel met moderne technologie], zal Hij zich heel aanlokkelijk vertonen en [als de Boeddha en zijn vertegenwoordigers] in van de traditie afwijkende termen uitvoerig spreken over hun destructieve verstandsverbijstering.
(38) Als er zelfs onder de beschaafde heren geen sprake meer is van de Heer en de tweemaal geborenen [de hogere klasse] en de regering bestaande uit leden van de arbeidersklasse zelf nooit of te nimmer met Zijn lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer [Kalki], de bestraffer, verschijnen.
(39) In den beginne was er de boete met mij en de negen wijzen die alles voortbrachten, in de middenperiode is er het actieve van het dharma met Vishnu, Manu, de halfgoden en de koningen in hun leefwerelden en op het eind is er het goddeloze met S'iva en de kwaaie atheïsten en dergelijken. Het zijn allemaal machtige vertegenwoordigers van de begoochelende energie van de Ene der Almacht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. In één grote beweging wist Hij [als Trivikrama] met Zijn been moeiteloos het universum te bestrijken tot in de neutrale staat van de natuurlijke geaardheden voorbij aan de hoogste wereld. (41) Noch ik, noch al de wijzen die vóór u werden geboren zijn in staat het bereik van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon te overzien. En wat kan men dan verwachten van anderen die na ons geboren werden? Zelfs Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] de eerste incarnatie van de voorwereldlijke God met de duizend gezichten kan tot op de dag van vandaag met het bezingen van de kwaliteiten Zijn grens niet bereiken. (42) Alleen zij aan wie de Heer Zijn genade verleent zijn in staat de oneindige oceaan der materie over te steken. Dat zijn die beschermde zielen van wie het zoeken van Zijn toevlucht inhield dat ze zich zonder terughoudendheid ondubbelhartig overgaven aan Zijn voeten, ofwel dat ze bewust Zijn diverse energieën niet als het hunne beschouwden met inbegrip van dat van hen [hun lichaam] dat bedoeld is te worden gegeten door jakhalzen en honden. (43-45) O Nârada, weet dat we beiden behoren tot het verstandsverbijsterende spel van illusie van de Allerhoogste Ene, en dat geldt ook voor de grote Heer S'iva, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] van de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena], alsook Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, en anderen als Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanu, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en kampioenen als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook zij die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen - op voorwaarde dat ze de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden naleven - de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, zelfs als ze voorheen zondig leefden. En als het zelfs dieren lukt die door mensen werden afgetraind, hoeveel te meer zou dat dan niet opgaan voor mensen die over Hem vernamen? (47) Het Absolute van de Geest [Brahman] staat bekend als onbegrensd geluk dat vrij is van leed. Het is de uiteindelijke positie van de Hoogste Persoonlijkheid van God voor wie de illusie wegvlucht in schaamte. Die zuivere, onbevlekte staat vrij van onderscheidingen gaat de woorden te boven die horen bij het materieel motief van vruchtdragende handelingen, het vormt het oorspronkelijk beginsel van de Superziel, de oorzaak van alle oorzaak en gevolg, het is bewustzijn vrij van angst en het onverstoorde tegendeel van het geheel van de materie [zie ook B.G. 2: 52]. (48) In die staat van volledige onafhankelijkheid komt er een einde aan de diverse praktijken van de mystici die in het proces van hun geestelijke cultuur de perfectie nastreven, zoals Indra [de god van de regens] ook geen waterput hoeft te graven. (49) De Opperheer is de ene meester van alle goedheid omdat Hij het succes brengt van [de spirituele realisatie met] al het goede werk dat door het levende wezen werd verricht overeenkomstig zijn natuurlijke aard. Nadat het werk is volbracht lost het lichaam weer op in de samenstellende elementen, maar net zoals de ether nimmer verloren gaat gaat ook de geestelijke ziel van de persoon nimmer verloren [zie ook B.G. 2: 24].
(50) Mijn beste, aldus zette ik in het kort uiteen hoe de Allerhoogste Heer het universum heeft geschapen. Wat er ook moge bestaan in het fenomenale [materiële] of noumenale [geestelijke] kan niet van enige andere oorzaak zijn dan Hari, de Heer. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door hem, de Allerhoogste Heer en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de Heer Zijn uiterlijke aangelegenheden zal het levende wezen dat met regelmaat er aandacht aan besteed en er toegewijd waardering voor opbrengt nooit door de materiële illusie begoocheld raken.'
*: Bij vers twintig verandert de tijd van Brahmâ's toespraak van verleden tijd in de tegenwoordige tijd en vandaar af aan in de toekomende tijd vanaf vers tweeëntwintig. Hieruit kan worden afgeleid dat Vyâsadeva dit gesprek projecteerde in de periode van de Avatâra Kurma toen Dhanvantari verscheen.
Hoofdstuk 8: Vragen Gesteld door Koning Parîkchit
(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, die was geïnstrueerd door Heer Brahmâ o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden? (3) Spreekt u alstublieft verder, u die van het grootste geluk bent, zodat ik met mijn geest gericht op de Allerhoogste Ene van de ziel, Heer Krishna, bevrijd van materiële gehechtheid mijn lichaam kan opgeven. (4) Zij die zich met geloof regelmatig in deze spirituele materie verdiepen en tevens stand weten te houden in die onderneming, zullen niet lang daarna de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Als men aldus via zijn oren deze klanken [van het Bhâgavatam] ontvangt zal de lotusbloem van de liefdevolle relatie met Krishna al de onzuiverheden wegwassen, zoals het water van de herfst de poelen zuivert. (6) Eenmaal gelouterd zal de persoon die zijn toevlucht nam tot Krishna's voeten nimmer die bevrijding opgeven, precies zoals een reiziger die de ellende van het leven ondergaat nimmer zijn thuis zal opgeven [de Ziel, zie ook B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].
(7) Als het dan niet een kwestie is van een materieel bestaan o brahmaan, kan u vanuit uw zelfkennis me dan zeggen of het levend wezen in deze onderneming nu per toeval aan een lichaam komt of door een of andere oorzaak? (8) Als Hij in het bezit is van de lotusbloem van deze wereld die als het ware ontsproot aan Zijn buik, wat is dan het verschil tussen de Oorspronkelijke Persoon van deze bepaalde afmeting [van de Virâth Rûpa] en de situatie waarin men spreekt van de verschillende belichamingen [der levende wezens]? (9) Hoe kon hij van de lotusbloem die niet uit de materie was voortgekomen maar uit de navel, hij [Brahmâ] die het leven gestalte gaf van allen die werden geboren met een lichaam, door Zijn genade Zijn Gedaante waarnemen? (10) En ook [hoe kan het zijn] dat Hij als de Oorspronkelijke Persoon die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijft door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u [in 2.5] spreken over de verschillende [planeten of leef-]werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon. Wat [kan u ons vertellen] over die bestuurders die met hun verschillende werelden Zijn verschillende delen vormen?
(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's]? Wat kan u zeggen over de tijdmaten die we het verleden, het heden en de toekomst noemen? En hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat kan u zeggen over hoe de tijd, in de context van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? (14) En ook in welke mate wordt men bepaald door het zich ophopend karma in relatie tot de verschillende geaardheden der natuur en de verschillende daaruit resulterende levensvormen als gevolg van iemands verlangen? (15) Beschrijf ons alstublieft hoe de schepping van de lagere regionen, de vier windstreken, de ether, de planeten, de sterren, de heuvels, de rivieren, de zeeën en de eilanden en hun bewoners plaatsvond. (16) Wat zijn de proporties van de buitenruimte [van het universum] en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en van de verschillende roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving? (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard? En welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen ten toon in ieder van de tijdperken?
(18) Wat zijn de verschillende religieuze verplichtingen van de menselijke samenleving als geheel en wat zijn de plichten van de drie klassen [arbeid, handel en intellect] en hun bestuur [de vierde klasse]? En wat zijn de verplichtingen jegens mensen in nood? (19) Hoeveel elementen telt de schepping, wat zijn hun kenmerken en hoe reageren ze op elkaar? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst voor de Oorspronkelijke Persoon in de cultuur van de yoga en wat zijn de verschillende spirituele methoden die daartoe leiden? (20) Wat zijn de speciale vermogens die de yogameester zich eigenmaakt, waar leiden die toe, hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichaam en wat is de bovenzinnelijke kennis die men vindt in de Veda's, de aanhangende literatuur [de Upaveda], de wetboeken en de Vedische verhalen en geschiedenissen? (21) Hoe ontwikkelen zich de verschillende manieren van doen van de levende wezens en hoe komen ze weer ten einde? Wat zijn de procedures voor het uitvoeren van rituelen, het verrichten van vrome werken en daden van eigenbelang en wat zijn de regelingen voor de drie levensdoelen [de economische, religieuze en zinnelijke belangen]? (22) Hoe vindt een ieder die verenigd is in de Heer danwel tegen Hem ingaat zijn bestaan en in hoeverre zijn degenen die bevrijd zijn onderhevig aan conditionering in verhouding tot degenen die een onbepaald leven leiden? (23) Hoe geniet de onafhankelijke Opperheer nu vanuit Zijn eigen innerlijk vermogen van Zijn eigen spel en vermaak en hoe kan Hij van Zijn spel afzien als Hij, als de Almachtige, een getuige blijft van het uitwendige van Zijn vermogen?
(24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstublieft in overeenstemming met de waarheid o grote wijze, verslag van wat u me, met allen hier aanwezig die u ten voeten zijn gevallen, wilt vertellen. (25) Zeker bent u in deze aangelegenheden van feitelijke kennis zo goed als Brahmâ die rechtstreeks voortkwam uit de Heer, terwijl anderen die de gebruiken volgen dienovereenkomstig slechts kunnen spreken vanuit geleende kennis. (26) Ik ben het nooit moe o brahmaan, om in de honger van mijn vasten te drinken van de nectar van het onfeilbare die voortvloeit uit de oceaan van wat u zegt.' "
(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] die aldus in de samenkomst door de koning werd ondervraagd betreffende onderwerpen van de hoogste waarheid als deze, was, als het werktuig van de Schepper, zeer verheugd over deze dienaar van Vishnu. (28) Hij zette deze Purâna genaamd het Bhâgavatam uiteen zoals die door de Allerhoogste Heer aan Heer Brahmâ werd overgedragen aan het begin van de eerste dag [of kalpa] van de schepping. (29) Dit was het eerste dat hij [in 2.1: 8] zei ter voorbereiding van een volledige beschrijving van het begin tot het einde van alles wat de koning, de beste van de Yadudynastie, had gevraagd en nog meer zou vragen."
Hoofdstuk 9: Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer
(1) S'rî S'uka zei: "Tussen de ziel van zuiver bewustzijn in het voorbije en het materiële lichaam kan er nooit enige sprake zijn van een zinnige relatie zonder het begoochelend mâyâ vermogen van het [goddelijke] zelf [van de Heer of van 'het'] o Koning, net zoals het ook niet mogelijk is voor een dromer om enig gebruik te maken van de dingen die hij in een droom zag. (2) Met de wens op verschillende manieren genoegen te beleven aan de vele gedaanten die de uitwendige energie van mâyâ te bieden heeft is er vanwege [de werking van] haar kwaliteiten of geaardheden het idee van 'ik' en 'mijn'. (3) Zo gauw hij [de getuige, de ziel], in zijn glorie van het overstijgen van de tijd van de materiële energie, ervan geniet om vrij van begoocheling te zijn, geeft hij in die volheid het ook op met dat tweetal [van het 'ik' en 'mijn']. (4) Toen de Opperheer Zijn gedaante toonde aan de Schepper die waarachtig was in zijn geloften en ijver, maakte Hij duidelijk dat het doel van alle zuivering eruit bestaat de liefde te vinden van de kennis der zelfverwerkelijking [âtma-tattva, filognosie, het principe van de ziel]. (5) [En dus] begon hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] zich af te vragen waar die [lotus] vandaan kwam. Daarbij overwegende hoe hij met zijn schepping zou moeten beginnen, kon hij er echter niet achter komen wat de richtlijnen en procedures waren van hoe hij alles materieel moest samenvoegen.
(6) Toen hij op een keer verdiept was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden uitgesproken die de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren. Samengevoegd [tot tapas, boete] raakten die twee lettergrepen bekend als het vermogen van de wereldverzakende orde o Koning. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om zich heen om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen. Vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat hij maar het beste aandacht kon besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Hij begiftigd met een smetteloze visie beheerste zijn levensadem, geest en zinnen van waarnemen en handelen voor de duur van duizend godenjaren*, en verlichtte aldus in het verleden al de werelden door van alle boetvaardigen degene te zijn met de strengste praktijk.
(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ookwel Vaikunthha genaamd, de plaats vrij van indolentie], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Daar waar de Heer wordt aanbeden door zowel de verlichte als de onverlichte toegewijden, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder er ooit mee vermengd te zijn. Noch is er daar de invloed van de tijd of de uitwendige energie om nog maar te zwijgen over [de invloed van] al de andere zaken [als gehechtheid, begeerte etc]. (11) Zo blauw als de hemel en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, zijn al de bewoners daar toegerust met de vier armen en de luister en pracht van parels en verfijnde sieraden. (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden met oorbellen en bloemenslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats die straalt met rijen hoog oprijzende, schitterende bouwwerken [speciaal ontworpen] voor de grote toegewijden en die bevolkt is met flitsende schoonheden met een hemelse teint, ziet er zo mooi uit als een hemel met wolken en bliksemflitsen. (14) De godin van het geluk [S'rî] verricht aldaar in haar persoonlijke gedaante, in verrukking met haar persoonlijke, zingende begeleidsters, met behulp van verschillende toebehoren toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer, omringd door zwarte bijen die druk meezoemen in de aantrekking van [het eeuwigdurende seizoen van] de lente. (15) Daar zag hij [Brahmâ] de Heer van de hele gemeenschap der toegewijden, de Heer van de godin, van het Universum en het offer, de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren die vol van liefde hun gelaat naar Hem op hebben geheven zijn dronken van de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, Zijn rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, Zijn gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij als de Allerhoogste Heer volop van Zijn verblijfplaats alwaar Hij wordt omringd door de weelde van Zijn vier energieën [de principes van de materie, de oorspronkelijke persoon, het intellect en het ego], Zijn zestien energieën [de vijf elementen, de waarnemende en werkende zintuigen en de geest], Zijn vijf energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], Zijn zes energieën [de volheden van de kennis, intelligentie, schoonheid, boetvaardigheid, roem en rijkdom] en de overige persoonlijke vermogens die Hij soms ten toon spreidt [de acht siddhi's of mystieke perfecties].
(18) De Schepper van het Universum, die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor, boog met zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer. Het vormde een voorbeeld dat gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte de Heer de waardige, grote geleerde geschikt voor het gestalte geven - overeenkomstig zijn eigen gezag - aan de levens van alle levende wezens. Mild glimlachend schudde Hij zeer vergenoegd zijn partner in de goddelijke liefde de hand en richtte Hij zich in verlichte termen tot hem. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn [de 'kûtha yogi's'], ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete, de boete waardoor zich in u, die het verlangde te scheppen, de Vedische kennis verzamelde. (21) Al Mijn zegen voor u, vraag enkel Mij, de schenker van alle zegeningen, welke gunst u ook maar wenst o Brahmâ. Want het uiterste van het komen tot de realisatie van Mij vormt het ultieme succes van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaats werd u vergund omdat u onderworpen luisterde toen u in afzondering van de hoogste boetedoening was. (23) Ik was het die het in die situatie zei [dat u boete moest doen] omdat u niet wist hoe u uw plicht moest doen. Die boete is Mijn hart zelf en de Ziel is wat Ik ben voor degene die erin verwikkeld is o zondeloze. (24) Ik schep door boetedoening, Ik handhaaf de kosmos door boetedoening en Ik trek me ook weer terug op basis van boetedoeningen. Men vindt Mijn macht door gestrenge boetedoening.'
(25) Brahmâ zei: 'O Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur zich bevindend in het hart die op basis van Uw onbetwiste, superieure intelligentie op de hoogte bent van alle ondernemingen. (26) Niettemin vraag ik U o Heer, alstUblieft mijn wens te vervullen om te begrijpen hoe U, terwijl U Zelf geen gedaante heeft, enerzijds kan verblijven in het voorbije terwijl U anderzijds nederdaalt in Uw gedaante zoals wij die mogen kennen. (27) En hoe speelt U het klaar om vanuit Uzelf middels Uzelf, door te combineren en te herschikken, Uw verschillende energieën ten toon te spreiden inzake het evolueren, accepteren, onderhouden en vernietigen? (28) O Mâdhava [meester van alle energieën], stel me alstUblieft in makkelijk te begrijpen woorden in kennis van al die [gedaanten] waaraan U feilloos, vastberaden gestalte geeft zoals een spin [zijn energie in zijn web] investeert. (29) Moge ik, het van U lerend als mijn leraar van het voorbeeld en door Uw genade optredend als Uw instrument, ondanks het scheppen van de levens van de levende wezens, aldus nimmer gevangen raken in materiële gehechtheden. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me [met een handdruk] aanvaard voor het tot stand brengen van de verschillende levens van de levende wezens. O mijn Heer, mogen allen die [via mij] in de dienst aan U ongestoord het licht van de wereld zien, er nimmer aanleiding toe geven dat de verbeelding me naar het hoofd stijgt, o Ongeborene.'
(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en de nodige parafernalia. Begin er aan zoals Ik het u uitleg. (32) Moge er door Mijn genade voor u deze feitelijke realisatie zijn van Mijn eeuwige gedaante en bovenzinnelijke bestaan, Mijn kleuren, kwaliteiten en handelingen. (33) Ik was er voordat de schepping er was toen er nog niets anders bestond, niets van de oorzaak en het gevolg van dit alles dat Ik ook ben, en Ik ben het ook die van al het geschapene ten slotte overblijft; dat is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing van de duisternis. (35) De elementen van het universum doen zich, voordat ze [bij de schepping] betrokken raken zowel als erna, in het klein voor zowel als in het groot. Op dezelfde manier ben Ik [op Mijn kleinst] in hen aanwezig zowel als [op Mijn grootst] niet in hen aanwezig. (36) Hij die van de ziel zijn studie heeft gemaakt mag ervan uitgaan dat hij, totdat hij hierop uitkomt, de werkelijkheid en het principe van het Zelf zowel direct [spiritueel] als indirect [wetenschappelijk] moet onderzoeken, in relatie tot iedere tijd, op iedere plaats en in elke omstandigheid. (37) Als je doelbewuste denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste, hoef je er niet bang voor te zijn je verstand te verliezen, niet als je even [met de kalpa] de weg kwijt bent, noch als je leven [met de eindtijd van de vikalpa] is afgelopen.' "
(38) S'uka zei: "Na aldus alles goed te hebben uitgelegd, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] werd waargenomen in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Allerhoogste Zelf. (39) Nadat Hij uit het zicht was verdwenen hervatte Brahmâjî die zijn handen had gevouwen voor de Heer die het voorwerp vormt van al de zinnen [der toegewijden], op dezelfde wijze als voorheen het scheppingswerk van de levens van alle levende wezens die het universum bevolken. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich met gelofte en respect wijdde aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, want dat was wat hij verlangde in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Nârada, de meest dierbare van zijn erfgenamen, is hem zeer gehoorzaam in zijn bereidheid dienst te verlenen met zijn goede gedrag, zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) O Koning, de grote wijze en eersteklas toegewijde behaagde zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer met zijn verlangen om [meer] te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën. (43) Op dezelfde manier als u mij aan het ondervragen bent, ondervroeg Nârada Muni hem toen hij zag dat dat naar de tevredenheid was van de overgrootvader van het hele Universum. (44) Dit Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna met zijn tien eigenschappen [dat werd samengevat in de vier verzen 33-36, zie verder het volgende hoofdstuk], werd met grote voldoening door de Allerhoogste Heer uiteengezet aan Zijn [ongeboren] zoon, de schepper van het universum. (45) Aan de oever van de Sarasvatî onderrichtte Nârada [op zijn beurt] dit Allerhoogste van de Geest aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva die van een onbegrensd vermogen is, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."
*: Een goddelijk, hemels of godenjaar staat gelijk aan 360 menselijke jaren.
Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen
(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], terugkeer naar God [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en het summum bonum [het leven van Krishna, âs'raya]. (2) De grote wijzen herleidden de bedoeling van de [eerste negen] kenmerken van dit [Bhâgavatam] tot de verheldering van het summum bonum. Dit leidden ze af uit de woorden zelf die in de tekst gebruikt worden danwel uit hun strekking. (3) De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische geneigdheden [ûtaya]. (5) De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst om gevestigd te raken in de Oorspronkelijke Aard. (7) Hij die als de bron van waaruit de kosmische manifestatie plaatsvindt ook staat voor de terugkeer naar God, wordt om die reden het reservoir [de âs'raya] van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.
(8) Hij als de persoon in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is zowel de heersende godheid [adhidaivika] als de persoon die daarvan onderscheiden er is als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Hij die inziet dat men geen begrip kan hebben van één van de drie zonder de andere twee, weet dat Hij, de Superziel, de ondersteuning vormt voor Zijn eigen toevlucht. (10) Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, trad Hij in Zijn verlangen om van de zuiverste transcendentie te zijn, buiten Zichzelf om zich neer te vleien in de geschapen [causale] wateren. (11) Voor een duizendtal godenjaren in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['de weg van Nâra'] omdat deze wateren die ontstonden uit de Allerhoogste Persoon [uit 'Nara'], Nâra heten. (12) De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing. (13) Waar Hij lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën. (14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer die Zijn ene vermogen toen in drie verschillende vermogens deelde kwam tot de drie delen van 1) Zichzelf of van Zijn natuur, adhidaiva, 2) de individuele ziel, adhyâtma en 3) de andere levende wezens, adhibhûta.
(15) Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich, met Zijn wens, het zinsvermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna toen de levensadem [de prâna] naar voren trad als het alles en iedereen beheersende principe. (16) Net als het gevolg van een koning, volgen de zinnen de levenskracht van de prâna die actief is in alle levende wezens en als de levenskracht niet langer actief is houdt de rest er ook mee op. (17) De levenskracht die werd opgewekt [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond. (18) Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die hij ermee kon genieten. (19) Met de behoefte om te spreken kwamen er uit de Allerhoogste [de daarover heersende god van] het vuur voort, het spraakvermogen en het spreken zelf, maar omdat Hij in rust verkeerde in de wateren, bleven die voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tesamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste terwille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk. (22) Toen de Heer ertoe besloot dat de wijzen het opperwezen zouden moeten begrijpen manifesteerden zich eveneens de oren met inbegrip van het gezag der windrichtingen, de gehoorzin en dat wat er kon worden gehoord. (23) Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, verpreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.
(24) Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden. (25) Het wensend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu] Zichzelf manifesteerde [als hun heersende godheid] die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun vruchtdragend handelen [hun karma]. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati]. (27) Ernaar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin en substantie ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, verscheen terwille van de bescherming van hen beide. (28) Met Zijn wens zich vrij van het ene lichaam naar het andere te verplaatsen, manifesteerde zich in het lichaam de navel die de schuilplaats werd voor eerst de laatste adem die wordt uitgeblazen en vervolgens de dood. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de ingewanden en de aderen zijn oorsprong waarvoor de rivieren en de zeeën de bron vormen van hun onderhoud en stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] verscheen en daarmee ook de vastberadenheid en al het verlangen. (31) De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].
(32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen. (33) De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen. (34) Om die reden hebben we de woorden van het denken overeenkomstig het transcendentale die het Allerhoogste dienen dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat zonder een begin is, zonder een tussenstadium en zonder een einde en aldus eeuwig is. (35) Geen van deze twee [materiële en verbale] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef worden, vanwege hun uitwendigheid, ooit door de geleerden van het bewustzijn voetstoots aangenomen. (36) Hij die in feite niets doet [akarma is] vertoont zich in de gedaante van het woord en dat waar dat woord betrekking op heeft: de uiteenlopende gedaanten van de Absolute Waarheid en de Allerhoogste Heer en vat in het spel en vermaak van Zijn vormen en namen het werk op van de transcendentie. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van baatzuchtig handelen [het karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.
(41) Afhankelijk van de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid zijn er aldus de drie [bestaansvormen] van het goddelijke, het menselijke en zij die moeten lijden. Er bestaan ook andere [geboorten] o Koning, als men uitgaat van mengvormen overeenkomstig de gewoonten die men in een van de drie geaardheden ontwikkelt met benaderingen ontleend aan de andere twee. (42) Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen. (43) Zoals de wind de wolken uiteendrijft zal Hij in de gedaante van Rudra [S'iva of de vernietiger] aan het einde van het tijdperk middels vuur alles geheel vernietigen. (44) De Allerhoogste Heer wordt door hen die Zijn wezen niet kennen beschreven met het idee van deze kenmerken [van scheppen en vernietigen], maar de wijzen en leraren moeten zich niet verwaardigen de hoogste glorie enkel zo te bezien. (45) Nimmer wordt wat betreft de zaak der schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Wat ik hier samengevat zeg betreft het tot stand komen van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping. Ik weidt er nu alleen maar over uit om de regulerende beginselen te illustreren die een rol spelen bij het proces van schepping gedurende de periode van een dag van Brahmâ [een kalpa] en van vernietiging gedurende een tussenliggende periode [een vikalpa]. (47) Ik zal u ook nog uitleg verschaffen over de kenmerken en afmetingen van de tijdmaten van een dag van Brahmâ [kalpa], maar laat me u allereerst op de hoogte brengen van dit tijdperk [ookwel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "
(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde vanuit de goedheid van uzelf over Vidura, die één van de beste toegewijden is, op weg naar de pelgrimsoorden op deze aarde en die daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn. (49-50) O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij Zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"
(51) Sûta antwoordde: "Dit werd ook door Koning Parîkchit gevraagd. Ik zal u vertellen wat de grote wijze erover zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."
Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Kosmische Manifestatie.
CANTO 3: De Status Quo
Hoofdstuk 1: Vragen Gesteld door Vidura
(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging nadat hij zijn leven in welstand had verzaakt: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'
(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals die op prijs wordt gesteld door de zoekers der waarheid.'
(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld sprekend vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.
(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het opvoeden was had hij die zich nooit op het rechte pad bevond zijn gezichtsvermogen verloren toen hij voor de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optrad als hun voogd. Hij liet hen het huis van schellak ingaan dat hij toen aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel toegekend door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra]. (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna in de bijeenkomst voor hen verscheen als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, door de koning niet serieus genomen temidden van al de zinnige mannen van wie het laatste restje vroomheid aan het wegkwijnen was.
(10) Toen Vidura op verzoek van zijn oudere broer [Dhritarâshthra] naar het paleis werd geroepen ging hij daar naar binnen om raad te geven en het advies dat hij toen met zijn aanwijzingen gaf was precies wat de goedkeuring van de ministers van staat kon wegdragen: (11) 'Geef nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ vallen nu onder de zorg van de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de ondersteuning van de brahmanen en de goddelijken zich momenteel ophoudt bij Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadudynastie, die samen met Hem een ongekend aantal koningen versloeg. (13) Hij [Duryodhana], deze slechte kerel die u voor uw zoon houdt, trad in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke Persoon. U die zich aldus tegen Krishna heeft gekeerd bent aldus verstoken van al het goede - aan dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo snel mogelijk een einde maken.'
(14) Nadat Vidura deze woorden had uitgesproken werd hij door Duryodhana ter plekke aangesproken. Rood aangelopen van woede en met trillende lippen beledigde hij in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten met het volgende: (15) 'Wie heeft hem hier uitgenodigd, deze bastaardzoon van een dienstmaagd die opgroeide terend op de zak van hen die hij verraadt als een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Vidura op zijn beurt zette terstond zijn boog bij de deur neer en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door het geweld dat op hem afkwam. Ondanks deze voor het oor kwetsende pijlen, zat hij er niet over in en voelde hij zich prima.
(17) Nadat hij de Kaurava's had verlaten, bereikte hij met zijn vertrek uit Hastinâpura de vroomheid van de Allerhoogste Heer op het moment dat hij zijn toevlucht nam tot pelgrimages. Hij verlangde enkel naar de hoogste graad van toewijding zoals die middels al die duizenden beeltenissen was gevestigd. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding alwaar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, de wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de verschijningsvormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich in zijn eentje rond over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde bereizend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding uitgedost als een bedelaar tewerkgaand volgens de geloften om de Heer te behagen, kon men hem niet herkennen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1.13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos dat afbrand door vlam te vatten als gevolg van de eigen wrijving. Daarop ging hij, stil met zijn gedachten, westwaarts in de richting van de rivier de Sarasvatî. (22) Aan de oever van de rivier bezocht hij en aanbad hij naar behoren, de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Ook waren er andere plaatsen ingericht door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de leidende persoonlijkheid tot in de kleinste hoeken van de tempels terug te vinden was. Zelfs op een afstand deden ze denken aan Heer Krishna. (24) Vandaar door de welvarende koninkrijken van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India) trekkend, gebeurde het dat toen hij na een zekere tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].
(25) Hij omhelsde de sobere en zachtaardige constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel hoorde hij hem uit over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna en Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En is onze grootste Kuru en zwager Vasudeva [de vader van Heer Krishna] gelukkig, o Uddhava? Hij is waarlijk als een vader voor zijn zusters en vrijgevig in het naar het genoegen van zijn vrouwen voorzien in alles wat ze verlangen! (28) Alsjeblieft Uddhava, zeg me of de veldheer van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is. Hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als de prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's, Dâs'ârha's en Bhoja's? Hij is degene die van Heer Krishna weer op de troon mocht hopen toen hij het had moeten opgeven omdat hij buiten spel geplaatst was [onder oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde van alle strijders aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] die zo rijk is in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva. (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die van Arjuna leerde en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en bovendien door dienst te leveren de bestemming van het Transcendentale bereikte die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is. (32) En de goed onderlegde, onbesproken zoon van S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem? Hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof en de tekenen vertoonde van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja? Zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God Aniruddha, volmaakt gelukkig, Hij die als de bron voor het vervullen van de verlangens van de toegewijden van oudsher beschouwd wordt als het geboortekanaal voor de Rig-Veda, de schepper van de geest en de vierde transcendentale, volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [van Vishnu-tattva]? (35) En anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ die het goddelijke van hun eigen zelf als zijnde de ziel aanvaardden, o ootmoedige, en met een absoluut geloof van navolging zijn, gaat het hen ook allemaal goed met het doorbrengen van hun tijd?
(36) Handhaaft Yudhishthhira die heerst met de principes van het menszijn, het religieuze respect dat behoed wordt door de armen van Arjuna en de Onfeilbare? Het was hij die met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte. (37) En koelde de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede op de zondaren? Hij was niet te verslaan zoals hij met het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots optrad op het slagveld. (38) Gaat het goed met Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters en met zijn boog de Gândîva zo vele vijanden versloeg? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En zijn de tweelingzoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] nu zonder zorgen? Als oogleden die ogen beschermen werden ze beschermd door hun broers toen ze hun eigendommen terughaalden in het gevecht met de vijand zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra. (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven? Zij wijdde zich aan de zorg voor de vaderloze kinderen toen ze moest leven zonder koning Pându die in z'n eentje als een bevelvoerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.
(41) O zachtmoedige, ik maak me alleen maar zorgen over hem [Dhritarâshthra] die ten val kwam toen zijn broer [Pându] stierf. Hij keerde zich tegen mij die hem het beste wenste en verdreef me uit mijn eigen stad met het zich aanmeten van dezelfde houding als zijn zoons. (42) Daarom reis ik bij de genade van Zijn voeten incognito rond door deze wereld van de Heer die voor anderen dan Hij zo verbijsterend is om te beheersen. Ik verloor Zijn voeten nooit uit het oog omdat ik geen twijfel kende in deze aangelegenheid. (43) Wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [als gevolg van bezittingen, afkomst en navolgers] en die voortdurend moeder aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, wachtte Hij als de Allerhoogste Heer die er op uit is het lijden van de overgegeven zielen weg te nemen, er ondanks de overtredingen van de Kuru's natuurlijk mee om hen te doden. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld aanwezig is, is er om korte metten te maken met de parvenu's opdat allen tot inzicht mogen komen. Voor welk doel zou Hij anders een lichaam en allerlei soorten van karma op zich nemen? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden en bespreek de verhalen van de Heer van alle heilige plaatsen die vanuit Zijn ongeboren positie geboorte nam in de familie van de Yadu's voor het heil van alle heersers van het universum die zich overgaven aan Hem en [de devotionele cultuur van] Zijn zelfbeheersing.'Hoofdstuk 2: Terugdenken aan Krishna
(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, moest terugdenken aan de Heer en kon niet direct antwoorden omdat hij overweldigd werd door emoties. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij was opgegaan in een spel van dienstbaarheid [aan Heer Krishna]. (3) Hoe zou een dergelijke dienstbaarheid van Uddhava in de loop van de jaren nu minder kunnen worden? Toen hem [dus] enkel maar gevraagd werd over Hem te vertellen, schoot hem zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten te binnen. (4) Voor een ogenblik viel hij geheel stil als gevolg van de nectar van de voeten van de Heer. Sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig in beslag genomen door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en toen hem de tranen in de ogen sprongen omdat hij Hem zo miste, zag Vidura dat hij het voorwerp van zijn grootste liefde had bereikt. (6) Langzaam keerde Uddhava uit de wereld van de Heer weer terug naar de menselijke wereld en zijn tranen wegwissend sprak hij vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'
(7) Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden? (8) Hoe onfortuinlijk is het voor deze wereld en in het bijzonder de Yadudynastie om samenlevend met de Heer Hem net zo min te herkennen als de vissen de maan. (9) Zijn eigen mensen de Sâtvata's waren onverschrokken lieden met een goede mensenkennis die zich met Hem als het hoofd van de familie konden ontspannen en over Hem dachten als degene die overal achter stak. (10) Ookal zijn zij, net zo goed als anderen die zich aan illusies vastklampen, allen bevangen door de illusie van het uiterlijke van God, de intelligentie van de zielen die zich innerlijk volledig hebben overgegeven aan de Heer zal door de woorden die de anderen bezigen [echter] nooit op een dwaalspoor raken. (11) Na zich te hebben vertoond aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij vervolgens, toen Hij Zijn gedaante aan het gezicht van het publiek onttrok, over tot het wapenfeit van Zijn eigen verdwijnen. (12) Die gedaante die Hij toonde in de sterfelijke wereld was volmaakt geschikt voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde. Die gedaante leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten: Zijn voeten.
(13) Al de [bewoners van de] drie werelden die tijdens Koning Yudhishthhira's Rajasûya-[konings-]offer Zijn alleraantrekkelijkste gedaante zagen stonden versteld en vonden dat het vakmanschap van Brahmâ's universele schepping met Hem aanwezig in de stoffelijke wereld was overtroffen. (14) Door Zijn lachen, speelse aard en zijdelingse blikken raakten de vrouwen van Vraja meer en meer aan Hem gehecht en volgden ze Hem met hun blikken zodat ze helemaal afgeleid afwezig zaten te dromen zonder nog aan hun huishoudelijk werk toe te komen. (15) De Ongeborene die toch geboren werd, de eindeloos genadige Heer en heerser over het spirituele en materiële bereik verscheen terwille van de toegewijden als de Fortuinlijke, de Heer der Volheden, als Bhagavân die onder begeleiding van al Zijn metgezellen als een vuur is voor al de anderen die, [zoals Kamsa] levend volgens hun eigen materiële opvattingen, een plaag vormen.
(16) Het doet me pijn om te zien hoe Hij Zijn zo verbijsterende geboorte nam uit het ongeborene [in de gevangenis] waar Vasudeva leefde, hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me verdriet wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstublieft tevreden over ons!' (18) Hoe kan men als men eenmaal het stof van Zijn lotusvoeten in de neus heeft, Hem nu vergeten die met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf? (19) Uwe goedheid zag toch met eigen ogen hoe tijdens Yudhishthhira's koninklijke offerplechtigheid de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks zijn jaloezie met Krishna de volmaaktheid bereikte, de perfectie die het hoogst begeerde doel vormt voor de yogi's die dankzij hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En zeker hebben ook anderen in de menselijke samenleving Zijn hemelverblijf bereikt: zij die als krijgsheren Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd. (21) Hij is niemand minder dan de unieke Opperheer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het hoogste geluk wordt bereikt en voor wiens voeten alle [koningen vol van] verlangens hun helmen buigen in aanbidding met alle toebehoren onder leiding van de eeuwige behoeders van de maatschappelijke orde. (22) Derhalve smart het ons als dienaren in Zijn dienst o Vidura, om te zien hoe Hij zich voor Koning Ugrasena die afwachtend op zijn troon zat onderwierp met de woorden: 'O mijn Heer, alstublieft, bezie het op deze manier'.
(23) Tot wiens beschutting zou ik anders mijn toevlucht moeten nemen? Oh, wie verzekert me van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van die demone [Pûtanâ] die uit jaloezie haar borst vergiftigde om Hem dood te voeren, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat zij die als tegenstanders vijandigheid koesteren jegens de Heer der Drievoudigheid grote toegewijden zijn omdat ze, verzonken in de gedachte aan de strijd met Hem, Hem op Zijn drager [Garuda] konden zien aankomen met Zijn cakrawapen.