Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html






S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2010

 

Inleiding

 

CANTO 1: Schepping

 

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer S'rî Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1 De Eerste Stap in de Godrealisatie

Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart

Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping

Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken

Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1 Vragen gesteld door Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 De Manifestatie van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâra's en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen door Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Bevrijding uit de Valsheid

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De Verzaking van Devahûti

 

Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer Uitvoerd door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

Hoofdstuk 23 Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De Activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten

Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

  

Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert Zijn Boodschappers

Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha Opgedragen aan de Heer

Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen

Hoofdstuk 15 De Wijzen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum  

Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra

Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave

Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's

Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's

Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur

Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie

Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over

Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

 

CANTO 9: Bevrijding

 

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

CANTO 11: Algemene Geschiedenis

 

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.


 

CANTO 1: Schepping


Hoofdstuk 1
: Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke die in de materiële wereld zowel als in het voorbije aanwezig is en van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de Vedische kennis werd doorgegeven in het hart van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen, zoals dat met een luchtspiegeling van water is in relatie tot [het vuur van] de zon, in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de [schijn]zekerheid van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die altijd op zichzelf staat, de bovenzinnelijke [allerhoogste en absolute] waarheid is en die de weerlegging vormt die vrij is van illusie.

(2) In dit boek wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen. Men treft er het hoogste in aan dat kan worden begrepen door onzelfzuchtige, waarheidlievende personen. Hierin wordt dat geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Waarom zou men andere verhalen nodig hebben als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke, zoals dat werd samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] en dat, met de hulp van de vromen die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart vestigt. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de Vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] zich manifesteerde als zoete nectar die volmaakt is in ieder opzicht. O jullie die zo bedreven en gewetensvol verrukt zijn over de toewijding, geniet toch altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U die vrij bent van alle zonde en op de hoogte bent van de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen - en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Alstublieft o hooggeëerde, vertel ons daarom, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u als een onderworpen discipel vernomen hebt van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een lang leven, vertel ons in eenvoudige bewoordingen vanuit uw goedheid alstublieft wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) U bent gezegend Sûta, omdat u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta u zou, zoals de traditie het voorschrijft, ons die er zo naar verlangen moeten vertellen over Zijn incarnatie die er is voor het heil en de bemoediging van alle levende wezens. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood vinden we zelfs als we er niet geheel met ons verstand bij zijn bevrijding als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, zij die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusvoeten van de wijzen die zijn verzonken in toewijding vinden meteen zuivering door eenvoudigweg omgang met ze te hebben, terwijl een dergelijke zuivering met het water van de Ganges alleen maar wordt bereikt als men het cultiveert. (16) Wie die verlangt naar bevrijding zou nu niet liever willen vernemen over de Heer Zijn aanbiddelijke, deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Vertel ons, volijverige gelovigen, alstublieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de zegenrijke avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) Wij die de smaak weten te waarderen zijn het nooit moe steeds weer te bidden en te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte die ons telkens weer verrukken. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons voor langere tijd hier op deze plek die voor de toegewijden is bestemd verzameld, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid die ons als de kapitein van een schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali kan loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor iemands goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn verblijfplaats."

 

Hoofdstuk 2: Goddelijkheid en Dienst aan God  

(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormingsceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathiserend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levenservaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.

(5)
O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken. (6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [de Opperbevelhebber]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is het karma er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken, herinneren en aanbidden. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke gedaanten der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele gedaanten van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard. (28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestatie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3: Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreidde, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men gaat ervan uit dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke die de uitnemendheid van het zuiverste bestaan vormt. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze bron van de veelvormige incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."

(6) "De zonen van Brahmâ [de Kumâra's] werden eerst gedisciplineerd in versobering om continuïteit te verzekeren. (7) Toen Hij vervolgens incarneerde omwille van de welvaart van de wereld, hief Hij, als een everzwijn, haar op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van Vedische kennis wat betreft het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweelingzoon van koning Dharma in de gedaante van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajña, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken,
tezamen met Zijn zoon Yama gedurende de periode van Svâyambhuva Manu. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende in reactie op de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, toen Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman bamboe splijt. (19) Ten vijftiende nam Hij de gedaante aan van Vâmana [de dwergbrahmaan] die naar het offerperk van Mahârâja Bali ging en daar om drie voetstappen land vroeg, terwijl Hij in feite de drie werelden veroveren wilde. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî met Parâs'ara Muni als Zijn vader, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna zal in het Kalitijdperk Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om hen die jaloers zijn op de theïsten te misleiden. (25) Daaropvolgend als er twee yuga's in elkaar overgaan, en er nauwelijks nog een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."

(26) "O tweemaal geborenen, verschenen uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Zij die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer ontstonden zonder twijfel uit de Ene die geen gedaante heeft en transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met hun elementen. (31) Voor de minder intelligente waarnemer zijn ze er om te worden waargenomen zoals men wolken in de lucht ziet en stof in de wind. (32) Dit ongemanifesteerde zelf in het voorbije, dat men niet kan zien of horen heeft geen gedaante die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen in het zelf ontstaan vanwege de onwetendheid, verliezen ze hun waarde en verwerft men omgang met het goddelijke. (34) Als de bedrieglijke materiële energie niet meer voorop staat raakt men verrijkt met de volle kennis der verlichting en heeft men aldus gevestigd kennis van de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Vanwege Zijn manipulaties kan Hij, optredend als een acteur in een toneelstuk, door hen die het mankeert aan de nodige kennis niet door middel van speculaties en redeneringen worden gekend in Zijn handelingen, namen en gedaanten. (38) Alleen hij die onvoorwaardelijk, onafgebroken en welgezind dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten kan kennis nemen van de transcendentale heerlijkheden van de almachtige Schepper die het wiel van de strijdwagen in Zijn hand heeft. (39) Men kan in deze wereld slagen als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en die inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de gevreesde vicieuze cirkels van het wereldse belang zal aantreffen."

(40) "Dit boek waarin men het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden aantreft is samengesteld door de wijze man van God en is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed alle mensen succes, geluk en perfectie te bezorgen. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het verhaal, dat de room vormt die hij van alle Vedische geschriften en geschiedenissen wist te verzamelen, door aan zijn zoon die de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden is. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die omringd door de wijzen bij de Ganges neerzat om te vasten tot de dood erop volgde. (43) Nu Krishna is vertrokken naar Zijn hemelverblijf en samen met Hem ook het juiste gedrag en het spiritueel inzicht is verdwenen, is deze Purâna helder als de zon aan de horizon verschenen terwille van al de mensen die het in het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal vernam, slaagde ook ik, die perfect aandachtig was door zijn genade, erin het te begrijpen, zodat ik het nu vanuit mijn eigen realisatie ook aan u kan vertellen."

 

Hoofdstuk 4: De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke onder hen die men respecteert als sprekers, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze op een dag de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg toen hij er naar vroeg van zijn zoon zeiden dat ze zich niet voor hem schaamden daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek toen hij rondzwierf door de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners van Hastinâpura [nu: Delhi] op het moment dat hij de stad bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze Vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Als pelgrim die plaatsen zegenend die hij bezocht verbleef hij niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd die nodig is om een koe te melken. (9) Vertel ons alstublieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eersteklas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer, die de naam van Pându eer aandeed, de rijkdom van zijn koninkrijk toen hij aan de Ganges neerzat om boete te doen tot de dood erop volgde? (11) Waarom toch gaf hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de Vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overging in het derde en aldus eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren als de zoon van Parâs'ara uit de schoot van de dochter van Vasu. Hij vormde een deelaspect van de Heer. (15) Op een ochtend toen de schijf van de zon boven de horizon uitkwam zat hij, na zich met het water van zijn ochtendrituelen te hebben gewassen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) De rishi die het verleden en de toekomst kende zag dat er zich geleidelijk onregelmatigheden ontwikkelden in het dharma van zijn tijd. Het was iets dat men wel vaker in de verschillende tijdperken op aarde ziet optreden als gevolg van niet te stuiten, ongeziene krachten. (17-18) De wijze die zich in zijn bovenzinnelijke visie bezon op het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven, zag toen vanuit zijn transcendentale positie hoezeer men met het afgestompte en ongeduldige van ongelovigen tekortschoot in goedheid, er sprake was van een afname van de natuurlijke capaciteit van allerlei soorten mensen alsook van de andere schepselen en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde. (19) Overeenkomstig het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de ene oorspronkelijke Veda in vier gedeelten van offerhandelingen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's [de enkele geschiedenissen] en de Purâna's [de verzamelingen van verhalen] de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda nam Angirâ zich ter harte - die ook wel Sumantu Muni wordt genoemd - terwijl de Itihâsa's en de Purâna's werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde de grote wijze Vyâsa, de Heer in dezen, zich erom dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de vrouwen, de dwazere arbeidersklasse, [zie 6.9: 6 & 9] en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet zozeer voor het begrip werken, was de wijze zo genadig om in hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."

(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat daar toen tevreden over te zijn. (27) In afzondering gezuiverd verkerend aan de oever van de Sarasvatî, zei hij, wetende wat religie inhoudt, derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier mijn respect betoond in het overeenkomstig de traditie van de Vedische hymnen brengen van mijn offers met achting voor de meesters. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat men moet zeggen over het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen wat betreft het bespreken van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen persoon, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is.'

(32)
Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, zoals ik al zei, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer op de manier zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

 

Hoofdstuk 5: Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

(1) Sûta zei: "Toen hij comfortabel naast hem zat richtte de alom bekende rishi van God met de vînâ in zijn handen zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, kan u in de zelfrealisatie van uw ziel de tevredenheid vinden van het lichaam en de geest? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld waaraan u uw uitgebreide verklaringen hebt toegevoegd. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het dat u niet genoeg zou hebben gedaan voor het doel van de ziel.'

(5)
Vyâsa zei: 'Wat u allemaal zei is zeker waar maar mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik aan u die zich vanuit de ziel heeft ontwikkeld als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, vanuit de transcendentie boven de geaardheden van de materiële natuur, het universum wordt geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstublieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'

 (8)
S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwlijks de glorie van de onberispelijke Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel u, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit als men persoonlijke namen loslaat. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer moeizaam werken voor een resultaat als men de Heer ermee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid moeten nadenken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14)
Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats wordt meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet u vanuit uw goedheid hen, die gebonden aan de geaardheden het aan geestelijke kennis ontbreekt, de wegen en handelingen van de Heer tonen.

(17)
Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men als men de eigen, ware aard verloochent in die positie ten val komen. Maar wat voor een ongeluk overkomt de niet-toegewijde wel niet die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch geneigd zijn zouden zich om die reden enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen. In de loop van de tijd, de tijd die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men automatisch het genoegen - zo goed als de misère - als resultaat van de gedane arbeid overal vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Vanuit uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij ervan. Hij vormt het begin en het einde van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstublieft een natuurgetrouwe beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer. U immers kan door het perfecte inzicht van uw eigen ziel achterhalen wat de transcendentie inhoudt van de Persoonlijkheid van de Superziel waarvan u een volledig aspect bent omdat u geboorte hebt genomen terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) De erkende geleerden zijn het er allen over eens dat het onmiskenbare doel van de versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en de liefdadigheid van een ieder eruit bestaat te komen tot de beschrijving van de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer die in de verzen wordt verheerlijkt.

(23)
O wijze, in het voorgaande millennium nam ik geboorte uit een dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta]. Nog maar een kleine jongen was ik hen druk van dienst toen ik met hen samenleefde gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen in die periode het mij eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik door die handeling bevrijd van al mijn zonden en zo manifesteerde zich in mij die in zuiverheid van dienst was, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna hoorde ik iedere dag hoe het leven van Krishna werd beschreven. Door hun respect voor mij o mijn beste Vyâsa, slaagde ik erin aandachtig te luisteren en kon zich zo bij iedere stap die ik deed mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, zo de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele van het leven aanvaardt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste der transcendentie. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend niets anders horend dan de glorie zoals die werd bezongen door de wijzen, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de [invloed van de] geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een gehoorzame jongen vrij van zonde slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne is, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Toen die toegewijden zo vol van zorg voor de deemoedigen vertrokken, waren ze zo genadig mij te instrueren in die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men de toevlucht die Hij is kan bereiken.

(32)
O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in [het tegengaan van] dat wat er de oorzaak van is? (34) Zo zullen ook alle handelingen van de mens die zijn gericht op het teweegbrengen van een materieel [een materialistisch] bestaan aan dat zelf [aan die zelfzucht] een einde maken als men erin slaagt ze te wijden aan de Bovenzinnelijkheid. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we daarom mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) Die persoon die aldus de Heer die geen vorm heeft aanbidt met behulp van de geluidsvorm [van deze namen] die Hem vertegenwoordigen is, in zijn aanbidden van [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, door op deze manier bezig te zijn werd ik, goed op de hoogte zijnde van het vertrouwelijke gedeelte van de Vedische kennis, gezegend met de kennis van Zijn bovenzinnelijke weelde en een intieme persoonlijke liefde voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U beste, goede ziel met uw uitgebreide Vedische kennis, weidt tevens uit over de Almachtige dankzij wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben om kennis te nemen van het transcendentale. Beschrijft u alstublieft Zijn handelingen om het lijden terug te dringen van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "

 

Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Wat deed u, voordat uw huidige leven een aanvang nam, nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken? (3) Wat waren de levensomstandigheden waaronder u verkeerde na deze inwijding en hoe bent u in de loop van de tijd tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, want maakt de tijd op den duur niet aan alles een einde?'

(5)
S'aî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken gebeurde er het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ik, haar nageslacht, werd volkomen door de emotionele band die ik met haar had bepaald en had niemand anders om me te beschermen. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Ik volgde toen ik nog maar vijf jaar oud was het onderricht van de brahmanen en leefde afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, de richting en de plaats waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier waarin ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen zoals ik dat had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de gedaante van de Heer die alle strijdigheid uit de geest bant te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik met mijn denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en ik raakte zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Het op die eenzame plek alsmaar proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis wegvaagden. (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde al de lust uit het hart wordt verdreven. (23) Als men zelfs maar voor een paar dagen het Absolute van dienst zijnd een gefixeerde intelligentie jegens Mij heeft bereikt, zal men met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn gezelschap. (24) De intelligentie die op deze manier betrokken is in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden omdat, of levende wezens nu in wording zijn of uit beeld verdwijnen, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25)
Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, dankbaar voor de genade, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik bevrijd en tevreden de wereld in alle bescheidenheid en wachtte zonder rancune mijn tijd af. (27) Op die manier vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld verzonken zijnd in Krishna o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood me halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Aan het einde van het tijdperk nam de Heer die zich had neergevleid in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en staan daar en wanneer ik maar wil. (32) Aldus beweeg ik me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer en het bespelen van de bovenzinnelijk geladen vînâ waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen vol van zorgen zijn, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaalde bezingen van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust steeds weer ondervangen met behulp van de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, vrij van zonden als je bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, zowel voor de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

(37)
Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes aan de wijze der goden die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken."

 

Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft

(1) S' S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar op zijn plek concentreerde Vyâsadeva neerzittend temidden van bessenbomen zijn geest nadat hij zijn wateroffer gebracht had. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] samen met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Terwille van de gewone man die zich er niet van bewust is dat men in de yoga van de toewijding tot Hem die zich in het voorbije bevindt een einde ziet komen aan het ongewenste, verzamelde de wijze, die dit inzag, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, die de wijze is van het pad der zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, die op het pad der zelfverwerkelijking altijd innerlijk tevreden is met minachting voor al het overige, nu werk maken van zo'n uitgebreide studie?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van dien aard dat de gewone man zowel als de wijzen die vrij zijn van alle materiële bindingen, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zuivere, toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) De machtige zoon van Vyâsa was geliefd onder de toegewijden omdat hij, met het op zich nemen van de regelmatige studie van deze grootse vertelling, altijd was verzonken in de bovenzinnelijke kwaliteit van de Allerhoogste Heer. (12) Laat me u daarom vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, en over hoe de zonen van Pându tot het verzaken van de wereld kwamen. Deze verhalen leiden tot de verhalen over Krishna.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] treurde over zijn gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van trofee de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen. Maar toen de meester dit onder ogen kwam keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde vol verdriet bittere tranen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze woordkeus tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij vrezend voor zijn leven met grote snelheid in zijn strijdwagen weg zoals Sûrya ook voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een helder licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die middels Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie schenk Je in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn, met de deugd van Je invloed het hoogste goed van de rechtschapenheid en zo meer [dat het dharma kenmerkt: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en Je vrienden en zuivere toegewijden tevreden te stellen als hun constante voorwerp van bezinning. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'

(27)
De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde zonder te weten hoe hij het moet terugtrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan door gebruik te maken van je eigen brilliante krijgskunsten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand vastgebonden had en hem met geweld naar het militaire kampement had gebracht, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toegeroepen, omdat als gevolg van de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat. (38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan.' "

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, die door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting werd onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, ook al was die dan de schandelijke moordenaar van zijn zoons. (41) Op het moment dat hij daarop samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda zijn kampement bereikte, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze hem zag die als een crimineel stil van zijn schandelijke daad als een dier in touwen geslagen naar haar werd toegebracht, betoonde Draupadî vanuit de schoonheid van haar aard de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen zoals hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij als brahmaan is een leraar van ons. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het lanceren en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, want zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] is niet uit het leven gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijke bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal het, samen met haar familieleden, in verdriet belanden.' "

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma der rechtspraak en ze genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen vielen haar allen bij. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Over het feit dat hij zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, slapende kinderen gedood heeft, wordt gesteld dat hij de dood verdient.'

(52) De vierarmige [Heer Krishna] die de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord had en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] had gezien, zei met een flauwe glimlach: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet men niet ter dood brengen, hoewel men een agressor wel ter dood brengt - wat Mij betreft staat vast dat de uitvoer van beiden staat voorgeschreven als we ons willen houden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van de belofte die je deed toen je je vrouw genoegdoening beloofde en je tevens inspannen om zowel Bhîma als Mij tevreden te stellen.'

(55) Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel tezamen met het haar van het hoofd van de tweemaal geborene. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook door het verlies van zijn juweel aan kracht had ingeboet, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de rijkdom en verbanning zijn de soorten van fysieke straffen die gereserveerd zijn voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."


*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.    

 

 Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en leden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat hem mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra-wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, met al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Jou, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, ben Jij als een acteur uitgedost voor het acteren.  (20) Jij verschijnt terwille van de gevorderde transcendentalisten en filosofen die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, om de wetenschap in praktijk te brengen die ze verenigt in de toewijding. Maar hoe moeten wij vrouwen dan respect voor Je oefenen? (21) Daarom breng ik Je mijn respectvolle eerbetuigingen, Jij, de beschermer van de koeien en de zinnen, de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, Hij van Nanda en de koeherders van Vrindâvana. (22) Mijn eerbetoon is er voor Jou, die een lotusachtige welving in Je buik hebt, die altijd gesierd bent met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) Jij bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een langdurige gevangenschap opgelegd door de afgunstige [oom] koning Kamsa. En, o Heer, Jij hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, heb Jij ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we Jou keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want Jou ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot Jou te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan Jou, de rijkdom van hen die in armoede leven; Jij die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; Jij als degene die in Zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor Jou,  de meester der zaligheid. (28) Ik beschouw Jou als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en een einde is, en als de alles doordringende Ene die Zijn genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Je spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat Je partijdig bent, maar Je begunstigt niemand en hebt ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Je geboorte nemend hoewel Je ongeboren bent en handelend hoewel Je inactief bent, ben Je waarlijk verbijsterend zoals Je Je manifesteert met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me om te zien hoe Jij, toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw pakte om Je vast te binden, bang was en Je de make-up van Je ogen huilde, terwijl Je gevreesd wordt door de Vrees zelve. (32) Sommigen zeggen dat Je, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat Je bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor Je baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat Je, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat Je Je geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat Je verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over Je vernemen, het Jou in gedachten houden en met het Jou aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Je handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Je lotusvoeten zien die een einde maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat Jij voor ons gedaan hebt, laat Je, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter. Wij, Je intieme vrienden die, enkel bij Jouw genade, in afhankelijkheid van Je lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder Jou, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Je voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Jouw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aantrekking voor Jou zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Jouw niet aflatende heldenmoed bevrijdt Je de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, Jou biedt ik mijn eerbetuigingen.' "

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn mystiek vermogen. (45) Dat alles zo aanvaardend werd de Heer, nadat Hij verder nog Zijn respect betoonde jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, toen Hij wilde vertrekken naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij notabene van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden de koning van streek als hij was niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij zei: (48) 'Och bezie mij nou eens die in de onwetendheid van zijn hart diep is gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Ik die zoveel jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren heb gedood, zal voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, uit de hel bevrijd raken. (50) Voor een koning die vecht voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hebben achtergelaten, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "

 

Hoofdstuk 9: Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Yudhishthhira die in angst verkeerde vanwege het feit dat hij mensen gedood had ging daarna, vanuit zijn volle besef van de religieuze plicht, naar het slagveld waar hij de stervende Bhîshma op de grond liggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten volgden alle broers hem derwaarts, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) Ook de Allerhoogste Heer kwam mee met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij [de Koning] als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] samen met zijn begeleiders. (4) Toen Yudhishthhira Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond zag liggen, maakte hij tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, een buiging voor hem. (5) Aldaar waren al de wijzen onder de brahmanen, de goddelijken en de adel aanwezig, enkel om de leider te zien van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder]. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren er daar met hun discipelen en ook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri, Kaus'ika en Sudars'ana waren gekomen. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar vergezeld van hun discipelen.

(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's die heel goed wist hoe hij zich naar tijd en omstandigheden volgens het dharma diende te gedragen, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Op de hoogte van Krishna's heerlijkheid verwelkomde hij ook in aanbidding Hem, de Heer van het Universum die, zich bevindend in het hart, Zijn gedaante openbaart middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. Met tranen in zijn ogen was hij in staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het geweest voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, om zo'n leven vol van leed te hebben gehad dat jullie echt niet verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându had Kuntî, mijn schoondochter, toen haar kinderen nog jong waren, veel te lijden wegens jullie, en dat was ook zo toen jullie jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename dat voorviel kan je denk ik aan de Tijd toeschrijven; jullie, evenzogoed als de ganse wereld met zijn heersende goden, staan onder die controle zo goed als de wolken door de wind worden meegevoerd.(15) Waarom zou dat ongeluk er anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Niemand kan Gods plan doorgronden o Koning; het verbijstert zelfs de grote filosofen die verwikkeld zijn in uitputtende onderzoekingen. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, Heer S'iva, Nârada de wijze onder de goden en de grote Heer Kapila zijn degenen die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is en die van het Absolute zijnde zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van met alles wat Hij doet op ieder moment een verschil maken, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onpartijdig Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yogatoegewijden die met Hem in hun geest vroom mediteren op Zijn heilige naam en met hun mond Zijn heerlijkheden bezingen, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen dat eigen is aan hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij die in mijn meditaties verschijnt als de vierarmige God der Goden, de Allerhoogste Heer, met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht mij opwachten op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "

(25) Sûta zei: "Yudhishthhira, die dit van hem die neerlag op een bed van pijlen hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe men systematisch moet omgaan met de symptomen van zowel de gehechtheid als de onthechting. (27) Hij gaf uitleg over de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door hun indelingen te geven en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) Bekend met de waarheid beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, en gaf daarbij voorbeelden uit de bekende geschiedenissen. (29) Gedurende de tijd dat Bhîshma een beschrijving gaf van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond, hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven als ze deze wereld willen verlaten [zie B.G. 8: 24]. (30) Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, verviel toen in stilte en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid vestigde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk de pijn die hij had van de pijlen. En terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen en vertrok hij naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me bevrijd van verlangens mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden [in de gedaante van een avatâra] er genoegen in schept deze materiële wereld met haar schepping en vernietiging te aanvaarden. (33) Hij is de meest begeerlijke persoon van de hogere, lagere en tussenwerelden. Grijsblauw als een tamâlaboom draagt Hij kleding die straalt als de gouden gloed van de zon. Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus. Moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die op het slagveld met zijn wuivende haar dat askleurig was door het stof van de hoeven, met Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met het dragen van Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij Zijn strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken. Moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Terwijl de troepen op afstand toekeken, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, vanwege een onzuivere intelligentie, weifelde om zijn soortgenoten te doden. Laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.

(37) Terwille van mijn taakvervulling om er feitelijk meer werk van te maken en tegen Zijn gezworen principe in [zich buiten de strijd te houden] kwam Hij van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op om - terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen - op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden.(38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, bewoog Hij zich besmeurd met bloed in de woedende stemming van de grote agressor in mijn richting om me te doden. Moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me in dit stervensuur van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen. Het was door naar Hem te kijken dat zij die op deze plek stierven hun eigenlijke gedaante realiseerden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] die in extase Hem nadeden, hun oorspronkelijke natuur. (41) Toen koning Yudhishthhira het [Râjasûya] grote koningsoffer bracht waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij het respectvolle eerbetoon van de ganse elite. Ik daar aanwezig herkende Hem toen [en herinner me Hem nu nog steeds] als de geestelijke ziel, als het voorwerp van verering. (42) Na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, weet ik [sedertdien] dat Hij, hier nu aanwezig voor me, de Ongeborene is in het hart van de geconditioneerde ziel. Het is Hij die in Zijn positie in het hart van allen die door Hem zijn geschapen, net als de ene zon, vanuit vele gezichtshoeken verschillend wordt bekeken.' "

(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en doen aldus op Krishna alleen gefixeerd viel hij toen stil en stopte hij met ademhalen nadat hij was overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de kant van de godvruchtige, koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden.(46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], nadat Yudhishthhira de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht had was hij een ogenblik aangedaan. (47) De wijzen die tevreden en gelukkig waren over [de ontboezeming van] het vertrouwelijke geheim van de heerlijkheden van Heer Krishna, keerden toen met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) Koning Yudhishthhira ging samen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva voldeed hij, getrouw de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen aan zijn koninklijke verplichtingen."

 

Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? Zij moesten toch de geneugten des levens aan banden leggen nietwaar?"

(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira's koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, doorgrond van perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.

(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, nadat Hij om de nodige toestemming had gevraagd, toegestaan te vertrekken. Na zich toen te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij Zijn strijdwagen, en daarbij werd Hij door de anderen op dezelfde manier geëerd en omhelsd. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar één enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en bewogen zich rusteloos, gebonden als ze waren door pure genegenheid. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Op dat moment klonken er mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.

(19) Van alle kanten kon men de woorden horen weerklinken van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren gezien het feit dat de Absolute Waarheid daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke Persoon die, toen Hij zich materieel nog niet gemanifesteerd had, in Zichzelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur was begonnen. Hij is die Superziel, die Allerhoogste Heer, waar de levende wezens met hun energieën uiteindelijk in opgaan zoals ze 's nachts gaan rusten. (22) Hij als degene die de geopenbaarde geschriften in de praktijk brengt kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel telkens weer opnieuw namen en vormen toe als Hij [in de gedaante van een avatâra] de uiterlijke schijn van de materiële natuur in het leven roept. En die namen geeft Hij aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien. Het zijn zij die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, het is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, dat vertrouwelijk wordt beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden wordt besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, als Hij die door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt zonder er ooit aan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn die onwetend als beesten tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten in verscheidene gedaanten terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe hoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, want Hij die hier ten tonele verscheen en rondging is de allerhoogste leider van alle levende wezens en de echtgenoot van de godin van het geluk. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], de plaats die, tot de meerdere deugd en glorie van de aarde, de roem van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde ongetwijfeld met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van een volmaakte aanbidding geweest voor de Heer. O vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden thuisgebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in Zijn hart te sluiten, aldus nooit alleen thuis achtergelaten.'

(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's over om terug te keren. Ze werden geheel beheerst door de gedachte aan het komende afscheid. Daarna vervolgde Hij met Zijn geliefde metgezellen Zijn weg naar Dvârakâ. (34-35) Reizend door Kurujângala [de provincie van Delhi], Pâñcâlâ [een deel van Punjab], S'ûrasenâ, Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en trok Hij door de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Toen kwam Hij door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat] door te hebben getrokken, kwam Hij, o S'aunaka, met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ. (36) In verschillende plaatsen gebeurde het dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."

 

Hoofdstuk 11: De Binnenkomst van Heer S'rî Krishna in Dvârakâ

(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht zag, hoewel hij rood kleurde door de lippen van de Grote Avonturier, eruit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid waar de angst om een materieel bestaan zelf nog bang voor is, spoedden al de burgers zich in de richting ervan om de beschermer van de toegewijden te treffen waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze Hem, de In Zichzelf Tevredene die hen bij de genade van Zijn eigen vermogen onophoudelijk in alles voorzag, een welkomstceremonie. Het was alsof men een lamp offerde voor de zon. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.

(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, omdat U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, zelfs de halfgoden krijgen immers Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we  als U elders verkeert nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder dat we Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht zien?'

Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren ging de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, toen de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook met de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat Hij die hun het meest lief was thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in blijde verwachting samen met de brahmanen op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes die er hevig naar verlangden Hem te zien volgden in hun voertuigen, oogverblindende oorbellen dragend die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde met het nodige betoon van respect iedere vriend en burger die op Hem afkwam om Hem te verwelkomen en ontvangen zoals het hoort. (22) Hij, de Almachtige, die tot aan de laagsten aan toe Zijn begeerde zegeningen schonk, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd en begroette hen in woorden, omhelsde ze en schudde hun handen. (23) Toen ging Hij, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen,  de stad binnen waar Hij eveneens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.

(24) O hoog geleerden, terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep klommen de dames van stand op het dak van hun huizen om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel het hun gewoonte was altijd zo naar Hem te kijken, waren de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nimmer moe. (26) In Zijn borst huist de godin van het geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer in Zijn gele kledij en bloemenslingers eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.

(28) Maar toen Hij daarna Zijn ouderlijk huis inging werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, bevolkt met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Toen ze op een afstandje hun echtgenoot thuis zagen komen stonden de dames innerlijk verheugd met een verlegen blik onmiddellijk van hun zitplaatsen op. (32) Op het moment dat Hij verscheen stuurden ze hun zoons op Hem af en omhelsden zij die zo verlegen waren Hem eerst vanbinnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij schiep, zonder er zelf deel aan te hebben, de onderlinge vijandschap tussen de heersers die sedert de dag dat ze geboren waren een last voor de aarde waren geworden met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind dat doet met bamboestaken als hij middels wrijving vuur veroorzaakt. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade op eigen initiatief naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot van een leven met de waardigsten onder de vrouwen alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is van dien aard dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat ze met Hem te maken hadden met een meeloper die wordt gedomineerd en geïsoleerd door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot zoals dat ook het geval is met de geest der atheïsten die Hem niet kennen als de Opperheer."

 

Hoofdstuk 12: De Geboorte van Keizer Parîkchit

(1) S'aunaka zei: "De [vrucht van de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer weer opnieuw tot leven gewekt. (2) Hoe vond de geboorte plaats van keizer Parîkchit, die hoog intelligent was en zich bewees als een grote ziel? Hoe precies vond hij de dood en waar bracht hem die dood? (3) Vertel het ons alstublieft, we willen allemaal graag alles te weten komen over wat u over hem het vermelden waard vindt; we hebben niets dan achting voor u aan wie S'ukadeva Gosvâmî de kennis van het Allerhoogste gaf."

(4) Sûta zei: "Koning Yudhishthhira bracht welvaart op de manier zoals zijn vader dat deed, door in zijn achting voor Krishna's voeten zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsbevrediging het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in het rijk der hemelen. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als een godvrezende persoon, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de bewoners van de hemel op uit zijn.

(7) Toen Parîkchit de grote strijder als kind in de schoot van zijn moeder te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de Purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) Terwijl Hij de straling van de brahmâstra tegenging zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Hij zag hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenen, de gloed wegnam waarna de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het oog verdween. (12) Toen daarna de gunstige voortekenen van een goede stand van de sterren zich geleidelijk ontwikkelden nam hij die net zo bedreven als Pându zelf zou blijken te zijn, zijn geboorte als de troonopvolger van Pându. (13) Koning Yudhishthhira liet verheugd priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Wetend waar, wanneer en hoe, beloonde hij vrijgevig bij die gelegenheid de geschoolden met goed voedsel en giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Puru's, en lieten hem weten dat ze zich zeer verplicht voelden aan de afstamming in de lijn van de Puru's [van de nazaten van de voorvader koning Puru]. (16) Ze zeiden: 'Teneinde u aan Hem te verplichten werd deze zoon door de allesdoordringende en almachtige Heer gered van de ondergang als gevolg van het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend raken als degene die door Vishnu wordt beschermd. Zonder twijfel zal hij een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'

(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen? Zal hij de goede naam van zijn familie eer aandoen en zich aan zijn woord houden in wat hij tot stand brengt?'(19) De brahmanen antwoordden: 'O zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal de behoeder zijn van alle levende wezens, precies zoals koning Ikshvâku, de zoon van Manu, en hij zal trouw zijn in zijn beloften en respect hebben voor de geleerden, net zoals Râma, de zoon van Das'aratha. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en de overgegeven zielen beschermen. Hij zal zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya], hij zal zo onweerstaanbaar zijn als vuur en zo onoverkomelijk als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo vrijgevig en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en de toevlucht vormen voor alle levende wezens zo goed zijnde als de Opperste Heer bij wie de godin van het geluk verblijft. (24) Volgend in de voetsporen van Heer Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, hij zal de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was met Heer Krishna en zal hij vele As'vamedha [paard-]offers brengen en trouw zijn aan de ouderen en ervarenen. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, terwille van de wereldvrede en de religie, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zal sterven, veroorzaakt door een slangevogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht zoeken bij de Heer. (28) Nadat hij bij de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht heeft opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven opgeven en zal hij een leven vrij van vrees bereiken.'

(29) Nadat ze de koning aldus op de hoogte hadden gesteld en ze rijkelijk beloond waren, keerden zij die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel, terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, o meester [S'aunaka], zou in deze wereld beroemd worden als Parîkchit, de onderzoeker, omdat hij door wat hij vóór zijn geboorte had gezien, met Hem in gedachten alle mensen steeds nauwlettend onderzocht. (31) Net zoals de wassende maan dag na dag toeneemt, groeide ook de kroonprins onder de hoede van zijn beschermende ouders spoedig op tot wie hij zou zijn.

(32) Koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden van het hebben gestreden tegen zijn familieleden, dacht erover fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen op aanraden van de Onfeilbare noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon Yudhishthhira, de bezorgde, godvruchtige koning, drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer, met wiens hulp de tweemaal geborenen de offerplechtigheden konden verrichten, bleef toen, daartoe uitgenodigd door de koning, nog een paar maanden langer om degenen die Hem liefhadden een plezier te doen. (36) Daarna, beste brahmanen, ging Hij met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadudynastie."


Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis

(1) Sûta zei: "Toen Vidura [*] rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden had hij van de grote wijze Maitreya kennis ontvangen over de bestemming van het zelf, en aangezien hij door die kennis voldoende op de hoogte was van alles wat er te weten viel, keerde hij terug naar de stad Hastinâpura. (2) Na al de vragen die Vidura aan Maitreya had voorgelegd in zijn aanwezigheid, had zich in hem een onverdeelde toewijding voor Govinda ontwikkeld en zag hij af van verdere vragen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bood hem een zitplaats en bereidde hem vervolgens een ontvangst.

(7) Nadat hij rijkelijk had gegeten, gerust had en comfortabel gezeten was boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of vernomen hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo gelukkig zijn in hun liefde voor God, allen gelukkig met waar ze wonen?'

(12) Aldus door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals dat gepast was, het ene na het andere onderwerp afhandelend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over dit in feite zo onverkwikkelijke en onverdragelijke aspect van het gedrag van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god past, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Vanwege een vloek van Mandûka Muni [die onder Yama's verantwoordelijkheid onrechtvaardig was behandeld], moest Vidura honderd jaar lang de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] spelen. Aryamâ nam zolang zijn plaats in om de straffen uit te delen die de zondaars toekwamen [**].

(16) Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen en genoot samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote welstand. (17) Maar de onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft op onnavolgbare wijze al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, [beste broer] trek je alstjeblieft zonder te dralen terug, zie toch hoe je leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, omdat het de Allerhoogste Heer betreft die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, zo dierbaar als het is voor een ieder, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd die werd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden en te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien dat dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.

(31) Terugkerend naar het paleis wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], nadat hij de halfgoden had aanbeden met offerandes en giften voor de  brahmanen, de ouderen zijn respect betonen met eerbetuigingen, maar hij kon zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar zijn mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren zij de weldoeners die ons allen beschermden die nog maar kleine kinderen waren - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "

(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd in de liefde voor zijn meester hem niet kon vinden, was van streek over de gescheidenheid en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Met de voeten van zijn meester in gedachten veegde hij met zijn handen de tranen van zijn gezicht en deed hij zijn best zich te hervinden om koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet wat uw ooms of Gândhârî van plan waren, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en op een gepaste wijze ter verwelkoming van de wijze hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.'

Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, want de Allerhoogste Heer waakt over u. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeenbrengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier er door de hymnen en voorschriften van de Veda aan gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam, dat bestaat uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] en wordt beheerst door de tijd, resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en de guna's], nu anderen beschermen als het zelf evenzogoed gebeten wordt door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]. Heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]. De zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning, nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan en nu wacht Hij de verdere loop der gebeurtenissen af. Zo ook moeten jullie Pândava's zolang als Hij hier nog op aarde aanwezig is, de zaak bezien en maar afwachten.

(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevluchtsoord hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Met behulp van zithoudingen, adembeheersing en het naar binnen richten van de geest weg van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en de wijsheid te laten opgaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, net zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het breken met de effecten van de werking der geaardheden zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet langer gehinderd in het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval o zoon van de Kurudynastie, zal met gemengde gevoelens van verrukking en verdriet vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.' (60) Nadat hij aldus de koning had toegesproken steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira die  zich de instructies ter harte nam, gaf daarna al zijn weeklagen op."


*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.


**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.



Hoofdstuk 14
: De Verdwijning van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Degene Verheerlijkt door de Vedische Hymnen, te zien en om uit te vinden wat Zijn verdere plannen waren. (2) Na een paar maanden, toen Arjuna daar niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zondigheid zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan. (4) Er was bedrog in normale transacties, wanbegrip wierp zich op in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl er ook tussen man en vrouw strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

(6) Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok om zijn vrienden te zien en ook om uit te vinden wat Krishna van plan was. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok o Bhîmasena, en ik weet niet precies waarom dat zo is. (8) Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten? (9) Aan Hem hebben we onze welvaart, koninkrijk en vrouwen te danken. Door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en door Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en leven voor een betere wereld. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest. Al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen als gevolg van de angst die ik voel. Dit wijst allemaal op ongewenste gebeurtenissen. (12) Zie, o Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt met zonsopkomst en hoe de hond zonder angst naar me blaft. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links liggen en ezels en dergelijke draaien om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif lijkt een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft rondhangen en hoe de aarde tezamen met de heuvels en de bergen verzucht onder luide donderslagen bij een heldere, wolkenloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof, en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen. Wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en toevluchtsoorden hebben hun schoonheid verloren, beroofd als ze zijn van alle geluk. Wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo opwerpt zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van de buitengewone kwaliteit van de Allerhoogste Persoon zal onfortuinlijk zijn zonder die gunstige tekens.' 

(22) O brahmaan, terwijl koning Yudhishthhira op die manier denkend de slechte voortekenen waarnam, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Terwijl hij voor de voeten van de koning boog was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die van zijn naar beneden gerichte gezicht uit zijn lotusogen liepen. (24) Toen hij het benauwde hart en het bleke voorkomen van Arjuna zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Zijn onze Yaduverwanten van Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka allen gelukkig met de dagen die ze doorbrengen in Dvârakâ? (26) Is mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] S'ûrasena goed gezond met het slijten van zijn laatste dagen en gaat het met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers allemaal goed? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - alle zeven zusters met Devakî in eigen persoon aan het hoofd, met hun zonen en schoondochters allen gelukkig? (28-29) Zijn koning Ugrasena, wiens zoon de slechterik was [Kamsa], en zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Is ook alles goed met de Hoogste Persoonlijkheid Balarâma, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, en de andere eminente zoons van Krishna en hun bovenste beste zoons? (32-33) En gaat het ook net zo goed met de constante metgezellen van Krishna als S'rutadeva, Uddhava en anderen, Sunanda, Nanda en andere leiders? En zijn ook de andere bevrijde zielen in orde die de besten onder de mensen zijn? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna er ook aan hoe het met ons gaat? (34) Schept de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen [zij die onderlegd zijn in de geestelijke kennis], nog altijd genoegen in het zedige gezelschap van de vrienden rondom Hem in Dvârakâ? (35-36) Ten behoeve van de bescherming en de verheffing van alle leefwerelden verkeert er in het gezelschap van de oceaan van leden van de Yadudynastie de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter alsmede Ananta [Balarâma]. In Zijn eigen stad genieten de leden van de Yadufamilie van Zijn beschutting en proeven ze daarbij het transcendentale genoegen zoals de ingezetenen van de hemel dat doen. (37) Middels het hoogst belangrijke bestieren van de gemakken aan de voeten, zorgden de zestienduizend metgezellen van het zwakke geslacht met Sathyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de ingezetenen van de hemel onderwierp, zodat zij konden genieten van wat normaal is voorbehouden aan de vrouwen van de heer van de donder. (38) De Yadu's, die de bescherming van Zijn armen genieten, betreden immer onbevreesd de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste der goden waardig was.

(39) Mijn beste broer, ben je helemaal gezond? Het lijkt me dat je je luister hebt verloren. Is het omdat je het respect mist en verwaarloosd bent of, mijn broer, omdat je zo lang weg was? (40) Heb je je greep verloren omdat iemand je onvriendelijk heeft bejegend of je bedreigde, of kon je niet vrijgevig zijn of de belofte nakomen dat te zullen doen? (41) Was jij die benaderd wordt voor de bescherming van de geschoolden, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen, er niet toe in staat in de behoeften te voorzien van ieder levend wezen dat zijn toevlucht zocht? (42) Kwam je in contact met een verwerpelijke vrouw of heb je misschien een acceptabele vrouw onheus behandeld, of is je goede zelf onderweg alsnog verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je oude mannen en jongens die het verdienden met je samen te eten over het hoofd gezien of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend Heer Krishna, je een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere redenen bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "


Hoofdstuk 15: De Pândava's Trekken Zich Terug

(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, die gescheiden van Krishna erg vermagerd was, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren antwoord te geven. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen veegde en met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als de weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) Ik verloor Hem van wie zelfs maar voor een enkel moment gescheiden alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven toeschijnen, alsof ze allemaal lijken zijn. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Drupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten en kon ik het wonderschoon gebouwde vergaderhuis realiseren dat werd ontworpen door Maya [uit dankbaarheid dat hij hem redde uit de brand in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van een duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha [in zijn hoofdstad] waren bijeengebracht om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [van de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik ooit eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himalaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en de andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er levend in dit lichaam in een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire macht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner werd ik door Hem verlost wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ', 'vriend' en 'zoon van de Kurudynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem verkeerdelijk aan voor een vriend die gelijk is aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.

(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen. Als gevolg van die vloek hebben ze, dronken van de rijstwijn, elkaar als een stel dwazen met stokken gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen o Koning, nam ook de Almachtige Ene de last die werd gevormd door de Yadu's weg van de wereld door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "

(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met een geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend die hij midden op het slagveld ontving en terugdenkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Omdat hij vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slaagde te breken met de twijfels die werden opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de transcendentie van het bestaan zonder een materiële gedaante, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood. (32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadudynastie, besloot ook Yudhishthhira voor het heil van de ziel zich terug te trekken en de wereld achter zich te laten. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadudynastie] door de Ongeborene prijsgegeven zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien voor de Heer alle doorns hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, gaf Hij, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke over wie te vernemen zo de moeite waard is, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.

(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken en kleedde zich dan ook gepast voor dat doel. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en qua kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij voor de gelegenheid in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd begrensd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid volkomen ongeïnteresseerd. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen terug in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood en in volledige toewijding verenigde hij dat weer met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel die hij richtte op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke Brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen en bracht hij zijn dagen door met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij zich ook begaf.

(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de bovenzinnelijke voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen, de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, vertrok na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die besefte dat haar echtgenoten zich niet meer om haar bekommerden concentreerde zich op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid terwille van het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie aldus komen tot de toegewijde dienst van de Heer."

Hoofdstuk 16: Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

(1) Sûta zei: "O hooggeleerden, daarna regeerde Parîkchit, de grote toegewijde, over de aarde onder leiding van de tweemaal geborenen met de kwaliteiten waarvan de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, hadden gedacht dat hij ze zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar met Janamejaya als de eerste. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers met gepaste beloningen voor Kripâcârya, die hij als zijn geestelijk leraar had gekozen, en de godsbewusten die erbij kwamen kijken. (4) Eens, tijdens een veroveringscampagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kalitijdperk terecht te wijzen die, vermomd als een koning, maar lager dan een s'ûdra [loonarbeider] de poten van een koe en een stier aan het pijnigen was."

(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom berispte hij tijdens zijn campagne alleen maar de meester van Kali die uitgedost was als een koning maar als iemand lager dan een s'ûdra tegen de poten sloeg van een koe? O fortuinlijke, beschrijf dat allemaal voor ons alstublieft, voor zover het verband houdt tenminste met de gespreksonderwerpen van Krishna. (6) Want waarom zouden zij die bevrijd zijn en van de honing aan Zijn lotusvoeten genieten, nu hun leven verspillen met het eindeloos bespreken van illusoire zaken? (7) O Sûta, in deze wereld van sterfelijke menselijke wezens die maar kort te leven hebben wordt voor het heil van hen daarin die een eeuwig leven verlangen de heer van de dood, Yamârâja aangeroepen die heerst over het zoenoffer [van het vlees van de dieren]. (8) [Men is ervan overtuigd dat] niemand zal sterven zolang hij die over de dood heerst hier zijn plaats heeft. Om die reden wordt hij er door de wijzen als [de vertegenwoordiger van] de grote heer bij betrokken. Laat [dus] hen die onder zijn gezag vallen drinken van de nectar van de vertellingen van Zijn goddelijke spel en vermaak. (9) Brengen zij die lui zijn, oppervlakkig van belangstelling zijn en maar kort leven, hun dagen en nachten niet door met doelloze activiteiten en met slapen?"

(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuruhoofdstad verbleef, hoorde dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij, in zijn verantwoordelijkheid om militair het gezag te handhaven, zijn pijl en boog ter hand. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij de hoofdstad in het gezelschap van strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen om zich te verzekeren van een overwinning. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurus'a achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde en waar hij zijn gezag handhaafde door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna onder de mensen die hij ontmoette. Ook vernam hij over zijn eigen bevrijding van het wapen van As'vatthâmâ en over de toewijding voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard] onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ. Zeer blij daarmee beloonde hij, met grote  ogen van vreugde, de mensen grootmoedig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) Optredend als een wagenmenner, voorzittend in bijeenkomsten, handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, had Hij die van Vishnu is en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd [Krishna], gehandeld met gebeden en eerbetuigingen in relatie tot de godvrezende zoons van Pându. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.

(17) Aldus verzonken in gedachten over de goede kwaliteiten van zijn voorvaderen hield hij in zijn dagelijkse bezigheden vast aan hun voorbeeld. Verneem nu van mij over een zeer opmerkelijk voorval dat zich toen niet ver van hem vandaan voordeed. (18) De persoonlijkheid van de religie die slechts op één poot stond [de z.g. 'stier' van dharma waarvan de poten staan voor de vier menselijke hoofdwaarden], kwam rondzwervend de bedroefde koe [moeder aarde] tegen die tranen in haar ogen had zoals een moeder die haar kind heeft verloren. (19) Dharma zei: 'Mevrouw, gaat het wel helemaal goed met uw gezondheid? Bedroefd kijkend met een hangend gezicht ziet u eruit alsof u wordt gekweld door een ziekte of dat u in beslag wordt genomen door een verwant ver van u vandaan, o moeder. (20) Treurt u erover dat drie van mijn poten achteruit zijn gegaan en ik nog maar op één poot sta, of is het omdat de vleeseters gebruik willen maken van uw lichaam? Of komt het omdat de verlichte zielen en aanverwanten het moeten stellen zonder hun aandeel in het offer als gevolg van een tekort aan plechtigheden of omdat de levende wezens in toenemende mate te lijden hebben onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het moeten stellen zonder de bescherming van hun echtgenoten en vaders of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolden zich afzet tegen de principes van de godin [van het leren]? Of spijt het u dat de meesten van hen tegen de brahmaanse cultuur in handelen door hun toevlucht te zoeken bij de heersende klasse? (22) Is het omdat de nakomelingen van de adel onder invloed van het Kali-tijdperk hun verstand lijken kwijt te zijn en de aangelegenheden van de staat links en rechts in het honderd laten lopen? Of is het vanwege de gewoonten die  de samenleving heeft opgevat om zich te voeden en te drinken en hoe men slaapt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Kan het zijn, o moeder aarde, dat u denkt aan het heil dat werd gesticht door de handelingen van de incarnatie van de Heer die uw zware last verlichtte maar nu uit het zicht is verdwenen? (24) Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van de droevenis die u tot een dergelijke zwakte heeft teruggebracht. Of heeft o moeder, de almachtige Tijd u beroofd van het goede geluk waarover zelfs de verlichte zielen zich lovend uitlieten?'

(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O Dharma ik zal mijn best doen antwoord te geven op al de vragen die u gesteld heeft, daar u met uw vier poten [de vidhi] er in al de werelden bent om het geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En zeker ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - al deze en vele andere vormen de eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nimmer aflatende hogere natuur welke kan worden bereikt door degenen die de grootheid waardig zijn. Dankzij Hem ben ikzelf, net zoals de godin van het geluk dat is, een dergelijke bron van kwaliteiten, maar in de afwezigheid van Hem die de spil ervan is, treft men Kali, de bron van alle zonden, aan in alle werelden.  (31) Ik treur voor mezelf zowel als voor u en ook voor de besten onder de verlichte zielen, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, alsook voor alle mensen in hun statusoriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de godin van het geluk] wiens genade werd gezocht door halfgoden als Brahmâ en voor wie de goden menigmaal boete deden in overgave aan de Heer, heeft terwille van de eredienst haar eigen verblijfplaats in het woud der lotusbloemen opgegeven uit gehechtheid aan de zaligmakende voeten. Als gevolg van wat Hij deed slaagde ik, die op mijn huid de voetafdrukken ervoer van de Hoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, erin op schitterende wijze in de drie werelden te zegevieren uitgerust als ik was met de door mij verworven speciale vermogens van de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok. Maar op het laatst, juist toen ik mij zo gelukkig achtte, heeft Hij me verlaten. (34) Hij die me heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde eveneens voor u in de Yadufamilie, en wel vanwege het feit dat u, die de kracht miste om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, vraag ik u, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de liefde, blikken, glimlachen en hartelijkheden van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon die de gepassioneerde wrake en ernst van een vrouw als Satyabhâmâ overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over de afdruk van Zijn voeten?'

(36) Terwijl de aarde en de persoonlijkheid van de religie aldus converseerden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."



Hoofdstuk 17: De Straf en het Loon van Kali

(1) Sûta zei: "Daar [bij de rivier de Sarasvatî] zag de koning hoe een s'ûdra [iemand van de laagste klasse] die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was, alsof er niemand was om ze te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde, geslagen door de s'ûdra, in doodsnood en urineerde en trilde van de angst terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe en van streek vanwege de s'ûdra die haar tegen haar poten sloeg, was zonder een kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze in haar zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij om te denken dat je op deze plek de hulpelozen, die onder mijn bescherming staan, ter dood kan brengen! Als een acteur doe je je krachtig voor verkleed als een godsbewust man, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het twee maal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als de schurk die je op die manier bent verdien je het gedood te worden!'

(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend, 'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons in de vorm van een stier verdrietig maakt? (8) Nog nooit heeft er, behalve dan in het geval van u die tranen in uw ogen heeft om een ander, er onder de bescherming van het gezag [van de armen] van welke koning van de Kurudynastie dan ook een dergelijke treurnis op aarde bestaan. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser over en onderwerper van de afgunstigen, zal het u goed gaan. (10-11) O kuise, hij in wiens staat de levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen. Het is voorzeker de hoogste plicht voor koningen gezag uit te oefenen zodat er een einde komt aan het leed van hen die te lijden hebben en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie heeft uw drie poten afgehakt, o zoon van Surabhi? Wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me daarom over hem die u verminkt heeft en die de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik terstond een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zonder twijfel de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en, veilig overeenkomstig de geschriften, diegenen terecht te wijzen die in deze wereld het spoor bijster zijn geraakt.'

(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al hetgeen u zei ter wille van de vrijheid van angst van hen die te lijden hebben past iemand van de Pândavadynastie, de dynastie die door zijn kwaliteiten Heer Krishna ertoe aanzette zich te gedragen als een dienaar en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, omdat de persoon verbijsterd is als gevolg van alle meningsverschillen, kunnen we niet zeggen wie [of wat] de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die zich afkeren van alle dualiteiten verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de werking van de materiële natuur of het gevolg is van het aanvaarden van gezag van buitenaf. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat. Wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "

(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie had te zeggen, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverwogen. (22) 'U o kenner der plichten, o dharma in de vorm van een stier, u spreekt alleen maar op deze manier [van de niet te achterhalen oorzaak] omdat u weet dat [net zoals dat gaat met een goeroe die op het karma wijzend het karma op zich neemt] hij die met zijn vinger wijst naar degene die fout bezig is zelf in de positie belandt fout bezig te zijn. (23) Met andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is iets dat voor levende wezens niet te verwoorden noch te doorgronden is. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya-yuga, de 'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, het vasthouden aan het hebben van seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde bevrijd van een grote last, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten nu genoten door mensen van een laag niveau die verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'

(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde tot rust gebracht door de grote strijder die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden wierp Kali, onder de druk van de angst, zijn koninklijke uitdossing af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij die de armen welgevallig is en in staat is met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held die hij was ten voeten was gevallen, hij, de held van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven. Wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar dat wil nog niet zeggen dat u in mijn koninkrijk kan blijven. U bent immers de vriend van de goddeloosheid. (32) Met u fysiek aanwezig als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid en dat alles welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in de buurt van die plaatsen van eerbetoon waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers hun offeranden hebben. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "

(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekend als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstublieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij.' "

(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, want goud is door de hartstocht de vijfde zonde vanwege de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet die personen die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door activiteiten aan te moedigen die de drie verloren gegane poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier weer terugbrachten, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Het huidige bestuur hebben we aan hem te danken, het is de troon die werd overgedragen door de koning, de grootvader [Yudhishthhira] toen die het wenste zich in het woud terug te trekken. Door die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Door de ervaring van de zoon van Abhimanyu de koning, dankzij zijn heerschappij over de aarde, kunt u nu allen de inwijding genieten van het uitvoeren van dit soort offers."



Hoofdstuk 18: Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Door een brahmaan vervloekt te zullen sterven als gevolg van een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Nadat hij al degenen die hem nabij stonden had achter gelaten en hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke had begrepen, gaf hij als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî] zijn lichaam op aan de oever van de Ganges. (4) Zij die met Zijn voeten in gedachten zich bezighouden met Zijn lofzangen en waardering hebben voor de nectargelijke verhalen waarin Hij wordt verheerlijkt, zullen zelfs niet in hun stervensuur in verwarring verkeren. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Net als een bij die recht op de nectar afgaat wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich inspannend voor het ongunstige nooit iets bereikt. (8) Kali die in de ogen van de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was Parîkchit als een tijger onder de mensen degene die onder de zorgelozen de zorgzame was. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld die er over de vrome Parîkchit in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kennis te nemen van alles wat ik heb besproken aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) Met het brengen van dit offer waarvan de afloop onzeker is zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die onvermijdelijk op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik volmaakt in evenwicht verkeren in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Als men er eenmaal de smaak van te pakken heeft zal men nooit genoeg krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, Hem wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees, o geleerde, zo aardig om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert, nadat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa met het doel hem in te wijden inzake het pad der bevrijding. (17) Vertel ons daarom over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [de toewijding] is vervat. Beschrijf voor ons, op de manier zoals het Parîkchit werd verteld, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, die door deze manier van converseren zijn verbonden met de groten, ondanks dat we van een verschillende komaf zijn, er duidelijk toe zijn bevorderd vandaag [een hogere] geboorte [in de geest des Heren] te nemen. Als men hen van dienst is die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig bevrijd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiële] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel temeer geldt dat niet voor hen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat u die zo sterk als de zon bent er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als met de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd terwijl hij onaangedaan in trance verkeerde verheven boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt door zijn lange, samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) O brahmanen, gegeven de omstandigheid dat hij door zijn honger en dorst was aangeslagen, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij met de punt van zijn boog kwaad een levenloze slang van de grond op en legde die op zijn weg naar buiten over de schouder van de wijze om vervolgens terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van de wijze van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen, geen vals voorgewende trance was om een ontmoeting uit de weg te gaan met een lagere bestuurder.

(32) Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33) 'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien gaan ze recht in tegen wat is vastgesteld voor dienaren, terwijl ze niet meer zijn dan waakhonden bij de deur! (34) De zonen van de heersende klasse hebben over de geleerden te waken als waakhonden - op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en van hetzelfde bord te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben!' (36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede zijn speelkameraadjes toesprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende donderslag van woorden: (37) 'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.' (38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand."

(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende hij die was geboren in de familie van Angirâ langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning die nimmer mocht worden veroordeeld omdat hij de beste onder de mensen is, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar jammerde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dermate onbetekenende overtreding! (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijke persoon van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43) O mijn jongen, de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt wordt vertegenwoordigd door deze monarch, als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die er meteen toe zullen overgaan de onbeschermden te pakken te nemen alsof ze lammeren zijn. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en zal men ook verkeerd omgaan met de vrouwen en de dieren. (45) De rechtschapen samenleving van mensen die zich overeenkomstig de Vedische voorschriften ontwikkelen in hun roepingen en levensstadia zal dan systematisch teniet worden gedaan, en met het economisch handelen dat dan in dienst zal staan van het zingenot zal dat resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een directe, eersteklas toegewijde van de Heer en een heilige van adel; een groot brenger van paardoffers - en als hij hongerig en dorstig is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt.'

(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die door het qua intelligentie onvolgroeide kind werd begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpen ziel. (48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs als een van hen wordt gedood, zullen de verdraagzame toegewijden van de Heer zich nooit wreken voor deze dingen.' (49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk niet vond dat het beledigen van de kant van de koning iets zondigs was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, ze bevinden zich immers in de bovenzinnelijkheid van de ziel."


Hoofdstuk 19: De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

(1) Sûta zei: "Toen de koning op weg was naar huis bedacht hij dat wat hij gedaan had iets afschuwelijks was en hij raakte zeer gedeprimeerd bij de gedachte: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Voorzeker is het vanwege het ingaan tegen de voorschriften dat ik zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen zal moeten zien. Ik hoop van harte dat dat zo gauw mogelijk gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik, vandaag nog, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van het zondigen tegen de Heer, de cultuur en de koeien me niet weer zal overkomen.' (4) Terwijl hij zo aan het peinzen was vernam hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon. (5) Hij besloot deze wereld op te geven alsmede de wereld hierna, want hij was reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren ten opzichte van een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna. Dus ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten. Dat was wat hij naar zijn mening het beste kon doen. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Heer Krishna dat de wereld vanbinnen en vanbuiten heiligt en zelfs de Heer der Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon die gedoemd is te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) Met dat besluit gaf hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, met zijn plaatsnemen aan de oever van de rivier die stroomde van de voeten van Vishnu, zich over aan de genade van Mukunda tot de dood erop volgde. Hij zou vrij van alle vormen van materiële gehechtheid, het vasten volbrengen zonder af te wijken van de geest der geloften die door de wijzen worden gerespecteerd.
 
(8) Al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld op een hoger plan kunnen brengen,  kwamen toen daar bijeen met het argument van een bedevaart. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthanemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten der wijzen die de meest vooraanstaande adel van advies dienden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën der wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Met allen comfortabel gezeten en na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, sprak hij, voor hen staand als iemand wiens denken zich heeft losgemaakt van wereldse zaken, nederig met gevouwen handen over zijn besluit om te vasten. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om van al de koningen die het geleerd hebben om open te staan voor de gunsten der grote zielen degene te zijn die zo fortuinlijk is, want aan de voeten der brahmanen zijn de koninklijke geslachten vanwege hun verwerpelijke handelingen niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden. (14) Vanwege mijn zonden, heeft de Heerser over zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld via die brahmaan een vloek tegen me uitgesproken, ik die in mijn gehechtheid almaar aan familiezaken zat te denken. Met het aangenomen hebben van die gedaante zal Hij spoedig, met de vrees die Hij aanjaagt, mijn wereldse gehechtheid hebben verslagen. (15) Aanvaard mij derhalve o hoog geleerden, als iemand die met de Heer in zijn hart zijn toevlucht heeft genomen tot de goddelijke moeder de Ganges. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten. En gaat u alstublieft door met het verslag doen van de daden van Heer Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook met betrekking tot de Allerhoogste Onbeperkte Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen in eerbetoon voor de tweemaal geborenen mag aantreffen.'

(17) En zo gebeurde het dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten terwijl hij naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Al de goden die vanuit de hemel hadden gezien dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden daarop waarderend de aarde met bloemen waarbij ze vergenoegd op de hemelse trommen sloegen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn aldus betoonde wijsheid en zeiden, instemmend vanuit de macht van hun goedheid voor de levende wezens, een goedheid die kwalitatief van dezelfde schoonheid is als het goddelijke geprezen in de geschriften: (20) 'Het wekt geen verbazing dat deze heilige koning die ons allen die strikt Krishna volgen aanvoert, met het bekleden van de troon die versierd is met de helmen der koningen, zijn leven onmiddellijk opgaf in zijn verlangen om omgang met de Fortuinlijke te krijgen. (21) We zullen allen zolang hier blijven als de koning nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van het Allerhoogste terug te keren, alwaar deze vooraanstaande toegewijde volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'

(22) Nadat hij de verzamelde wijzen aldus onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij in zijn verlangen te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle windstreken als de vertegenwoordiging van de Ene boven de drie werelden [Heer Brahmâ], met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige Vedisch geleerden, me nu,  na de nodige bezinning, te zeggen wat  van al de verschillende verplichtingen van een ieder en in het bijzonder van diegenen die op het punt staan heen te gaan, de juiste en gepaste handelwijze zou zijn.'

(25) Op dat moment verscheen, als geroepen, de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî. Hij die eruitzag als een bedelmonnik reisde zelfvoldaan in zijn zelfverwerkelijking omringd door kinderen rond zonder zich te bekommeren om materiële gemakken of om een identiteit. (26) Hij, slechts zestien jaar oud, had een fijngebouwd lichaam met delicate armen, benen, handen, dijen, schouders en voorhoofd. Zijn ogen waren prachtig groot in een gezicht met een hoog oplopende neus, daarbij passende oren, fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en extra lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwarte, donkere huid, de schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen. En dus stonden ze allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om hem zijn eer te betuigen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich meteen terug toen hij zijn verheven zitplaats innam in ontvangst van het respect. (30) Aldaar omringd door de grootsten der grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijken, straalde S'ukadeva als de hoogste heer, zo prachtig als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend werd de wijze  benaderd door de grote toegewijde, de koning, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verboog en hem toen beleefd en vriendelijk vragen stelde.

(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, wat een zegen is het voor ons van de heersende klasse om vandaag te zijn uitverkozen als de dienaar van de toegewijde, om bij uw genade dat u onze gast wil zijn, het bezoek waardig te worden geacht van al deze relaties van uwe goedheid. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat meteen al de plaatsen waar we wonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden. (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden onze zwaarste zonden terstond weggevaagd, precies zoals dat gebeurt met de ongelovigen als Vishnu aanwezig is. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, mij genadig en heeft Hij, voor het genoegen van Zijn neven en broers mij, hun afstammeling, aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe was het anders mogelijk dat u, uit eigen beweging, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, hier bent verschenen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, normaal gesproken niet onder de gewone man wordt aangetroffen? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar der asceten, om duidelijk te maken wat voor een persoon in dit leven de volmaaktheid, de uiteindelijke zaligheid is, en wat voor iemand die op het punt staat te sterven allemaal de plicht zou zijn. (38) Leg alstublieft uit o meester, waar de mensen in het algemeen naar moeten luisteren en wat ze moeten bezingen, wat ze moeten doen, wat ze in gedachten moeten houden en delen, alsmede wat in strijd met de beginselen zou zijn. (39) Dit vraag ik u omdat, o allerhoogste toegewijde, men thuis bij de huishouders u zich zelden langer ziet ophouden dan de precieze tijd nodig om een koe te melken.' "

(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva die zo goed thuis was in de kennis van iemands eigenlijke plicht, met zijn antwoord."

 

Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Schepping.


 


CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1: De Eerste Stap in de Godrealisatie

(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'Dit vragen stellen door u voor het heil van allen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd zijn en blind voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en seks bedrijven gedurende de nacht en met het verwerven van inkomsten en het verzorgen van hun gezin overdag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze ondanks hun ervaring niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die reden o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die als de Superziel en de Hoogste Persoonlijkheid de heersende en overwinnende Heer is die hen die verlangens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn over het algemeen de wijzen die de sfeer van voorschriften en beperkingen hebben overstegen o Koning, die er behagen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara-tijdperk [de yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder leiding van mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Volledig gerealiseerd als ik was in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak [van de Heer] o heilige Koning, en dus bestudeerde ik de vertelling. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die respectvol er hun volle aandacht aan schenken zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [in Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die vrij zijn van materiële verlangens als voor hen die begeren, alsook voor allen die vrij van angst en twijfel zijn in hun innerlijk verenigd zijn [de yogi's] o Koning, vormt, in navolging van de traditie, het steeds weer zingen van de Heer Zijn heilige naam de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men welbewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khathvânga zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kurufamilie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen moet men zich bevrijden van de angst voor de dood door, met behulp van het wapen der onthechting, te kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft. (16) Nadat men zijn thuis in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats verlaten heeft, behoort men overeenkomstig de reglementen naar behoren gereinigd en gezuiverd, in afzondering in de goede houding plaats te nemen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktiseren van de drie heilige letters [A-U-M]. Aldus het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] niet vergetend, realiseert men zich door het reguleren van zijn ademhaling de beheersing [die uitgaat] van het Allerhoogste. (18) Als men voor het heil van de deugd zich concentreert in meditatie, keert de geest zich af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden. Dit gebeurt omdat de intelligentie die is opgegaan in vruchtdragende handelingen geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Met het daarna, zonder het geheel uit het oog te verliezen, richten van de geest op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam alsook van de logica], moet men er dan ook voor zorgen dat men aan niets anders denkt dan die toevlucht [die wordt gevormd door de voeten] van de Allerhoogste Heer Vishnu die de geest tot rust brengt. (20) Vanwege de hartstocht en traagheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat weer goed komt in de concentratie van hen die de vrede vonden die aan al het verkeerde een einde maakt. (21) Zij die gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis de vereniging zoeken en vasthouden aan deze toewijding zullen spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dat goedkeurt.'

(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van op welke plaats en met welke soort activiteiten een persoon zich moet bezighouden en mee moet blijven doorgaan, om zich zonder omwegen te kunnen ontdoen van een onzuivere geest?'

(23) S'rî S'uka zei: 'Als men beheerst neerzit, zijn adem onder controle heeft, de gehechtheid overwonnen heeft en de zinnen heeft onderworpen, moet men zijn aandacht richten op de grove materie van de uiterlijke gedaante van de Allerhoogste Heer [de virâth-rûpa].

(24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [zie kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de Purusha [de Oorspronkelijke Persoon] die de Allerhoogste Heer is. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden herkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], Rasâtala worden dan Zijn hielen en tenen genoemd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon heten de Talâtala werelden. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen Mahîtala o Koning. De kosmische ruimte houdt men voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere, verlichte werelden vormen Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar. Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en de andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de Vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde vormen, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] zijn, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is. De materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin staat voor de hunkering, religie vormt Zijn borst en het pad der ongelovigheid wordt gevormd door Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel zijn de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken, de Tijd, is  Zijn beweging en de constante werking van de geaardheden van de materiële natuur vormt Zijn activiteit. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige geldt als de grondoorzaak van de materiële schepping. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl Heer S'iva, zo zegt men, de innerlijke oorzaak is [Zijn ego, Zijn zelf]. Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstellen] middels het brengen van offers.

(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken. Buiten Hem is er in het grofstoffelijke als zodanig immers niets anders te vinden. (39) Hij die zich als de Superziel op zoveel manieren laat kennen in alle vormen, ongeveer zoals een dromer die zichzelf [in verschillende situaties] ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. Men moet zich op Hem richten en nergens anders op als men zich niet door gehechtheden verlaagd wil zien.'

 

Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart

(1) S'rî S'uka zei: 'Ontstaan uit de Superziel [zoals Heer Brahmâ] hervindt iemand in het zich bezinnen [op de Universele Gedaante], door het aldus voldoening vinden [met de Heer] de verloren gegane herinnering aan zijn voorgaande bestaan. Daarop kan hij [de individuele ziel] die met een opgehelderde blik de intelligentie vond zijn leven weer opbouwen zoals het voorheen was. (2) Als iemand [echter] de geestelijke klanken aanhangt van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid doet dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], verwijlen in onsamenhangende ideeën om reden waarvan men zonder ooit de vreugde te vinden rondwaart in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Om die reden moet een intelligent iemand die zijn aandacht heeft gefixeerd [op de Universele Gedaante], als hij de perfectie wil bereiken, slechts minimaal, naar gelang de noodzaak zich betrekken op benamingen [vormen en andere materiële belangen] zonder zich er ooit door te laten leiden. Hij behoort van het praktisch inzicht te zijn dat hij zich anders in zou zetten voor [niets dan] zware arbeid. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en wat is met de beschutting van bomen nu het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan hen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid. (7) Wie anders dan de materialisten zouden met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag der baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?

Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13)  Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven o Koning, behoort men als wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het wensen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van  de wetenschap van het terwille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen. (20) De mediterende moet de zwevende kracht geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottehoofd. Dit moet hij intelligent uitzoeken in meditatie. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener die van verzaking is om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de uitgang van de zeven centra het domein van het hoofd binnen te gaan om een poos ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot daar stand te houden terwille van het onvermoeibare en eeuwige.

(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren met behulp van de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan moet men onvermijdelijk ook rekenen met de geest en de zinnen die daarbij komen kijken. (23) Men beweert over de weg gevolgd door de grote transcendentalisten dat ze, vertrekkend vanuit het bereik van het subtiele lichaam, zich binnen en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, terwijl zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer de vooruitgang  bereiken die is weggelegd voor hen die in de verzaking van hun toegewijde dienst verzonken zijn in de yoga.

(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men via het gracieuze verloop  [de sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen] van de ademhaling, als men de hemelbewegingen volgt [de cakra-orde], de zuivere geest [Brahmaloka, de plaats van de Schepper] die opheldering verschaft en de onzuiverheden wegneemt. Dan bereikt men naar boven gericht o Koning, de schijf [de cakra, het wiel] genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt die aanbiddenswaardig is voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen der verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men  de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

(28) Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, reikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit der zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego]. Bijgevolg vordert hij met het geheel buiten werking stellen van de materiële geaardheden in de richting van de werkelijkheid der volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

(32) Alles wat ik u beschreven heb o beschermer van de mens, stemt zoals uwe Majesteit dat verlangde naar behoren overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de  eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken.  (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er voorzeker geen methode van realisatie die beter is dan de weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die met het vullen van hun oren met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is van de nectar drinken, zullen hun door het materiële plezier verontreinigde geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die bij de lotus staan.'



Hoofdstuk 3: Zuivere Toegewijde Dienst - de Verandering in het Hart

(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reactie op de vragen die uw goede zelf stelde over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Zij die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's [Brihaspati]; Indra, de koning van de hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn er voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is er voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod is er voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn er voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgodenbroers] zijn er voor het verlangen om lang te leven, voor een sterk lichaam wordt moeder aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren de godinnen van de aarde en de hemelen. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het Universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Zo ook moeten zij die verlangen om te leren, S'iva aanbidden, terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.

(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun zorg zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder gewone verlangens. (9) De goddelijke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar men zoekt de demonen om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of hij nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, iemand die het ruimer beziet dient met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen in aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, door om te gaan met Zijn zuivere toegewijden een niet aflatende spontane aantrekking tot de Allerhoogste Heer. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke in de transcendentie van het onthecht zijn van deze geaardheden de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie die in beslag wordt genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in actie komen door deze aantrekking?"

(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de poëtische wijze? (14) O hooggeleerde Sûta, zet voor ons die er zo naar uitzien erover te vernemen deze onderwerpen uiteen. In een gezelschap van toegewijden zijn immers die verhalen welkom die leiden tot de vertellingen over de Heer. (15) Hij, die kleinzoon van de Pândava's, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, een groot strijder die als kind al met poppen de activiteiten van Heer Krishna naspeelde. (16) En zo moet het - met al die toegewijden daar - ook zo gegaan zijn in de aanwezigheid van de zoon van Vyâsadeva die, in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva die door zovelen wordt verheerlijkt, er al de goede kwaliteiten voor had. (17) Met uitzondering van degene die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen betreffende Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, maakt het op- en ondergaan van de zon de levensduur van de mensen alleen maar korter. (18) Leven de bomen ook niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en eten de beesten om ons heen ook niet en planten ze zich ook niet voort? (19) Een persoon wiens oor nimmer de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden bereikte is niet loffelijker dan een een hond, een varken, een ezel of een kameel. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, de Ene van de enorme vooruitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last als dat lichaam nooit neerbuigt voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], precies zoals handen, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, gelijk zijn aan die van een lijk, zelfs al zijn ze gesierd met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Vishnu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit en te nimmer het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en een afstammeling van Manu [een mens] is maar een ademend lijk als hij nooit de weelde van het aroma van de tulsîblaadjes van de lotusvoeten van Heer Vishnu heeft geroken. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks dat het verzonken is in het zingen van de Heer zijn naam, niet transformeert met de emoties van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) O Sûta Gosvâmî, u drukt zich uit in gunstige bewoordingen, vertel daarom welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende S'ukadeva Gosvâmî desgevraagd de koning die naar de waarheid zocht onthulde."

  

Hoofdstuk 4: Het Proces van de Schepping

(1) Sûta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Heer Krishna. (2) Hij [aldus mediterend] gaf [voor een ogenblik innerlijk] zijn diep gewortelde en constante bezitsdrang op die samenhing met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist en al zijn verwanten en vrienden in zijn onbetwiste koninkrijk. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me het nu vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten overeenkomstig de drie principes [van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, economische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hooggeleerde; u die zonder smetten bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwerpen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum creëert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7)  En alstublieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energieën handhaaft en ze weer terugtrekt, hoe Hij als de almachtige Hoogste Persoonlijkheid komt tot Zijn expansies, ze erbij betrekt alsook er zelf bij betrokken zijnd, ze presenteert en ze aanzet tot handelen [zie ook canto 1, hoofdstuk 3]. (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt middels Zijn verschillende incarnaties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt aan de hand van de geaardheden, tegelijkertijd in de materiële energie aanwezig is, danwel zich opeenvolgend manifesteert in vele gedaanten. (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aangezien u, zo goed zijnde als de Opperheer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de Vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid.' "

(11) Sûta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester der zinnen] te beschrijven ging S'uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, methodisch aan de slag.

(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugtrekken van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij Zich vanbinnen ophoudt als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen voor Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die het onware aanhangen,  mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent waar zij die van de status zijn van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid naar zoeken [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor die grootse kameraad van de Yadudynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Voor Hem van wie de verheerlijking, de heugenis, het aanschouwen, de gebeden, het luisteren en het eerbetoon alle mensen terstond van de gevolgen van hun zonde bevrijdt, voor Hem over wie men zegt dat Hij ten gunste werkt in alle opzichten, breng ik telkens weer de eerbetuigingen die ik Hem schuldig ben. (16) Zij die helder van geest zijn en die door eenvoudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig bestaan volledig opgeven,  brengen zonder moeilijkheden de vooruitgang van het hart en de ziel naar een spiritueel bestaan tot stand; die vermaarde, alles begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen. (17) De grote wijzen, de grote helden der liefdadigheid, zij die zich het meest onderscheiden, de grootste denkers, de grote mantrachanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen als die niet aan Hem zijn opgedragen. Hem over wie te vernemen zo iets gunstigs is breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India], Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en vele anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn raken meteen gezuiverd als ze hun toevlucht bij de Heer Zijn toegewijden zoeken. Voor Hem, de machtige Heer Vishnu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten, de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering. Moge die Allerhoogste Heer die de achting geniet van hen die boven alle pretenties verheven zijn - de Ongeboren Ene [Heer Brahmâ], Heer S'iva en anderen - mij gunstig gezind zijn. (20) Moge Hij, de Allerhoogste Heer en meester van de toegewijden, Hij die de eigenaar is van alle weelde, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde en de nummer één en bestemming van de [Yadu]koningen van de Sâtvata's, de Andhaka's en de Vrishni's, mij genadig zijn. (21) Men beweert dat te denken aan Zijn lotusvoeten en er op ieder ogenblik in verzonken zijn, met achting voor de autoriteiten, zuivert en de eigenlijke kennis verschaft van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden ertoe aanzet Hem naar eigen inzicht te beschrijven. O  Mukunda, mijn Opperheer, moge Uw genade altijd met me zijn.  (22) Moge Hij die de eerste van de Schepping kracht gaf [Heer Brahmâ] met heugenis in het hart omtrent Zijn aard en zijn eigen oorsprong,  en die [aldus] van het begin af aan de Godin van het Leren inspireerde die uit Brahmâ's mond leek te zijn geschapen - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materiële schepping en al deze lichamen die zijn gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de Purusha [de oorspronkelijke persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onderdelen [bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van actie en de vijf zintuigen], moge die Allerhoogste Heer mijn uitlatingen kracht bijzetten. (24) Mijn eerbetuigingen voor hem, de grote expansie van Vâsudeva [te weten Vyâsadeva], die de vergaarder is van de Vedische literatuur van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) Het eerste levende wezen [Brahmâ] mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, vanbinnenuit de Vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "
 


Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken

(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen o god der halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen der materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam en een vorm die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend,  die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u].  (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, je bent zeer vriendelijk in je volmaakte navraag. Dit inspireert me ertoe nader in te gaan op de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) Mijn zoon, je hebt het bij het rechte eind met wat je zoëven zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste boven mij te kennen zal het zeker zo zijn als je beweerde. (11) Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen bij de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn  onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken zij die verbijsterd zijn een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie met de Eeuwige Tijd alsook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ze ieder voor zich  geen waarde hebben. (15) Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Geïnspireerd door dat wat door Hem de Ziener, de Ziel van Allen, de Heerser over Alle Intelligentie werd geschapen die mij heeft geschapen, schep ook ik.

(18) Van deze [geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werden aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Het eeuwig bevrijde, levende wezen dat is  onderworpen aan condities van oorzaak en gevolg is [echter] aangedaan door de geaardheden van de materiële energie die zich [in zijn leven dan] manifesteren als [respectievelijk] kennis, activiteiten en materiële traagheid. (20) Hij, de Opperheer, die als de getuige van de getuige [door het levende wezen dat is geketend] aan de symptomen van de drie geaardheden niet kan worden gekend in Zijn bewegingen o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] neemt aldus, vanuit Zijn eigen vermogen spontaan in verschillende, verworven [guna]gedaanten verschijnend, de werklast [het karma] op Zich zowel als de specifieke aard [of svabhâva, van het levende wezen]. (22) Door het toezicht van de oorspronkelijke persoon vond de schepping van de mahat-tattva [de 'grotere werkelijkheid'] plaats, door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit deze specifieke naturen vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Maar door de transformatie van het grotere geheel domineerden de hartstocht en de goedheid in sterke mate [in den beginne]. Daarop trad [tegenwicht biedend in reactie] de geaardheid der duisternis sterker naar voren die wordt gekenmerkt door materie, materiële kennis en een overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich naar de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid, en aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie. (25) Uit de vorm der duisternis die transformatie onderging, ontwikkelde zich [als de eerste] van de elementen de ether met haar subtiele vorm en geluidskwaliteit die de aanduiding vormen van zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam het [kosmisch] denken van de goden voort die handelen in goedheid, [overeenkomstig de vijf zintuigen van waarnemen en handelen] gekend als de tien heersers over de  windrichtingen [de Digdevatâ's], de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemelen [Indra], de godheid der transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ]. (31) Vanuit de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie plaats die de levende energie de intelligentie verschafte van al de zinnen van het handelen - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus - en het waarnemen - het horen, zien, voelen, proeven en ruiken. (32) Zolang deze categorieën van de elementen, de zinnen, het denken en de geaardheden der natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o beste in de kennis [Nârada]. (33) Toen die [elementen] allemaal dankzij de [drijvende] kracht van de Allerhoogste de één na de ander waren samengevoegd en ze hun toepassing vonden, vond dit universum met zijn beide ware en illusoire, zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] zijn bestaan.

(34) Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de individuele ziel [de jîva of de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn onderbenen. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld der verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of Universele Gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.' 


Hoofdstuk 6: De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

(1) De Schepper zei: 'De mond [van de Universele Gedaante] vindt men in het vuur dat het centrum vormt van de stem van de zeven [metrums der] lofprijzingen [gezongen ter ere van] de essentiële ingrediënten [de natuurlijke elementen of de lagen van Zijn lichaam. Dhâtava, letterlijk: huid, vlees, zenuw, merg, been, bloed en vet]. Het met respect offeren van allerlei soorten voedsel en lekkernijen die door menselijke wezens dan worden gewaardeerd als de nectar [van de overblijfselen] vormt het veld van handelen [voor het heil van] Zijn tong. (2) Voor Zijn neus is er de levensadem en de buitenlucht om de bovenzinnelijke ervaring van een lang leven [de As'vinî halfgoden] voort te brengen in combinatie met al de medicinale kruiden en geuren die men kan genieten. (3) De ogen [van de grote gedaante] die allerlei vormen waarnemen alsook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleiden het door de oren horen uit alle richtingen van al de geluiden van het eerbetoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn uiterlijke verschijning [het aanzien van de Universele Gedaante] vormt het fundament voor alle dingen en gunstige gelegenheden en het veld waar men oogst, terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt die tot allerlei offerandes aanleiding geeft. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken met behulp waarvan in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken. Daarbij vormen de wolken met hun electriciteit, de stenen en het ijzererts Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien in de behoeften en het beschermen van de burgerbevolking. (7) In de Heer Zijn toevluchtverschaffende lotusvoeten herkent men de vooruitgang van de lagere, middelste en hemelse werelden, omdat ze in alle behoeften voorziend met het verschaffen van wat nodig is vrijwaren van vrees en alle zegeningen inhouden. (8) Water, het zaad en het vruchtbare van regens verwijst naar de genitaliën van de Schepper, de Heer, of de plek waar het geluk ontspringt dat wordt teweeggebracht door [de noodzaak van] het voortbrengen [van nageslacht of cultuurproducten]. (9) O Nârada, de opening waar de uitscheiding van de Universele Gedaante plaats vindt vormt de oorsprong van Yama, de godheid die heerst over alles wat op zijn einde loopt en van Mitra. Het vormt het rectum dat herinnert aan afgunst, ongeluk, de dood en de hel. (10) Frustratie, immoraliteit en onwetendheid ontdekt men aan Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene beweger [de Tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en de ook weer in Zijn buik [in de middelste werelden, S'iva] vernietiging vindende wezens, wordt door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.

(12) Het door u, door mij, door mijn zoons [de Kumâra's] en door Heer S'iva behartigen van het dharma hangt af van het leven en de ziel van het Opperwezen [dat de veilige haven vormt] van waarheid en wijsheid. (13-16) Ik, u, Heer [S'iva], alsook de grote wijzen vóór u, de goddelijken, de demonen, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens, alsmede de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de sterren, kometen, planeten en manen en de donder en bliksem; al wat er was, wat er is en zal worden geschapen, dit gehele universum bij elkaar wordt [doordrongen en] omvat door de Oorspronkelijke Persoon in een formaat van niet meer dan zestien centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon zijn stralen vanbuiten uitspreidt en al het levende verlicht en [vanbinnen met prâna] kracht verschaft, wekt ook de expansie van de Universele Gedaante, de Hoogste Persoonlijkheid, het bestaande vanbinnen en vanbuiten tot leven. (18) Hij beheerst de onsterfelijkheid en onbevreesdheid en is verheven boven de dood en het vruchtdragend handelen van iedereen en derhalve, o Nârada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid als onmetelijk beschouwd.

(19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in [slechts] een kwart van het veilige reservoir van alle volheden waar geen dood of vrees bestaat. Dat reservoir is de Hoogste Persoonlijkheid die zich voorbij de materiële lagen van de drie werelden ophoudt. (20) Het [resterende] driekwart deel van Hem in het voorbije vormt de plaats waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen. Binnen [het kwart van de materiële wereld] vindt men daarentegen de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] die zijn gereserveerd voor de statusposities van hen die gehecht aan het gezinsleven zich niet strikt houden aan de gelofte van het celibaat. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten bekend zijn, en is aldus, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Hij uit wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstonden, samen met de elementen en de zinnen overeenkomstig de materiële kwaliteiten van het universum, is in de overtreffende trap van die Universele Gedaante te vergelijken met de zon [die] in verhouding tot de stralen en hitte die hij verspreidt [er altijd los van staat].

(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem ontspringend aan de navel van deze grote persoon, had ik naast de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niets om offers mee te brengen. (24) Om offers te brengen is dat wat men offert, zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro], nodig tezamen met een altaar alsook een raamwerk van de tijd [een kalender b.v.] om de geaardheden van de natuur te kunnen volgen. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen zijn hiermee gemoeid, o godvruchtige. (26) Ook het aanroepen van heilige namen en mantra's alsook het ontvangen van bijdragen en afleggen van geloften betreffende de specifieke godheid in kwestie spelen een rol. Daarbij is er voor het  doel van ieder van deze zaken afzonderlijk een speciaal geschrift. (27) Om middels aanbidding te kunnen vorderen in de richting van het uiteindelijke doel en om van compensatie [vrijwaring, correctie en excuus] te kunnen zijn met de uiteindelijke offers die werden gebracht voor de diverse delen van het [bestuurlijke] lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de vertegenwoordigende halfgoden], voorzag ik in de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, gebruikmakend van al die benodigdheden, de expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) En dienovereenkomstig praktiseerden uw [gods-]broeders, de negen meesters der levende wezens [de negen scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5: 30], met gepast ritueel ter wille van de geziene en ongeziene persoonlijkheden. (30) In navolging [van die scholen of halfgoden] waren ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd van aanbidding om Hem te behagen, en zo deden dat ook de andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, tegenstanders [Daitya's] en de mensheid als geheel.

(31) Al deze hoogst machtige manifestaties, die de materiële illusie van het hebben van een gedaante hadden aanvaard in de sferen van het universum, vonden terwille van Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, hun bestaan in de werkelijkheid van schepping, behoud en vernietiging, alhoewel Hij aan zichzelf genoeg heeft in Zijn transcendentie. (32) Naar Zijn wil schep ik terwijl onder Zijn beschikking S'iva vernietigt. Hijzelf treedt daarbij op als de Oorspronkelijke Persoon en beheerser van de drie energieën die het hele universum behoudt.

(33) Aldus heb ik u op uw verzoek dit alles uitgelegd mijn beste. Waar je ook aan denkt, of het nu een oorzaak of een gevolg is, er is niets dat buiten de Allerhoogste Heer zijn bestaan heeft. (34) O Nârada, deze geestelijke instelling heeft zich steeds als de juiste bewezen omdat ik in mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. Mijn gedachtengang dwaalde er nooit mee af in onwaarheid en mijn zinnen haalden me er niet mee naar beneden in de tijdelijkheid. (35) Ik ben de Vedische wijsheid in eigen persoon, ben vol van verzaking, de aanbiddelijke meester van al de voorvaderen en een zelfgerealiseerde deskundige in de praktijk van de yoga, niettemin slaagde ik er niet in Hem uit wie ik zelf ben voortgekomen te doorgronden. (36) Ik ben [derhalve] de gezegende voeten van de Heer der overgegeven zielen toegewijd die de herhaling van geboorte en dood stoppen en zicht op het geluk verschaffen.  Net zo min als de hemel zijn eigen begrenzing kan zien kan Hijzelf zich nog niet eens een voorstelling maken van het vermogen van Zijn eigen Persoonlijke energieën.  En hoe zouden anderen dat dan wel kunnen? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al] Zijn bewegingen kunnen overzien, kan je ook niet verwachten dat andere godsbewusten dat kunnen. Met je intelligentie verbijsterd door de begoochelende energie van het geschapene heeft men alleen maar zicht zover als het vermogen reikt.

(38) Wij bieden Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken hoewel personen als wij Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de absolute, voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept in ieder millennium in Zichzelf, middels Zichzelf, Zijn eigen transcendentale aanwezigheid, handhaaft Zichzelf  [voor enige tijd] en  neemt [Zichzelf ook weer] op in Zichzelf. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het Absolute zonder een begin en een einde. Vrij van de natuurlijke geaardheden verkeert Hij in een positie waarin Zijns gelijke nooit en te nimmer te vinden is. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen als hun zinnen zijn behartigd en hun zelf  tot vrede is gebracht, anders zal dit inzicht zeker verdraaid zijn door onhoudbare argumenten en uit het oog zijn verloren. (42) De eerste avatâra van de Heer, is de Oorspronkelijke Persoon: [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu. Hij vormt de basis van] de ruimtetijd [kâla svabhavah, de oorspronkelijke aard van de tijd], oorzaak, effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, de zinnen en de geest. Samen vormen ze de diversiteit van het volkomen geheel van al het bewegende en niet bewegende van het universele wezen [genaamd Garbhodakas'âyi Vishnu].

(43-45) Ikzelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver; al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's]; de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden; de aanvoerders van de hemelbewoners [van de Ghandarva, Vidyâdhara en Cârana werelden] alsook de leiders van de demonen [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld; de eersten onder de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de speciale talenten, de onbeschaafden en ook de doden; de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] met inbegrip van de grote waterdieren, beesten en vogels - met andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig is of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht is, bestaat alsof hij zelf de [opperste] gedaante van [het representeren van] Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zou zijn, maar in feite vormt ieder van hen slechts een onderdeel. (46) O Nârada, heb nu waardering voor de toewijding voor het spel en vermaak van de belangrijkste incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid. Die toewijding zal de trage materie doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je deze verhalen, die stuk voor stuk een genoegen zijn om naar te luisteren, de één na de ander vertellen zoals ze zich in mijn hart bevinden.'



Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's

(1) De Schepper zei: 'Toen de Heer als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aannam van het totaal van alle offers [als de everzwijn-avatâra Varâha], was Hij in die gedaante van plan de aarde op te heffen uit de [Garbhodaka] oceaan. In de oceaan verscheen toen de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand.

(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van Prajâpati Ruci, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht die werden aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie']. Met hen drong Hij in beduidende mate het leed van de wereld terug om reden waarvan de vader van de mensheid Svâyambhuva Manu hem de nieuwe naam Hari [de Heer] gaf.

(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de schoot van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] samen met zes zusters. Als Heer Kapila ['de analytische'] sprak Hij met Zijn moeder over spirituele zelfverwerkelijking, waardoor zij in dat leven verlost werd van de materiële geaardheden die de ziel overdekken en bereikte ze de bevrijding.

(4) Tevreden over de overgave van de wijze Atri die bad voor nageslacht, zei de Heer hem: 'Ik zal je Mij geven!' en om die reden kreeg Hij de naam Datta [Dattâtreya, 'hij die geschonken werd']. Het stof van Zijn lotusvoeten leidde tot de zuivering van het mystiek lichaam en bracht de rijkdom van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.

(5) Omdat ik in het verleden sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor werd de spirituele waarheid verwoest toen de wereld in het water verzonk, maar met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden werd de kennis volledig in ere hersteld.

(6) Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een Prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de vooruitgang van de mens']. De Opperheer aldus [nedergedaald] stond het op basis van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen nimmer toe dat Zijn geloften werden gebroken door de hemelse schoonheden die Hem met Cupido [de god van de liefde] benaderden. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Maar met [de twee van] Hem vanbinnen aanwezig, is de lust te bang om naar voren te treden. Hoe kan met Hem voor de geest nu ooit de lust de aandacht opeisen?

(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen van een bijvrouw die ondanks de aanwezigheid van de koning [Uttânapâda] werden geuit, nam zijn zoon Dhruva ['de onverzettelijke'], toen hij nog maar een jongen was, zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud. De Heer door zijn bidden behaagd bevestigde het doel van zijn realisatie [Dhruva loka, de spil der sterren] waarvoor de  grote wijzen en de bewoners van de hemel naar boven en naar beneden gericht sedertdien bidden.

(9) Toen de tweemaal geborenen koning Vena ['de bezorgde'] vervloekten die afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag waarbij hij met al zijn grote daden en weelde in de hel  belandde. Nadat er voor Hem was gebeden werd hij bevrijd door de Heer die naar de aarde kwam als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] en bracht daarbij tevens tot stand dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.

(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî. Evenwichtig in de aangelegenheid der yoga leek Hij dwaas terwijl Hij presteerde op het hoogste niveau der wijzen waarop men met het aanvaarden van de spirituele essentie - de onafhankelijkheid - de activiteit van de zinnen heeft onderworpen en volmaakt bevrijd is van materiële invloeden.

(11) De Allerhoogste Heer, de ziel van al de goden, de Persoonlijkheid van het Offer die in alle offers wordt aanbeden, verscheen in een offerande van mij met een hoofd als dat van een paard en een gouden glans [en wordt aldus Hayagrîva genoemd]. Door Zijn ademen door Zijn neusgaten kan men de geluiden van de Vedische hymnen horen.

(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk Heer Matsya ['de vis'] die als het behoud voor de aarde een toevlucht vormde voor alle levende wezens [in de vorm van een boot tijdens de zondvloed]. De Veda's die vanwege de grote angst voor het water voortkwamen uit mijn mond werden toen door Hem opgepikt die daar Zijn sport bedreef.

(13) Toen in de oceaan van melk [ofwel de kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, de 'grote berg'] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma], zodat het over Zijn rug schuurde en jeukte.

(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degene die de angst van de godsbewusten wegnam met het fronsen van Zijn wenkbrauwen en de schrikwekkende tanden van Zijn mond, terwijl Hij zonder pardon op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorboorde die Hem had uitgedaagd met een strijdknots in zijn handen.

(15) De leider der olifanten [Gajendra] die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem, terwijl hij een lotus vasthield, in grote nood op de volgende wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum. Uit U die beroemd bent als een pelgrimsoord komt al het goede voort als men alleen maar Uw naam hoort, de naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde kliefde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakrawapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.

(17) Hoewel Hij, de grootste in bovenzinnelijke kwaliteiten, [de jongste was van] al de zonen van Aditi ['de oneindige'], overtrof Hij [hen allen] door in dit universum al  de werelden te omspannen en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd. Bedelend voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij zo als Heer Vâmana al het land [van Bali Mahârâja] in bezit zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten onder wiens gezag men nimmer zijn bezit mag verliezen. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit, zelfs niet als dat ten koste ging van zijn lichaam, aan iets anders vast te houden dan aan wat hij had beloofd omdat hij besloten had zich aan de Heer te wijden.

(19) De Opperheer tevreden over de goedheid die je ontwikkelde middels je bovenzinnelijke liefde o Nârada, gaf heel vriendelijk gedetailleerd uitleg over het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel die allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.

(20) Bij de glorie van Zijn persoonlijke kracht onderwerpt Hij onversaagd onder alle omstandigheden de drie systemen [zie loka] in al de tien windrichtingen als Hij in de verschillende Manutijdperken [manvantara's] incarneert als een nakomeling van de Manudynastie. Heersend over de onverlaten en de koningen van die aard met behulp van Zijn cakrawapen, vestigt Hij aldus Zijn roem tot in de wereld der waarheid [Satyaloka] *.

(21) Onder de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalt de Opperheer neer in het universum als de roem in eigen persoon om sturing te geven aan de kennis die men nodig heeft om een lang leven te verwerven. Hij doet dit middels het verschaffen van de nectar die voortkomt uit het [Kurma karn-]offer en snel de ziekten van alle levende wezens geneest.

(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te dringen zal de grote ziel [Heer Paras'urâma], de Opperste Geestelijke Waarheid in eigen persoon, al die doorns uit de wereld helpen die waren afgedwaald van het pad en solliciteren naar een hels bestaan. Hij hanteert voor dat doel ontzagwekkend machtig eenentwintig keer Zijn bovenzinnelijke bijl.

(23) Bij machte van Zijn grondeloze, allesomvattende genade, daalt de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud in zal trekken met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed veroorzaakte. (24) Voor Hem zal de angstige Indische oceaan snel baan maken, als ze ziet dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbranden, waarna Hij, vertoornd als Hij is over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], van een afstand met bloedrode ogen zal mediteren op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Als de slurf van de olifant die Indra draagt breekt op de borst van Râvana straalt er licht in alle richtingen. Râvana zal dan van vreugde heen en weer paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren zal aan dat lachen en de levensadem van hem die Sîtâ ontvoerde een einde komen door het zingen van de boog [van Râma].

(26) Als de hele wereld in staat van ellende verkeert vanwege de last van de soldaten der ongelovigen, zal Hij [Krishna], met Zijn Volkomen Aspect [Balarâma], Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, Hij wiens pad van glorieuze daden zo moeilijk te herkennen is voor mensen in het algemeen, onherroepelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie anders dan Hij zal in God's naam als een kind nog maar, een levend wezen kunnen doden dat de vorm van een gigantische demone heeft aangenomen [Pûtanâ], of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen alsook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna zal opgroeien] zal Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven wekken die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtige gif zal Hij er in de rivier behagen in scheppen de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhoudt met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden zal al de bewoners van Vraja [het koeiendorp] die diezelfde nacht zorgeloos liggen te slapen redden van verbranding door het vuur dat laait in het droge woud. Op die manier zal Hij hen die er zeker van waren dat het met hun leven was afgelopen, samen met Balarâma overtuigen van Zijn ondoorgrondelijke vermogen door ze simpelweg hun ogen te laten sluiten [en hen zo op dezelfde manier redden als Hij later de gopa's redt uit een andere bosbrand].  (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-]moeder [Yas'odâ] ook zal proberen om haar zoon mee vast te binden, telkens zal het dan weer te kort blijken te zijn. En dat wat ze zal zien als Hij Zijn mond opendoet voor de twijfelende koeherdersvrouw [die naar aarde zoekt die Hij gegeten zou hebben] zijn al de werelden, hetgeen iets is dat haar op een andere manier zal overtuigen. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-]vader die Hij eveneens zal redden - van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] - en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] alsmede zij die [wonend in Vrindâvana] overdag hard werken en 's nachts slapen, zal Hij allen belonen met de hoogste wereld van de geestelijke hemel [Brahmaloka of Vaikunthha]. (32) Als de koeherders er [door Krishna] van worden weerhouden om hun offers voor de koning van de hemel te brengen, zal Indra een zware regenval veroorzaken. Hij [Krishna], dan nog maar zeven jaar oud, wil dan de dieren beschermen en zal in Zijn grondeloze genade zeven dagen lang met enkel één hand de heuvel Govardhana speels omhoog houden alsof [het een paraplu is], zonder dat Hij er moe van wordt. (33) Als Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos het verlangt om bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, zal Hij de liefdesverlangens opwekken van de vrouwen van Vrajabhûmi en hun ontvoerder [S'ankhacûda] onthoofden die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) [Demonische] types als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom], vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen als S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en een ieder die machtig en goed bewapend is zoals Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, zullen dankzij Hem van het toneel verdwijnen en Zijn hemelse woning bereiken, danwel dankzij een van de andere namen die bij Hem horen zoals Baladeva [Krishna's broer], Arjuna of Bhîma.

(36) Geboren uit Satyavatî zal Hij [als Vyâsadeva] na de nodige tijd inzien wat voor moeite de minder intelligente en maar kort levende mensen hebben met de al te ingewikkelde en toegespitste Vedische literatuur. Aangepast aan het tijdperk zal Hij dan de gehele verzameling van deze wensboom van de Veda's in verschillende takken onderverdelen.

(37) Voor hen die op de weg der scholing zeer goed onderlegd raakten maar jaloers zijn op het goddelijke en de werelden en de ether ongezien doorkruisen met uitvindingen van Maya [ofwel met moderne technologie], zal Hij zich heel aanlokkelijk vertonen en [als de Boeddha en zijn vertegenwoordigers] in van de traditie afwijkende termen uitvoerig spreken over hun destructieve verstandsverbijstering.

(38) Als er zelfs onder de beschaafde heren geen sprake meer is van de Heer en de tweemaal geborenen [de hogere klasse] en de regering bestaande uit leden van de arbeidersklasse zelf nooit of te nimmer met Zijn lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer [Kalki], de bestraffer, verschijnen.

(39) In den beginne was er de boete met mij en de negen wijzen die alles voortbrachten, in de middenperiode is er het actieve van het dharma met Vishnu, Manu, de halfgoden en de koningen in hun leefwerelden en op het eind is er het goddeloze met S'iva en de kwaaie atheïsten en dergelijken. Het zijn allemaal machtige vertegenwoordigers van de begoochelende energie van de Ene der Almacht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. In één grote beweging wist Hij [als Trivikrama] met Zijn been moeiteloos het universum te bestrijken tot in de neutrale staat van de natuurlijke geaardheden voorbij aan de hoogste wereld. (41) Noch ik, noch al de wijzen die vóór u werden geboren zijn in staat het bereik van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon te overzien. En wat kan men dan verwachten van anderen die na ons geboren werden? Zelfs Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] de eerste incarnatie van de voorwereldlijke God met de duizend gezichten kan tot op de dag van vandaag met het bezingen van de kwaliteiten Zijn grens niet bereiken. (42) Alleen zij aan wie de Heer Zijn genade verleent zijn in staat de oneindige oceaan der materie over te steken. Dat zijn die beschermde zielen van wie het zoeken van Zijn toevlucht inhield dat ze zich zonder terughoudendheid ondubbelhartig overgaven aan Zijn voeten, ofwel dat ze bewust Zijn diverse energieën niet als het hunne beschouwden met inbegrip van dat van hen [hun lichaam] dat bedoeld is te worden gegeten door jakhalzen en honden. (43-45) O Nârada, weet dat we beiden behoren tot het verstandsverbijsterende spel van illusie van de Allerhoogste Ene, en dat geldt ook voor de grote Heer S'iva, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] van de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena], alsook Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, en anderen als Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanu, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en kampioenen als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook zij die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen - op voorwaarde dat ze de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden naleven - de  illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, zelfs als ze voorheen zondig leefden. En als het zelfs dieren lukt die door mensen werden afgetraind, hoeveel te meer zou dat dan niet opgaan voor mensen die over Hem vernamen? (47) Het Absolute van de Geest [Brahman] staat bekend als onbegrensd geluk dat vrij is van leed. Het is de uiteindelijke positie van de Hoogste Persoonlijkheid van God voor wie de illusie wegvlucht in schaamte. Die zuivere, onbevlekte staat vrij van onderscheidingen gaat de woorden te boven die horen bij het materieel motief van vruchtdragende handelingen, het vormt het oorspronkelijk beginsel van de Superziel, de oorzaak van alle oorzaak en gevolg, het is bewustzijn vrij van angst en het onverstoorde tegendeel van het geheel van de materie [zie ook B.G. 2: 52]. (48) In die staat van volledige onafhankelijkheid komt er een einde aan de diverse praktijken van de mystici die in het proces van hun geestelijke cultuur de perfectie nastreven, zoals Indra [de god van de regens] ook geen waterput hoeft te graven. (49) De Opperheer is de ene meester van alle goedheid omdat Hij het succes brengt van [de spirituele realisatie met] al het goede werk dat door het levende wezen werd verricht overeenkomstig zijn natuurlijke aard. Nadat het werk is volbracht lost het lichaam weer op in de samenstellende elementen, maar net zoals de ether nimmer verloren gaat gaat ook de geestelijke ziel van de persoon nimmer verloren [zie ook B.G. 2: 24].

(50) Mijn beste, aldus zette ik in het kort uiteen hoe de Allerhoogste Heer het universum heeft geschapen. Wat er ook moge bestaan in het fenomenale [materiële] of noumenale [geestelijke] kan niet van enige andere oorzaak zijn dan Hari, de Heer. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door hem, de Allerhoogste Heer en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de Heer Zijn uiterlijke aangelegenheden zal het levende wezen dat met regelmaat er aandacht aan besteed en er toegewijd waardering voor opbrengt nooit  door de materiële illusie begoocheld raken.'


 *: Bij vers twintig verandert de tijd van Brahmâ's toespraak van verleden tijd in de tegenwoordige tijd en vandaar af aan in de toekomende tijd vanaf vers tweeëntwintig. Hieruit kan worden afgeleid dat Vyâsadeva dit gesprek projecteerde in de periode van de Avatâra Kurma toen Dhanvantari verscheen.


Hoofdstuk 8: Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, die was geïnstrueerd door Heer Brahmâ o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden? (3) Spreekt u alstublieft verder, u die van het grootste geluk bent, zodat ik met mijn geest gericht op de Allerhoogste Ene van de ziel, Heer Krishna, bevrijd van materiële gehechtheid mijn lichaam kan opgeven. (4) Zij die zich met geloof regelmatig in deze spirituele materie verdiepen en tevens stand weten te houden in die onderneming, zullen niet lang daarna de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Als men aldus via zijn oren deze klanken [van het Bhâgavatam] ontvangt zal de lotusbloem van de liefdevolle relatie met Krishna al de onzuiverheden wegwassen, zoals het water van de herfst de poelen zuivert. (6) Eenmaal gelouterd zal de persoon die zijn toevlucht nam tot Krishna's voeten nimmer die bevrijding opgeven, precies zoals een reiziger die de ellende van het leven ondergaat nimmer zijn thuis zal opgeven [de Ziel, zie ook B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].

(7) Als het dan niet een kwestie is van een materieel bestaan o brahmaan, kan u vanuit uw zelfkennis me dan zeggen of het levend wezen in deze onderneming nu per toeval aan een lichaam komt of door een of andere oorzaak? (8) Als Hij in het bezit is van de lotusbloem van deze wereld die als het ware ontsproot aan Zijn buik, wat is dan het verschil tussen de Oorspronkelijke Persoon van deze bepaalde afmeting [van de Virâth Rûpa] en de situatie waarin men spreekt van de verschillende belichamingen [der levende wezens]? (9) Hoe kon hij van de lotusbloem die niet uit de materie was voortgekomen maar uit de navel, hij [Brahmâ] die het leven gestalte gaf van allen die werden geboren met een lichaam, door Zijn genade Zijn Gedaante waarnemen? (10) En ook [hoe kan het zijn] dat Hij als de Oorspronkelijke Persoon die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijft door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u [in 2.5] spreken over de verschillende [planeten of leef-]werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon. Wat [kan u ons vertellen] over die bestuurders die met hun verschillende werelden Zijn verschillende delen vormen?

(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's]? Wat kan u zeggen over de tijdmaten die we het verleden, het heden en de toekomst noemen? En hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat kan u zeggen over hoe de tijd, in de context van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? (14) En ook in welke mate wordt men bepaald door het zich ophopend karma in relatie tot de verschillende geaardheden der natuur en de verschillende daaruit resulterende levensvormen als gevolg van iemands verlangen? (15) Beschrijf ons alstublieft hoe de schepping van de lagere regionen, de vier windstreken, de ether, de planeten, de sterren, de heuvels, de rivieren, de zeeën en de eilanden en hun bewoners plaatsvond. (16) Wat zijn de proporties van de buitenruimte [van het universum] en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en van de verschillende roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving? (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard? En welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen ten toon in ieder van de tijdperken?

(18) Wat zijn de verschillende religieuze verplichtingen van de menselijke samenleving als geheel en wat zijn de plichten van de drie klassen [arbeid, handel en intellect] en hun bestuur [de vierde klasse]? En wat zijn de verplichtingen jegens mensen in nood? (19) Hoeveel elementen telt de schepping, wat zijn hun kenmerken en hoe reageren ze op elkaar? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst voor de Oorspronkelijke Persoon in de cultuur van de yoga en wat zijn de verschillende spirituele methoden die daartoe leiden? (20) Wat zijn de speciale vermogens die de yogameester zich eigen maakt, waar leiden die toe, hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichaam en wat is de bovenzinnelijke kennis die men vindt in de Veda's, de aanhangende literatuur [de Upaveda], de wetboeken en de Vedische verhalen en geschiedenissen? (21) Hoe ontwikkelen zich de verschillende manieren van doen van de levende wezens en hoe komen ze weer ten einde? Wat zijn de procedures voor het uitvoeren van rituelen, het verrichten van vrome werken en daden van eigenbelang en wat zijn de regelingen voor de drie levensdoelen [de economische, religieuze en zinnelijke belangen](22) Hoe vindt een ieder die verenigd is in de Heer danwel tegen Hem ingaat zijn bestaan en in hoeverre zijn degenen die bevrijd zijn onderhevig aan conditionering in verhouding tot degenen die een onbepaald leven leiden? (23) Hoe geniet de onafhankelijke Opperheer nu vanuit Zijn eigen innerlijk vermogen van Zijn eigen spel en vermaak en hoe kan Hij van Zijn spel afzien als Hij, als de Almachtige, een getuige blijft van het uitwendige van Zijn vermogen?

(24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstublieft in overeenstemming met de waarheid o grote wijze, verslag van wat u me, met allen hier aanwezig die u ten voeten zijn gevallen, wilt vertellen. (25) Zeker bent u in deze aangelegenheden van feitelijke kennis zo goed als Brahmâ die rechtstreeks voortkwam uit de Heer, terwijl anderen die de gebruiken volgen dienovereenkomstig slechts kunnen spreken vanuit geleende kennis. (26) Ik ben het nooit moe o brahmaan, om in de honger van mijn vasten te drinken van de nectar van het onfeilbare die voortvloeit uit de oceaan van wat u zegt.' " 

(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] die aldus in de samenkomst door de koning werd ondervraagd betreffende onderwerpen van de hoogste waarheid als deze, was, als het werktuig van de Schepper, zeer verheugd over deze dienaar van Vishnu. (28) Hij zette deze Purâna genaamd het Bhâgavatam uiteen zoals die door de Allerhoogste Heer aan Heer Brahmâ werd overgedragen aan het begin van de eerste dag [of kalpa] van de schepping. (29) Dit was het eerste dat hij [in 2.1: 8] zei ter voorbereiding van een volledige beschrijving van het begin tot het einde van alles wat de koning, de beste van de Yadudynastie, had gevraagd en nog meer zou vragen."



Hoofdstuk 9: Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

(1) S'rî S'uka zei: "Tussen de ziel van zuiver bewustzijn in het voorbije en het materiële lichaam kan er nooit enige sprake zijn van een zinnige relatie zonder het begoochelend mâyâ vermogen van het [goddelijke] zelf [van de Heer of van 'het'] o Koning, net zoals het ook niet mogelijk is voor een dromer om enig gebruik te maken van de dingen die hij in een droom zag. (2) Met de wens op verschillende manieren genoegen te beleven aan de vele gedaanten die de uitwendige energie van mâyâ te bieden heeft is er vanwege [de werking van] haar kwaliteiten of geaardheden het idee van 'ik' en 'mijn'. (3) Zo gauw hij [de getuige, de ziel], in zijn glorie van het overstijgen van de tijd van de materiële energie, ervan geniet om vrij van begoocheling te zijn, geeft hij in die volheid het ook op met dat tweetal [van het 'ik' en 'mijn']. (4) Toen de Opperheer Zijn gedaante toonde aan de Schepper die waarachtig was in zijn geloften en ijver, maakte Hij duidelijk dat het doel van alle zuivering eruit bestaat de liefde te vinden van de kennis der zelfverwerkelijking [âtma-tattva, filognosie, het principe van de ziel]. (5) [En dus] begon hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] zich af te vragen waar die [lotus] vandaan kwam. Daarbij overwegende hoe hij met zijn schepping zou moeten beginnen, kon hij er echter niet achter komen wat de richtlijnen en procedures waren van hoe hij alles materieel moest samenvoegen.

(6) Toen hij op een keer verdiept was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden uitgesproken die de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren. Samengevoegd [tot tapas, boete] raakten die twee lettergrepen bekend als het vermogen van de wereldverzakende orde o Koning. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om zich heen om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen. Vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat hij maar het beste aandacht kon besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Hij begiftigd met een smetteloze visie beheerste zijn levensadem, geest en zinnen van waarnemen en handelen voor de duur van duizend godenjaren*, en verlichtte aldus in het verleden al de werelden door van alle boetvaardigen degene te zijn met de strengste praktijk.

(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ook wel Vaikunthha genaamd, de plaats vrij van indolentie], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Daar waar de Heer wordt aanbeden door zowel de verlichte als de onverlichte  toegewijden, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder er ooit mee vermengd te zijn. Noch is er daar de invloed van de tijd of de uitwendige energie om nog maar te zwijgen over [de invloed van] al de andere zaken [als gehechtheid, begeerte etc]. (11) Zo blauw als de hemel en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, zijn al de bewoners daar toegerust met de vier armen en de luister en pracht van parels en verfijnde sieraden.  (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden met oorbellen en bloemenslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats die straalt met rijen hoog oprijzende, schitterende bouwwerken [speciaal ontworpen] voor de grote toegewijden en die bevolkt is met flitsende schoonheden met een hemelse teint, ziet er zo mooi uit als een hemel met wolken en bliksemflitsen. (14) De godin van het geluk [S'rî] verricht aldaar in haar persoonlijke gedaante, in verrukking met haar persoonlijke, zingende begeleidsters, met behulp van verschillende toebehoren toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer, omringd door zwarte bijen die druk meezoemen in de aantrekking van [het eeuwigdurende seizoen van] de lente. (15) Daar zag hij [Brahmâ] de Heer van de hele gemeenschap der toegewijden, de Heer van de godin, van het Universum en het offer, de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren die vol van liefde hun gelaat naar Hem op hebben geheven zijn dronken van de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, Zijn rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, Zijn gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij als de Allerhoogste Heer volop van Zijn verblijfplaats alwaar Hij wordt omringd door de weelde van Zijn vier energieën [de principes van de materie, de oorspronkelijke persoon, het intellect en het ego], Zijn zestien energieën [de vijf elementen, de waarnemende en werkende zintuigen en de geest], Zijn vijf energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], Zijn zes energieën [de volheden van de kennis, intelligentie, schoonheid, boetvaardigheid, roem en rijkdom] en de overige persoonlijke vermogens die Hij soms ten toon spreidt [de acht siddhi's of mystieke perfecties].

(18) De Schepper van het Universum, die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor, boog met zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer. Het vormde een voorbeeld dat gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte de Heer de waardige, grote geleerde geschikt voor het gestalte geven - overeenkomstig zijn eigen gezag - aan de levens van alle levende wezens. Mild glimlachend schudde Hij zeer vergenoegd zijn partner in de goddelijke liefde de hand en richtte Hij zich in verlichte termen tot hem. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn [de 'kûtha yogi's'], ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete, de boete waardoor zich in u, die het verlangde te scheppen, de Vedische kennis verzamelde. (21) Al Mijn zegen voor u, vraag enkel Mij, de schenker van alle zegeningen, welke gunst u ook maar wenst o Brahmâ. Want het uiterste van het komen tot de realisatie van Mij vormt het ultieme succes van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaats werd u vergund omdat u onderworpen luisterde toen u in afzondering van de hoogste boetedoening was. (23) Ik was het die het in die situatie zei [dat u boete moest doen] omdat u niet wist hoe u uw plicht moest doen. Die boete is Mijn hart zelf en de Ziel is wat Ik ben voor degene die erin verwikkeld is o zondeloze. (24) Ik schep door boetedoening, Ik handhaaf de kosmos door boetedoening en Ik trek me ook weer terug op basis van boetedoeningen. Men vindt Mijn macht door gestrenge boetedoening.'

(25) Brahmâ zei: 'O Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur zich bevindend in het hart die op basis van Uw onbetwiste, superieure intelligentie op de hoogte bent van alle ondernemingen. (26) Niettemin vraag ik U o Heer, alstUblieft mijn wens te vervullen om te begrijpen hoe U, terwijl U Zelf geen gedaante heeft, enerzijds kan verblijven in het voorbije terwijl U anderzijds nederdaalt in Uw gedaante zoals wij die mogen kennen. (27) En hoe speelt U het klaar om vanuit Uzelf middels Uzelf, door te combineren en te herschikken, Uw verschillende energieën ten toon te spreiden inzake het evolueren, accepteren, onderhouden en vernietigen? (28) O Mâdhava [meester van alle energieën], stel me alstUblieft in makkelijk te begrijpen woorden in kennis van al die [gedaanten] waaraan U feilloos, vastberaden gestalte geeft zoals een spin [zijn energie in zijn web] investeert. (29) Moge ik,  het van U lerend als mijn leraar van het voorbeeld en door Uw genade optredend als Uw instrument, ondanks het scheppen van de levens van de levende wezens, aldus nimmer gevangen raken in materiële gehechtheden. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me [met een handdruk] aanvaard voor het tot stand brengen van de verschillende levens van de levende wezens. O mijn Heer, mogen allen die [via mij] in de dienst aan U ongestoord het licht van de wereld zien, er nimmer aanleiding toe geven dat de verbeelding me naar het hoofd stijgt, o Ongeborene.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en de nodige parafernalia. Begin er aan zoals Ik het u uitleg. (32) Moge er door Mijn genade voor u deze feitelijke realisatie zijn van Mijn eeuwige gedaante en bovenzinnelijke bestaan, Mijn kleuren, kwaliteiten en handelingen. (33) Ik was er voordat de schepping er was toen er nog niets anders bestond, niets van de oorzaak en het gevolg van dit alles dat Ik ook ben, en Ik ben het ook die van al het geschapene ten slotte overblijft; dat is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing van de duisternis. (35) De elementen van het universum doen zich, voordat ze [bij de schepping] betrokken raken zowel als erna, in het klein voor zowel als in het groot. Op dezelfde manier ben Ik [op Mijn kleinst] in hen aanwezig zowel als [op Mijn grootst] niet in hen aanwezig. (36) Hij die van de ziel zijn studie heeft gemaakt mag ervan uitgaan dat hij, totdat hij hierop uitkomt, de werkelijkheid en het principe van het Zelf zowel direct [spiritueel] als indirect [wetenschappelijk] moet onderzoeken, in relatie tot iedere tijd, op iedere plaats en in elke omstandigheid. (37) Als je doelbewuste denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste, hoef je er niet bang voor te zijn je verstand te verliezen, niet als je even [met de kalpa] de weg kwijt bent, noch als je leven [met de eindtijd van de vikalpa] is afgelopen.' "

(38) S'uka zei: "Na aldus alles goed te hebben uitgelegd, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] werd waargenomen in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Allerhoogste Zelf. (39) Nadat Hij uit het zicht was verdwenen hervatte Brahmâjî die zijn handen had gevouwen voor de Heer die het voorwerp vormt van al de zinnen [der toegewijden], op dezelfde wijze als voorheen het scheppingswerk van de levens van alle levende wezens die het universum bevolken. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich met gelofte en respect wijdde aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, want dat was wat hij verlangde in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Nârada, de meest dierbare van zijn erfgenamen, is hem zeer gehoorzaam in zijn bereidheid dienst te verlenen met zijn goede gedrag, zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) O Koning, de grote wijze en eersteklas toegewijde behaagde zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer met zijn verlangen om [meer] te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën. (43) Op dezelfde manier als u mij aan het ondervragen bent, ondervroeg Nârada Muni hem toen hij zag dat dat naar de tevredenheid was van de overgrootvader van het hele Universum. (44) Dit Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna met zijn tien eigenschappen [dat werd samengevat in de vier verzen 33-36, zie verder het volgende hoofdstuk], werd met grote voldoening door de Allerhoogste Heer uiteengezet aan Zijn [ongeboren] zoon, de schepper van het universum. (45) Aan de oever van de Sarasvatî onderrichtte Nârada [op zijn beurt] dit Allerhoogste van de Geest aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva die van een onbegrensd vermogen is, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."

*: Een goddelijk, hemels of godenjaar staat gelijk aan 360 menselijke jaren.




Hoofdstuk 10: Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [boek, het S'rîmad Bhâgavatam] komen de volgende [tien onderwerpen] ter sprake: de primaire schepping [sarga], hoe de interacties tussen het levende en het levenloze tot stand kwamen [visarga], de planetaire orde [sthâna], het geloofsbehoud [poshana], de aanzet tot handelen [ûtaya], de bestuurlijke tijdperken [manvantara's], verhalen over de Heer Zijn verschijningen [îs'a-anukathâ], terugkeer naar God [nirodha], bevrijding in toegewijde dienst [mukti] en het summum bonum [het leven van Krishna, âs'raya]. (2) De grote wijzen herleidden de bedoeling van de [eerste negen] kenmerken van dit [Bhâgavatam] tot de verheldering van het summum bonum. Dit leidden ze af uit de woorden zelf die in de tekst gebruikt worden danwel uit hun strekking. (3) De [zestien elementen van de vijf] grofstoffelijke elementen, de  [vijf] objecten van de zinnen en de zintuigen zelf met inbegrip van de geest vormen de manifestatie die de schepping van de schepper [sarga] wordt genoemd en wat resulteerde uit hun interactie met de drie geaardheden van de natuur [de guna's] wordt de secundaire schepping [visarga] genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden [sthâna] is de glorie van de Heer van Vaikunthha en Zijn genade vormt het geloofsbehoud [poshana]. Het bestuur van de Manu's [in de manvantara's] regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting die de aanzet tot handelen vormt met de karmische geneigdheden [ûtaya]. (5) De verschillende verhalen over de Heer [îs'a-anukathâ] beschrijven de activiteiten van de avatâra's van de Hoogste Persoonlijkheid van God en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God [nirodha] gaat over het berusten van de zielen in de Oorspronkelijke Persoon en Zijn energieën, terwijl bevrijding [mukti] het opgeven van andere vormen [van bestaan] behelst om gevestigd te raken in de Oorspronkelijke Aard. (7) Hij die als de bron van waaruit de kosmische manifestatie plaatsvindt ook staat voor de terugkeer naar God, wordt om die reden het reservoir [de âs'raya] van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd.

(8) Hij als de persoon in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is zowel de heersende godheid [adhidaivika] als de persoon die daarvan onderscheiden er is als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Hij die inziet dat men geen begrip kan hebben van één van de drie zonder de andere twee, weet dat Hij, de Superziel, de ondersteuning vormt voor Zijn eigen toevlucht. (10) Toen die Allerhoogste Persoon [expanderend in de ruimtetijd] de universa scheidde, trad Hij in Zijn verlangen om van de zuiverste transcendentie te zijn, buiten Zichzelf om zich neer te vleien in de geschapen [causale] wateren. (11) Voor een duizendtal godenjaren in deze wateren van Zijn eigen schepping verblijvend werd Hij bekend onder de naam Nârâyana ['de weg van Nâra'] omdat deze wateren die ontstonden uit de Allerhoogste Persoon [uit 'Nara'], Nâra heten. (12) De materiële elementen, het karma, de tijd en de geconditioneerde levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij [Zijn] verwaarlozing. (13) Waar Hij lag in Zijn mystieke sluimer was Hij geheel alleen. Aldus wenste Hij zich bij machte van Zijn mâyâ te vermenigvuldigen en deelde Hij Zijn goud glanzende zaadbeginsel in drieën. (14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer die Zijn ene vermogen toen in drie verschillende vermogens deelde kwam tot de drie delen van 1) Zichzelf of van Zijn natuur, adhidaiva, 2) de individuele ziel, adhyâtma en 3) de andere levende wezens, adhibhûta.

(15) Vanuit de ether in het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich, met Zijn wens, het zinsvermogen, het mentale vermogen en het lichamelijke vermogen, waarna toen de levensadem [de prâna] naar voren trad als het alles en iedereen beheersende principe. (16) Net als het gevolg van een koning, volgen de zinnen de levenskracht van de prâna die actief is in alle levende wezens en als de levenskracht niet langer actief is houdt de rest er ook mee op. (17) De levenskracht die werd opgewekt  [vanuit de ether] wekte in de Almachtige honger en dorst op en om die dorst te lessen en honger te stillen, opende zich toen allereerst de mond. (18) Van de mond openbaarde zich het verhemelte waarna de tong zich manifesteerde alsmede de verschillende smaken die hij ermee kon genieten. (19) Met de behoefte om te spreken kwamen er uit de Allerhoogste [de daarover heersende god van] het vuur voort,  het spraakvermogen en het spreken zelf, maar omdat Hij in rust verkeerde in de wateren, bleven die voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) Ernaar verlangend geuren te ruiken ontwikkelde de neus zich met zijn reukzin tesamen met de neusgaten om snel de lucht te kunnen inademen die de geur meevoert. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis verlangde Hij het om Zichzelf en de rest van de schepping te zien. Toen splitste terwille van Zijn waarnemen de zon zich af die de ogen het gezichtsvermogen schonk. (22) Toen de Heer ertoe besloot dat de wijzen het opperwezen zouden moeten begrijpen manifesteerden zich eveneens de oren met inbegrip van het gezag der windrichtingen, de gehoorzin en dat wat er kon worden gehoord. (23) Vanuit Zijn verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, verpreidde de tastzin zich over de huid samen met de lichaamsbeharing, de planten en de bomen. Die tastzin van de huid wierp zich op door de voorwerpen die vanbinnen en vanbuiten werden waargenomen.

(24) Vanuit Zijn verlangen naar verschillende vormen van arbeid manifesteerden zich Zijn handen, maar om kracht te verlenen aan hun manipulatie [hun godheden] vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan als de manifestatie van beiden. (25) Het wensend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu] Zichzelf manifesteerde [als hun heersende godheid] die de verschillende levende wezens motiveert overeenkomstig de plichten van hun vruchtdragend handelen [hun karma]. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het lustmatige zijn bestaan waar beiden zo graag hun toevlucht toe nemen [beheerst door de Prajâpati]. (27) Ernaar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin en substantie ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, verscheen terwille van de bescherming van hen beide. (28) Met Zijn wens zich vrij van het ene lichaam naar het andere te verplaatsen, manifesteerde zich in het lichaam de navel die de schuilplaats werd voor eerst de laatste adem die wordt uitgeblazen en vervolgens de dood. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de ingewanden en de aderen zijn oorsprong waarvoor de rivieren en de zeeën de bron vormen van hun onderhoud en stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] verscheen en daarmee ook de vastberadenheid en al het verlangen. (31) De zeven elementen van de nagels, de huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem een product is van de ether, het water en de lucht [zie ook kos'a].

 
(32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie. Die geaardheden beïnvloeden de geest en al de gevoelens die erbij horen waardoor de intelligentie en de gerealiseerde kennis voor het individu hun vorm aannemen. (33) De Allerhoogste Heer Zijn grofstoffelijke gedaante wordt, zoals ik u dat uitlegde, onder dit alles gekend aan de hand van de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] waaruit de planeten en al het overige bestaan, die samen een onbegrensd uitgedijde, uitwendige bedekking vormen. (34) Om die reden hebben we de woorden van het denken overeenkomstig het transcendentale die het Allerhoogste dienen dat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat zonder een begin is, zonder een tussenstadium en zonder een einde en aldus eeuwig is. (35) Geen van deze twee [materiële en verbale] vormen van de Allerhoogste Heer zoals ik ze u beschreef worden, vanwege hun uitwendigheid, ooit door de geleerden van het bewustzijn voetstoots aangenomen. (36) Hij die in feite niets doet [akarma is] vertoont zich in de gedaante van het woord en dat waar dat woord betrekking op heeft: de uiteenlopende gedaanten van de Absolute Waarheid en de Allerhoogste Heer en vat in het spel en vermaak van Zijn vormen en namen het werk op van de transcendentie. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen er is als het gevolg van baatzuchtig handelen [het karma]. Dat is de ervaring van al de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [de voorvaderen] en Siddhaloka [de volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [de zangers van de hemel], Vidyâdhara's [de wetenschappers], de Asura's [de onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen; de slangachtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [de plaats van de moeder], de demonen en de Pis'âca's [gele vleesetende duivels]. En dat geldt ook voor de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, duivels die bezit van mensen nemen, de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en niet bewegende levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit broeiwarmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle overigen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden.

(41) Afhankelijk van de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid zijn er aldus de drie [bestaansvormen] van het goddelijke, het menselijke en zij die moeten lijden. Er bestaan ook andere [geboorten] o Koning, als men uitgaat van mengvormen overeenkomstig de gewoonten die men in een van de drie geaardheden ontwikkelt met benaderingen ontleend aan de andere twee. (42) Duidelijk is dat als de Allerhoogste Heer, de handhaver van het universum de universa tot stand heeft gebracht Hij het dharma handhaaft [en de levende wezens verlost] door de gedaanten aan te nemen van goden, mensen en lagere levensvormen. (43) Zoals de wind de wolken uiteendrijft zal Hij in de gedaante van Rudra [S'iva of  de vernietiger] aan het einde van het tijdperk middels vuur alles geheel vernietigen. (44) De Allerhoogste Heer wordt door hen die Zijn wezen niet kennen beschreven met het idee van deze kenmerken [van scheppen en vernietigen], maar de wijzen en leraren moeten zich niet verwaardigen de hoogste glorie enkel zo te bezien. (45) Nimmer wordt wat betreft de zaak der schepping enzovoorts, het bovenzinnelijke Allerhoogste beschreven als zijnde de instantie die zaken bewerkstelligt, want het idee [van het bekleden van een verheven positie] is er om tegenwicht te bieden aan dat wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Wat ik hier samengevat zeg betreft het tot stand komen van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping. Ik weidt er nu alleen maar over uit om de regulerende beginselen te illustreren die een rol spelen bij het proces van schepping gedurende de periode van een dag van Brahmâ [een kalpa] en van vernietiging gedurende een tussenliggende periode [een vikalpa]. (47) Ik zal u ook nog uitleg verschaffen over de kenmerken en afmetingen van de tijdmaten van een dag van Brahmâ [kalpa], maar laat me u allereerst op de hoogte brengen van dit tijdperk [ookwel de Pâdma Kalpa of Varâha Kalpa genaamd].' "

(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde vanuit de goedheid van uzelf over Vidura, die één van de beste toegewijden is,  op weg naar de pelgrimsoorden op deze aarde en die daarbij de verwanten achterliet die zo moeilijk op te geven zijn. (49-50) O zachtmoedige, vertel ons hier alstublieft over de conversatie die Vidura had met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is. Wat vroeg hij Zijne genade allemaal en welke waarheden kreeg hij toen ten antwoord? En waarom gaf Vidura eigenlijk zijn bezigheden en metgezellen op en keerde hij nadien weer terug naar huis?"

(51) Sûta antwoordde: "Dit werd ook door Koning Parîkchit gevraagd. Ik zal u vertellen wat de grote wijze erover zei toen hij de vraag van de koning beantwoordde. Luister goed."

 

Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Kosmische Manifestatie.


 

CANTO 3: De Status Quo


Hoofdstuk 1: Vragen Gesteld door Vidura

(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging nadat hij zijn leven in welstand had verzaakt: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'

(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals die op prijs wordt gesteld door de zoekers der waarheid.'

(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld sprekend vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.

(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het opvoeden was had hij die zich nooit op het rechte pad bevond zijn gezichtsvermogen verloren toen hij voor de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optrad als hun voogd. Hij liet hen het huis van schellak ingaan dat hij toen aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel toegekend door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra]. (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna in de bijeenkomst voor hen verscheen als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, door de koning niet serieus genomen temidden van al de zinnige mannen van wie het laatste restje vroomheid aan het wegkwijnen was.

(10) Toen Vidura op verzoek van zijn oudere broer [Dhritarâshthra] naar het paleis werd geroepen ging hij daar naar binnen om raad te geven en het advies dat hij toen met zijn aanwijzingen gaf was precies wat de goedkeuring van de ministers van staat kon wegdragen: (11) 'Geef nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ vallen nu onder de zorg van de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de ondersteuning van de brahmanen en de goddelijken zich momenteel ophoudt bij Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die samen met Hem een ongekend aantal koningen versloeg. (13) Hij [Duryodhana], deze slechte kerel die u voor uw zoon houdt, trad in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke Persoon. U die zich aldus tegen Krishna heeft gekeerd bent aldus verstoken van al het goede - aan dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo snel mogelijk een einde maken.'

(14) Nadat Vidura deze woorden had uitgesproken werd hij door Duryodhana ter plekke aangesproken. Rood aangelopen van woede en met trillende lippen beledigde hij in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten met het volgende: (15) 'Wie heeft hem hier uitgenodigd, deze bastaardzoon van een dienstmaagd die opgroeide terend op de zak van hen die hij verraadt als een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Vidura op zijn beurt zette terstond zijn boog bij de deur neer en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door het geweld dat op hem afkwam. Ondanks deze voor het oor kwetsende pijlen, zat hij er niet over in en voelde hij zich prima.

(17) Nadat hij de Kaurava's had verlaten, bereikte hij met zijn vertrek uit Hastinâpura de vroomheid van de Allerhoogste Heer op het moment dat hij zijn toevlucht nam tot pelgrimages. Hij verlangde enkel naar de hoogste graad van toewijding zoals die middels al die duizenden beeltenissen was gevestigd. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding alwaar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, de wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de verschijningsvormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich in zijn eentje rond over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde bereizend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding uitgedost als een bedelaar tewerkgaand volgens de geloften om de Heer te behagen, kon men hem niet herkennen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1.13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos dat afbrand door vlam te vatten als gevolg van de eigen wrijving. Daarop ging hij, stil met zijn gedachten, westwaarts in de richting van de rivier de Sarasvatî. (22) Aan de oever van de rivier bezocht hij en aanbad hij naar behoren, de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Ook waren er andere plaatsen ingericht door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de leidende persoonlijkheid tot in de kleinste hoeken van de tempels terug te vinden was. Zelfs op een afstand deden ze denken aan Heer Krishna. (24) Vandaar door de welvarende koninkrijken van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India) trekkend, gebeurde het dat toen hij na een zekere tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].

(25) Hij omhelsde de sobere en zachtaardige constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel hoorde hij hem uit over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna en Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En is onze grootste Kuru en zwager Vasudeva [de vader van Heer Krishna] gelukkig, o Uddhava? Hij is waarlijk als een vader voor zijn zusters en vrijgevig in het naar het genoegen van zijn vrouwen voorzien in alles wat ze verlangen! (28) Alsjeblieft Uddhava, zeg me of de veldheer van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is. Hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als de prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's,  Dâs'ârha's en Bhoja's? Hij is degene die van Heer Krishna weer op de troon mocht hopen toen hij het had moeten opgeven omdat hij buiten spel geplaatst was [onder oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde van alle strijders aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] die zo rijk is in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva. (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die van Arjuna leerde en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en bovendien door dienst te leveren de bestemming van het Transcendentale bereikte die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is. (32) En de goed onderlegde, onbesproken zoon van S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem? Hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof en de tekenen vertoonde van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja? Zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God Aniruddha, volmaakt gelukkig, Hij die als de bron voor het vervullen van de verlangens van de toegewijden van oudsher beschouwd wordt als het geboortekanaal voor de Rig-Veda, de schepper van de geest en de vierde transcendentale, volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [van Vishnu-tattva]? (35) En anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ die het goddelijke van hun eigen zelf als zijnde de ziel aanvaardden, o ootmoedige, en met een absoluut geloof van navolging zijn, gaat het hen ook allemaal goed met het doorbrengen van hun tijd?

(36) Handhaaft Yudhishthhira die heerst met de principes van het menszijn, het religieuze respect dat behoed wordt door de armen van Arjuna en de Onfeilbare? Het was hij die met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte. (37) En koelde de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede op de zondaren? Hij was niet te verslaan zoals hij met het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots optrad op het slagveld. (38) Gaat het goed met Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters en met zijn boog de Gândîva  zo vele vijanden versloeg? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En zijn de tweelingzoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] nu zonder zorgen? Als oogleden die ogen beschermen werden ze beschermd door hun broers toen ze hun eigendommen terughaalden in het gevecht met de vijand zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra. (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven? Zij wijdde zich aan de zorg voor de vaderloze kinderen toen ze moest leven zonder koning Pându die in z'n eentje als een bevelvoerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.

(41) O zachtmoedige, ik maak me alleen maar zorgen over hem [Dhritarâshthra] die ten val kwam toen zijn broer [Pându] stierf. Hij keerde zich tegen mij die hem het beste wenste en verdreef me uit mijn eigen stad met het zich aanmeten van dezelfde houding als zijn zoons. (42) Daarom reis ik bij de genade van Zijn voeten incognito rond door deze wereld van de Heer die voor anderen dan Hij zo verbijsterend is om te beheersen. Ik verloor Zijn voeten nooit uit het oog omdat ik geen twijfel kende in deze aangelegenheid. (43) Wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [als gevolg van bezittingen, afkomst en navolgers] en die voortdurend moeder aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, wachtte Hij als de Allerhoogste Heer die er op uit is het lijden van de overgegeven zielen weg te nemen, er ondanks de overtredingen van de Kuru's natuurlijk mee om hen te doden. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld aanwezig is, is er om korte metten te maken met de parvenu's opdat allen tot inzicht mogen komen. Voor welk doel zou Hij anders een lichaam en allerlei soorten van karma op zich nemen? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden en bespreek de verhalen van de Heer van alle heilige plaatsen die vanuit Zijn ongeboren positie geboorte nam in de familie van de Yadu's voor het heil van alle heersers van het universum die zich overgaven aan Hem en [de devotionele cultuur van] Zijn zelfbeheersing.'

 

Hoofdstuk 2: Terugdenken aan Krishna

(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, moest terugdenken aan de Heer en kon niet direct antwoorden omdat hij overweldigd werd door emoties. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij was opgegaan in een spel van dienstbaarheid [aan Heer Krishna]. (3) Hoe zou een dergelijke dienstbaarheid van Uddhava in de loop van de jaren nu minder kunnen worden? Toen hem [dus] enkel maar gevraagd werd over Hem te vertellen, schoot hem zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten te binnen. (4) Voor een ogenblik viel hij geheel stil als gevolg van de nectar van de voeten van de Heer. Sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig in beslag genomen door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en toen hem de tranen in de ogen sprongen omdat hij Hem zo miste, zag Vidura dat hij het voorwerp van zijn grootste liefde had bereikt. (6) Langzaam keerde Uddhava uit de wereld van de Heer weer terug naar de menselijke wereld en zijn tranen wegwissend sprak hij vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'

(7) Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden? (8) Hoe onfortuinlijk is het voor deze wereld en in het bijzonder de Yadu dynastie om samenlevend met de Heer Hem net zo min te herkennen als de vissen de maan. (9) Zijn eigen mensen de Sâtvata's waren onverschrokken lieden met een goede mensenkennis die zich met Hem als het hoofd van de familie konden ontspannen en over Hem dachten als degene die overal achter stak. (10) Ook al zijn zij, net zo goed als anderen die zich aan illusies vastklampen, allen bevangen door de illusie van het uiterlijke van God, de intelligentie van de zielen die zich innerlijk volledig hebben overgegeven aan de Heer zal door de woorden die de anderen bezigen [echter] nooit op een dwaalspoor raken. (11) Na zich te hebben vertoond aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij vervolgens, toen Hij Zijn gedaante aan het gezicht van het publiek onttrok, over tot het wapenfeit van Zijn eigen verdwijnen. (12) Die gedaante die Hij toonde  in de sterfelijke wereld was volmaakt geschikt voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde. Die gedaante leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten: Zijn voeten.

(13) Al de [bewoners van de] drie werelden die tijdens Koning Yudhishthhira's Rajasûya-[konings-]offer Zijn alleraantrekkelijkste gedaante zagen stonden versteld en vonden dat het vakmanschap van Brahmâ's universele schepping met Hem aanwezig in de stoffelijke wereld was overtroffen. (14) Door Zijn lachen, speelse aard en zijdelingse blikken raakten de vrouwen van Vraja meer en meer aan Hem gehecht en volgden ze Hem met hun blikken zodat ze helemaal afgeleid afwezig zaten te dromen zonder nog aan hun huishoudelijk werk toe te komen. (15) De Ongeborene die toch geboren werd, de eindeloos genadige Heer en heerser over het spirituele en materiële bereik verscheen terwille van de toegewijden als de Fortuinlijke, de Heer der Volheden, als Bhagavân die onder begeleiding van al Zijn metgezellen als een vuur is voor al de anderen die, [zoals Kamsa] levend volgens hun eigen materiële opvattingen, een plaag vormen.

(16) Het doet me pijn om te zien hoe Hij, ongerboren van aard, Zijn zo verbijsterende geboorte nam [in de gevangenis] waar Vasudeva leefde, hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me verdriet wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstublieft tevreden over ons!' (18) Hoe kan men als men eenmaal het stof van Zijn lotusvoeten in de neus heeft, Hem nu vergeten die met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf? (19) Uwe goedheid zag toch met eigen ogen hoe tijdens Yudhishthhira's koninklijke offerplechtigheid de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks zijn jaloezie met Krishna de volmaaktheid bereikte, de perfectie die het hoogst begeerde doel vormt voor de yogi's die dankzij hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En zeker hebben ook anderen in de menselijke samenleving Zijn hemelverblijf bereikt: zij die als krijgsheren Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd. (21) Hij is niemand minder dan de unieke Opperheer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het hoogste geluk wordt bereikt en voor wiens voeten alle [koningen vol van] verlangens hun helmen buigen in aanbidding met alle toebehoren onder leiding van de eeuwige behoeders van de maatschappelijke orde. (22) Derhalve smart het ons als dienaren in Zijn dienst o Vidura, om te zien hoe Hij zich voor Koning Ugrasena  die afwachtend op zijn troon zat onderwierp met de woorden: 'O mijn Heer, alstublieft, bezie het op deze manier'.

(23) Tot wiens beschutting zou ik anders mijn toevlucht moeten nemen? Oh, wie verzekert me van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van die demone [Pûtanâ] die uit jaloezie haar borst vergiftigde om Hem dood te voeren, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat zij die als tegenstanders vijandigheid koesteren jegens de Heer der Drievoudigheid grote toegewijden zijn omdat ze, verzonken in de gedachte aan de strijd met Hem, Hem op Zijn drager [Garuda] konden zien aankomen met Zijn cakrawapen. (25) Geboren uit de schoot van Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], verscheen de Fortuinlijke op de gebeden [van de Schepper] terwille van het welzijn van de aarde. (26) Daarna werd Hij door Zijn [pleeg-]vader Nanda grootgebracht op de weidegronden, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang [in het geheim] verbleef op de manier waarop men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen vol van de geluiden van het getjilp van de hemelse vogels in de vele bomen aldaar. (28) Het verlokkelijke vertoon van het spel en vermaak van Zijn jeugd kon alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, alwaar Hij eruit ziende als een leeuwenwelpje net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was. (29) Als de bron van het geluk bracht Hij, terwijl Hij  de schat aan prachtige koeien hoedde, de koeherdersjongens in de stemming door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere gedaante aan te nemen die ze wilden, werden toen ze in de loop van Zijn spel en vermaak ten tonele verschenen, gedood door Hem die tewerk ging als een kind dat met poppen speelt. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen die] in moeilijkheden [verkeerden] door het [door hun zonen] drinken van het vergif [van de slang Kâliya in het water van de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met behulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra]. (33) Indra boos over de belediging liet het hoogst verstoord zwaar regenen boven Vraja. De koeherders werden toen door de genadevolle Heer daartegen beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) Tijdens de herfst schiep Hij eens, in een nacht helder van het maanlicht, er ter vermaak van de vrouwen genoegen in om als het schone aangezicht van de nacht Zelve in hun midden aangename liederen te zingen.'


Hoofdstuk 3: Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

(1) Uddhava zei: 'Toen de Heer daarna naar de stad Mathurâ kwam, sleurde Hij, die  het welzijn van Zijn ouders [die gevangen zaten] verlangde, samen met Baladeva [Kamsa] de aanvoerder der staatsvijandigheid van de troon en doodde hem door hem met kracht naar de grond te trekken. (2) Hij maakte zich ieder detail van de Veda's eigen na ze slechts één keer gehoord te hebben van Zijn leraar Sândîpani die Hij met de zegen beloonde dat Hij zijn zoon uit het innerlijke domein der overleden zielen - van de dood [Yamaloka] - terug zou halen. (3) Op verzoek van de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî] stal Heer Krishna  precies zoals Garuda dat deed [met de nectar der goden] haar als Zijn aandeel weg door allen het nakijken te geven die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en toen waren gekomen in de hoop op dat geluk. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die in hun teleurstelling haar alsnog wilden, doodde en verwondde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Enkel vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen, Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen die wilde dat Hij  voor haar de Pârijâta heester [uit de hemel] haalde, trad Indra, de Koning van de Hemel, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen, in blinde woede tegen Hem in het geweer.

(6) Toen moeder Aarde zag hoe Narakâsura [Bhauma] haar zoon, die in de slag [tegen Krishna] fysiek vanuit de lucht een overwicht vormde [met projectielen], werd gedood door Zijn Sudars'ana Cakra [werpschijf], bad ze ervoor dat Hij aan Narakâsura's zoon [Bhagadatta] zou geven wat er restte [van het koninkrijk]. Toen Hij dat deed betrad Hij Narakâsura's vesting. (7) Direct stonden al de prinsessen die daar gekidnapt door de demon verbleven, voor Hem, de Vriend der Verdrukten klaar en aanvaardden ze vreugdevol Hem, Hem verlegen met reikhalzende blikken in hun harten sluitend [als hun echtgenoot]. (8) Hoewel ze in verschillende appartementen verbleven accepteerde Hij de hand van al de vrouwen tegelijkertijd door met een volmaakte regeling zich geheel naar ieders individuele aard te voegen middels Zijn innerlijk vermogen. (9) Met de wens Zich te vermeerderen verwekte Hij in ieder van hen een tiental kinderen die allemaal in ieder opzicht waren zoals Hijzelf.

(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, toonde Hij niet Zijn eigen wonderbaarlijke macht maar de macht van Zijn mannen. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen zoals Dantavakra en dergelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij andere demonen door anderen liet doden [door Balarâma b.v.].

(12) Daarna vonden in de slag bij Kurukshetra, waar de aarde schudde onder het geweld van de wagenwielen, de koningen van beide partijen van je neven de dood. (13) Hij beleefde er geen genoegen aan om te zien hoe door het slechte advies van Karna, Duhs'âsana en Saubala, Duryodhana met al zijn macht van zijn geluk en levensduur was beroofd en nu samen met zijn gevolg met gebroken ledematen [op het slagveld] lag. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma en Drona [enerzijds], en Arjuna en Bhîma [anderzijds] de enorme last van de aarde van achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] was weggevaagd. 'Nog steeds is er de ondraaglijke last van de grote macht van Mijn verwanten, de Yadudynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank er een onderlinge strijd uitbreekt die hun ogen rood als koper zal maken; er is geen alternatief om Me hiervan te verzekeren voor als Ik ben heengegaan.' (16) Met dat in gedachten kroonde de Allerhoogste Heer Yudhishthhira tot koning, en maakte Hij Zijn vrienden gelukkig door een uiteenzetting te geven over het pad der heiligen.

(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] die door de held Abhimanyu werd verwekt in de schoot van Uttarâ, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer dat niet nogmaals zou hebben afgewend door hem te beschermen [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardoffers te brengen en daarin bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.

(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum die naar gebruik het pad der Vedische principes volgde, genoot in de stad Dvârakâ van de lusten des levens zonder gehecht te raken. Dat deed Hij door vast te houden aan het analytisch systeem van de yoga [Sânkhya]. (20) Zachtmoedig en met lieve glimlachen en woorden gelijk aan nectar, hield Hij zich daar met Zijn smetteloze karakter op in Zijn bovenzinnelijke lichaam, in het verblijf van de godin van het geluk. (21) Met het met name behagen van de Yadu's genoot Hij van deze aarde en zeker ook van de overige werelden, terwijl Hij in de rustige uren van de nacht de vriendschap met de vrouwen onderhield in de echtelijke liefde. (22) Aldus genoot Hij voor vele, vele jaren een  huishoudelijk bestaan van [zinnelijke] vereniging die de basis vormde voor Zijn onthechting. (23) Net zoals dat bij Hem het geval is, wordt het genot van de zintuigen van welk levend wezen ook geregeld door het goddelijke, een heiligheid waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verenigen in dienstbaarheid aan de Heer van de Yoga.

(24) In de stad Dvârakâ hadden de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja op een dag een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen toen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze met hetzelfde water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in adellijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te hebben voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'

 

Hoofdstuk 4: Vidura wendt zich tot Maitreya

(1) Uddhava zei: 'Na met de permissie van de brahmanen te hebben gegeten van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven zodat ze  elkaar kwetsten met ruwe taal. (2) Toen de zon onderging waren ze de evenwichtigheid van hun denken kwijtgeraakt en moesten ze als gevolg van de vergissingen die de bedwelming in de hand werkte onder ogen zien hoe de vernietiging met de bamboestokken [waarmee ze begonnen te vechten] plaats greep. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer neemt het leed weg van de zielen die zich aan Hem overgeven en daarom zei Hij die de vernietiging van Zijn eigen familie wenste: 'Je moet naar Badarikâs'rama gaan'. (5) Maar omdat ik niet in staat was het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura]. (6) Ik zag toen hoe mijn Beschermheer en Meester, Hij die geen toevlucht hoeft te zoeken, diep in gedachten alleen aan de oever van de rivier ging zitten om Zijn toevlucht te zoeken bij de godin.

(7) Prachtig met Zijn donkere huidskleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rood doorlopen ogen, kon Hij worden herkend als degene met de vier armen en de gele zijden kleding [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij die Zijn huiselijke gemakken achter zich had gelaten er opgelucht uit.

(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna Dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Gehecht aan Hem boog de wijze zich voorover in een houding van eerbied en luisterde aandachtig, terwijl de Heer der Bevrijding met vriendelijke blikken me glimlachend liet uitrusten en het woord tot me richtte. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je vroeger verlangde toen de welgestelden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik schenk je nu wat voor de anderen zo moeilijk te bereiken is, o fortuinlijke: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Van al je incarnaties, o oprechte, is dit leven de vervolmaking omdat je Mijn genade hebt bereikt nu je Mij in de afzondering van het hebben verlaten van de werelden der mensen hebt gezien. Dit is wat je ziet als je van een niet aflatende toewijding bent [: Vaikunthha, het bevrijd zijn van de dwaasheid]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden: ik legde hem uit wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'

(14) Met de gunst die Hij mij verleende door zich aldus op mij te richten, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, hoe in mijn emotie mijn haren recht overeind gingen staan. Met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, zei ik met gevouwen handen stamelend: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar daar geef ik niet zo veel om o Grootheid,  ik bekommer me er meer om Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U geen verlangens kent onderneemt U van alles; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van de geleerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer zou weten. Maar dat is nooit zo. Dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er voldoende geschikt voor acht, onthul me dan - om de wereldse zorgen te boven te komen  - alstUblieft mijn Heer tot in detail het geheel van de kennis omtrent het mysterie van de hoogst verlichtende aard van Uw Zelf, zoals U dat ook de fortuinlijke Brahmâjî hebt verteld.'

(19) Op die manier door mij aanbeden vanuit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotusogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, naar de aanwijzingen van de Meester, de kennis der zelfverwerkelijking bestudeerd en gewaardeerd, waarbij ik het pad doorgrondde door Zijn Lotusvoeten te respecteren.  En zo bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Mijn beste [Vidura], het doet me dus pijn het zonder het genoegen te moeten stellen Hem te zien. Ik zal nu zoals Hij het me opdroeg naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan om in het juiste gezelschap te verkeren. (22) Het is daar dat de Allerhoogste Heer als Nârâyana geïncarneerd in de gedaante van Zijn menselijkheid en als Nârâ in de vorm van een wijze beminnelijk voor iedereen, een lange tijd zware boete deed terwille van het welzijn van alle levende wezens.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Toen hij van Uddhava het ondraaglijke [nieuws] vernam van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, kalmeerde de geleerde Vidura zijn opkomende droefenis middels bovenzinnelijke kennis. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan deze leidende persoonlijkheid in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de bovenzinnelijke kennis van de eigen ziel - wees zo goed het nu zelf  uiteen te zetten zodat we Vishnu en de dienaren die rondtrekken terwille van anderen eer aandoen.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft. Hij werd rechtstreeks door de Heer geïnstrueerd toen Hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'

(27) S' S'uka zei: 'Met de overweldigende emotie waarmee hij met Vidura de nectar besprak van de kwaliteiten van de Heer van het Universum, vloog de nacht in een oogwenk voorbij. Daarna vervolgde de zoon van Aupagava zijn weg.'

(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die de Vrishni- en Bhojadynastie onderging, de grote leider die onder hen vooropging, de vooraanstaande Uddhava, de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak als de Meester over de drie werelden had afgerond?'

(29) S' S'uka zei: 'Nadat Hij in de naam van de onfeilbare Tijd het einde had afgeroepen over Zijn talrijke familie middels de vloek van de brahmanen en Hij op het punt stond Zijn uiterlijke verschijning op te geven dacht Hij bij zichzelf: (30) 'Als Ik deze  wereld heb verlaten zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht met Uddhava, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is, in goede handen zijn. (31) Uddhava doet in geen enkel opzicht onder voor Mij wat betreft het niet beroerd zijn door de materiële geaardheden. Hij blijft dan terecht over als de meester aangaande de kennis over Mij die hij in deze wereld kan verspreiden.'

(32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle Vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama zich zielsgelukkig voelend in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Zo verging het ook Vidura die van Uddhava had gehoord hoe Krishna, de Superziel, voor Zijn spel en vermaak op buitengewone wijze een gedaante had aangenomen en hoe zegerijk Hij daarmee tewerk was gegaan. (34) Zijn aannemen van een fysiek lichaam is voor vasthoudende, grote wijzen zo goed als voor andere mensen, iets dat moeilijk te begrijpen is en voor mensen met een dierlijke instelling is het gewoonweg iets waanzinnigs. (35) Nu raakte Vidura zelf ook, o beste onder de Kuru's, toen hij zich voor de geest haalde hoe Krishna de Fortuinlijke bij Zijn vertrek aan hem had gedacht, overweldigd door extatische vreugde en barstte hij in tranen uit.

(36) O beste onder de Bharata's, nadat Vidura aldus zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3:1.24], bereikte hij de heilige wateren der Ganges alwaar hij de wijze Maitreya ontmoette [de zoon van Mitrâ, zijn moeder].'

 

Hoofdstuk 5: Vidura spreekt met Maitreya

(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges] zat Vidura, de beste onder de Kuru's die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni wiens kennis peilloos was en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Terwille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten wordt men nooit gelukkig of tevreden, in tegendeel, men wordt er eerder ongelukkig van. Alstublieft o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Omdat de grote zielen die van opoffering zijn begaan zijn met  de gewone man die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken ze rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstublieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden de kennis verleent van de fundamentele principes [de Waarheid] waarmee men de klassieke wijsheid leert kennen [de Veda]. (5) Wat voor dingen doet de onafhankelijke Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden allemaal als Hij, zonder Zelf ergens naar te verlangen, het aanvaardt om geïncarneerd te zijn terwille van de handhaving van het geschapen universum? (6) En hoe kan Hij die Zich in de ether terugtrekt om Zich neer te vleien en niets te doen aan de basis van het universum nu als de Ene Heer der Vereniging, als de enige ware, oorspronkelijke meester dan weer een bestaan hebben in de vorm van vele verschillende [avatâra's?]. (7) Waarom is het zo dat, wat betreft het spel en vermaak dat Hij voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en de verlichte zielen in de bovenzinnelijke handelingen van Zijn verschillende incarnaties aan de dag legt, we er nooit genoeg over vernemen kunnen, ook al horen we steeds weer opnieuw over de gunstige, nectargelijke eigenschappen van de Heer? (8) Wat zijn de verschillende principes op basis waarvan de Heer der Heerscharen de verschillende heersers en hun hogere en lagere leefwerelden genereerde waarin zoals men weet alle klassen van levende wezens hun uiteenlopende bezigheden hebben?  (9) En beschrijf ons alstublieft o eerste onder de brahmanen, hoe de schepper van het universum Nârâyana, de onafhankelijke Heer die voor de mens de weg vormt, kwam tot de samenstelling van de verschillende gedaanten, bezigheden en verspreide culturen van de geïncarneerde zielen.

(10) O fortuinlijke, ik vernam uit de mond van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar zonder te horen over de nectar van de verhalen over Krishna ben ik weinig tevreden over die zaken en het geluk dat men daaraan ontleent. (11) Wie kan genoeg krijgen van de verhalen over Hem wiens voeten worden gevormd door de pelgrimsoorden en die in de  samenleving wordt aanbeden door de grote toegewijden? Als iemands oren die verhalen opvangen doorbreken ze door de liefde die ze opwekken de banden van  genegenheid die een mens voor zijn familie heeft! (12) Uw vriend de wijze Krishna Dvaipâyana Vyâsa heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven. Dat boek is er alleen maar om de aandacht van mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen te richten op de verhalen van de Heer. (13) Het gewicht van dat geloof brengt geleidelijk aan onverschilligheid teweeg voor andere zaken. Hij die zich steeds de voeten van de Heer herinnert heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al die arme mensen die, in verval verkerend met de goddelijkheid van de Tijd,  zich in de zondigheid van hun onwetende zieligheid van de verhalen over de Heer hebben afgekeerd en de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) O Maitreya, u die als de vriend van hen die lijden het geluk behartigt [van een ieder], beschrijf daarom terwille van ons welzijn alstublieft dat wat de essentie is van al de gespreksonderwerpen: de verhalen over de Heer die als de nectar van bloemen de glorie vormen van al het pelgrimeren. (16) Alstublieft vertel over alles met betrekking tot de transcendentale, bovenmenselijke handelingen door de Heer verricht in Zijn met alle vermogens toegeruste belichamingen terwille van een volmaakte greep op de schepping en handhaving van Zijn universum.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus ertoe verzocht deed met het oog op ieders welzijn de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer een uiteenzetting te geven [over deze zaken]. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u o goedgeaarde wiens geest steeds gericht is op de Heer voorbij de zinnen. Uw vragen stellen terwille van het welzijn van allen vormt een bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in deze wereld te verkondigen. (19) O Vidura het verbaast me niet dat u die de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer hebt aanvaard, zonder af te dwalen in uw denken deze vragen stelt. U werd immers geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) Vanwege een vloek van de machtige wijze Mândavya Muni nam u, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon van Satyavatî [Vyâsadeva], geboorte als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood [zie stamboom]. (21) Uwe goedheid wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer. Toen Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf gaf Hij mij de opdracht u te instrueren in de geestelijke kennis. (22) Daarom zal ik u nu systematisch een beschrijving geven van de wederwaardigheden van de Allerhoogste Heer in Zijn beheersen van de enorme uitgebreidheid van de uiterlijke illusie terwille van de handhaving, schepping en beëindiging van het universum.

(23) Voordat het universum werd geschapen was de Allerhoogste Heer, het Zelf en de meester van de levende wezens, er als de enige zonder een ander. Het was [toen] Zijn wens om niet gemanifesteerd te zijn als een [veelvoud aan] individuele ziel[-en] met [ieder] een eigen visie en uiterlijke kenmerken. (24) Hij die dat alles nog niet was, kon toentertijd als ziener helemaal niets waarneembaars herkennen. Alleen ervoor staand vond Hij met Zijn innerlijk vermogen aanwezig, maar met Zijn expansies en Zijn materieel vermogen afwezig dat het was alsof Hij niet bestond. (25) Dat wat Hij als de volmaakte Ziener ziet is energie die wordt gekenmerkt door oorzaak en gevolg. O fortuinlijke, deze energie waarmee de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd wordt mâyâ [illusoir, begoochelend] genoemd. (26) Met de uitwerking van de Eeuwige Tijd [kâla] op de drie geaardheden van deze illusoire energie wekte het Opperwezen, Hij die in wezen geestelijk is, door [erin binnen te gaan als] de persoon [als de Purusha] de viriliteit op [de heldenmoed, de mannelijkheid, de kracht]. (27) Uit het ongemanifesteerde ontstond toen door de wisselwerking van de tijd de Mahat-tattva [het geheel van het Allerhoogste, de kosmische intelligentie]. Dit in de totaliteit gesitueerde fysieke zelf dat de duisternis en onwetendheid verdrijft is begrijpend van aard en in staat complete [geestelijke] universa in het leven te roepen. (28) Het [geheel der manifestatie] dat zo een volkomen expansie vormt van guna, kâla en [jîv]-âtmâ, vormt het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God. Het is het reservoir, de bestaansgrond, het zelf, van de vele gedifferentieerde levensvormen van dit universum dat aanzet tot creatieve inspanning.

(29) Het Mahat-tattva zich omvormend tot de materiële werkelijkheid van het egobewustzijn manifesteert zich in termen van oorzaak, gevolg en doener. Aldus zijn er drie soorten van ego die de weerspiegeling in de geest vormen van [de guna's van] het zelf, de materiële elementen en de zintuiglijkheid vormen:  [respectievelijk] de begaafdheid [sattva] de onwetendheid [tamas] en de veranderlijkheid [rajas]. (30) Met het principe van de veranderlijkheid [vaikârika] van het ego ontstaat er een omvorming van de geest die in zijn emotionaliteit al de godsbewusten in het leven riep die de basis vormen van de materiële kennis over de wereld der verschijnselen. (31) Met de begaafdheid van iemands zinnigheid [taijasâni] overheerst de spirituele kennis omtrent vruchtdragende bezigheden [karma]. (32) In de onwetendheid [tamas] realiseert men zich de subtiele zinsobjecten [van voorgestelde beelden en geluiden] waarvan de ether [hun medium] de representatie vormt van de Superziel. (33) De materiële energie vormt een gedeeltelijke vermenging van de tijd [van expanderen en contraheren]. De Heer die dit vanuit de ether overziet creëerde aldus aangeraakt de transformatie van die aanraking in de vorm van de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed de vorm van het licht ontstaan en [de bio-electriciteit van] de zintuiglijke gewaarwording waarmee de wereld wordt gezien. (35) Van de interactie van de lucht en haar bio-electriciteit met de blik van de Heer [der ether] was er met de vermenging van de tijd een transformatie die de smaak [voor het leven] in water schiep. (36) Het geëlectrificeerde water dat aldus werd geschapen als gevolg van de transformatie van de Allerhoogste Geest [van de ether] die de aarde overschouwde, leidde tot de schepping van de kwaliteit van de geur met het zich deels verenigen van de uitwendige energie met de eeuwige tijd. 

(37) O zachtmoedige, begrijp dat van de ether af aan al de materiële elementen en het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, [hun bestaan te danken hebben aan] de afronding doorde Allerhoogste. (38) De goden die heersen over al deze fysieke elementen zijn allen deel en geheel van Heer Vishnu. In de aan tijd gebonden materiële energie belichaamd als deelaspecten schieten ze in hun persoonlijke verplichtingen tekort en geven ze uiting aan hun oprechte gevoelens voor de Almachtige. (39) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten o Heer, in nood gaven we ons aan hen over omdat ze de beschermende paraplu vormen die al de grote wijzen beschutting biedt die rigoreus volledig braken met al de grote vormen van ellende van het materiële leven. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar als ze Uw Zelf bereiken o Allerhoogste, verwerven ze de beschutting van de schaduw van Uw lotusvoeten en de kennis. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot het pelgrimsoord van Uw voeten, vinden de wijzen die op de vleugelen der Vedische hymnen met een heldere geest speuren naar Uw lotusgelijke gezicht hun beschutting aan de beste der rivieren [de Ganges] die bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die door geloof, simpelweg luisteren en toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die de vrede vonden ertoe om af te gaan op het heiligdom van Uw lotusvoeten. (43) Laten we allen de beschutting zoeken van de lotusvoeten van U die de gedaanten van de avatâra's aannam terwille van de schepping, het behoud en de beëindiging van het universum. O Heer, ze vormen de toevlucht die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Omdat de mensen verstrikt raken en aldus in het materiële lichaam verkeren in de geest van 'ik' en 'mijn', gaan ze op in een ongewenste drift en zien ze zich ver van U verwijderd, ook al bent U in het lichaam aanwezig. Laten we daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] kunnen niet worden gezien door hen die, verkerend onder de invloed van de materiële wereld, door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijk waarnemen o Allerhoogste. Maar o Grootheid, voor hen die wel de [innerlijke] visie hebben is er het spel en vermaak van Uw goddelijk handelen. (46) O Heer, zij die er serieus bij betrokken zijn bereiken eenvoudig door te drinken van de nectar van de verhalen de volle rijpheid van de toegewijde dienst, de ware betekenis van de verzaking, de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar aan de dwaasheid en de indolentie een einde is gekomen [Vaikunthha]. (47) Ook voor anderen die van bovenzinnelijke realisatie  zijn in de yoga waarin men de machtige materiële natuur overwint, bent U de ene, vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan. Maar terwijl dat voor hen een zware opdracht is, is dat voor zij die U dienen niet het geval. (48) O Oorspronkelijke Heer, om die reden zijn we allen aan U verplicht. Aangezien we voor het heil van de schepping der wereld de één na de ander werden geschapen en in het verleden van elkaar werden gescheiden als gevolg van wat we deden naar gelang de werking van de drie geaardheden, raakten we verstrikt in onze eigen genoegens en waren we zodoende niet in staat U saamhorig te dienen. (49) O Ongeborene, leidt ons in het op de juiste tijd brengen van onze offers waardoor we samen de maaltijd kunnen delen en ook alle andere levende wezens te eten hebben zodat we met het aanbieden van het voedsel ongestoord kunnen eten. (50) O Heer, U bent voor ons goden, de godsbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke en eigenlijke persoon. U o Heer bent, hoewel U ongeboren bent, voor de materiële energie de oorzaak van de guna's en het karma, gelijk het zaad dat wordt ingebracht voor het verwekken van de soorten. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan. Schenk ons het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig Uw speciale genade voor ons [van statusoriëntaties en hun overstijging].'


 

Hoofdstuk 6: De Manifestatie van de Universele Gedaante

(1) De wijze [Maitreya] zei: 'En zo werd de Heer geplaatst voor het feit dat de vooruitgang van wat er geschapen was in het universum tijdelijk was opgehouden bij een gebrek aan samenhang tussen Zijn verschillende vermogens [zie 3.5: 48]. (2) Toen ging Hij tegelijkertijd met Zijn oppermachtige vermogen dat bekend staat als Kâlî, de godin van de kracht der vernietiging, al de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: geest, intelligentie en ego; vergelijk 2.4: 23]. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Toen de drieëntwintig hoofdelementen aldus door de wil van God tot [samenhangende] actie werden opgewekt, bracht hun combinatie de manifestatie voort van Zijn volkomen expansie van de Oorspronkelijke Persoon [in de vorm van de Universele Gedaante]. (5) Op het moment dat Hij er aldus in binnenging met Zijn volkomen expansie [van de materiële kracht] transformeerden al de elementen van de schepping die elkaar daarin toen vonden tot de werelden van het organische en anorganische. (6) Hij, de Oorspronkelijke Persoon, deze [Garbhodakas'âyî] Vishnu genaamd Hiranmaya, verbleef voor de tijd van duizend hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] samen met alles wat behoorde tot Zijn goedheid in het eivormige universum dat werd gedragen door de [causale] wateren.

(7) Met de inhoud van dat ei, het geheel van de gigantische persoon, aan het werk gezet door Zijn goddelijke Zelf vol van Zijn [vrouwlijke] kracht, verdeelde Hij aldus Zichzelf in één [bewustzijn], drie [identificaties van het zelf] en tien [activiteiten]. (8) Deze oneindige uitgebreidheid vormt het zelf van de levende wezens, de eerste incarnatie en het volkomen deelaspect van de Superziel, waarop het geheel van hen allen tezamen floreert. (9) Het drievoudige van het gigantische hangt samen met de drie aspecten van âdhyâtmika [het zelf met zijn zintuigen en de geest], âdhidaivika [de natuur met al haar goden] en âdhibhautika [de anderen en wat zich meer aan de zinnen voordoet], het tienvoudige heeft betrekking op de [organen van de] levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6] en het enkelvoudige verwijst naar het hart. (10) De Heer voorbij de zinnen die Zich het gebed herinnerde van de godheden van het universum verlichtte met Zijn eigen straling [aldus] de gigantische gedaante terwille van hun begrip. (11) Luister nu naar mijn beschrijving van de vele verschillende wegen der halfgoden die zich toen vanuit Zijn overweging manifesteerden.

(12) Er manifesteerde zich een mond en toen dat gebeurde was het de god van het vuur die onder de bestuurders van de materiële wereld zijn plaats innam tezamen met zijn vermogen: het spraakorgaan waarmee men zich uitdrukt in woorden. (13) Er verscheen een verhemelte. Het was de verblijfplaats van Varuna [de god van de wateren] die in [het lichaam van] de Heer onder de bestuurders van de materiële wereld zijn positie innam tezamen met zijn vermogen: het lichaamsdeel van de tong waarmee men proeft. (14) Toen verschenen de neusvleugels, waar de  twee As'vinî Kumâra's zich ophouden met de reukzin waarmee men geur kan ervaren [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Er verschenen ogen in de gigantische gedaante die plaats boden aan Tvashthâ, de god van het licht en het gezichtsvermogen waarmee vormen kunnen worden waargenomen. (16) Toen vertoonde zich de huid van de gigantische gedaante, een positie die werd ingenomen door Anila, de heerser over de lucht die met de macht van de adem de tastzin mogelijk maakt. (17) Met het zich manifesteren van de oren van de gigantische gedaante werd die positie ingenomen door de godheden van de windrichtingen [de Digdevatâ's] met het vermogen te horen waarmee geluiden worden waargenomen. (18) Daarna manifesteerde zich van de gigantische gedaante de [beharing van de] huid voor de heersende goddelijkheid van [de kruiden en planten met] het vermogen te voelen middels de haren waarmee jeuk wordt ervaren. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante verschenen nam het eerste levende wezen [Brahmâ, de Prajâpati] zijn positie in met de functie van het zaad waarmee het [seksueel] genot wordt ervaren. (20) Er vormde zich een anus in de oorspronkelijke belichaming die plaats bood aan de god Mitra met de functie van uitscheiding waarmee men zich ontlast. (21) Met de manifestatie van de handen van de Universele Gedaante nam de koning van de hemel Indra zijn positie in met het vermogen te handelen waarmee men zich in zijn levensonderhoud kan voorzien. (22) De benen die zich in de grote gedaante vormden werden bezet door Vishnu, de godheid van het vermogen zich te verplaatsen waarmee men zijn reisbestemming bereikt. (23) Met het zich vormen van de intelligentie van de Universele Gedaante trad de godheid Brahmâ,  de Heer van het gesproken woord naar voren met de macht van het inzicht waarmee men tot begrip komt. (24) Vervolgens manifesteerde zich het hart van  het Universele Wezen waarin Candra, de god van de maan, zijn positie innam met de functie van de mentale activiteit waardoor men zich verliest in gedachten. (25) Vervolgens ontwikkelde het ik-besef zich in de Universele Gedaante waarin [Heer Rudra heersend over] de vereenzelviging met het lichaam [het 'valse ego'] zijn plaats heeft met de functie van het karma waarmee men overgaat tot concrete handelingen. (26) Wat volgde was de manifestatie van de spirituele essentie der goedheid in de gigantische gedaante waarin de volledigheid [van de mahat-tattva] zijn plaats vond met de macht van het bewustzijn waarmee men de wijsheid cultiveert.

(27) Uit het hoofd van de kosmische gedaante kwamen de hemelse werelden voort, de aardse werelden uit Zijn benen en de ruimte ontstond uit Zijn buik. In die gebieden vertonen zich de verlichte zielen en de andere levende wezens die het resultaat vormen van de werking der drie geaardheden. (28) Door het oneindig goede [van sattva] vonden de goden hun plaats in de hemelen terwijl al de menselijke wezens die op aarde de aard van hun hartstocht [rajas] volgen aan hen ondergeschikt zijn. (29) Zij die behoren tot de derde soort treft men vanwege hun aard [van tamas] aan als de metgezellen van Rudra in het bereik van de atmosfeer - de navel van de Heer - dat zich bevindt tussen de andere twee.

(30) De spirituele wijsheid ontsproot aan de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru dynastie. Degenen die zich tot deze wijsheid aangetrokken voelen vormen de leiding [de belangrijkste varna] van de samenleving. Zij, de brahmanen, zijn de erkende leraren en spirituele woordvoerders [de goeroes]. (31) De macht om de burgers te beschermen manifesteerde zich uit de armen [van de gigantische gedaante]. De beoefenaars van die macht [de kshatriya's of bestuurders] zijn de volgelingen [van de brahmanen] en vrijwaren, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere klassen van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Ter wille van de productie en distributie van de goederen voor het levensonderhoud manifesteerde zich uit de dijen van de Almachtige de handelsgemeenschap [de vais'ya's], wiens beroep eruit bestaat in de behoeften van ieder mens te voorzien. (33) Uit de benen van de Opperheer manifesteerde zich de dienstverlening die van essentieel belang is voor het vervullen van alle heilige plichten. Het is van oudsher het beroep van de arbeider [de s'ûdra] waardoor de Heer tevreden wordt gesteld [*]. (34) Om hun ziel te zuiveren aanbidden middels hun beroepsmatige bezigheden al deze klassen van de samenleving onder leiding van hun geestelijk leraar met geloof en toewijding de Heer uit wie ze samen met hun plichten voortkwamen.

(35) O Vidura, wie denkt er nu een volledige beschrijving te kunnen geven van de goddelijke aard, de werking en het persoonlijke zelf van het kosmisch lichaam dat de Allerhoogste Heer manifesteerde vanuit de kracht van Zijn innerlijk vermogen [yogamâyâ]? (36) O broeder, niettemin zal ik een beschrijving geven voor zover mijn intelligentie dat toestaat en de kennis reikt die mij ter ore kwam over de heerlijkheden van de Heer die ons zuiveren, want zonder ons uit te spreken [over Hem] verdolen we in onwaarheid. (37) Men zegt dat Hij die alle beschrijvingen te boven gaat wordt bereikt met besprekingen over de Hoogste Persoonlijkheid die historisch vroom werden overgedragen ter wille van de verheerlijking van Zijn handelingen. Ook is het oor het best gediend met de nectar van de bovenzinnelijke boodschap zoals die [in geschrift] werd verschaft door de geleerden. (38) Mijn zoon, werden de heerlijkheden van de Opperziel door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] gekend toen zijn intelligentie een duizendtal hemelse jaren had gerijpt in meditatie? (39) Daarom, als zelfs zij die bedreven zijn in het creëren van illusies geen weet hebben omdat zij - zowel als de zelfvoldane [de Schepper] in eigen persoon - in de ban verkeren van het begoochelend vermogen van de Allerhoogste Heer, wat kan  je dan verwachten van anderen? (40) Hem die buiten ons bereik ligt en die noch voor ons ego, onze geest en onze woorden, noch voor de desbetreffende goden grijpbaar is, bieden wij onze eerbetuigingen.'


*: S'astri Gosvâmî merkt in dit verband op dat de arbeider, de s'ûdra, een belangrijke plaats inneemt onder de klassen in de samenleving. Van de purushârtha's, de vier burgerdeugden, behartigt de brahmaan de moksha, de bevrijding. De kshatriya behartigt de regulatie van de zinsbevrediging, kâma, en de vaishya is er voor de distributie van de welvaart, artha. Maar de arbeider maakt in feite de religiositeit, de dienst aan God van alle plichtsbetrachting mogelijk. Hij die gewoon ten dienst staat, is net zo belangrijk voor het dharma.




Hoofdstuk 7: Verdere Vragen van Vidura

(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: 'O brahmaan, de Opperheer is de onveranderlijke Ene van het volkomen geheel. Hoe kan ondanks het feit dat Hij zich buiten de geaardheden bevindt Zijn spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) De schepping van dit universum werd teweeggebracht door het begoochelend vermogen van de Heer zelve dat de drie geaardheden in gang zette. En door haar handhaaft en vernietigt hij het universum ook weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn nimmer wordt versluierd door plaats of tijd, door eigen toedoen, door anderen of door wat zich manifesteerde [als de natuur], nu [in de normale positie van een levend wezen verkeren en] verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) Hoe kan de Ene Opperheer die aanwezig is in ieder bereik van de levens [in alle kshetra's] van al de levende wezens [zie ook B.G. 13: 3] nu op karmisch bepaald ongeluk en tegenstand stuiten? (7) O wijze door de onwetendheid waaraan ik lijdt bezorgt mijn geest mij moeilijkheden. O allergrootste, verdrijf daarom de grote onzuiverheid van mijn denken.'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wijze aldus ertoe aangezet door Vidura in zijn ijver om erachter te komen hoe het zat, deed verbaasd en gaf toen zonder aarzeling een godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Het is met elkaar in tegenspraak om te beweren dat de Fortuinlijke enerzijds onder de invloed van de materiële illusie verkeert en dat Hij anderzijds vrij is van onvolkomenheden en gebondenheid. (10) Van een dergelijke tegenstrijdigheid omtrent de ziel raakt een mens het spoor bijster, het is dan alsof men van buitenaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals door de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af als men, ten gunste van de Fortuinlijke geestelijk verenigd zijnd in de toewijding [in bhakti-yoga], bij de genade van Vâsudeva tewerk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murâri [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen in het stof van Zijn lotusvoeten?'

(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u hebt volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld geniet zowel de onwetende dwaas als hij wiens intelligentie terugkeerde naar de bovenzinnelijke positie het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Nu dat ik inzicht heb en overtuigd ben van het feit dat als men zich baseert op uiterlijkheden men de essentie mist, men de ziel mist, ben ik met het dienen van uw voeten in staat af te zien [van het verkeerde idee dat de Allerhoogste onderhevig zou zijn aan illusie]. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] tot de voeten, de intensiteit die het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] alwaar de Heer zonder ophouden door de goden wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.

(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de Universele Gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen en herbergt al de werelden van het universum met al het leven wat daarop zijn bestaan heeft. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft. Beschrijf alstublieft nu voor me wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen, kleinzonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie zijn de oorspronkelijke stamvaders [de Prajâpati's] die door hun oorspronkelijke leider [Brahmâ] tot ontwikkeling werden gebracht? Wat zijn de generaties van de vaders der mensheid en welke generaties volgden op hen?  En welke Manu's heersten over de verschillende manvantara's [culturele tijdperken]? (26) Welke werelden bevinden zich boven de aardse werelden en welke eronder, o zoon van Mitrâ? Beschrijf alstublieft wat hun posities en afmetingen zijn en ook wat de maten en verhoudingen zijn van de aardse werelden. (27) Vertel me wat de generaties en onderafdelingen zijn van de onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke levende wezens, zoals geboren uit eieren, uit baarmoeders, uit vocht [micro-organismen] en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties overeenkomstig de geaardheden der materiële natuur te beschrijven terwille van de schepping, handhaving en vernietiging van het universum [Brahmâ, Vishnu en S'iva] en de grootse activiteiten van de Persoonlijkheid van God die samenleeft met de Godin van het Fortuin [S'rînivâsa] die de  uiteindelijke toevlucht vormt.

(29) Wat zijn de verdelingen van maatschappelijke status [varna] en de geestelijke orde [âs'rama] en wat zijn hun uiterlijke kenmerken, hoe gedragen ze zich en wat is hun wezensaard? Wat zijn de geboorten en handelingen van de wijzen en wat zijn de verdelingen van de Veda? (30) Wat o meester zijn al de plechtigheden van het offeren en wat zijn de verschillende wegen van de yogaperfecties, van de analytische studie der kennis en van het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) Welke wegen bewandelen de ongelovigen en wat zijn hun onvolkomenheden? Welke plaats bekleden zij die uit gemengde huwelijken voortkomen en wat is de levensbestemming van de vele verschillende soorten individuele zielen naar gelang de geaardheden die ze volgen en de soorten van arbeid die ze verrichten? (32) Hoe zijn de verschillende belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften en de verschillende regulerende beginselen met elkaar in evenwicht te brengen? (33) O brahmaan, wat zijn de regelingen voor de [S'râddha] periodieke offerplechtigheden om de overledenen te eren en om wat de voorvaderen tot stand brachten te respecteren? En hoe zijn de tijden ingesteld met achting voor de posities van hemellichten als de planeten en de sterren? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf voor me, o zondeloze, hoe Hij die de Allerhoogste Persoon is, de Vader van de Religie en de Heerser over Allen, volledig kan worden tevredengesteld en wie van ons zou dat dan kunnen? (36) O beste onder de brahmanen, de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen vertellen hun toegewijde leerlingen en zonen zelfs dat waar ze niet om vroegen. (37) O allerhoogste meester, hoeveel vernietigingen [of eindtijden] bestaan er voor de elementen der natuur? Wie zijn zij die dan gered worden en wie zijn zij die [vol lof zijnde] Hem dan mogen dienen? En wie mag zich met Hem verenigen als Hij zich ten ruste legt? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de Vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Onberispelijke toegewijden spreken van deze bron van kennis in de wereld. Hoe zou iemand nu uit zichzelf kennis kunnen hebben van de toegewijde dienst en de onthechting?

(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen kennis te nemen van het spel en vermaak van de Heer. Alstublieft beantwoord ze als een vriend voor mij [en ieder ander] die in zijn onwetendheid het zicht heeft verloren met de uitwendige energie. (41) O onberispelijke wijze, de verzekering van een angstvrij bestaan die we krijgen van iemand als u is in geen enkel opzicht te vergelijken met de bevrijding geboden door al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Met deze vragen van de voornaamste onder de Kuru's was hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen die zo goed thuis was in de verhalen [Purâna's], zeer ingenomen en gaf hij aldus aangespoord tot de onderwerpen betreffende de Heer, Vidura met een glimlach antwoord.'



Hoofdstuk 8: Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn vererenswaardig omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en met u die ook geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, wordt er stap voor stap [met iedere vraag die u stelt]  steeds weer een nieuw licht op de zaak geworpen. (2) Laat me dan nu dit Bhâgavatam bespreken, dit Vedisch supplement dat oorspronkelijk door de Allerhoogste Heer persoonlijk werd uitgesproken voor de wijzen ter verzachting van het grote lijden van de mensen die zo weinig geluk ervaren.

(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] deed, als de leider van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u wat betreft de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid navraag bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die Zich onverschrokken in de kennis ophoudt aan de basis van het universum. (4) Hij had in die positie met Hem die men met de hoogste achting Vâsudeva noemt, Zijn blik inwaarts gekeerd, maar ter aanmoediging van de hoogst geleerde wijzen opende Hij direct Zijn lotusgelijke ogen een beetje. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia wordt aanbeden in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Bekend met Zijn spel en vermaak verheerlijkten ze met woorden en met veel gevoel ritmisch overeenstemmend herhaaldelijk Zijn handelingen terwijl zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed verspreidde van de edelstenen op hun duizenden helmen. (7) O Vidura, naar verluid besprak Hij toen de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de [yoga]gelofte der verzaking had afgelegd en het, op verzoek, verder vertelde aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren er [daarna] uitleg aan gaf, waren de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde alsmede Brihaspati er bij aanwezig. (9) Er toe aangezet door de wijze Pulastya vertelde hij [Parâs'ara] mij welgezind deze allerbelangrijkste onder de Purâna's welke ik op mijn beurt voor u zal uitspreken, mijn beste zoon, daar u een immer trouwe volgeling bent.

(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij [Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin neergevleid met vrijwel gesloten ogen op het slangenbed Ananta zonder iets anders te willen dan de voldoening van Zijn innerlijk vermogen. (11) Zoals de macht van het vuur verborgen is in hout verbleef Hij daar in het water en hield Hij al het bestaande in het subtiele van Zijn bovenzinnelijk lichaam vanwaaruit Hij leven geeft in de vorm van de Tijd [kâla]. (12) Voor de duur van duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar] lag Hij met Zijn innerlijk vermogen te rusten terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn kracht genaamd kâla [tijd] - van de werelden van de levende wezens die afhankelijk zijn van vruchtdragende handelingen. Die rol deed Zijn lichaam er blauwkleurig uitzien [het blauw van de toevlucht van het levengevend water]. (13) Overeenkomstig de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, de agitatie [van de oersubstantie] die toen zeer subtiel uit Zijn buik [uit de ether] tevoorschijn brak. (14) Met de Tijd die het karma in gang zette, verscheen daarmee [met die agitatie] spoedig uit het oorspronkelijke zelf [van Vishnu] een lotusknop die net als een zon de uitgestrekte wateren verlichtte middels zijn gloed.

(15) Die lotusbloem van feitelijk het universum ging Vishnu persoonlijk binnen als het reservoir van alle kwaliteiten van waaruit, zo zegt men, Hij in den beginne de persoonlijkheid der Vedische wijsheid, de heerser van het universum die de uit zichzelf geborene is voortbracht [Brahmâ]. (16) Hij [Brahmâ] in dat water gezeten op de werveling van de lotus was niet in staat de wereld te onderscheiden en al rondspiedend in de vier richtingen kreeg hij aldus zijn vier hoofden. (17) [Brahmâ] gezeten op en behoed door de lotusbloem die vanwege de stormlucht aan het einde van de yuga uit de roerige wateren was verschenen, kon in zijn verbijstering het mysterie van de schepping niet doorgronden noch begrijpen dat hij de eerste halfgod was. (18) 'Wie ben ik die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er moet iets onder het water zitten. Hier aanwezig zijn houdt in dat dat waaruit het zijn bestaan vond er ook moet zijn!' (19) Op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon hij door dat kanaal in het water te volgen naar de navel [van Vishnu], ondanks dat hij daar binnen ging en uitvoerig over de oorsprong nadacht, de basis niet doorgronden. (20) In het duister tastend o Vidura gebeurde het dat met zijn contemplatie op deze manier de enormiteit van het driedimensionale van de tijd tot stand kwam [tri-kâlika] die als een wapen [een cakra] de belichaamde, ongeboren ziel vrees inboezemt door zijn levensduur tot een honderdtal jaren te beperken [vergelijk 2.2: 24-25].

(21) Toen hij het doel dat hij zich gesteld had niet bereiken kon gaf de godheid de onderneming op en ging hij weer op de lotus zitten om vol vertrouwen daar stap voor stap zijn adem te beheersen, zijn geest terug te trekken en zijn bewustzijn te verenigen in meditatie. (22) Met het voor de duur van zijn leven [aldus] beoefenen van yoga ontwikkelde de zelfgeborene mettertijd het begripsvermogen en zag hij hoe zich in zijn hart vanzelf dat manifesteerde wat hij voordien niet kon waarnemen. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon geheel alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de gloed de duisternis in het water der vernietiging verdreef. (24) Het panorama van Zijn handen en benen, juwelen, bloemenkrans en aankleding overtrof het groene koraal van de avondschittering van de zon boven de grote gouden bergtoppen met hun watervallen, kruiden, bloemen en bomen. (25) Met de schoonheid van de hemelse gloed van de ornamenten die Zijn lichaam sierden dekte de gehele lengte en breedte  van de uitgestrektheid van Zijn bovenzinnelijke aanwezigheid het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit.

(26) Overeenkomstig het verlangen van het menselijk wezen dat in de aanbidding van Zijn lotusvoeten - die belonen met alles waarnaar verlangd wordt - het pad der toegewijde dienst volgt, toonde Hij in Zijn grondeloze genade met de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels de prachtigste [bloem]verdeling. (27) Met Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieders verdienste, verdrijft Hij het leed van de wereld met de betovering van Zijn glimlachen, de pracht van Zijn oorsieraden, het licht gereflecteerd van Zijn lippen en de schoonheid van Zijn neus en wenkbrauwen. (28) Beste Vidura, Zijn middel was fraai gesierd met een gordel en stof met de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld hun eigen bestaan hebben en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof  ze gesierd zijn met kostbare juwelen, is ook de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] getooid met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer vormt als een berg omringd door water de verblijfplaats voor alles wat zich rondbeweegt en niet beweegt en als de vriend van Anantadeva met zijn duizenden gouden helmen [en juwelen] manifesteert Hij zich daarbij met Zijn Kaustubhajuweel als een bergketen van goud in de oceaan. (31) Omringd door de bloemenkrans van Zijn eigen heerlijkheden in de vorm van de lieflijke, fraaie klanken der Vedische wijsheid was de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur [zo zag Brahmâ toen] zeer moeilijk te bereiken omdat Hij, vechtend voor de plicht, Zich rondbewoog door de drie werelden. (32) En zo kon het gebeuren dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, het meer van Zijn navel kon aanschouwen, de lotusbloem, de wateren der vernietiging, de lucht met zijn winden en de hemel, maar dat hij zijn blik niet kon werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Met de reikwijdte van die visie raakte hij als het zaadbeginsel van alle wereldse handelingen geïnspireerd door de geaardheid hartstocht en bad aldus, in overweging van de zich enthousiast voortplantende levende wezens, ervoor te scheppen ten dienste van de Aanbiddelijke der transcendentie op het pad van de standvastige ziel.'

 

Hoofdstuk 9: Brahmâ's gebeden voor het Creatief Vermogen

(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd [van boeten], heb ik U leren kennen en kan ik zeggen dat het heel spijtig is als levende wezens geen kennis hebben van Uw optreden als de Allerhoogste Heer. Er is niemand die U overtreft mijn Heer, en alles wat er de schijn van heeft kan nooit het absolute zijn, want U bent [de transcendentie van] de grotere werkelijkheid voor de geaardheden van de materiële energie die zijn evenwicht verloor. (2) Die [grote] gedaante is altijd vrij van de duisternis der materie omdat U in den beginne ter wille van de toegewijden Uw innerlijk vermogen manifesteerde, het vermogen dat de bron is van de honderden avatâra's en waaruit ook ikzelf op de lotusbloem die aan Uw navel ontsproot mijn bestaan vond. (3) O mijn Heer, hier voorbij [aan deze bron] zie ik geen andere die superieur is aan Uw eeuwige gedaante vol van gelukzaligheid die vrij is van verandering en verlies van vermogen. U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve. Ik die zo trots ben in de identificatie met het lichaam en de zinnen zoek mijn toevlucht bij U. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en U, Allerhoogste Heer die Zich manifesteerde voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen. Voor U volbreng ik dat wat door personen wordt verwaarloosd die in hun voorkeur voor het materiële recht op de hel afstevenen. (5) Maar zij die vasthouden aan de smaak en geur van Uw lotusvoeten die wordt meegevoerd door de geluiden van de Veda die hun oren bereikt, aanvaardden door hun toegewijde dienst Uw bovenzinnelijke weg. Voor hen die Uw toegewijden zijn is er nimmer de scheiding van U [geplaatst] op de lotus van hun harten o Heer. (6) Tot dat het geval is zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting groot zijn. Tot die tijd, zolang de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotusvoeten zal men, ondernemend overeenkomstig het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen! In beslag genomen door ongeluk en verstoken van gezond verstand, handelen ze naar hun begeerten en vinden ze slechts kortstondig geluk. Het zijn arme stakkers wiens geesten beheerst worden door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun steeds geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als geestelijk hoogst ondraaglijk, o Man van de Grote Stappen, dat doet me veel verdriet. (9) Zolang iemand onder de invloed van de materiële illusie een dienaar is van zijn zintuigen en zich geplaatst ziet voor een afgescheiden  bestaan in een lichaam o Fortuinlijke, zal o Heer, zo iemand er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen. Hoewel het werken voor uiterlijke resultaten feitelijk van geen betekenis is [voor de ziel], zal het hem onophoudelijk ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat steeds hun intelligentie en slaap verstoord. De goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen o mijn Heer, die zich tegen Uw onderwerpen keerden zullen blijven ronddolen in deze wereld. (11) Op U gericht voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer,  hoe U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade precies die bovenzinnelijke gedaante manifesteert die ze van U, die door zovelen wordt verheerlijkt, in gedachten hebben. (12) U bent nooit echt tevreden met de pompeuze vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens. Want U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, bent er om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en kan niet worden bereikt door hen die zich richten op wat door mensen is geschapen en tijdelijk is [asat]. (13) De juiste, onvergankelijke handelwijze [het dharma] om zich op te fixeren is daarom de aanbidding die door de mensen wordt volbracht met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke dienstverlening om enkel U de Fortuinlijke te behagen.

(14) Ik breng U, de Allerhoogste, mijn eerbetuigingen die Zich altijd, in het genieten van het spel en vermaak van Zijn kosmische schepping, vernietiging en behoud, onderscheidt door de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke gedaante. U, de Transcendentie die men zich realiseert door intelligent om te gaan met de illusoire verscheidenheid, breng ik mijn eerbetuigingen. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens namen, die staan voor Zijn nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen, de weg openen naar de onsterfelijkheid. Als ze, al is het maar onbewust, worden aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, nemen ze terstond alle zonden weg die zich van vele, vele levens ophoopten zodat men Hem bereikt. (16) Hij de Almachtige Persoonlijkheid die om redenen van de schepping, handhaving en vernietiging [deze wereld] doordringt met drie stammen - ik, S'iva en Hemzelf - groeide wortelend in de ziel als de enige ware voor de vele takken [der religie]. Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, breng ik mijn eerbetuigingen. (17) Zolang de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de handelingen van hun eigenbelang de door U gunstig verklaarde toegewijde activiteiten minachten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en onder het gezag van Uw Waakzaamheid [in de vorm van de Tijd] op een janboel uitlopen. Moge er mijn eerbetuiging zijn voor U. (18) Zelfs ik die besta in een plaats die twee parârdha's lang voortbestaat [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], gerespecteerd wordt in al de werelden en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor mijn zelfrealisatie, vrees U. U biedt ik mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, o Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) In het verlangen Uw plicht te doen spreidt U bij de genade van Uw wilsbesluit zich projecterend in de verschillende levensvormen van de dieren, de mensen en de goden Uw bovenzinnelijk spel en vermaak tentoon. Daarbij verkeert U ondanks het manifesteren van Uw Goddelijke gedaante nimmer onder de invloed van de materie. Mijn eerbetuigingen voor die Heer van de Volheden, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) En ook de onwetendheid [avidya] die zich op vijf manieren doet kennen [zie verder 3.12: 2] raakt U niet. Integendeel, U bent zo welgezind temidden van de gewelddadige reeksen golven in het water op het slangenbed in contact te staan [met Ananta S'esha] en te sluimeren met al de werelden die U in Uw buik draagt terwille van hun behoud. En daarmee laat U de [intelligente] mens Uw geluk zien. (21) Hem door wie ik vanuit het lotushuis dat ontspringt aan de navel tot stand kwam met de bedoeling om Hem, de Aanbiddelijke met Zijn genade bij te staan in de schepping van de drie werelden, Hij die het universum in Zijn buik heeft en wiens ogen na het beëindigen van Zijn yogasluimer bloesemen als lotussen, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(22) Moge hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die als de Allerhoogste Heer van de zes volheden [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom] het geluk schenkt middels de geaardheid goedheid, mij de macht der introspectie vergunnen zodat ik als voorheen in staat zal zijn dit universum te creëren als een overgegeven ziel die Hem lief is. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel die met de godin van het fortuin [Lakshmî] geniet van wat Hij ook maar tentoon moge spreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van Zijn incarnaties van de goedheid, bidt ik dat ik, begiftigd met Zijn omnipotentie, van dienst mag zijn en dat ik, ondanks de materiële emoties van mijn hart, er ook toe in staat zal zijn er weer mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die als de energie van het totale universum werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel terwille van de manifestatie van de verscheidenheid van Zijn onbegrensde macht, niet zo onfortuinlijk zal zijn de geluidstrillingen van de Vedische waarheid kwijt te raken. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en glimlachen, Zijn lotusogen openen zodat de kosmische schepping op kan bloeien en de heerlijkheid vinden als Hij met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon onze neerslachtigheid wegneemt.'

(26) Maitreya zei: 'Nadat hij aldus met het gadeslaan van de bron van Zijn verschijnen boetvaardig, vol van kennis en met een geconcentreerde geest naar zijn beste vermogen aandacht had besteed aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Toen Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] de oprechtheid van Brahmâ zag en hoe terneergeslagen hij was over de verwoestende wateren van het tijdperk en in dubio verkeerde over de posities van de verschillende werelden, sprak Hij tot hem in diepe, betekenisvolle bewoordingen teneinde zijn zorgen weg te nemen.'

(29) De Opperheer zei: 'Jij begiftigd met de diepgang van alle Vedische wijsheid, wanhoop niet over de onderneming der schepping. Dat waar je jezelf toe hebt gezet en voor bidt, heb ik reeds geregeld. (30) Om zeker te zijn van Mijn ondersteuning moet je jezelf er als vanouds toe brengen boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen. Door die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je je verbonden in de toewijding geheel hebt verdiept in het universum, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij met inbegrip van al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaakt. (32) Als je Mij in alle levende wezens en in het universum ziet als betrof het vuur in hout, zal je zonder twijfel datzelfde moment in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Zo gauw je vrij bent van het grove en subtiele zelf en je zinnen niet meer onder de invloed verkeren van de geaardheden der natuur, zal je, Mij benaderend, je zuivere essentie [svarûpa] zien en het koninkrijk der hemelen genieten. (34) Met jouw verlangen de verscheidenheid aan diensten uit te breiden en de bevolking eindeloos te doen toenemen, zal je ziel nooit bedroefd zijn in deze aangelegenheid omdat aan Mijn genade geen grenzen gesteld zijn. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt zal zijn. (36) Hoewel Ik voor de geconditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag door jou gekend omdat je begrijpt dat Ik niet een product ben van de materie, de zinnen, de geaardheden of de verbijstering van het zelf. (37) Ik toonde Mij vanbinnenuit aan jou toen je in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water Mij probeerde te achterhalen. (38) Jouw gebeden voor Mij, o Brahmâ, handelend over Mijn verhalen met een opsomming van Mijn heerlijkheden of over je boete en geloof, mag je allemaal zien als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Moge alle zegen op jou rusten die in je verlangen bad voor de victorie van al de werelden door zo fraai Mijn kwaliteiten en Mijn transcendentale positie te beschrijven. Je hebt Mij er zeer mee behaagd. (40) Een ieder die regelmatig deze verzen bidt zoals weergegeven zal door zijn aanbidding zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door met goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga Mij tevreden te stellen, zal het menselijk wezen zich verzekeren van zijn uiteindelijke succes zo luidt de mening van hen die de Absolute Waarheid kennen. (42) Omdat Ik  de Superziel ben, de bepaler van alle andere zielen en de meest dierbare van alles wat dierbaar is zou men al zijn gehechtheid aan Mij moeten opdragen. Want de liefde die men  heeft voor zijn lichaam en andere zaken heeft men aan Mij te danken. (43) Breng nu, met de beheersing van je kennis van de Veda en met je lichaam, die beiden rechtstreeks hun bestaan aan de [Super]ziel ontlenen, zoals te doen gebruikelijk de levens voort van allen die in Mij toegewijde gehechtheid moeten vinden.'

(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke, oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke Nârâyanagedaante uit het zicht.'


Hoofdstuk 10: De Afdelingen van de Schepping

(1) Vidura zei: 'Hoeveel levende wezens werden door de almachtige grootvader van alle schepselen op deze planeet geschapen vanuit zijn lichaam en geest, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen.' "

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kushâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf sprekend vanuit zijn hart antwoord op de vragen.

(4) Maitreya zei: 'Brahmâ verrichtte aldus voor het heil van de ziel voor een honderdtal hemelse jaren boete zoals hem dat gezegd was door de Ongeboren Allerhoogste Heer. (5) Hij die op de lotus zijn bestaan gevonden had zag toen hoe de lotus waarop hij zat en het water eromheen werden bewogen door de wind die werd aangewakkerd door de kracht van de eeuwige Tijd. (6) Omdat door zijn boete zijn bovenzinnelijke kennis en zelfbewustzijn was toegenomen was zijn praktisch inzicht gerijpt, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen hij zag hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond dacht hij bij zichzelf: 'Ik zal hiermee [met deze lotus in het Tijdbewogen water] al de werelden die voorheen in mij zijn opgegaan weer tot leven wekken.' (8) Nu hij er door de Opperheer toe was aangemoedigd tot actie over te gaan, ging hij de werveling van de lotus binnen en verdeelde hij het geheel in drie hoofdafdelingen die hij over veertien onderafdelingen verdeelde [zie ook 2.5: 42]. (9) Deze verschillende leefomstandigheden van de individuele zielen vormen samen de consequentie van de [meerdere of mindere mate van] onzelfzuchtige plichtsvervulling jegens de Hoogste Persoonlijkheid.'

(10) Vidura zei: 'Toen u de keuze aan verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, besprak had u het over de eeuwige tijd als een van Zijn namen. O brahmaan, kan u alstublieft beschrijven hoe de tijd zich feitelijk laat kennen o meester, wat zijn zijn kenmerken?'

(11) Maitreya zei: 'Hij [de Eeuwige Tijd] vormt de bron van de verschillende [organische en anorganische] interacties van de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en vormt het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die middels Zijn spel en vermaak het materiële leven van de ziel gestalte geeft. (12) Tijd [kâla] is het verborgen, onpersoonlijke aspect van God door middel waarvan de kosmische schepping in de vorm van de materiële energie werd gescheiden van de Opperheer als Zijn objectieve manifestatie, als het fenomenale dat door Vishnu's begoochelend vermogen werd gevestigd. (13) Zoals hij [de Eeuwige Tijd] er is in het heden, was hij er in het begin en zal hij er hierna zijn.

(14) De conditionering [of schepping] die er door plaatsgreep wordt in negenen gedeeld overeenkomstig zijn materiële veranderingen [of geaardheden: hartstocht, goedheid en onwetendheid],  overeenkomstig de materiële kwaliteiten van de eeuwige tijd [beweging, kennis en onbeweeglijkheid] en naar gelang de drie soorten van verval mettertijd [het einde van de mensen, de dieren en de onbeweeglijke afdeling der planten en de rest van het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] wordt gevormd door het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de hartstocht] is die van het ik-besef [of ego] waaruit materiële voorwerpen, materiële kenmerken en materiële activiteiten volgden. (16) De derde soort van schepping is dat wat werd geschapen als een mengvorm van de materie [der onwetendheid] en [in de vorm van levende wezens] van zintuiglijke waarneming is. Ten vierde zijn er de goederen voor de zintuigen die de praktische basis vormen van de materiële kennis. (17) De wisselwerking [de beweging] met de geaardheid goedheid en de geest die er uit voortkomt resulteert in de godheden [die over de zintuigen heersen en] die de vijfde soort van schepping vormen. Ten zesde is er dan de duisternis van de schepping [de traagheid der materie] die van meesters dwazen maakt. (18) Dit zijn de zes primaire materiële scheppingen. Verneem nu van mij over de drie secundaire scheppingen [van plant, dier en mens] voortgebracht door de almachtige incarnatie van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] die de Heer Zijn intelligentie vormt.

(19) De zevende hoofdafdeling van de schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Deze wezens voeden zich van bovenaf en zijn vrijwel onbewust met enkel een innerlijk voelen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping wordt gevormd door de lagere diersoorten. Er zijn er achtentwintig verschillende en men gaat ervan uit dat ze geen kennis hebben van hun lot, buitengewoon onwetend zijn, zaken onderscheiden middels de reuk en van een gebrekkige gewetensfunctie zijn. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben slechts één teen. O Vidura, laat me je nu vertellen over de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en dergelijken. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en meer van hen zijn de vogels. (26) Van de negende soort die [ook] zijn buik vult, o Vidura, is er slechts één type: de mensen. Bij hen staat de geaardheid hartstocht voorop. Ze hebben het heel druk met [het terugdringen van] hun misère, maar beschouwen zich altijd als heel gelukkig.

(27) Deze drie secundaire scheppingen zijn met inbegrip van de schepping der halfgoden [als een extra categorie], mijn beste, in tegenstelling tot de andere scheppingen die ik beschreef [overeenkomstig de geaardheden en hun kwaliteiten], onderhevig aan aanpassingen [aan mutaties ofwel aan een evolutie], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich fysiek aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) De schepping van de halfgoden bestaat uit acht soorten: (1) de zelfgerealiseerde zielen, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de transcendentale wezens, de engelen en de heiligen, (5) de beschermers en de giganten, (6) de hemelse zangers, (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en de hemelbewoners en (8) de bovenmenselijke wezens en dergelijken. Alle tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende nakomelingen van de Manu's bespreken en hoe de Schepper, bewogen door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid zijn scheppingswerk doet met achting voor de Allerhoogste Heer die, middels Zijn eigen energie, vanuit Zichzelf ten tonele verschijnt als Zichzelf.'


Hoofdstuk 11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke waarheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, een oneindig klein deeltje [paramânu] is waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie verwekt in de mens. (2) De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit. (3) En zo kan, mijn beste, de tijd worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties waarvan de Allerhoogste, ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (4) De atoomtijd is de tijd die door een oneindig klein deeltje in beslag wordt genomen in het zich uitstrekken over [of vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

(5) Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen. (6) De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten]. (8) Precies vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

(13) De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om in een jaar terug te keren in het Almachtige [cyclische] van de eeuwige tijd. (14) We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. (15) Men moet de Ene [Heer van de Tijd] die verschillend van al het geschapene Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd, die middels Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en die gedurende de dag de duisternis verdrijft, respect betonen met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van  jaren, zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit teweegbrengt in het materieel bestaan.'

(16) Vidura zei: 'U gaf de uiteindelijke tijdmaat aan van  de levensperioden van de verheven levende wezens gevormd door de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden die meer dan een millennium beslaan? (17) O machtige van de Geest, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt in de beheersing van de yoga de ogen van een zelfgerealiseerde waarmee u het gehele universum kan zien.'

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan]. (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het volledige plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid] met het meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (22) Naast het duizendtal [mahâ-]yuga's  die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] uitmaken van de uiterlijke werkelijkheid van de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt. (23) Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ zijn aanvang neemt, begint de schepping van de drie werelden die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan. (24) Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

(25) Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele zoals ook tezelfdertijd zijn afstammelingen,  de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning der halfgoden [Indra] tezamen met iedereen die hen volgen. (26) Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich door de drie werelden bewegen op basis van hun karma. (27) Telkens als de ene Manu de ander opvolgt spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid ten toon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu Zelve en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum. (28) Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren, met het geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens opgegaan in stilte. (29) Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (30) Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere wijzen zich geteisterd door de hitte van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de godmensen [Janaloka, zie 2.5: 38]. (31) Direct na de aanvang van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met overdadige, gewelddadige winden en orkanen die de golven opstuwen. (32) In het water wordt de Heer die daar met Zijn gesloten ogen op het bed van Ananta in Zijn mystieke sluimering neerligt verheerlijkt door de bewoners van de werelden der godsbewuste mensen.

(33) Aldus is er teloorgang in de loop van de tijd van deze dagen en nachten waarin zijn [Heer Brahmâ's] leven op een einde loopt. [Zijn leven komt ten einde in honderd jaren] zoals dat ook met onze levens gebeurt, ook al duurt het [in zijn geval] een honderdtal van zijn jaren [die samen twee parârdha's duren of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18]. (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35) De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron der] Vedische klanken. (36) Aan het einde van die kalpa kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) De huidige kalpa aan het begin van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7]. (38) De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment. (39) Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over hen die zich met het lichaam identificeren. (40) Als een combinatie van de basiselementen en hun transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yoyana's - een dynamische kosmische maat]. (41) [De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere lagere universa [of sterrenstelsels]. (42) Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Zie ook de pagina: "S'rîmad Bhâgavatam & Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten".


Hoofdstuk 12: De Schepping van de Kumâra's en Anderen

(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla beschreven, o Vidura, probeer nu van me te begrijpen hoe de bron der Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.

(2) Allereerst ontstond er [van vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andha-tâmisra], vervolgens was er verongelijktheid [tâmisra] toen was er de hunkering der zotheid [mahâ-moha], daarop de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren en dergelijke, moha] en tenslotte was er het duister van de onwetendheid omtrent het eigen handelen [tamas]. (3) Toen hij [Brahmâ] een dermate problematische schepping voor zich zag, had hij geen hoge dunk van wat hij gedaan had en vond toen, na zich gezuiverd te hebben door te mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere. (4) De zelfgeborene schiep toen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra, [de Kumâra's] die vrij van alle vruchtdragende handelingen overgegeven celibatairen zijn ['zij wiens zaad opwaarts gaat']. (5) Hij zei hen vanbinnenuit: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze wilden dat niet, omdat ze in hun toewijding voor de Allerhoogste Heer zich op de weg bevonden van de principes der bevrijding. (6) Niet gerespecteerd door zijn zoons die weigerden de opdracht uit te voeren, deed hij zijn best de woede te beheersen die toen in hem opwelde. (7) Ondanks de meditatieve beheersing van de oorspronkelijke vader kwam er vanuit zijn woede rechtstreeks van tussen zijn wenkbrauwen een kind ter wereld  dat een kleur had die bestond uit een combinatie van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Het kind riep luidkeels naar de vader van al de goden: 'O machtige heerser van het lot, wijs me mijn namen toe en zeg me wat mijn plaatsen zijn o leraar van het universum.'

(9) Hij, de almachtige geboren uit de lotus, ging in op dat verzoek en suste het kind met de woorden: 'Schreeuw maar niet, ik zal doen wat je wilt. (10) O belangrijkste der halfgoden, omdat je als een jongen zo heftig een keel opzette, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de verzaking vormen samen de plaatsen die voor jou bestemd zijn. (12) Je namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je elf echtgenotes [de Rudrânî's]. (14) Aanvaard deze verschillende namen en plaatsen en de vrouwen die erbij horen en verwek nageslacht met hen op grote schaal, aangezien je de meester van de levende wezens bent.' (15) Aldus geïnstrueerd door zijn eigen geestelijk leraar, bracht de machtigste van de vermenging van blauw en rood de generaties voort die, dezelfde kracht, verschijning en furieuze natuur bezaten als hij.  (16) Maar toen hij zag wat de zonen die door Rudra waren voortgebracht allemaal deden en hoe hun eindeloze aantallen samen het hele universum in beslag namen, werd de vader van de levende wezens bang. (17) 'O beste der halfgoden, [zei hij,] je hebt genoeg van dit soort levende wezens tot stand gebracht. Ze verschroeien met het laaiend vuur van hun ogen alle windrichtingen en mij erbij. (18) Ga boete doen, dat zal je goed doen en alle levende wezens geluk brengen. Alleen door boete te doen zal je het universum tot stand kunnen brengen zoals het was. (19) Alleen door te boeten kent een persoon het hoogste licht en kan hij volledig zijn in zijn respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in ieders hart verblijft.'

(20) Maitreya zei: 'Aldus geïnstrueerd door de zelfgeborene omliep hij [Rudra] de meester der Veda's terwijl hij 'Zo zij het' zei. Vervolgens begaf hij zich in het woud om boete te doen.  (21) Vastbesloten tot schepping over te gaan verwekte hij [Brahmâ] die door de Aanbiddelijke was toegerust met het vermogen, toen tien zonen teneinde de wereld te bevolken: (22) Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha met als de tiende Nârada. (23) Nârada kwam voort uit zijn schoot, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit zijn geest. (25) Uit de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl uit zijn penis de oceanen verschenen en uit de anus, het reservoir van alle ondeugd, de laagste activiteiten voortkwamen. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahûti. Aldus ontwikkelde zich zowel uit het lichaam als de geest van de meester zich het geheel van dit levende universum van de schepper.

(28) O Vidura, we hoorden dat de dochter Vâk die uit zijn lichaam werd geboren de geest van Brahmâ afleidde en verlangens bij hem opwekte hoewel zij zelf geen lust koesterde.  (29) De zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, die toen zagen dat zijn geest zich in de greep van het amorele bevond, spraken zich met het nodige respect als volgt uit: (30) 'Dat wat u nu met uw dochter aan het doen bent zonder uw seksuele verlangen te beheersen hebt u, noch iemand anders, ooit gedaan noch zal iemand in de toekomst dat ooit doen, o meester. (31) Zeker is een dergelijke houding niet gepast voor de meest machtige wiens goede gedrag en karakter, o meester van het universum, een voorbeeld vormt dat door de wereld die streeft naar voorspoed wordt nagevolgd. (32) Laten we de Allerhoogste Heer de eer betuigen die vanuit de ziel bij de kracht van Zijn eigen luister deze manifestatie tot stand bracht. Moge Zijn plichtsbetrachting ons allen beschermen.' (33) Met voor ogen zijn zonen die zich aldus tot hem richtten, verliet de vader aller vaders der mensheid die de schuld op zich nam van de mist die overal bekend staat als de duisternis, beschaamd zijn lichaam. (34) Toen de schepper der werelden zich op een goede dag afvroeg hoe hij de drie werelden opnieuw tot stand moest brengen zoals ze voorheen geweest waren, manifesteerde de Vedische literatuur zich uit zijn vier monden. (35) Aldus manifesteerden zich de vier functies van het [op offeren gerichte] handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen, alsmede de vier principes der religie [waarheid, reinheid, versobering en mededogen] en de spirituele afdelingen [âs'rama's] en afdelingen der roepingen [varna's].'

(36) Vidura zei: 'Kan u, o weelde der verzaking, alstublieft zeggen met welke mond welke Veda werd voortgebracht door de god die de heerser over de scheppers van het universum is?'

(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig-, Yajur-, Sâma- en Atharva Veda kwamen, te beginnen bij de voorkant [oost, zuid, west, noord], ieder uit een van de vier monden tevoorschijn en in dezelfde volgorde volgden de schriftuurlijke beschouwingen [de S'astra voor de Hotâpriester], de rituelen [de Ijya voor de Adhvaryupriester], het recitatiemateriaal [de Stutistoma voor de Udgâtâpriester] en de bovenzinnelijke dienst der verzoening [de Prâyas'citta voor de Brahmâritvik]. (38) Op dezelfde manier werden te beginnen bij de voorste mond in de oostelijke richting de Vedische wetenschappen van de geneeskunde [de Âyurveda], het boogschieten [de Dhanurveda], de muziekwetenschap [de Ghandarvaveda] en de bouwkunst [de Sthâpatyaveda] voortgebracht [die samen de Upaveda's worden genoemd]. (39) Ook werden de Itihâsa's - de  aparte geschiedenissen - en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de Purâna's, die samen bekend staan als de z.g. vijfde Veda, voortgebracht door de monden van hem die in alle richtingen kan zien. (40) Uit zijn oostelijke mond alsmede uit ieder van de andere monden bracht hij een tweetal offers voort: shodas'î, uktha [uit het oosten], purîshi, agnishthoma [uit het zuiden], âptoryâma, atirâtra [uit het westen] en vâjapeya en gosava [uit het noorden]. (41) Educatie [vidyâ of ook wel zuiverheid s'auca door kennis genoemd], liefdadigheid [dâna], boete [tapas] en waarheid [satya] zijn de vier pijlers van de religie  die tot stand kwamen overeenkomstig hetzelfde aantal levensorden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen]. (42) Toen kwamen er [ter regulatie van de brahmacârî, de celibataire student] de geloften van Sâvitra [drie dagen van celibaat na de heiligedraadceremonie], Prâjâpatya [celibaat voor één jaar], Brâhma [celibaat tijdens de studie van de Veda] en Brihat [levenslang celibaat] en de geloften [ter regulering van het huishoudelijk leven] van Vârtâ [beroepsuitoefening volgens de geschriften], Sañcaya [leiden van plechtigheden], S'âlîna [leven van alles wat zonder te vragen wordt verkregen] en S'îluñcha [leven van wat er overblijft in het veld en op de marktplaats]. (43) [Ook manifesteerden zich zo de aanwijzingen voor] de [vânaprashta's of] teruggetrokken zielen: de vaikhânasa's [die leven van wat in het wild groeit], de vâlakhilya's [zij die hun voorraad opgeven als ze nieuwe granen ontvangen], de audumbara's [die leven van het voedsel dat ze op hun weg vinden] en de phenapa's [zij die leven van vruchten die van de bomen vielen], alsmede [voor] de wereldverzakende orde [van de sannyâsî's die] bestaat uit de kuthîcaka's [kluizenaars met een vaste plek], de bahûdaka's [of de bahvoda's, zij die de voorkeur geven aan kennis boven handelingen], de hamsa's [zij die zich volledig op het pad der bovenzinnelijke kennis bevinden] en de nishkriya's of paramahamsa's [zij die de spirituele wijsheid bereikten en zich onthouden van handelingen]. (44) In dezelfde volgorde verschenen [de vier takken van kennis]: ânvîkshikî [de spirituele kennis der bevrijding], trayî [de kennis der rituelen], vârtâ [technische kennis] en dandanîti [politieke wetenschap]. Zo ook verschenen de vyâhriti's [van de eerste regel en de drie eerste woorden van de Gâyatrî mantra] tezamen met de Pranava [de mantra Aum] die uit zijn hart opwelde. (45) Uit de haren op zijn lichaam kwam ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voort, uit de huid van de machtige kwam de gâyatrî [de drievoet] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader der levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) Zijn individuele ziel manifesteerde zich als de spars'a letters [de harde medeklinkers] van het Sanskriet alfabet [van ka tot ma], terwijl zijn lichaam zich uitdrukte in de Sanskriet medeklinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au]. Zijn zinnen worden de dubbelklanken genoemd [s'a, sha sa en ha], zijn kracht toonde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en vanuit de innerlijke vreugde van de heer der levende wezens manifesteerden zich de zeven muzieknoten [*]. (48) Het bovenzinnelijke geluid van Zijn Ziel, de Superziel, die zich voorbij het begrip van gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn bevindt, is de bron van waaruit het Absolute [van de volledige gedaante van Brahmâ], dat bekleed is met vele verschillende energieën, zich volledig manifesteerde.

(49) Nu hij een ander lichaam had aanvaard richtte hij [wederom] zijn aandacht op de zaak der schepping. (50) O zoon van de Kuru's, in de wetenschap dat ondanks het grote, aardse vermogen van de wijzen de bevolking zich niet uitbreidde, wijdde hij zijn hart opnieuw aan deze materie. Hij dacht: (51) 'Helaas, hoe wonderlijk om steeds zo druk bezig te zijn maar er niet in te slagen om het nageslacht tot voortplanting te bewegen! Er moet een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me in dezen tegenwerkt.' (52) Terwijl hij aldus zijn situatie overzag en zich erop bezon, manifesteerde zich een tweedeling in zijn lichaam waarvan men zegt dat het de menselijke gedaante is geschapen naar zijn evenbeeld [kâya - 'dat wat hoort bij Ka of Brahmâ']. (53) Zijn gedaante aldus in tweeën verdeeld ging toen op een volmaakte wijze een seksuele relatie aan. (54) De verschijning die van het mannelijk geslacht was werd de volledig onafhankelijke vader der mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en de verschijning die de vrouw was raakte bekend als S'atarûpâ; zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Sedertdien vermeerderden door de seksuele activiteit volgens de regulerende beginselen [zie vers 41] zich de geslachten. (56) O beste van allen, in de loop van de tijd verwekte hij in S'atarûpâ vijf kinderen: Priyavrata, Uttânapâda en de drie dochters, o zoon van Bharata, geheten Âkûti, Devahûti en Prasûti. (57) Zij die Âkûti werd genoemd huwde hij uit aan de wijze Ruci, de middelste [Devahûti] schonk hij aan de wijze Kardama en Prasûti werd aan Daksha gegeven. Door hen raakte de gehele wereld bevolkt.'

*: De zeven Vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes] ookwel genaamd shadja, rishabha, gândhâra, madhyama, pañcama, dhaivata en nishâda.




Hoofdstuk 13: Het Verschijnen van Heer Varâha

(1) S'rî S'uka zei: 'Na te hebben geluisterd naar deze zo heilige woorden van Maitreya Muni o Koning, stelde de beste der Kuru's vol van aanbidding voor de verhalen over Vâsudeva nog meer vragen. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote had gekregen? (3) Wees zo goed me te vertellen over het karakter van deze heilige, oorspronkelijke koning o beste van allen. Ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht zocht bij Vishvaksena  [de almachtige Heer Vishnu]. (4) Personen die standvastig en met inspanning luisteren naar dat wat uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen dankzij de uitspraken van hen die de lotusvoeten van de Heer der Bevrijding in hun hart plaatsten, de bovenzinnelijke kwaliteit van een trouwe geest vinden.' (5) S'rî S'uka zei: 'Nadat de uiterst bescheiden Vidura, die op zijn schoot de lotusvoeten ontving van Hem met de duizend hoofden, zich aldus had uitgelaten, kreeg hij de complimenten en een antwoord van de wijze van wie in extase de haren overeind stonden in de geest van de woorden over de Allerhoogste Heer.

(6) Maitreya zei: 'Toen Svâyambhuva Manu tezamen met zijn vrouw was verschenen, richtte hij als de vader van de mensheid met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir der Vedische wijsheid [Brahmâ]: (7) 'U bent de ene, ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van het bestaan, maar wij echter die allen uit u werden geboren, vragen ons af hoe wij u van dienst kunnen zijn. (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen. Wat zijn de verplichtingen die we, voor zover dat in ons vermogen ligt, jegens u hebben? Wat moet men doen voor de roem [Zijn roem] alom in deze wereld en wat om te vorderen naar de volgende wereld?'

(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie beiden rusten o heer van de wereld, omdat je zonder enige terughoudendheid in je hart jezelf aan mij hebt overgegeven terwille van mijn instructies. (10) Dit is precies de goede manier o held, om de geestelijk leraar te eren. Zij die een gezond verstand hebben en hun jaloezie de baas zijn behoren naar hun volle vermogen en met de hoogste achting deze instructie te aanvaarden. (11) Zorg jij in die rol daarom bij haar voor kinderen die dezelfde eigenschappen hebben als jij, zodat ze eenmaal geboren over de wereld kunnen heersen met de principes der religie, hun offers brengen en respect oefenen voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) Beschouw het beschermen van de levende wezens als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen. Hrishîkes'a, de Opperheer der Zinnen, zal tevreden zijn als je de bewaker van hun levens bent. (13) Het werk van hen die nooit de Allerhoogste Heer Janârdana ['de Heer van alle levende wezens'], het voorwerp van alle offeranden tevredenstelden, is zeker nutteloos daar ze hun eigen zelf als zijnde de Allerhoogste Ziel niet respecteerden.'

(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan wat uw machtige zelf heeft opgedragen, o doder van alle zonde, alstublieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van hen die uit mij geboren zijn. (15) O god van deze planeet, de aarde, de verblijfplaats van alle wezens, is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka oceaan van het geschapen universum]. Wilt u haar alstublieft naar boven halen?'

(16) Maitreya zei: 'De persoonlijkheid der transcendentie [Brahmâ] die ook zag dat de aarde was ondergedompeld dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en dacht er toen een lange tijd als volgt over na: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, werd de aarde overspoeld door een vloed en raakte ze diep ondergedompeld. Wat kunnen wij die verwikkeld zijn in deze kwestie van het scheppen nu het beste doen? Moge de Heer uit wiens hart ik werd geboren me hierin bijstaan!' (18) Aldus in gedachten verzonken kwam er opeens uit zijn neusgat o zondeloze, een klein zwijntje [Varâha] tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij dat zo voor zich zag breidde de gedaante zich op wonderbaarlijke wijze plotseling in de lucht uit, zich omvormend tot het formaat van een gigantische olifant, o zoon van Bharata. (20) Met de gedaante van die zwijnachtige verschijning voor zich probeerde hij toen met Manu, de brahmanen die door Marîci werden aangevoerd en de Kumâra's de zaak op verschillende manieren onder woorden te brengen: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? En hoe verwonderlijk dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een megaliet! Zou dit de Opperheer der offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ zo met zijn zoons aan het uitweiden was, produceerde de Allerhoogste Heer der Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een woeste schreeuw alsof Hij wilde aanvallen. (24) Met het ongekende stemgeluid dat in alle richtingen weergalmde verzette de almachtige Heer zowel Brahmâ als de hoog verheven brahmanen in grote vreugde.  (25) Met in hun oren het luide gebrul waarmee de algenadige Heer in de gedaante van een Zwijn aan het persoonlijk leed een einde maakte, hieven de bewoners van Tapoloka, Satyaloka en Janaloka [zie 2.5: 39] toen allen een lofzang aan met de heilige mantra's van de drie Veda's.

(26) Zichzelf heel goed kennend als de gedaante die het resultaat is van de verbreiding van het Vedische geluid dat voortspruit uit de kennis van de autoriteiten der waarheid, brulde Hij nogmaals in reactie op het bovenzinnelijk eerbetoon van de wijzen en intelligenten en ging, speels als een olifant, het water in om hunnentwille. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, dreef Hij de wolken met Zijn hoeven uiteen en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden Zijn glorie als de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) De aarde met Zijn neus zoekend speurde Hij die het bovenzinnelijk lichaam van een zwijn had aangenomen overal om zich heen en toonde Hij zijn schrikwekkende slagtanden, maar al de brahmanen gingen desondanks over tot gebed toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) De enorme berg van Zijn lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen in twee hoge golven waardoor die als met twee armen behept in nood hardop het gebed uitsprak: 'O meester van alle offers, bescherm mij alstUblieft!' (30) Hij als de Meester van alle Offers die met Zijn vlijmscherpe hoeven het water binnendrong vond haar tenslotte toen Hij de grenzen van de grenzeloze oceaan bereikte. Hij zag haar, de weelde van de levende wezens, daar liggen zoals ze altijd geweest was en tilde haar persoonlijk omhoog. (31) Omhoog komend uit het water verscheen Hij die de ondergedompelde aarde ophief met Zijn slagtanden, in Zijn volle glorie. Maar toen moest Hij, gloeiend in een heftige woede Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] inzetten tegen de demon [Hiranyâksha - 'hij met de gouden ogen'] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Op een onnavolgbare wijze doodde Hij toen vaardig zonder moeite de zich in het water tegenover Hem opgestelde vijand zoals een olifant zich ontdoet van een leeuw en raakten daarbij Zijn kaken en tong met bloed besmeurd als was Hij een olifant die heeft zitten graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) En terwijl Hij blauwgekleurd als een tamâla-boom  de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden als was Hij een spelende olifant o Vidura, konden zij die werden aangevoerd door Brahmâ Hem herkennen als de Allerhoogste Heer. Daarop brachten ze Hem met gevouwen handen gebeden uit de Vedische hymnen.

(34) De wijzen zeiden: 'U zij de glorie en victorie o Onoverwinnelijke, U die middels het brengen van offers wordt begrepen. Al onze eerbetuigingen gelden U die met Zijn lichaam schudt dat bestaat uit de drie Veda's en in wiens poriën van de haren op Zijn lichaam deze [Vedische waarheid] verborgen ligt. Wij betuigen U de eer die zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien die men middels het brengen van offers kan aanbidden: met de Gâyatrî en andere mantra's vereert men Uw huid, met het kus'agras [waarop men zit als men mediteert] vereert men de haren op Uw lichaam; met de geklaarde boter [die wordt gebruikt bij het offeren] eert men Uw ogen en met de vier functies van het offeren respecteert men Uw vier poten [zie 3.12: 35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer. In Uw buik herkennen we het bord om van te eten en de gaten van Uw oren vormen ook zo'n bord. Uw mond is het [Brahmâ]bord voor het  geestelijk aspect van het offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat U vermaalt met Uw tanden o Allerhoogste Heer, is wat U tot zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) De drie [upasada ishthi's of] inzegeningen vormen samen Uw nek: Uw herhaalde incarnaties vormen de inleidende offers van uitgietingen in het vuur [genaamd de dîkshanîya ishthi], Uw slagtanden vormen het [prâyanîya ishthi] verloop van de inzegening en de [udayanîya ishthi] afsluiting van de inzegening. Uw tong wordt gevormd door de [pravargya] aanheffingen [voor de drie upasada's]. Uw hoofd zijn de vuren zonder offerplechtigheden [satya] en de vuren met offerplechtigheden [âvasatya] en Uw levensadem bestaat uit de combinatie van alle offers. (38) Uw semen is de soma offerande, Uw  stabiliteit respecteert men met de rituelen in de ochtend, de middag en de avond o Heer, de verschillende lagen van Uw lichaam vormen de zeven soorten offers  [zie 3.12: 40] en de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offerplechtigheden [genaamd de satrâni's] die men gedurende een periode van twaalf dagen uitvoert. U o Heer, die zich slechts laat binden door offers, bent het voorwerp van aanbidding van al de soma- en asoma-offers. (39) Wij bewijzen U de eer die als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers te aanbidden bent met behulp van de universele gebeden. Door in verzaking met toewijding de geest te overwinnen kan men zich U realiseren als de essentie van alle offers. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) O Allerhoogste Heer, met de aarde en haar bergen zo prachtig gesitueerd op de toppen van Uw vooruitstekende tanden o Heer der Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een statige olifant met op Zijn slagtand een lotus compleet met zijn bladeren. (41) Deze gedaante van U van de Veda's in eigen persoon die als een zwijn de planeet aarde op Zijn slagtanden omhoog houdt, straalt met de schoonheid van grote bergtoppen die nog mooier lijken door de wolken eromheen. (42) U als de vader tilt deze moeder aarde, waarop de zich bewegende en de niet-bewegende levende wezens verblijven, als Uw echtgenote omhoog. Laat ons U de eer betuigen zowel als haar in wie U Uw vermogen investeerde zoals een offeraar aranihout in brand steekt. (43) Wie anders dan U o meester, kon de aarde uit het water bevrijden? Voor U zijn zulke daden niets wonderlijks daar het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U op basis van Uw vermogens schiep alle andere overtreft. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van Janaloka, Tapoloka en Satyaloka besprenkeld met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders en raakten zo geheel gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die de grens wil kennen die aan Uw talloze handelingen gesteld zou zijn is zijn verstand kwijt. Het hele universum dat wordt beheerst door de materiële kwaliteiten is begoocheld door de eenheid van Uw innerlijk [yogamâyâ] vermogen. O Heer der Volheden, schenk ons Uw genade!'

(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water waar Hij met Zijn hoeven zwaar op rustte. (47) Nadat de Almachtige Persoonlijkheid van God Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, aldus de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak bovenop het water had getild, keerde de Heer terug naar Zijn hemelverblijf. (48) Met degene die met een toegewijde houding luistert naar of anderen vertelt over deze heilzame en waardevolle geschiedenis van de Heer die een einde maakt aan het materiële motief, zal de Heer aanwezig in 't hart [van een ieder] zeer spoedig tevreden zijn. (49) Wat zou er moeilijk te bereiken zijn voor degene die de grenzeloze genade van Zijn tevredenheid geniet? Als iets buiten die genade valt ziet het er onbeduidend uit. Die toegewijden die niets anders dan Zijn genade wensen verheft Hij persoonlijk verblijvend in het hart tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Och, is men niet een onmens als men eenmaal vertrouwd met de werkelijke waarde van het menselijk verleden er weerstand tegen biedt om zich via zijn oren te laven aan de nectar van de verhalen over de Heer die een einde maakt aan de pijn van het materiële bestaan?'


Hoofdstuk 14: De Bevruchting van Diti in de Avond

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij van de wijze Maitreya de beschrijving had gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn was verschenen, verzocht Vidura, gezworen als hij was, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O belangrijkste onder de wijzen, ik hoorde van u dat de demon Hiranyâksha werd gedood door de Heer, het oorspronkelijke doel van alle offers. (3) Om welke redenen had Hij in Zijn spel en vermaak waarin Hij de aarde optilde met Zijn slagtanden o brahmaan, een gevecht met de koning der demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen o grote wijze, want ik met mijn nieuwsgierige geest, heb nog niet genoeg gehoord.'

(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, o grote held, dat wat u me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid, vormt voor hen die gedoemd zijn te sterven de bron der bevrijding van geboorte en dood. (6) De zoon van koning Uttânapâda [Dhruva] werd als kind door Nârada over deze onderwerpen op de hoogte gesteld en plaatste, toen hij [bij zijn dood] vertrok om op te stijgen naar het verblijf van de Heer, zijn voet op het hoofd van Mrityu [de god van de dood, als opstapje om in de vimâna van Nanda en Sunanda te stappen, zie 4.12: 30]. (7) Wat betreft deze kwestie [van het verschijnen van Heer Varâha] vernam ik van Brahmâ, de god der goden, de nu volgende geschiedenis die hij lang geleden vertelde naar aanleiding van vragen die waren gesteld door de halfgoden.

(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood verkerend haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om bij haar een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Aller Offers met uitgietingen op Zijn tong die wordt gevormd door het offervuur, zat hij diep verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.

(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft met jou op het oog al zijn pijlen op mij gericht en brengt, me opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat, daarmee mijn arme zelf in verlegenheid. (11) Wees zo goed voor me, het doet me pijn om de kinderen en de welstand te zien van je andere vrouwen, gun [ook] mij en jezelf [daarmee] dat welzijn in ieder opzicht. (12) De roem van een echtgenoot die van zijn vrouw houdt zal zich in de wereld verspreiden omdat van de kinderen van een goede echtgenoot als jij, de samenleving zich zeker uitbreidt. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de zeer vermogende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij, zijn kinderen het beste wensend, schonk, met achting voor hun wensen, ze alle dertien aan jou; zij die je nu allemaal trouw zijn. (15) Wees daarom zo aardig aan mijn verlangens tegemoet te komen o lotusogige, de verzoeken van hen die in nood een persoon van statuur benaderen zullen, o almachtige, toch zeker niet vergeefs zijn?'

(16) Aldus, o held, gaf de zoon van Marîci haar in kalmerende bewoordingen antwoord daar ze, behoeftig en praatgraag, zeer van streek was vanwege de lust die bezit van haar genomen had. (17) 'Ik ga in op je verzoek, ik zal doen wat je van me verlangt mijn gekwelde lieveling! Wie zou er niet ingaan op  de wensen van degene die staat voor de realisatie van de drie levensdoelen [van dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging]? (18) Levend met een metgezel kan iemand die zijn beroep uitoefent en alle levensstadia doorloopt, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een zee met zeewaardige schepen doorkruist. (19) Met iemand die de wederhelft van je lichaam vormt kan men alle verlangens in goede banen leiden en kan men met het aan de ander toevertrouwen van verantwoordelijkheden een [relatief] onbezorgd leven leiden. (20) De zinnen zijn voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden; wij die daarin ons heil zoeken kunnen ze gemakkelijk de baas, net als de bevelhebber van een veste dat kan met binnendringende plunderaars. (21) We zullen er nimmer in slagen om voor jou te doen wat jij voor ons gedaan hebt, o koningin van het huis; ons hele leven zal dat niet lukken, noch in een volgend leven en ook zullen anderen die waardering hebben voor je kwaliteiten dat niet kunnen. (22) Laat mij, nu dat gezegd is, meteen werk maken van deze seksuele belangstelling van je om een kind te verwekken; maar wacht eerst een moment zodat mij niets te verwijten valt. (23) Dit ogenblik is het minst gunstige moment daarvoor, het is de verschrikkelijke tijd waarin de akelige geesten en hun meester iemands voortdurende gezelschap vormen. (24) Om deze tijd van de dag o kuise, in de schemering, trekt [S'iva] de Heer en weldoener van de spoken die hem omringen rond als hun koning op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het onberispelijk zuiver, stralende lichaam van de halfgod dat besmeurd is met het stof en de rook opgewaaid van de crematie van de doden en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, beziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [een ieder] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij beschouwt niemand in deze wereld als zijn verwant noch denkt hij dat ook maar iemand los van hem zou staan; hij ziet niemand als groter en evenmin beschouwt hij wie dan ook als misdadig. Trouw eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten en verzekeren wij ons van de overblijfselen van wat hij afwees van het geofferde voedsel. (27) Hoewel wat betreft zijn onberispelijke karakter, dat door de wijzen wordt nagevolgd in hun verlangen de onwetendheid van de massa te beëindigen, er niemand is die even zo groot is, treedt hij niettemin, terwille van de realisatie der toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De onfortuinlijken die met wat ze doen feitelijk om hem lachen en zich niet bewust zijn van zijn bedoeling zich bezig te houden met het zelf, koesteren met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels hun lichaam als was het de ziel zelve, het lichaam dat uiteindelijk dienst doet als hondenvoer. (29) Brahmâ zowel als de andere goden houden zich aan de rituele gedragscode van hem, de heerser over de materiële energie, de mâyâ die onder zijn gezag staat. Oh, het tegendraadse optreden van dit grootse karakter is niets dan een schijnvertoning [waarin hij het karma op zich neemt]!'

(30) Maitreya zei: 'Ondanks dat ze aldus door haar echtgenoot op de hoogte was gesteld, greep ze, met haar zinnen onder de druk van Cupido, de grote, wijze brahmaan bij zijn kleren, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Hij toen, met begrip voor de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad, bood de voorzienigheid zijn eerbetuigingen en vleide zich in afzondering neer met zijn vrouw. (32) Daarna nam hij een bad en mediteerde hij, met het in gebed [met de Gâyatrî] beheersen van zijn adem en zijn stem, met behulp van de zuivere geest van het Absolute op het licht van de eeuwigheid. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak beleefd tot hem. (34) Diti zei: 'Laat mijn zwangerschap o brahmaan, o edelste van allen, niet worden afgebroken door Rudra, want ik beging een overtreding tegen de meester der schepselen. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste, grote halfgod die alle verlangens vervult, de algunstige en vergevingsgezinde die je onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, de hoogste, grote en genadige persoon, de aangetrouwde broer die gehuwd is met Satî ['de kuise', de zuster van Diti] over ons tevreden zijn, hij die de god van alle vrouwen is voor wie zelfs de laagsten nog sympathie koesteren.'

(37) Maitreya zei: 'De echtgenote [bevend van angst] vanwege het zich hebben afgekeerd van de regels en voorschriften voor de avond, wenste het welzijn van haar kinderen in de wereld en werd [toen] toegesproken door deze vader van de mensheid. (38) Kas'yapa zei: 'Vanwege je onzuivere geest, omdat je de heiligheid van het moment onteerde en ook omdat je al te onverschillig was over mijn aanwijzingen, had je tevens te weinig achting voor de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee kwalijke zoons hun geboorte nemen en zij, o hoogmoedige, zullen voortdurend treurnis onder de bestuurders van de drie werelden teweegbrengen. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum die het welzijn van de gewone man op het oog heeft, in eigen persoon nederdalen en hen beiden in grote woede doden als was Hij de gesel der bergen met de bliksemschicht zelve [Indra].'

(42) Diti zei: 'Het is een grote eer om ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke o echtgenoot, ik bid [slechts] dat mijn zonen nimmer hun einde zullen vinden als gevolg van de woede der brahmanen. (43) Een persoon die is afgestraft door de vloek van een brahmaan en hij die andere levende wezens in angst doet leven, wordt noch door hen die van de hel zijn, noch door de andere levensvormen waaronder een overtreder zijn geboorte kan nemen goedgekeurd.'

(44-45) Kas'yapa zei: 'Omdat je meteen met een juiste bekentenis blijk geeft van spijt en je je boetvaardig opstelt en omdat je grote bewondering hebt voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, voor Heer S'iva en ook mij respecteert, zal er uit een van de twee zoons [Hiranyakas'ipu] een zoon worden geboren [Prahlâda] die wèl de goedkeuring van de toegewijden zal wegdragen. Zijn bovenzinnelijke glorie zal de geschiedenis ingaan als zijnde gelijk aan die van de Allerhoogste Heer. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen, die zuivering zoeken in hun streven naar vrijheid van vijandigheid en dergelijke, in het voetspoor treden van deze instelling en dit karakter. (47) Hij, de Hoogste Persoonlijkheid door wiens genade dit universum zijn geluk vindt, zal in de bijzondere zorg die Hij aan dat karakter in Zijn toegewijden besteed zeer verheugd zijn over iemand met zo'n rotsvast geloof. (48) Hij zal zonder twijfel de beste der toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed die goed gerijpt is door toegewijde dienst [*]. Met zijn geest in extatische liefde zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de uiteindelijke werkelijkheid, het paradijs, de hemel] bereiken als hij deze materiële wereld verlaat. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd vergaarbekken van goede kwaliteiten zijn, hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn. Hij zal geen vijanden hebben en een einde maken aan alle treurnis in de wereld zoals de prettige maan dat doet na te hebben geleden onder de zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zichzelf en buiten zichzelf, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen aanschouwen die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst en die met een gezicht dat gesierd is met schitterende oorhangers, de uitnemendheid vormt van de prachtige Godin van het Geluk.'

(51) Maitreya zei: 'Toen ze hoorde dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn was Diti zeer verheugd en had ze er vrede mee te weten dat haar twee zoons door Krishna zouden worden gedood.'

Bij vers 48: Goed gerijpt betekent gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.



Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen. (2) De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde. (3) De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets dat voor u verborgen is. (4) O god der goden die het universum onderhoudt, u als het  kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens. (5) Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [der hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect. (6) Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin alle werelden met elkaar verbonden zijn. (7) Zij die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van de zinnen en de geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden. (8) Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden o grote Heer, gun ons overgegeven zielen de weldaad van uw genadige blik. (10) O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout .'

(11) Maitreya zei: 'Glimlachend o machtig gearmde, stelde hij, de zelfgeborene die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven. (12) Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid geen verlangens op na. (15) De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden. (16) Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Huizend in paleizen wonen de toegewijden daar samen met hun echtgenotes en bezingen ze vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze de geestverruimende geur proberen te negeren die de wind meevoert van de mâdhavîbloemen die vol van nectar bloeien temidden van het water. (18) Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen. (19) De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger om haar geur [door Hem] wordt geëerd, wel het meest van hen allen recht doet aan de goede geest der boete aldaar. (20) Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de Heer Zijn voeten verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwlijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar zij met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij, geven met hun geesten verzonken in Krishna nooit enige aanleiding tot lustmatigheid. (21) In dat huis van de Heer wordt [somtijds], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. En die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen. (22) In hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze omringd door hun dienaressen tulsîblaadjes voor de Heer en stellen zich daarbij voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer. (23) Hoe onfortuinlijk zijn zij die zich nimmer bewegen in de richting van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas, dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven worden, verstoken van alle toevlucht als ze zijn, in de diepste duisternis geworpen. (24) Zij die niet van aanbidding zijn voor de Allerhoogste Heer en die niet, zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het verlangden, de menselijke vorm van leven bereikten en kennis verkregen over het Absolute en de juiste gedragswijze [dharma], zijn helaas verbijsterd door  Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie. (25) [Maar] tredend in het voetspoor van [mij] de leider van de halfgoden zullen zij naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, die  aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.

(26) [Brahmâ vervolgde:] Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden. (27) Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Om hun nek tussen hun vier blauwe armen hadden ze een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren; zij waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette met een houding die de Heer onwelgevallig is ze onterecht tegen met hun staf. (31) Geconfronteerd met de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthha, kleurden hun ogen in hun verlangen hun meest geliefde persoon te treffen, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die het door je deugdzame daden in het verleden schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook van de toegewijden die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n onbehouwen mentaliteit op na die het vertrouwen beschaamt? (33) Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn onderbuik herbergt; het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er zo iets verschrikkelijks kan bestaan. Hoe heeft zich dit met Hem nu kunnen ontwikkelen? (34) Daarom zijn we van mening dat met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld der tegenstellingen waar men leeft met deze drievoudige zonde die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

(35) De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek door hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen: (36) 'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, we met ons afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering aan de Allerhoogste Heer zullen verliezen.'

(37) Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen en kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op de voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen vervielen de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] wuifde Hij met een andere een lotusbloem. (41) Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals. (42) Met Zijn aanwezigheid stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw zo dachten Zijn toegewijden in hun meditatie. Van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen zoals ze die zagen, niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden. (43) Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest de [onpersoonlijke realisatie van] woorden waren toegewijd. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden toen op hun toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen der yoga is Hij het voorwerp van meditatie zoals goedgekeurd door de groten. Met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante wordt Hij, eeuwig aanwezig zijnd als Degene die Verbindt, geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden, een vervolmaking die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

(46) De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen. (47) U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid, allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we op dit moment als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst, met een hart dat vrij is van gehechtheden. (48) Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden. (49) Door de zondige levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken mogen worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren mogen vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, zullen onze woorden zo mooi worden als de tulsîblaadjes van Uw genade. (50) Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U, de Hoogste Persoonlijkheid van God, onze eerbetuigingen brengen die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.'



Hoofdstuk 16: De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yogageweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya begingen voorzeker, omdat ze Mij negeerden, een ernstige overtreding jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen bedeelde, keur Ik goed o grote wijzen, daar ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Daarom zoek Ik nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u brahmanen die de hoogsten van God  zijn, geheel de Mijne is; Ik beschouw Mezelf  als degene die de overtreding beging aangezien zij die u niet respecteerden Mijn dienaren zijn. (5) Over het algemeen geeft men als een dienaar iets verkeerd doet degene in wiens naam de overtreding is begaan de schuld. Het schaadt de reputatie van die persoon net zoveel als lepra de huid schaadt. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie [van Mijn naam en faam] die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag met inbegrip van de laagsten der lagen. Ik ben die persoon van de vrijheid van nalatigheid en dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord hebt bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat oord vijandig tegen u zou werken. (7) Van hen die dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten worden alle zonden terstond uitgewist en daarvan heb Ik een zodanige aard verworven dat, zelfs al ben Ik niet gehecht aan de Godin van het Fortuin, zij Me nimmer verlaat, terwijl anderen heilige geloften in acht moeten nemen om de geringste gunst van haar te verkrijgen. (8) Anderzijds geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als Ik geniet van de beetjes voedsel die de monden van de optredende brahmanen tevredenstellen die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik die met de macht van Mijn oneindig en ongehinderd inwendig vermogen en met het Gangeswater dat van Mijn voeten spoelde en met Heer S'iva terstond de drie werelden heiligt, op Mijn kroon het heilige stof weet te dragen van de voeten der brahmanen, wie zou dat dan niet [kunnen]? (10) Zij die de besten der tweemaal geborenen, de koeien en de hulpeloze schepselen die deel uitmaken van Mijn lichaam als verschillend van Mij zien omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, zullen als waren ze nijdige slangen door de kwade gieren van boodschappers van de meester der bestraffing [Yamarâja] verscheurd worden. (11) Maar zij die met verheugde harten en de nectar van hun glimlachende lotusgezichten intelligent, zoals een zoon dat zou die tevreden stelt door lofuitingen, erin slagen met liefdevolle woorden de brahmanen te respecteren die zich zelf van restrictieve woorden bedienen, zijn in Mij, want Ik wordt beheerst door die brahmanen. (12) Laat het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren die niet bekend met de bedoeling van hun meester in overtreding waren jegens u en het onmiddellijke gevolg ervan onder ogen moeten zien, niet te lang moge zijn zodat ze spoedig weer de gunst van Mijn nabijheid mogen genieten.'

(13) Heer Brahmâ zei: 'Alhoewel ze nu Zijn liefdevolle, goddelijke toespraak hadden gehoord die klonk als een reeks mantra's, waren hun zielen die waren gebeten door de slang der woede, niet bevredigd. (14) Toen ze met hun oren wijd open de uitnemende en zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang aanhoorden, hadden ze er moeite mee ze te doorgronden en konden ze, diep nadenkend over hun diepgang zich geen voorstelling maken van de Heer Zijn bedoeling. (15) De grootse conclusie die de Allerhoogste Heer had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen deed de vier brahmanen, in de hoogste staat van verrukking met hun haren overeind spreken met gevouwen handen. (16) De wijzen zeiden: 'O Fortuinlijke, we snappen niet wat U wilt zeggen o Heer omdat U, ondanks dat U de heerser bent, spreekt over [het  van onze kant] genade hebben met U! (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en de hoogste autoriteit van de brahmanen die anderen onderrichten. U o meester der geleerden, bent de God der goden, de Fortuinlijke die de Ziel is, de aanbiddelijke godheid. (18) Van U is er de bescherming van de eeuwige roeping [sanâtana dharma] in al Uw verschillende verschijningen, U bent het verheven doel van de religieuze beginselen; volgens ons bent U de ene onveranderlijke werkelijkheid. (19) Omdat dankzij Uw genade de transcendentalisten die breken met alle materiële verlangens zonder moeite geboorte en dood overwinnen, kan het nooit zo zijn dat U als zodanig afhankelijk zou zijn van de genade van anderen. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], van wie anderen in hun verlangen naar materieel voordeel bij gelegenheid het stof van haar voeten op hun hoofd aanvaarden, staat voor U klaar, bezorgd om een plaats voor haar gelijk aan die van de koning der hommels met het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) Hoe kan U, die als het reservoir van alle volheden zich geen zorgen maakt om haar feilloze toegewijde diensten, U, die voor de zuivere toegewijden het voorwerp van de grootste toewijding bent, worden geheiligd door het stof op het pad van de brahmanen of het fortuin vinden aan de hand van het S'rîvatsa-teken [de paar witte haren op Uw borst]? (22) U, o Fortuinlijke, bent drievoudig [tapas, s'auca, dayâ] aanwezig in al de drie [voorgaande] yuga's [zie 3.11] ter bescherming van het  leven en het levenloze van dit universum. Moge voor het heil van de goden en de brahmanen Uw bovenzinnelijke gedaante van zuivere goedheid de onwetendheid en de hartstocht uitbannen en ons zo al het beste brengen. (23) Als U als de beschermer van de brahmanen - de hoogste klasse - hen niet als de besten acht die alle respect verdienen en het waard zijn in vriendelijke bewoordingen te worden aangesproken, dan zal o God, Uw heilzame weg verloren zijn op basis waarvan de gewone man het gezag van de wijsheid zou aanvaarden. (24) En dat is niet wat U wilt. U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde middels Uw vermogens de tegenstand. O Heer, U bent de Ene van de drievoud der natuur en de handhaver van het universum en daarom heeft Uw vermogen niet [onder de rol die U nu speelt] te lijden. Die onderworpen houding is slechts [een spel voor] Uw genoegen. (25) Wat voor straf o Heer, U ook denkt dat deze twee verdienen die van een beter leven zijn, zullen we met heel ons hart aanvaarden. Neem welke maatregel die U ook maar gepast acht; we begrijpen dat we de zondelozen hebben vervloekt.'

(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen elders spoedig geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Met een door woede versterkte geconcentreerde geest zullen ze hecht met Mij verenigd zijn en snel weer naar Mijn aanwezigheid terugkeren. Weet dat uw vloek door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'

(27) Brâhma zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende, zelfverlichte bereik van Vaikunthha gezien, de verblijfplaats van de onweerstaanbare Heer. (28) Nadat ze de Allerhoogste Heer hadden omlopen en hun respect hadden getoond keerden ze opgetogen terug, vol van lof over hun ervaring met de glorie van de Vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid. Hoewel Ik in staat ben de vloek van een brahmaan te herroepen, wens Ik dat niet te doen, integendeel, Ik keur hem zelfs goed. (30) Dit vertrek werd voorzien door Lakshmî die boos op jullie was toen jullie haar ooit eens de toegang weigerden terwijl Ik lag te rusten. (31) Verenigd in jullie bewustzijn als Mijn vijand zullen jullie worden bevrijd van de consequentie van het niet respecteren van de brahmanen en na slechts een korte tijd naar Mij terugkeren.'

(32) Na aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn verblijfplaats die wordt opgesierd door reeksen paleizen vol van de weelde der dienstbaarheid van de godin Lakshmî. (33) Maar dat gold niet voor de twee excellente halfgoden die onvermijdelijk vanwege de vloek der brahmanen de schoonheid en luister van Vaikunthha moesten ontberen en in treurnis vervielen. (34) Toen ze in dat hemelverblijf van de Heer van Vaikunthha ten val kwamen, steeg er een grote schreeuw van teleurstelling op uit al de fijne paleizen van de toegewijden. (35) Deze twee vooraanstaande  metgezellen van de Heer zijn nu via het zeer krachtige zaad van Kas'yapa de schoot van Diti binnengegaan. (36) Omdat de Allerhoogste Heer het zo wenste, zijn  jullie allen,  geplaatst voor het vermogen van deze twee onverlichte zielen van de Heer, nu uit je doen. (37) Met Hem als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan het begoochelend yogamâyâ-vermogen van de Alleroudste zelfs door de meesters der yoga niet makkelijk worden doorgrond. Maar Hij is onze Opperheer en Meester over de Geaardheden en zal alles in orde brengen. Wat zou [anders] de bedoeling zijn van ons uitweiden over dit onderwerp?'



Hoofdstuk 17: De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

(1) Maitreya zei: 'Toen de hemelbewoners de verklaring van Brahmâ hoorden over de oorzaak [der duisternis], raakten ze bevrijd van hun angst en keerden ze vervolgens allen terug naar hun hemelplaatsen. (2) De deugdzame Diti, vol van zorgen over de levenslange problemen waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, bracht tweelingzonen ter wereld. (3) Toen ze werden geboren, waren er vele zeer angstwekkende, ongunstige voortekenen te zien in de hemel, op aarde en in de lucht. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen die voortdurend huilden en legers van cyclonen met stofwolken als hun vaandel ontwortelden de grootste bomen. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem hardop lachend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet huilde de oceaan vol van geagiteerde schepselen met hoge golven en de drinkplaatsen en rivieren waren verstoord terwijl de lotussen wegkwijnden. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen vertoonden, men hoorde donderslagen en ratelende geluiden van strijdwagens komen uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhals-teven vuur uit hun muilen en er waren de schreeuwen van uilen en het onheilspellende gehuil van jakhalzen. (10) De honden hieven hun koppen allerlei geluiden voortbrengend alsof ze zongen somtijds en dan weer huilden. (11) De ezels, o Vidura, renden als gekken wild balkend van hot naar haar rond in groepen waarbij ze de aarde hard raakten met hun hoeven. (12) Opgeschrikt door de ezels vlogen de vogels krijsend op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) De koeien gaven in hun angst bloed [in plaats van melk] en uit de wolken regende het pus; de beeltenissen huilden met tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Met uitzondering van de zonen van Brahmâ dachten al de mensen die meer van dit alles zagen, niet op de hoogte zijnde van het geheim van al deze grote voortekenen van het kwade, vol van angst dat de wereld op zijn einde liep. (16) De twee van God verlaten, eerste Daitya's van de geschiedenis groeiden snel en ontwikkelden ongewone lichamen die als van staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en met de schoonheid van de versierde gordels om hun middel die de zon deed verbleken, schudde de aarde bij iedere stap van hun voeten terwijl de toppen van hun helmen de hemel raakten en ze het zicht in alle richtingen blokkeerden.

(18) Prajâpati Kas'yapa gaf de twee hun namen: hij van de tweeling die van zijn vlees en bloed het eerst werd verwekt [en als tweede ter wereld kwam] noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die het eerste uit Diti ter wereld kwam [en als tweede werd verwekt] noemde hij Hiranyâksha ['hij met de geest voor goud']. (19) Omdat Hiranyakas'ipu vol van verbeelding dankzij een zegen van Heer Brahmâ niet bang was dat ook maar iemand hem zou doden, slaagde hij erin de drie werelden en hun beschermheren in zijn greep te krijgen. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen klaar om te vechten, de hogere sferen op zoek naar gewapend verzet. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans over zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots als hij was op de fysieke en mentale kracht die hij ontleende aan de zegen, vreesde hij niemand want niemand was hem de baas, zodat de halfgoden zich vol vrees voor hem verborgen als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij ontdekte dat Indra en de halfgoden met zijn macht voor ogen verdwenen waren en nergens te vinden, wond de leider van de Daitya's zich op en brulde hij luid. (24) Het machtige wezen gaf zijn zoektocht op en dook wraaklustig als een olifant enkel voor de sport diep de oceaan in onder het uitstoten van dat verschrikkelijke geluid.

(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de waterdieren, de verdedigers van Varuna die zich onder water ophielden, bevangen door angst door hem te pakken te worden genomen en vluchtten toen, geïntimideerd door zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) De oceaan voor vele jaren doorkruisend, sloeg hij met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige, door de wind opgestuwde golven en bereikte zo Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Toen hij daar in de regionen der onverlichte zielen was aangekomen, boog hij, enkel om de spot te drijven, met een lach op zijn gezicht als een laaggeborene voor Varuna, de Heer en beschermer van de waterdieren en zei: 'O grote Heer, lever strijd met Mij! (28) U bent de bewaarder van dit oord, een bekend heerser. Door uw macht die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waarmee u al de Daitya's en Dânava's [de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen] in de wereld heb overwonnen, wist u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] te brengen, o meester.'

(29) Aldus goed op de hak genomen door een vijand wiens ijdelheid geen grenzen kende, werd de respectabele heer der wateren kwaad, maar zich met gezond verstand intomend gaf hij ten antwoord: 'O mijn beste, we hebben het pad der gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders dan de Alleroudste Persoon te binnen die naar uw tevredenheid in een gevecht met u afdoende vaardig zal zijn in de krijgskunst, o koning van de wereld. Benader Hem maar, Hij die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots genezen zijn en op het slagveld tenondergaan om tussen de honden te belanden. Om het kwaad uit te roeien dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, verlangt Hij het om Zijn gedaanten aan te nemen.'

 

Hoofdstuk 18: De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
 
(1) Maitreya vervolgde: 'Nadat hij de trotse woorden van de Heer der zeeën gehoord had, trok de hoogmoedige zich er weinig van aan. Hij had van Nârada gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, en begaf zich toen gehaast naar de plaats der bestraffing. (2) Aldaar zag hij hoe de glorieuze Heer die de aarde op de punten van Zijn slagtanden droeg hem in de schaduw stelde met Zijn stralende, rooddoorlopen ogen. Hij lachte luid en zei: 'O een beest van de wildernis!'  (3) Hij zei tegen de Heer: 'Kom en vecht o dwaas, laat de wereld  maar aan ons de bewoners van de lagere werelden over. De schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe. Het feit dat ik Jou hier aantref zal Je bezuren, o toppunt van goddelijkheid die de vorm van een zwijn heeft aangenomen. (4) Ben Je door onze vijanden in het leven geroepen om ons te doden? Je doodde hen die aan de wereld hechten terwijl Je Jezelf niet liet zien! Jouw inwendig zinsbegoochelend vermogen stelt niks voor. De treurnis van mijn verwanten zal ik wegwissen door Jou te doden idioot! (5) Als Jij gedood bent met je schedel verbrijzeld door de knots in mijn hand, zullen al de wijzen en godsbewusten die voor Jou hun offers brachten bevrijd raken en automatisch ophouden te bestaan zonder die wortel.'

(6) Toen Hij getroffen door het offensieve wapengekletter van de vijand zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg schrik werd aangejaagd, droeg Hij die pijn en kwam Hij uit het water als een olifant die in het gezelschap van zijn wijfjes wordt aangevallen door een krokodil. (7) Hij die gouden haren had en schrikwekkende tanden in zijn mond, jaagde Hem die uit het water kwam op zoals de krokodil dat zou doen met de olifant. Hij brulde luid als de donder: 'Is er ook maar iets waar een vervloekte arme duivel [als Jij die voor me wegvlucht] zich voor schaamt?' (8) Terwijl  de vijand toekeek plaatste Hij  [Heer Zwijn] de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde haar met de macht van Zijn eigen kracht [om boven water te blijven]. [Daarvoor werd] Hij geprezen door de Schepper van het universum en door de machthebbers behaagd met bloemen. (9) Hiranyâksha met zijn weelde aan gouden sieraden, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting kwam achter Hem aan en krenkte Hem onophoudelijk in het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwaaie scheldpartijen. Maar Hij lachte erover en sprak tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'Wij [everzwijnen] zijn inderdaad schepselen van de jungle, want ik zie er naar uit om honden als jij o kwaadaardige, af te maken. [En wat betreft je beledigingen: Wij] helden die vrij zijn van de gebondenheid aan de dood slaan geen acht op de loze praat van iemand die gebonden is [aan deze of gene cultuur]. (11) Wij [die zaken opwroeten] zijn dieven van de voorraden van de bewoners der lagere werelden en schamen ons er niet voor. Ondanks dat We door uw knots worden belaagd zullen We er op een of andere manier in slagen in de strijd stand te houden. Waar moet men heen als men zo'n machtige tegenstander heeft uitgedaagd? (12) [Jij] als de aanvoerder van de leiders van de voetsoldaten moet stappen ondernemen om Ons onverwijld te verslaan, zonder verder na te denken. En als je Ons gedood hebt wis je daarmee de tranen weg van je naaste verwanten. Is het niet zo dat hij die niet nakomt wat hij beloofd heeft geen plaats verdiend in een vergadering?'

(13) Maitreya zei: 'De aanvaller die aldus beledigd en belachelijk gemaakt werd door de Allerhoogste der Toewijding raakte danig aangeslagen en nijdig als een uitgedaagde cobra. (14) Briesend van woede en in al zijn zinnen geroerd door de wraaklust viel de Daitya Hem snel aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter deed een stap opzij en ontweek de klap van de knots die de vijand lanceerde, als een volleerde yogi die aan de dood ontsnapt. (16) Nadat hij zijn knots weer had opgepakt zwaaide hij er mee heen en weer en beet hij in het vuur van zijn woede op zijn lip om zich wederom op de Heer te storten. (17) Maar o zachtgeaarde [Vidura], Hij als een expert met de knots redde Zichzelf met Zijn wapen door er de vijand een slag mee toe te brengen op zijn rechter wenkbrauw. (18) Op deze manier waren Hiranyâksha en de Heer, die beiden op de overwinning uit waren, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) De twee vechtenden met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken het gutsende bloed, hetgeen hun inzet verhoogde om verscheidene manoeuvres uit te voeren in hun poging het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar om een koe betwisten.

(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene, wilde getuige zijn van wat zich voor het heil van de wereld afspeelde en kwam begeleid door de wijzen af op de Daitya Hiranyâksha en de Superziel aller offers die Zijn vermogen had aangewend om de gedaante van een everzwijn aan te nemen. (21) Toen hij zag welke macht  de Daitya Hiranyâksha had verworven en hoe hij, zonder angst, op een niet te weerstane wijze de oppositie had gekozen, richtte de achtenswaardige Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o God, is voor de goden, de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen die Uw voeten verwierven, een kwaadwillige, een bron van angst die onheil sticht op basis van een gunst die ik hem verleende. Hij rondwarend tot overlast van iedereen heeft als een duivel het gehele universum afgezocht bij gebrek aan een geschikte tegenstander. (24) Speel geen onschuldig spel met hem o God, hij gaat tewerk als een slang vol trucs en is arrogant, verwaten en hoogst doortrapt. (25) O Onfeilbare, wendt Uw mystiek vermogen aan en doodt de zondaar alstUblieft ter plekke voordat hij op een gegeven moment de kans grijpt zijn formidable macht verder uit te bouwen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel der Zielen, alstUblieft, breng de godsbewusten de overwinning. (27) Dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhûrta, ongeveer 's middags] is nu bijna voorbij. Maak terwille van het welzijn van ons, Uw vrienden, snel een eind aan deze formidabele vijand. (28) De dood van dit heerschap die gelukkig uit eigen beweging hierheen kwam, is door U voorbeschikt. Toon hem in het duel Uw macht, doodt hem en herstel de vrede der werelden.'

 


Hoofdstuk 19: Het doden van de demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde. (2) Toen, opspringend, bracht de Heer die uit het neusgat was verschenen met Zijn strijdknots de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, zijwaarts op zijn kin een slag toe. (3) Maar die klap stopte Hiranyâksha zodanig met zijn knots, dat de Heer Zijn knots wonderbaarlijk genoeg uit Zijn handen glipte en met een verrassende gloed naar beneden wervelde. (4) Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op. (5) Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald met verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft ter dood.'

(7) Toen de Daitya Hem die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen. (8) Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Hoewel die knots o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer der offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. Op dat ogenblik deed de aldus uitgedaagde Hiranyâksha luid brullend opnieuw een uitval. (11) De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem net zo makkelijk op als Garuda een slang beetgrijpt. (12) Met zijn bravoure aldus gefrustreerd was de grote demon gekrenkt in zijn trots en had hij er vernederd geen zin meer in de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verwoed op de Varâhagedaante van de Heer der Offers af, zoals iemand met kwaad in de zin tegen een brahmaan in zou gaan. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helderder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren om de brede met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard met zijn vuist te treffen. Daarna verdween de demon uit het gezicht. (16) Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen nu belaagd werd door een serie trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof duisternis terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter der drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27] die een einde aan dat alles wilde maken het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok plotseling een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (24) Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer en omhelsde hij Hem vol razernij  om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [Hij voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond, puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie kon er nu zo zijn eindbestemming vinden? (28) Hij op wie de yogi's in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met een van Zijn poten de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families, waarna ze weer naar hun posities zullen terugkeren.'

(30) De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter Aller Offers die terwille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zoveel onheil stichtte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'

(31) S' Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie, onder de lofprijzingen van hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, terug naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert. (32) Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] de vertelling vernam over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het opperste geluk o brahmaan [S'aunaka]. (34) Als men zich al verheugt over het aanhoren van de verhalen van deugdzame zielen van naam en faam, welk een vreugde ontleent men dan wel niet aan het luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst? (35) Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden, werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4]. (36) Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die geen echte zoekers zijn? (37) Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (38) Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."


Hoofdstuk 20: De Wezens Geschapen door Brahmâ

(1) S'aunaka zei: "Wat was het, nadat de aarde in haar positie was teruggeplaatst [door Heer Varâha] o zoon van Romaharshana [Sûta], dat Svâyambhuva Manu [zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2] deed om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote, zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, verliet zijn oudere broer [Dhritarâshthra] omdat hij en zijn honderd zoons tegen Krishna ingingen. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht minder dan hij, nam hij met heel zijn hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid toen hij de heilige plaatsen bezocht aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij had ontmoet te Kus'âvarta [Hardwar] waar hij toen verbleef? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, resulteerde dat in de onberispelijke vertellingen die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men zijn toevlucht neemt tot de Heer Zijn lotusvoeten. (6) Moge al het goede uw deel zijn! Vertel ons de verhalen over Zijn onzelfzuchtige handelingen die het bezingen zo waard zijn.  Welke toegewijde die waardering heeft voor de emotionele relaties [rasa's] die men met Hem heeft zou ooit genoeg hebben van het zich laven aan de nectar van de Heer Zijn spel en vermaak?"

(7) Aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranyawoud, zei Sûta die zijn denken aan de Heer had gewijd hen toen: "Luister enkel hiernaar."

(8) Sûta zei: "Vidura die had gehoord hoe de Heer het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze achteloos Hiranyâksha had gedood, was vol van vreugde en richtte zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's had voortgebracht die de mensheid tot stand brachten. (10) Hoe leefden de geleerden onder leiding van Marîci de brahmaanse orde van Svâyambhuva Manu na en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'

(12) Maitreya zei: 'Door Mahâ-Vishnu, door de eeuwig werkende macht van de goddelijke voorzienigheid, raakte het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen van de Fortuinlijke werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond zoals beschikt door de goddelijkheid, beginnend vanuit [het ruimtelijk krachtveld van] de ether de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats [het ego zoals gekend] in groepen van vijf [de vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten en vijf zinsorganen] met de drievoudigheid van de natuur waarin het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf de materiële samenhang van het universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de oceaan der oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van in feite nogal wat meer dan een duizendtal [hemelse] jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25]. Hij vormt de verblijfplaats voor alle geconditioneerde zielen waar de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] als eerste zijn bestaan vond. (17) Toen de Heer die in de causale wateren rust Brahmâ's hart binnenging, schiep hij het universum zoals hij dat voorheen had gedaan.

(18) Allereerst schiep hij vanuit zijn schaduw de vijf soorten onwetendheid genaamd tâmisra [vergetelheid], andha-tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zich niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâ-moha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af dat toen in de vorm van de nacht, die de bron vormt van honger en dorst, in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen]. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem te verslinden en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) Dat stoorde de godheid die hen toen zei: 'Eet me niet op, maar hou me in leven, want jullie Râkshasa's en Yaksha's zijn mijn zoons!' 

(22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van achteren het leven aan de goddelozen die, verzot op seks, in hun lust te copuleren toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk moest de aanbiddelijke Heer erom lachen te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich verschrikt en geïrriteerd, om weg te komen. (25) Hij wendde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan werkelijk de mensen verlossen die te lijden hebben onder het materiële leed, alleen U kan hen die niet hun heil zoeken bij Uw voeten een halt toeroepen.'

(28) Hij die feilloos weet wat er in iedere ziel omgaat zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde, blinkende gordel om de heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt en hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik uitdagend. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid. O Vidura, kijkend naar de vlechten van haar zwarte haar waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd! Dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen, alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, vroegen ze vol van respect verzot op haar, maar met slechte gedachten in hun hoofd: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons ongelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien spelen met een bal zijn wij toeschouwers van ons verstand beroofd. (36) Rondstappend met je lotusvoeten o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand. Het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je. Je ziet er wat moe uit, maak je vlechten maar los!'

(37) De goddelozen die aldus met hun verstand beneveld de avondschemering hielden voor de verlokkende, begeerlijke vorm van een vrouw, grepen haar toen. (38) Met een veelbetekenende glimlach schiep de aanbiddelijke Heer daarop vanuit het zelfbewustzijn van Zijn eigen lieflijkheid de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) De lieftallige gedaante die feitelijk het schijnsel van het maanlicht was, gaf hij op en werd door de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu verheugd in bezit genomen. (40) Nadat Heer Brahmâ vanuit de luiheid de spoken en boze geesten had geschapen, zag hij hen naakt en met hun haar in de war voor zich en sloot hij zijn ogen. (41) Zij namen bezit van het lichaam dat de meester der schepping afwierp en dat bekend staat als het gapen. Men ziet de levende wezens ermee kwijlen in hun slaap en dat is een onreine staat die [met de erbij behorende spoken en boze geesten] de verbijstering vormt waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zich realiserend dat hij vol van energie was, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Vanuit het zich bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag, schiep de meester in zijn zelfreflectie de Kinnara's [de machtigen] en Kimpurusha's [de aapachtigen]. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze telkens omstreeks de dageraad [tijdens de brâhma-muhûrta, anderhalf uur voor zonsopkomst] samenkomen met hun echtgenotes om zijn daden te bezingen. (47) Toen hij eens zijn lichaam volledig uitstrekte terwijl hij neerlag, zag hij tot zijn grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang. Daarop gaf hij uit zijn woede toen ook dat lichaam op. (48) O Vidura, uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen. Uit hun kruipende lichamen kwamen de slangen voort waarvan men bij de nijdige cobras de kraag aan hun nek ziet.
 
(49) Toen hij [eens] het gevoel had alsof hij zijn levensdoel had bereikt, ontsproten aan zijn geest de Manu's [de oorspronkelijke vaders der mensheid] die er zijn om het welzijn van de wereld te bevorderen. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen de Prajâpati [de stamvader] verwelkomden met de volgende lofzang: (51) 'O schepper van het universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht. O, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we kunnen delen in de offerhandelingen! (52) Door boete te doen, van aanbidding te zijn en door verbondenheid in de yogadiscipline opgegaan in de fijnste verzonkenheid, bracht u, de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen die uw geliefde zoons zijn tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk u, de ongeborene, een deel van uw eigen lichaam dat diepe meditatie, de eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, de kennis en de verzaking in zich draagt.'


Hoofdstuk 21: De Conversatie tussen Manu en Kardama

(1) Vidura zei: 'O Allerhoogste, wees zo goed de zo zeer geachte dynastie van Svâyambhuva Manu te beschrijven, waarvan de seksuele gemeenschap voor al het nageslacht zorgde. (2) Priyavrata en Uttânapâda, de twee zonen van Svâyambhuva Manu, regeerden overeenkomstig de principes der religie de wereld bestaande uit de zeven continenten. (3) De dochter van die Manu genaamd Devahûti o brahmaan, was de echtgenote van de vader der mensheid waarover u sprak [zie 3.12: 27] als Kardama Muni, o zondeloze. (4) Kan u mij die er zo naar verlangt het verhaal vertellen over hoe het talrijke nageslacht van Kardama Muni, die in feite een grote mystieke yogi was begiftigd met de acht volmaaktheden [zie 3.15: 45], uit haar voortkwam? (5) En hoe brachten de bewonderenswaardige Ruci, o brahmaan, en Daksha, de zoon van Brahmâ, hun nageslacht voort nadat ze de twee andere dochters van Svâyambhuva Manu als hun echtgenotes hadden verworven?'

(6) Maitreya zei: 'Heer Brahmâ droeg de allerhoogste muni Kardama op kinderen te verwekken nadat hij zo'n tienduizend jaar boete had gedaan aan de oever van de rivier de Sarasvatî. (7) Verzonken in die verbondenheid was Kardama in zijn yoga van toegewijde dienst voor Hem, de Heer die de overgegeven zielen alles vergunt. (8) Behaagd toonde de Allerhoogste Heer met de lotusogen hem toen in Satya-yuga via het proces van het luisteren o Vidura, de absolute waarheid van Zijn bovenzinnelijk lichaam. (9) Hij zag dat dat lichaam van Hem zo stralend en zuiver was als de zon met een bloemenslinger van witte waterlelies en lotussen en een overvloed aan sluike zwart-blauwe haarlokken, een lotusgelijk gezicht en gehuld in smetteloze kleding. (10) Opgesierd met een kroon en oorsieraden dragend hield Hij, het hart betoverend met Zijn glimlachende blikken, een schelphoorn vast, een werpschijf en een strijdknots, onderwijl met een witte lelie spelend. (11) Hij zag Hem in de lucht met Zijn lotusvoeten staan op de schouders van Garuda met op Zijn borst het beroemde Kaustubha juweel dat Hij om Zijn hals had. (12) Nu het verlangen in vervulling was gegaan van hem wiens hart altijd vol van liefde was geweest, wierp hij vol van vreugde zich languit op de grond met gevouwen handen en behaagde [Hem] met gebeden.

(13) De wijze zei: 'Oh aanbiddelijke Heer, nu zijn we dan van het volkomen succes U voor ogen te hebben, het Reservoir van Alle Goedheid; het is een aanblik die [zelfs] wordt nagestreefd door yogi's die de volmaaktheid van de yoga bereikten door in vele geboorten geleidelijk op te klimmen. (14) O Heer U vervult zelfs de verlangens van hen die, vanwege Uw begoochelende energie, hun intelligentie kwijtraakten en Uw lotusvoeten -  die de boot vormen om de oceaan van het werelds bestaan over te steken -  aanbidden terwille van oppervlakkige genoegens die ook in de hel te vinden zijn. (15) Ernaar verlangend een meisje te huwen van een gelijke gezindheid die in het huwelijksleven is als een koe van overvloed, heb ook ik U met lustmotieven benaderd, U die de wortel en oorsprong bent van alles en de wensboom die alle wensen in vervulling doet gaan. (16) O oorspronkelijke vader van allen, de geconditioneerde zielen in de greep van het verlangen zijn allen gebonden aan het touw van de woorden van U als de Heer van de levende wezens. Ik, hun voorbeeld volgend breng eveneens mijn offers voor U, o licht van de eeuwige tijd. (17) Maar zij die het opgaven hun dierlijke, aardse belangen na te jagen met inbegrip van de mensen die daar bij horen, en door Uw kwaliteiten met elkaar te bespreken hun toevlucht zochten onder de paraplu van Uw lotusvoeten, zetten met die bedwelmende nectar er een punt achter een dienaar te zijn van hun fysieke lichamen. (18) Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [Brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden], driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen [als de seizoenen], en ontelbare blaadjes [momenten], verkort wel de levensduur van het universum maar niet die van de toegewijden. (19) U o Allerhoogste Heer als het Ene Zelf dat zijn gelijke niet kent, verlangt het om in Uzelf en heersend middels Uw innerlijk yogamâyâ-vermogen, de universa in het leven te roepen die U op eigen kracht schept, handhaaft en weer in U opneemt zoals een spin  dat doet. (20) Deze materiële wereld met haar grofstoffelijke en subtiele elementen die U voor ons manifesteert, is er niet enkel omdat U ons zinsgenoegens wilt verschaffen. Laat die wereld er ook zijn voor ons uiteindelijke heil [de zaligheid], telkens als we door Uw grondeloze genade de gedaante mogen zien van de Fortuinlijke prachtig met de tulsî [van de toewijding voor U]. (21) Teneinde de onthechting van het genieten van de vruchten tot stand te brengen, bracht U middels Uw energieën, de materiële werelden voort. Zonder ophouden breng ik mijn eerbetuigingen aan de aanbiddelijke lotusvoeten die alle zegen doen neerdalen op de onaanzienlijken.'

(22) De wijze [Maitreya] zei: 'Aldus oprecht geprezen beantwoordde Heer Vishnu Kardama Muni in bewoordingen zoet als nectar, terwijl Hij, stralend van genegenheid op de schouders van Garuda staande, met een glimlach toekeek vanonder Zijn expressieve wenkbrauwen. (23) De Allerhoogste Heer zei: 'Bekend met wat er in je omgaat heb ik reeds voorzien in dat waarvoor je jezelf hebt getraind met Mij als de enige om te aanbidden. (24) De exclusieve aanbidding van Mij zoals die er kan zijn door mensen als jij die hun aandacht geheel op Mij gevestigd hebben, is nimmer zonder zin en betekenis o leider der levende wezens. (25) De zoon van de vader der mensen [Brahmâ], de keizer Svâyambhuva Manu, wiens rechtschapen handelingen alom bekend zijn, leeft in Brahmâvarta [de wereld als deel van Brahmâ's lotus] waar hij heerst over de zeven zeeën en de aarde. (26) Hij, de heilige koning, o geleerde, zal overmorgen hier naar toe komen met zijn koningin omdat hij u als expert in religieuze zaken wil ontmoeten. (27) Hij heeft een volwassen dochter met zwarte ogen en een karakter vol van goede kwaliteiten en is op zoek naar een echtgenoot. Hij zal u haar hand schenken o meester, daar u een geschikte kandidaat bent. (28) Zij is degene naar wie uw hart al deze jaren heeft uitgezien, zij is uw prinses o brahmaan en zal u spoedig van dienst zijn naar uw zin. (29) Zij zal, van het zaad dat door u in haar wordt gezaaid, negen dochters ter wereld brengen en uit die dochters zullen de wijzen al hun kinderen verwekken. (30) Als u naar behoren Mijn instructies hebt nageleefd en volledig gezuiverd bent naar Mij toe in de verzaking van de vruchten van het handelen, zal u Mij uiteindelijk bereiken. (31) En als u mededogen hebt getoond en alle zielen zekerheid hebt verschaft, zal u zelfverwerkelijkt zijn en uzelf en het universum zien als zich bevindend in Mij en Mij als aanwezig in uzelf. (32) Via uw zaad zal ik [persoonlijk verschijnen] als Mijn eigen volkomen expansie o grote wijze en uw vrouw Devahûti onderrichten in de leer van de uiteindelijke werkelijkheid.'

(33) Maitreya zei: 'Nadat Hij aldus tot hem had gesproken vertrok de Allerhoogste Heer die rechtstreeks door de zinnen kon worden waargenomen, van het Bindu-sarovar-meer waar doorheen de rivier de Sarasvatî stroomt. (34) Terwijl Hij recht voor zijn ogen vertrok [naar de geestelijke wereld] via het pad der perfectie dat wordt geprezen door alle bevrijde zielen, hoorde de wijze in de vleugelslag van de drager van de Heer [Garuda] de hymnen weerklinken die de Sâma Veda vormen. (35) Toen, na Zijn vertrek, bleef Kardama, de grote en machtige wijze, achter op de oever van het Bindu-meer, in afwachting van wat komen zou.

(36) Svâyambhuva Manu klom samen met zijn vrouw in een met goud beslagen strijdwagen, plaatste zijn dochter erop en reisde rond door de hele wereld. (37) O grote boogschutter, zoals voorspeld door de Heer, bereikte hij de hermitage van de wijze precies op de dag dat hij klaar was met zijn geloften van verzaking. (38-39) Het heilige, heilzame water van de Sarasvatî dat door het meer stroomde, was de nectar die door reeksen van grote heiligen werd bezocht. Het was waarlijk een meer van tranen, zoals het werd genoemd naar aanleiding van de tranen die neervielen uit de ogen van de Heer toen Hij overweldigd was door Zijn enorme mededogen voor deze overgegeven ziel. (40) De plaats was heilig met groepjes bomen en struiken met de aangename schreeuwen van goedaardige dieren en vogels. Omlijst door de schoonheid van het geboomte, was het rijk aan vruchten en bloemen gedurende alle seizoenen. (41) Het bruiste er van het leven met allerlei kolonies vogels, doldwaze bijen die als gekken rondzoemden, trots dansende pauwen en vrolijke koekoeken die elkaar toeriepen. (42-43) Het meer werd opgeluisterd door kadamba-, campaka-, a'soka-, karañja- en bakulabloemen en âsana, kunda, mandâra, kuthajabomen en jonge mangobomen en men hoorde er de aangename geluiden van kârandava eenden, plava's, zwanen, visarenden, waterhoenen, kraanvogels, cakravâka- en cakoravogels. (44) Ook waren er massa's reeën, wilde zwijnen, stekelvarkens, gavaya's [wilde koeien], olifanten, bavianen, leeuwen, apen, stokstaartjes en muskusherten.

(45-47) Toen de eerste monarch met zijn dochter die uitgelezen plek betrad zag hij de wijze voor zijn hut zitten, offers brengend in het vuur. Zijn lichaam straalde schitterend door zijn lang volgehouden, verschrikkelijke yogaboete en was niet erg uitgemergeld, want de Heer had Zijn liefdevolle, zijdelingse blik op Hem geworpen en hem doen luisteren naar Zijn maangelijke ambrozijnen woorden. Hij was lang met ogen als de bloembladen van een lotus, had samengeklitte haarlokken en gescheurde kleding. Hem benaderend maakte hij een vervuilde indruk als was hij een ongepolijste edelsteen. (48) De monarch die zijn stulpje had benaderd boog voor hem, waarop de wijze hem eervol ontving en hem verwelkomde zoals dat voor een koning gepast is. (49) Na zijn eerbetoon in ontvangst te hebben genomen, bleef hij stil neerzitten en was hij verrukt te horen wat de wijze, indachtig wat de Heer hem had opgedragen, toen op aangename wijze zei:

(50) 'Ik ben er zeker van o goddelijke persoonlijkheid, dat uw rondgang er is om de deugdzamen te beschermen en hen die van het onware zijn te dwarsbomen, aangezien u de persoon bent die de Heer Zijn beschermend vermogen vertegenwoordigt. (51) Naar gelang de noodzaak neemt u de verschillende gedaanten aan van de zon, de maan, het vuur [Agni], de Heer van de hemel [Indra], de wind [Vâyu], de bestraffing [Yama], de religie [Dharma] en van de wateren [Varuna]. Ik bied Hem, de Heer Vishnu die U is, mijn eerbetuigingen. (52-54) Als u de strijdwagen der overwinning overdekt met massa's edelstenen niet had beklommen en uw boog niet zo schrikwekkend had laten zoeven en al de schurken angst had aangejaagd met uw aanwezigheid, als onder uw leiding een leger van marcherende soldaten te voet niet de aarde had doen schudden met het bestrijken van de aardbol als de schitterende zon, dan zouden zeker alle gedragsregels en verplichtingen van de roepingen [varna] en leeftijdsgroepen [âs'rama] zoals die door de Heer zijn ingesteld o Koning, op betreurenswaardige wijze zijn gebroken door de boeven. (55) Als u zou rusten, dan zou het onrecht zegevieren met het ontbreken van de greep op mensen die eenvoudigweg op het geld uit zijn. Deze wereld zou dan door de onverlaten in bezit worden genomen en tenondergaan [zie ook B.G. 3: 23]. (56) Niettemin vraag ik u, o heldhaftige, wat de reden is van uw bezoek, want dat zullen we zonder te aarzelen met hart en ziel ten uitvoer brengen.'



Hoofdstuk 22: Het huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de wijze op deze manier het grootse van de deugden en handelingen van keizer Manu had beschreven viel hij stil. De keizer die er enigszins door in verlegenheid was gebracht richtte zich toen tot hem. (2) Manu zei: 'Jullie [brahmanen] zijn in jullie verbonden zijn in boete, kennis en yoga en afgekeerd zijn van zinsbevrediging door de Schepper uit Zijn mond geschapen met de bedoeling Hem hoog te houden met lofzangen [Vedische hymnen]. (3) En wij werden door de Vader met de Duizend Voeten [de Heer van de Universele Gedaante] geschapen uit Zijn duizend armen om hen weer te beschermen. Zo worden de brahmanen Zijn hart en de kshatriya's [de bestuurders] Zijn armen genoemd. (4) Omdat de godheid, Hij de Onvergankelijke die zowel oorzaak als gevolg is, hen beiden hooghoudt, komen de brahmanen en de kshatriya's op voor elkaar zowel als voor [het belang van] de ziel. (5) Door enkel maar te zien hoe u o allerhoogste, persoonlijk zo liefdevol uitlegde wat de plicht van een koning is jegens zijn onderdanen, zijn al mijn twijfels opgelost. (6) Tot mijn grote geluk o machtige, kon ik u treffen die niet makkelijk te zien bent voor hen die zich niet overeenkomstig de ziel gedragen. Ik was er gelukkig toe in staat om met mijn hoofd het stof van uw voeten te beroeren die alle zegen brengen. (7) Ik ben zo gelukkig dat mij de grote gunst ten deel is gevallen door u geïnstrueerd te worden. O wat een geluk is het om met gespitste oren te hebben mogen luisteren naar uw zuivere woorden! (8) O wijze, hooggeëerde, wees nu zelf verheugd te luisteren naar de bede van deze bescheiden persoon wiens geest vol zorgen is uit liefde voor zijn dochter. (9) Deze dochter van mij, de zuster van Priyavrata en Uttânapâda, is op zoek naar een echtgenoot die geschikt is qua leeftijd, karakter en goede kwaliteiten. (10) Vanaf het moment dat ze van Nârada Muni vernam over uw nobele karakter, geleerdheid, verschijning, jeugd en deugd, zette ze haar zinnen op u. (11) Aanvaard haar derhalve alstublieft o beste der tweemaal geborenen, ik biedt u haar aan in de overtuiging dat ze in alle opzichten geschikt is voor uw huishoudelijke taken. (12) Om iets waarnaar men verlangde en dat uit zichzelf kwam af te slaan is niet aan te raden, zelfs niet voor iemand die vrij is van gehechtheid aan zingenot, om nog maar te zwijgen van iemand die eraan verslaafd is. (13) Hij die wat hem [genereus] wordt aangeboden afwijst en dat zoekt bij een gierig iemand, gooit zijn eer te grabbel en zal zijn goede naam en faam geschaad zien. (14) O wijze man, ik hoorde dat u van plan was om te trouwen en derhalve niet de eed van onafgebroken celibaat hebt afgelegd. Aanvaardt dan alstublieft mijn aanbod [*].'

(15) De rishi gaf ten antwoord: 'Ja, ik wil graag trouwen en uw dochter heeft zichzelf aan niemand anders beloofd. Op basis hiervan zal een huwelijk van ons volgens de regels gepast zijn. (16) Laat dat verlangen van uw dochter dat wordt ondersteund door het schriftuurlijk gezag in vervulling gaan o Koning. Wie zou uw dochter nu niet aanbidden? De luister van haar lichaam alleen al overtreft de schoonheid van haar sieraden! (17) [Maar...] was het niet Vis'vâvasu [een Gandharva, een hemelbewoner], die, toen hij haar met haar tinkelende enkelbelletjes en een enthousiaste blik op het dak van het paleis zag spelen met een bal, verdwaasd uit zijn verheven positie [zijn 'hemelwagen'] ten val kwam met een ontregelde geest? (18) Welke man van wijsheid zou niet haar, dat sieraad van de vrouwelijkheid, verwelkomen die op eigen gelegenheid kwam [om mijn hand te vragen] als de geliefde dochter van Manu en zuster van Uttânapâda, zij die niet wordt gevonden door hen die de voeten van de godin van het fortuin gemist hebben? (19) Dit is daarom mijn voorwaarde: Ik zal het kuise meisje aanvaarden zo lang als ze zwanger is van het zaad van mijn lichaam. Daarna ben ik van zins vrij van afgunst de verplichtingen van dienstverlening op me te nemen die worden nageleefd door de besten der volmaakten [de paramahamsa's] zoals de Heer ze beschreef [in 3.21: 31]. (20) Het hoogste gezag voor mij is de Allerhoogste Onbegrensde, de Heer van de vaders der mensheid [de Prajâpati's] uit wie deze wonderbaarlijke schepping voortkwam, Hem in wie zij [die schepping] weer zal opgaan en bij wiens genade zij op dit moment bestaat.'

(21) Maitreya zei: 'Hij, o grote strijder, zei niet meer dan dat en werd stil met zijn gedachten gericht op Vishnu's lotusnavel. Met een mooie glimlach op zijn gelaat wist hij toen de aandacht van Devahûti te vangen. (22) Nadat Manu zich overtuigd had van het besluit genomen door de koningin moeder [S'atarûpâ] en hij ook had nagegaan hoe zijn dochter erover dacht, schonk hij buitengewoon verheugd haar weg die met evenzovele goede kwaliteiten goed aan hem [Kardama] gewaagd was. (23) S'atarûpâ, de keizerin, gaf de bruid en bruidegom liefdevol als bruidsschat waardevolle geschenken als sieraden, kleding en huishoudelijke artikelen mee. (24) De keizer bevrijd van zijn verantwoordelijkheid zijn dochter aan een geschikte persoon weg te schenken sloot haar toen in zijn armen met een overbezorgde, gekwelde geest. (25) Niet in staat afscheid van haar te nemen bleef hij maar tranen plengen en doordrenkte hij met het water van zijn ogen het haar van zijn dochter uitroepend: 'O lieve moeder, mijn liefste dochter!'

(26-27) Na toestemming gevraagd en gekregen te hebben om hem, de beste der wijzen, te verlaten, beklom de keizer met zijn echtgenote zijn strijdwagen en vertrok hij samen met zijn gevolg naar zijn hoofdstad. Onderweg genoot hij van het rustgevende uitzicht op de hermitages van de kluizenaars op allebei de bekoorlijke oevers van de rivier de Sarasvatî. (28) Op de hoogte van wie er arriveerde kwamen de bewoners van Brahmâvarta hun heer ter begroeting dolblij tegemoet met gezang, lofprijzingen en instrumentale muziek. (29-30) De stad, welke alle soorten van weelde kende, droeg de naam Barhishmatî, naar de haren van het schuddende lichaam van Heer Zwijn die daar waren neergevallen en veranderd in het eeuwig groene kus'a- en kâs'a-gras [grassen gebruikt voor zitplaatsen en matten] waarmee de wijzen de verstoorders der offers aan de door hen aanbeden Vishnu versloegen. (31) Door dat kus'a- en kâs'a-gras uit te spreiden, creëerde de hoogst fortuinlijke Manu een zitplaats in aanbidding van de Heer der Offers [Vishnu] dankzij wie hij zijn positie op aarde had verkregen. (32) De stad Barhishmatî betredend waar hij tot dan toe had geleefd, ging de machtige zijn paleis, dat de drievoudige misère [van lichaam, geest en uiterlijke natuur] versloeg, binnen. (33) Tezamen met zijn echtgenote en onderdanen genoot hij, niet gestoord door anderen, van de geneugten des levens en werd hij geprezen vanwege zijn reputatie van zedelijkheid, daar het hem in zijn hart zeer aantrok met zijn vrouwen iedere ochtend te luisteren naar de hemelse muzikanten en de verhalen over de Heer. (34) Hoewel in beslag genomen door de begoochelende eenheid der materie, was Svâyambhuva Manu als een heilige. Als sublieme toegewijde van de Heer konden zijn materiële genoegens hem niet op het verkeerde pad brengen. (35) Hij bracht zijn uren niet zinledig door. Tot aan het einde van zijn dagen bracht hij zijn leven door met het luisteren naar en zich bezinnen op en het vastleggen en bespreken van de onderwerpen van Heer Vishnu. (36) Zodoende de drie levensbestemmingen [overeenkomstig de drie geaardheden, zie B.G. hfdstk 18] overstijgend in zijn verbondenheid met de onderwerpen van Vâsudeva, duurde zijn tijdperk daardoor eenenzeventig mahâyuga's lang. (37) Hoe kan de misère met betrekking tot het lichaam en de geest, de natuurkrachten en andere mensen en levende wezens o Vidura, ooit iemand die leeft onder de hoede van de Heer, tot last zijn? (38) Hij [Manu], die altijd uit was op het welzijn van alle levende wezens, bracht, op verzoek van de wijzen, de vele soorten van plichten van de statusoriëntaties [de varna's en âs'rama's, de roepingen en leeftijdsgroepen] onder woorden, die goed zijn voor de menselijke samenleving. (39) Dit is wat ik u kon vertellen over het wonderbaarlijke karakter van Manu, de eerste keizer die alle lof verdient. Luister nu alstublieft naar hoe zijn dochter [Devahûti] zich ontwikkelde.'

 

*: Naishthhika-brahmacârî's leggen een eed af op een levenslang celibaat, upakurvâna-brahmacârî's doen dat slechts tot aan een zekere leeftijd.


Hoofdstuk 23: Devahûti's klacht

(1) Maitreya zei: 'Na het vertrek van de ouders diende de kuise vrouw die begrip had voor de verlangens van haar echtgenoot, haar man steeds met een liefde zo groot als die van Pârvatî voor S'iva, haar Heer. (2) Intiem, met een zuivere ziel, een groot respect en zinsbeheersing was ze van dienst met liefde en lieve woorden o Vidura. (3) Afziend van lust, trots, afgunst, hebzucht, zondige handelingen en ijdelheid behaagde ze haar machtige echtgenoot altijd vlijtig en met gezond verstand. (4-5) Hij, voorzeker de meest vooraanstaande van alle rishi's van God, de man van wie zij, de dochter van Manu volledig toegewijd een grotere zegen verwachtte dan van de voorzienigheid, zag dat ze zwakker werd en uitgemergeld raakte van de lang volgehouden religieuze inachtnemingen en met een van liefde stokkende stem sprak hij tot haar, overmand door mededogen. (6) Kardama zei: 'Op het ogenblik ben ik tevreden over jou o respectvolle dochter van Manu, vanwege je zeer uitnemende, allerhoogste dienstbaarheid en toewijding. Dat lichaam van je dat deze belichaming zo uitzonderlijk dierbaar is, verzorg je echter niet naar behoren; je put het uit in mijn dienst. (7) De zegeningen van de Heer die ikzelf realiseerde in mijn religieuze leven van volledig zijn opgegaan in versoberingen, meditatie en het verankeren van mijn geest in het weten, kunnen net zo goed door jou worden verworven in je toegewijde dienst aan mij. Bezie ze met behulp van de bovenzinnelijke blik die vrij is van angst en weeklagen en die ik je nu verleen. (8) Welke materiële verworvenheden zijn nu te vergelijken met deze genade van Heer Fortuin? Dat soort geneugten vinden hun vernietiging in één enkele beweging van de wenkbrauw van de Heer der Grote Stappen. Dankzij jouw gewetensvolle dienstverlening kan je nu het succes genieten van de bovenzinnelijke gaven die voor mensen die trots zijn op hun goede afkomst zo lastig te verwerven zijn.' (9) Nadat hij op deze manier had gesproken vond de vrouw die hoorde hoezeer hij uitblonk in de speciale kennis van de yoga voldoening en sprak ze met een stralend, glimlachend gezicht met een ietwat verlegen blik tot hem met een stem verstikt van nederigheid en liefde.

(10) Devahûti zei: 'O beste der brahmanen, o machtige echtgenoot, ik weet van het meesterschap van je onfeilbaarheid in de macht der yoga. Laat dan nu de belofte die je deed in vervulling gaan dat als we ons eenmaal lichamelijk verenigd hebben we dan de meerdere glorie van nageslacht mogen genieten die voor een kuise vrouw van zulk een grote waarde is. (11) Doe terwille hiervan dat wat overeenkomstig de geschriften moet worden gedaan en waarmee dit door een onvervulde passie en emoties geteisterde, uitgeteerde, arme lichaam voor je geschikt kan worden gemaakt. En o Heer, denk alsjeblieft ook aan een geschikte woning.'

(12) Maitreya zei: 'Erop uit zijn geliefde te behagen zette Kardama zijn yogavermogen in en bracht hij terstond een hoog oprijzend paleis voort naar zijn idee van wat gewenst was, o Vidura. (13) Het beantwoordde aan alle verlangens en was wonderschoon overdekt met allerlei juwelen, had alle soorten van luxe die mettertijd toenam en zuilen gehouwen uit het meest kostbare gesteente. (14-15) Het was uitgerust met een hemel aan gebruiksartikelen en was behaaglijk in alle jaargetijden, was versierd met wimpels en vlaggen en draperieën van uiteenlopende kleuren en stoffen, bekoorlijke zoete bloemen zoemend van de bijen, fijne linnen en zijden stoffen en was behangen met verschillende wandkleden. (16) In verdiepingen boven elkaar waren er afzonderlijke voorzieningen met bedden, comfortabele ligbanken en gekoelde zitplaatsen. (17) Hier en daar was verschillend kunstzinnig beeldhouwwerk tentoongesteld met de buitengewone schoonheid van een vloer met smaragden, toegerust met verhogingen van koraal. (18) De toegangen hadden drempels van koraal en deuren prachtig overdekt met diamanten. De koepels van saffier waren gekroond met gouden torentjes. (19) Op de diamanten muren was er een keur aan robijnen die ze ogen leken te geven. Er was voorzien in verschillende baldakijnen en hoogst kostbare poorten van goud. (20) De vele kunstig gemaakte zwanen en groepen duiven her en der deden de echte die dachten dat ze hun eigen soort zagen, herhaaldelijk overvliegen onder het weerklinken van hun geluiden. (21) De lusttuinen, zitkamers, slaapkamers, binnen- en buitenplaatsen ontworpen voor het comfort deden de wijze zelf versteld staan.

(22) Kardama, die ieders hart kon doorvorsen, zag dat Devahûti er niet zo mee was ingenomen een dergelijke woning voor zich te zien en richtte zich toen persoonlijk tot haar. (23) 'Neem alsjeblieft voordat je dit hoog oprijzend paleis bestijgt o jij die het angstig te moede is, een bad in het heilige meer geschapen door Heer Vishnu [Bindu-sarovara] dat ieder verlangen van de mens in vervulling doet gaan.' (24) Zij, de lotusogige met haar samengeklitte haar en vuile kleren, gaf toen gehoor aan de woorden van haar echtgenoot. (25) Met haar lichaam en borsten groezelig en overdekt door vuil, ging ze toen het meer in dat de heilige wateren van de Sarasvatîrivier bevatte. (26) In het meer zag ze een huis voor zich met een duizendtal meisjes zo geurig als lotussen in de bloei van hun jeugd. (27) Toen ze haar zagen stonden al de maagden meteen voor haar op en zeiden ze met gevouwen handen: 'We zijn uw dienstmaagden, alstublieft zeg ons wat we voor u kunnen doen.' (28) Na haar te hebben gebaad met de kostbaarste oliën, gaven de eerbiedige meisjes de deugdzame echtgenote fijne, nieuwe, smetteloze kleren. (29) Ze gaven haar ook waardevolle sieraden en zeer uitgelezen spijzen en  zoete bedwelmende dranken die al de goede kwaliteiten in zich droegen. (30)  Toen bekeek ze in een spiegel haar lichaam dat, gezuiverd van alle vuil en in schone kleren gestoken, door de uiterst eerbiedige dienstmaagden was opgesierd met een bloemenslinger en versierd met gelukbrengende tekens. (31) Ze was van top tot teen gewassen en opgesierd met een gouden halsketting met een hanger en armbanden en tinkelende enkelbelletjes gemaakt van goud. (32) Om haar heupen droeg ze een gordel gemaakt van goud ingelegd met talloze edelstenen en ook was ze gesierd met een kostbare parelketting en gelukbrengende substanties [zoals saffraan, kunkuma - hetgeen geparfumeerd rood poeder voor de borsten is -, mosterdzaadolie en sandelhoutpulp]. (33) Met haar prachtige tanden, charmante wenkbrauwen, lieflijke, vochtige ogen die de schoonheid van lotusknoppen overtrof en haar blauwzwarte, gekrulde haar straalde ze van alle kanten. (34) Toen ze aan haar dierbare echtgenoot dacht, de meest vooraanstaande onder de wijzen, trof ze zichzelf [plots] tezamen met haar dienstmaagden daar aan waar hij, de stamvader, de Prajâpati, was. (35) Die plotselinge terugkeer in de aanwezigheid van haar man met de duizend dienstmaagden eromheen deed haar versteld staan over zijn yogavermogen.

(36-37) De wijze, die haar schoongewassen zag, hem tegemoet stralend met een ziel van een schoonheid zonder weerga, omgord en met bekoorlijke borsten, bediend door duizend hemelse meisjes en uitstekend gekleed, genoot van de aanblik en leidde haar omhoog naar die verheven plaats, o vernietiger van de vijand. (38) Ook al was hij gehecht aan zijn geliefde die werd verzorgd door de hemelse meisjes, verloor hij niets van zijn glans. Samen met haar in zijn paleis straalde zijn persoon zo charmant als de maan in de hemel omringd door de sterren die reeksen van lelies doet opengaan in de nacht. (39) In dat paleis, dat hemelse voertuig [een vimâna], reikte hij tot de lusthoven van de goden in de hemel en de dalen van Indra de koning der bergen, die zo prachtig zijn met het vallende water van de Ganges en de koele briesjes die de hartstocht opwekken. Hij die net als de schatbewaarder Kuvera was omringd door maagden, genoot aldus voor een lange tijd van zijn leven terwijl zij die van de perfectie zijn, de Siddha's, het gunstige geluid lieten weerklinken van hun lofuitingen. (40) Bemind door zijn vrouw genoot hij van de tuinen van Vais'rambhaka, Surasana, Nandana, Pushpabhadraka, Caitrarathya en het Mânasa-sarovarameer. (41) Met dat luisterrijke en grootse paleis dat aan iedere wens beantwoordde, bewoog hij net als de lucht die tot overal reikt door alle werelden en overtrof hij daarmee al de hemelse paleizen, de hemelwagens, van de grootste goden. (42) Wat zou er nu te moeilijk te bereiken zijn voor hen die vastberaden zijn, voor hen die hun toevlucht genomen hebben tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid die alle gevaar overwint?

(43) Na zijn vrouw het gehele universum te hebben getoond met alles wat erbij hoort aan vele wonderen, keerde de grote yogi terug naar zijn hermitage. (44) Teneinde zijn vrouw, de dochter van Manu, seksueel te behagen verdeelde hij zich in negen gedaanten en genoot van de vele jaren met haar als in een ogenblik. (45) In het paleis liggend op een bed dat uitstekend geschikt was voor de liefde, had zij geen notie van het verstrijken van de tijd in het gezelschap van haar zeer knappe echtgenoot. (46) Aldus verstreken voor het genietende paar dat opging in hun lusten dankzij de macht van de yoga een honderdtal herfsten als betrof het een korte spanne tijds. (47) De machtige Kardama als kenner van de ziel wist van ieders verlangen. Hij beminde haar als zijn wederhelft en loosde met zijn lichaam dat hij in negenen had verdeeld zijn zaad in haar. (48) Spoedig daarna schonk Devahûti het leven aan [negen] meisjes die allen in al hun leden even bekoorlijk waren als een geurige rode lotus. (49) Toen ze zag dat haar echtgenoot op het punt stond van huis te vertrekken, hield ze zich goed met een glimlach maar was ze innerlijk ontdaan met een hart vol leed. (50) Haar tranen bedwingend schraapte ze met de stralende, juwelen nagels van haar voet over de vloer en hield ze haar hoofd naar beneden gebogen terwijl ze zich langzaam uitdrukte in bekoorlijke woorden.

(51) Devahûti zei: 'Alles wat u me beloofd hebt mijn Heer is in vervulling gegaan, maar u moet een overgegeven ziel als ik ook vrijwaren van angst. (52) Mijn beste brahmaan, het is aan je dochters om een geschikte echtgenoot te vinden. Maar wie is er om mij te troosten als je naar het woud bent vertrokken? (53) Zonder acht te slaan op de kennis van de Allerhoogste Ziel hebben we zoveel tijd verdaan mijn meester, toen we ons uitputten in het behagen van onze zintuigen. (54) Bekoord door het bevredigen van onze zinnen ging mijn liefde voor jou niet samen met het erkennen van je bovenzinnelijk bestaan. Moge die liefde me niettemin bevrijden van alle vrees. (55) Omgang met hen die druk bezig zijn hun zinnen te behagen is de oorzaak van de kringloop van geboorte en dood, terwijl dat soort van onwetend handelen in omgang met een heilige persoon tot bevrijding leidt. (56) Als men zijn werk alhier niet verricht terwille van een hoger, meer rechtschapen leven, als iemands rechtschapen leven niet leidt tot onthechting en als iemands onthechting niet leidt tot toegewijde dienst op de plaats waar de Lotusvoeten worden aanbeden, is men een zombie, iemand die dood is bij het leven. (57) Het lijdt geen twijfel dat ik [degene ben die] geheel misleid was door het uitwendig materieel vermogen van de Heer, want ondanks dat ik jou schenker van de bevrijding verwierf, heb ik er niet naar uitgezien bevrijd te raken uit de materiële gebondenheid.'


Hoofdstuk 24: De Verzaking van Kardama Muni

(1) Maitreya zei: 'De genadige wijze die aldus vanuit zijn verzaking sprak tot de prijzenswaardige dochter van Manu, antwoordde wat hij zich herinnerde dat Heer Vishnu gezegd had. (2) De wijze zei: 'Maak jezelf niet zulke verwijten prinses! O onberispelijke dame, de onfeilbare Opperheer zal zeer spoedig in je schoot verschijnen. (3) Moge God je zegenen voor het afleggen van de heilige geloften van de zinsbeteugeling, religieuze inachtneming, versoberingen en het schenken van geld in liefdadigheid, waarmee je met een vast geloof de Opperheer aanbidt. (4) Door jou aanbeden zal Hij mijn roem verbreiden. Hij als je zoon zal met het onderrichten van de kennis van Brahman [de Absolute Waarheid] de knoop in je hart doorsnijden.'

(5) Maitreya zei: 'Devahûti in haar grote respect voor de leiding die deze vader der mensheid gaf, stelde volledig vertrouwen in hem en aanbad aldus de meest aanbiddelijke persoon, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God die aanwezig is in ieders hart. (6) Na vele, vele jaren ging de Opperheer, de doder van Madhu, het zaad van Kardama binnen en verscheen Hij zoals vuur dat doet in brandhout. (7) Er weerklonken toen muziekinstrumenten vanuit de regenwolken in de hemel, de Gandharva's bezongen Hem en de Apsara's dansten in vreugdevolle extase. (8) De goden die zich door de hemel bewegen strooiden prachtige bloemen uit en alle windstreken, alle wateren en alle geesten werden gelukkig. (9) De zelfgeborene [Brahmâ] kwam toen samen met Marîci en de andere wijzen naar Kardama's plaats waar de Sarasvatî langsstroomt. (10) O doder van de vijand [Vidura], de onafhankelijke ongeborene [Brahmâ] wist dat de Opperheer, het hoogste gezag van Brahman, als een volkomen deelaspect uit zuivere goedheid was verschenen om de filosofie van de analytische yoga [Sânkhya yoga] uiteen te zetten. (11) Na met een zuiver hart [de persoonlijkheid van] Vishnu te hebben aanbeden zei de ongeborene in al zijn zinnen verheugd over Zijn optreden, het volgende tegen Kardama en Devahûti.

(12) Brahmâ zei: 'Kardama, door mijn aanwijzingen ten volle te aanvaarden o zoon, heb je mij geëerd en slaagde je erin mij te aanbidden zonder te huichelen. (13) Precies op deze manier behoort een zoon zijn vader van dienst te zijn. Met de nodige achting 'Ja dat zal ik' zeggend, moet hij de aanwijzingen van zijn geestelijk leraar [of zijn vader] opvolgen. (14) Deze volslanke, kuise dochters van je mijn beste zoon, zullen met hun kroost op verschillende manieren bijdragen tot deze schepping. (15) Schenk derhalve alsjeblieft vandaag je dochters weg aan de meest vooraanstaande wijzen in overeenstemming met het temperament en de voorkeur van de meisjes, en verspreid daarmee je roem over de hele wereld. (16) Ik weet dat de oorspronkelijke genieter, Hij die alle verlangens van de levende wezens vervuld, nederdaalde op basis van Zijn inwendig vermogen en het lichaam van Kapila Muni heeft aangenomen o wijze. (17) Met behulp van de spirituele kennis en de wetenschap van de vereniging van het bewustzijn in de yoga zal Hij die men herkent aan Zijn gouden haar, Zijn lotusogen en Zijn met de lotus gemerkte voeten, de wortels van de baatzuchtige arbeid blootleggen. (18) Devahûti, weet dat de doder van de demon Kaithabha je baarmoeder is binnengegaan en met het doorklieven van de knoop der onwetendheid en twijfel de hele wereld zal rondtrekken. (19) Deze persoonlijkheid zal de leider zijn der volmaakten, Zijn Vedische analyse zal de goedkeuring wegdragen van de leraren van het voorbeeld [de âcârya's] en Hij zal, tot je meerdere eer en glorie, in de wereld bekend staan als Kapila.'

(20) Maitreya zei: 'Toen hij het echtpaar deze verzekering had gegeven keerde Hamsa [een andere naam voor Brahmâ die vliegt met de transcendentale zwaan], de schepper van het universum, tezamen met de Kumâra's [zijn zoons] en Nârada [de spreekbuis] terug naar zijn verheven positie boven de drie werelden. (21) Na het vertrek van Brahmâ o Vidura, gaf Kardama overeenkomstig de opdracht zijn dochters aan de wijzen die toen verantwoordelijk waren voor het zich ontwikkelen van de wereldbevolking. (22-23) Kalâ gaf hij aan Marîci, Anasûyâ aan Atri, S'raddhâ gaf hij Angirâ en Havirbhû werd aan Pulastya geschonken. Gati gaf hij aan Pulaha en de deugdzame Kriyâ achtte hij geschikt voor Kratu. Bhrigu schonk hij Khyâti en Arundhatî werd weggegeven aan de wijze Vasishthha. (24) Atharvâ schonk hij aan S'ânti dankzij wie de offerrituelen worden volbracht. Aldus raakten de vooraanstaande brahmanen getrouwd met hun echtgenotes. Ze werden door Kardama ondersteund. (25) Toen ze aldus in het huwelijk waren getreden o Vidura, namen de wijzen afscheid van Kardama en gingen ze op weg naar hun hermitages. Ze vertrokken in vreugde over wat ze hadden verworven.

(26) Kardama wetende dat Hij was nedergedaald die in al de drie yuga's verschijnt [Vishnu, die in de vierde, de laatste yuga enkel verschijnt als een 'channa' - of bedekte avatâra] als de hoogste intelligentie van al de wijzen, benaderde Hem in afzondering. Hij bracht Hem zijn eerbetuigingen en sprak toen als volgt: (27) 'Ah eindelijk, na zo'n lange tijd zijn de goden van genade voor hen die zo te lijden hebben onder het verstrikt zijn in de eigen wandaden in deze wereld. (28) Na vele geboorten, proberen gerijpte yogi's volmaakt door hun verzonkenheid in de yoga Uw voeten in afzondering te aanschouwen. (29) Diezelfde Allerhoogste Persoonlijkheid, Hij die de steun en toeverlaat is van Zijn toegewijden, is heden verschenen in onze huizen, ondanks de nalatigheid van ons gewone huishouders hoog en laag. (30) Met de bedoeling Uw woorden gestand te doen bent U in mijn huis nedergedaald met het verlangen de geestelijke kennis uit te dragen van de Fortuinlijke die er is voor de meerdere eer en glorie van de toegewijden. (31) Terwijl Uw hoogsteigen gedaante niet materieel is, behaagt U hen die Uw weg volgen met onverschillig welke van de werkelijk geschikte gedaanten die U aanneemt. (32) De plaats waar men Uw voeten aantreft is altijd het respectvolle eerbetoon van iedere geleerde waard die ernaar verlangt de Absolute Waarheid te kennen.  Ik geef mezelf over aan U die vol bent van rijkdom, verzaking, roem, kennis, kracht en schoonheid [de zogenaamde zesvoudige weelde van de Heer]. (33) Ik geef me over aan U Heer Kapila die de allerhoogste, bovenzinnelijke persoonlijkheid bent, de oorsprong van de wereld, het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur, de Handhaver van Alle Werelden en de souvereine macht die op basis van Zijn eigen vermogen Zijn ontbonden manifestaties weer in zich opneemt. (34) Vandaag wil ik U het volgende vragen, o vader van alle geschapen wezens. Aangezien U me hebt bevrijd van mijn schulden en mijn verlangens hebt vervuld, verzoek ik U me te aanvaarden als iemand die het pad volgt van een rondtrekkende bedelmonnik zodat ik me vrij kan rondbewegen met U in mijn hart en mezelf verre kan houden van het weeklagen.'

(35) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat Ik vanuit de geschriften of direct vanuit Mezelf heb te zeggen betreft in feite het [geestelijk] gezag dat geldt voor de mensen. Ik nam zoals Ik beloofd had Mijn geboorte bij u terwille van dat gezag o wijze. (36) Deze geboorte van Mij in de wereld is er om voor hen die bevrijding zoeken uit de moeilijkheden van het materiële bestaan, uitleg te verschaffen over de waarheden [van het Sânkhya-yogasysteem] die men zo hoog acht in de zelfverwerkelijking. (37) Alstublieft, weet dat, omdat deze weg voor de ziel zo moeilijk te doorgronden is en in de loop van de tijd verloren is gegaan, Ik dit lichaam heb aangenomen om het opnieuw te introduceren. (38) Ga nu met Mijn goedkeuren heen om, zoals u dat wenst, tewerk te gaan overeenkomstig de wereldverzakende orde. Houdt u om de onoverwinnelijke dood te boven te komen, terwille van het eeuwige leven bezig met de aan Mij gewijde dienst. (39) Met uw intellect altijd gericht op Mij, de opperste, zelfvervulde ziel aanwezig in het hart van ieder levend wezen, zal u me in uw eigen hart kunnen zien en erin slagen u te bevrijden van angst en weeklagen. (40) Opdat ook Mijn moeder de vrees mag overwinnen zal Ik eveneens haar inlichten over deze kennis die leidt tot een geestelijk leven en een einde maakt aan alle vruchtdragende handelingen.'

(41) Maitreya zei: 'Aldus toegesproken door Kapila omliep de stamvader van de menselijke samenleving Hem en vertrok hij, met de vrede gevestigd in zijn hart, toen naar het woud. (42) De wijze aanvaardde de gelofte der stilte en reisde, uitsluitend zijn toevlucht zoekend in de ziel, vrij van gezelschap rond over de aarde zonder een vaste verblijfplaats te hebben of vuur te maken. (43) Hij vestigde zijn geest op het Parabrahman [de geest van het Absolute in het Voorbije, de essentie van de Opperheer], die vrij van de drie geaardheden der natuur zich manifesteert als de drie geaardheden en alleen maar in toewijding kan worden gerealiseerd. (44) Door zich niet met het lichaam te identificeren en geen belangstelling te koesteren voor de materie en de dualiteit, zag hij toen hij, allen gelijkgezind, zich inwaarts gekeerd had, met een volmaakt beheerste geest nuchter en onverstoord zichzelf als een oceaan met de golven in rust. (45) Verankerd in zichzelf met zijn bovenzinnelijke dienst aan Vâsudeva de Persoonlijkheid van God, de alwetende Superziel in iedereen, was hij bevrijd van materiële gebondenheid. (46) Hij zag de Hoogste Persoonlijkheid van God als de ziel zich bevindend in alle levende wezens en ook dat alle levende wezens hun bestaan hebben in de Opperziel. (47) Vrij van alle voorkeur en afkeer bereikte hij met een geest die iedereen gelijkgezind is, bevrijd in de verbondenheid van de toewijding voor de Allerhoogste Heer, het uiteindelijke doel van de toegewijde.'




Hoofdstuk 25: De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst

(1) S'rî S'aunaka zei: "Hoewel Zelf ongeboren, nam de Allerhoogste Heer persoonlijk, vanuit Zijn eigen vermogen, geboorte als Heer Kapila, de analyticus van de uiteindelijke waarheid, teneinde voor  de mensheid de bovenzinnelijke kennis te verspreiden. (2) Herhaaldelijk te vernemen over Hem, de meest vooraanstaande der yogi's en de godheid der Veda's wiens meerdere onder de mensen niet te vinden is, maakt me blij in al mijn zinnen. (3) Alstublieft, geef mij een getrouwe beschrijving van al het lofwaardige dat de Opperheer die zo vol is van de verrukking van de ziel, vanuit Zijn interne vermogen deed."

(4) Sûta zei: ''Als een vriend van Vyâsadeva sprak de vererenswaardige Maitreya die er tevreden over was dat er gevraagd werd naar de bovenzinnelijke kennis, toen als volgt tot Vidura. (5) Maitreya zei: 'Nadat de vader naar het woud vertrokken was, bleef Heer Kapila achter bij het Bindu-sarovarameer met het verlangen Zijn moeder een genoegen te doen. (6) Toen Hij [op een dag] comfortabel voor haar zat, herinnerde Devahûti zich wat Brahmâ had gezegd en richtte ze zich tot Hem. Hij, haar zoon, was in staat om haar het pad te tonen dat leidt naar het doel van de uiteindelijke werkelijkheid.

(7) Devahûti zei: 'O mijn Heer, ik ben van afschuw vervuld over de heersende onwaarheid van mijn geprikkelde zinnen waardoor ik neerstortte in de diepte der onwetendheid. (8) Tot slot van vele geboorten heb ik dankzij Jouw genade Jou nu bereikt als mijn bovenzinnelijke oog om de duisternis der onwetendheid te boven te komen die zo moeilijk te verslaan is. (9) Hij de oorsprong, de Allerhoogste Heer van alle schepselen en de Meester van het Universum is met Jou - gelijk de zon - voor het oog verrezen dat verblind was door de duisternis van de onbewuste staat. (10) Je betrok me in deze misvatting van het 'ik en mijn' [van het valse ego], wees nu zo goed mijn Heer om een einde te maken aan deze begoochelde staat. (11) In het verlangen kennis te verkrijgen over het materiële en persoonlijke aspect [prakriti en purusha], breng ik Jou mijn eerbetuigingen, Jij die de grootste bent van alle zieners van de ware natuur. Ik heb mijn toevlucht gezocht bij Jouw voeten omdat Jij de persoon bent die het waard is, Jij bent voor degenen die van Jouw afhankelijk zijn de bijl die de boom van het materieel bepaalde bestaan velt.'

(12) Maitreya zei: 'Aldus vernemend over het algemeen menselijke, onschuldige verlangen van Zijn moeder om te slagen op het pad der bevrijding, wijdde Hij met een verheugde geest en een lichte glimlach op Zijn prachtige gezicht uit over de weg der transcendentalisten. (13) De Opperheer zei: 'De yogadiscipline van het zich verhouden tot de ziel terwille van de volledige onthechting van welk plezier of leed dan ook, vormt het uiteindelijke heil voor de mensheid dat Ik goedkeur. (14) O vrome moeder, Ik zal u nu dat vertellen wat Ik voorheen heb uitgelegd aan de wijzen die graag wilden vernemen over alles wat het yogasysteem aangaat. (15) [De staat van] bewustzijn van het levende wezen wordt [verantwoordelijk] geacht voor zijn gebondenheid en bevrijding. Aangetrokken tot de drie geaardheden der natuur raakt men materieel geconditioneerd, maar hecht men aan de ziel van het universum [de Oorspronkelijke Persoon] dan is men van de bevrijding. (16) Van de onzuiverheden van de lust en het begeren en dergelijke, die resulteren uit de misvatting van het 'ik en mijn', raakt men bevrijd als de geest zuiver is in gelijkmoedigheid, zonder leed en zonder plezier. (17) Het is in die staat dat de persoon, die zuiver en ontstegen aan de materiële natuur ongebonden en onverdeeld is, zichzelf niet ziet als iemand anders maar als innerlijk verlicht. (18) Met een geest vol van geestelijke kennis, verzaking en verbondenheid in toewijding staat men onverschillig tegenover het materiële bestaan dat dan minder van invloed is. (19) Er is geen pad van yoga dat zo gunstig is voor het ontwikkelen van een volmaakte geest als het verrichten van toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer, de volledigheid van de Ziel. (20) Een ieder met kennis van zaken weet dat sterke gehechtheid de verstriktheid van de ziel vormt, maar dat diezelfde gehechtheid voor toegewijden de deur opent naar de bevrijding. (21) Tolerant zijnde, mededogend, alle levende wezens welgezind en zonder vijandschap jegens wie dan ook, vredig en zich houdend aan de geschriften is de sâdhu [de deugdzame mens, de heilige, een ziener] gesierd met sublieme kwaliteiten. (22) Zij die in relatie tot Mij standvastig zijn in het verrichten van hun toegewijde dienst, zien onwrikbaar te Mijnentwille er van af in begeerte te handelen en geven hun familiebanden en vriendschappen op. (23) Er verrukt over naar de verhalen over Mij te luisteren, concentreren ze zich op Mij en zingen ze [Mijn namen], zonder dat ze daarbij in hun verschillende boetedoeningen leed veroorzaken. (24) O deugdzame moeder, probeer gehecht te raken aan deze toegewijden die vrij van alle gehechtheid zijn, want zij zijn het die de schadelijke effecten van het materieel verstrikt zijn tegenwicht bieden. (25) Door met hen om te gaan die de waarheid koesteren, worden de verhalen die men cultiveerde in het bespreken van Mijn heldendom, een vreugde voor het oor en het hart en zal spoedig, als men vast overtuigd de aantrekking ervaart op het pad der bevrijding, als vanzelf de toewijding volgen. (26) Iemand die zich bevindt in toegewijde dienst zal er oprecht naar streven zijn geest onder controle te krijgen op het pad van de yoga als hij, voortdurend nadenkend over mijn beleid, in zijn bhakti een afkeer heeft ontwikkeld voor het bevredigen van zijn zinnen in relatie tot wat hij ziet [het heden] en waarover hij verneemt [de toekomst en het verleden]. (27) Als persoon niet de dienaar zijnde van de geaardheden der natuur, bereikt men middels de spirituele kennis, met de versobering ontwikkeld in de yoga op Mij geconcentreerd en Mij toegewijd, nog in dit zelfde leven de Superziel vanbinnen.'

(28) Devahûti zei: 'Wat is het juiste idee van toewijding voor Jou dat voor mij geschikt is en waardoor ik direct bevrijding aan Je voeten kan vinden? (29) Wat o belichaming van de hemel, is de aard van de yoga om de Allerhoogste voor ogen te hebben waarover Je het had en met hoeveel indelingen is men zich ermee bewust van de werkelijkheid? (30) Leg dit alsJeblieft aan mij uit wiens intelligentie maar traag van begrip is o mijn Heer, zodat ik door Jouw genade moeiteloos doorkrijg wat voor een vrouw zo moeilijk te begrijpen is.'

(31) Maitreya zei: 'Kapila begreep wat Zijn moeder wilde. Uit haar geboren leefde Hij met haar mee en beschreef Hij aldus de waarheden in geestelijke erfopvolging doorgegeven van wat men de analytische yoga noemt, een yogavorm die in feite een ontwikkeling is van mystiek inzicht in de toewijding. (32) De Fortuinlijke zei: 'Het goddelijke van het zich [middels de zintuigen en hun heersende goden] verhouden tot de kwaliteiten der materie werkt in overeenstemming met de geschriften als iemand in relatie tot het goede [de Heer] innerlijk niet verdeeld is. In feite is de toegewijde dienst vrij van verlangens voor de Allerhoogste Persoon - die de enkele beheersing [van de verloste staat] te boven gaat - iets waar men van nature toe geneigd is. (33) Zoals voedsel wordt verbrand door het vuur van de spijsvertering maakt deze dienst snel een einde aan de subtiele innerlijke roerselen van de materiële motivatie [het 'subtiele lichaam']. (34) Zuivere toegewijden die zich bezighouden met de dienst aan Mijn lotusvoeten en er naar streven om Mij te bereiken, verlangen er nooit en te nimmer naar één met Mij te zijn. Ze komen samen om met elkaar Mijn persoonlijke handelingen te loven. (35) O moeder, ze zien Mijn glimlachende gezicht en Mijn ogen zo prachtig als de ochtendzon en spreken met Mij in gunstige termen over de zegening van Mijn bovenzinnelijke gedaanten. (36) Door die gedaanten die zo bekoorlijk zijn in al hun ledematen, verheven spel en vermaak, glimlachende blikken en hun woorden, worden hun geesten en zinnen in beslag genomen waardoor in hun toewijding ongewild de verfijning wordt veilig gesteld van Mijn hemel. (37) Bijgevolg verlangen ze niet naar Mijn weelde of het achtvoudige meesterschap over de materiële illusie [de siddhi's zie 3.15: 45], noch volgen ze een verlangen naar de schittering van de Allerhoogste Goddelijkheid. Vol van geluk over Mij als de Allerhoogste genieten die toegewijden enkel hun eenvoudige levens. (38) O moeder, Mijn toegewijden zullen nimmer, door geen [verandering van de] tijd of welk vernietigingswapen ook, Mij [en Mijn weelde] verliezen die door hen werd uitverkozen als hun dierbaarste zelf, zoon, vriend, leraar, begunstiger en godheid. (39-40) Op die manier verwijlend in zowel deze wereld als in de wereld der subtiele voorstellingen, aanbidden zij die in de omgang met Mijn belichaming in deze wereld rijkdom, vee, huizen en al het overige hebben opgegeven in onwankelbare toewijding Mij, de alles-doordringende Heer der bevrijding, omdat Ik hen meevoer naar gene zijde van geboorte en dood. (41) Niets of niemand anders dan Ik, de Opperheer en oorspronkelijke heerser over de stof en de persoon, de Ziel aller zielen, kan aan de verschrikkelijke vrees [van geboorte en dood] een einde maken. (42)  Uit vrees voor Mij waait de wind en schijnt de zon, uit vrees voor Mij laat Indra het regenen en brandt het vuur, en uit vrees voor Mij waart de dood rond. (43) Verenigd in spirituele kennis en verzaking, nemen yogi's in bhakti yoga hun toevlucht tot Mijn voeten terwille van het uiteindelijke heil. (44) Mensen kunnen  in deze wereld alleen de uiteindelijke perfectie van het leven bereiken als ze standvastig hun geest concentreren in een intensieve praktijk van toewijding voor Mij.'


Hoofdstuk 26: Basisprincipes van de Materiële Natuur

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van [het juk van] de geaardheden der materiële natuur. (2) Ik zal uitwijden over dat waarover men spreekt als de spirituele kennis [de jñâna] die de knopen [van het egoïsme] in het hart doorsnijdt en voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking vormt. (3) De Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon, is zonder een begin en is, zich bevindend in het voorbije van de materie, verheven boven de geaardheden der natuur. Men kan Hem overal waarnemen als het zelfverlichte van de gehele schepping die door Hem wordt gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaardde geheel uit eigen beweging voor Zijn spel en vermaak de subtiele materiële energie die is bekleed met de drie geaardheden en in relatie staat tot de goddelijkheid [van Vishnu]. (5) De natuur creëerde middels de geaardheden de uiteenlopende gedaanten van de materieel levende schepselen. Daarmee geconfronteerd in deze wereld verkeerden ze meteen al in illusie omdat die [gedaanten] de overdekking vormen van hun spirituele kennis. (6) Door zich te vereenzelvigen met de werking der materie die werd teweeggebracht door de geaardheden der natuur en die wat anders is dan hijzelf, denkt het levende wezen ten onrechte dat hij zelf degene is die handelt. (7) Daardoor gebonden aan een geconditioneerd leven werd hij aldus afhankelijk, hoewel hij de van nature vreugdevolle en onafhankelijke getuige is die niets doet. (8) De kenners van de waarheid zien het zo dat het lichaam en de zintuigen waarmee je werkt onderhevig zijn aan de werking van de geaardheden van de materiële natuur en dat de geestelijke ziel die boven alle materie staat verantwoordelijk is voor het ervaren van geluk en ongeluk [zie ook B.G. 13: 21].

(9)
Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van de energieën en de Oorspronkelijke Persoon [van prakriti en purusha] die samen de oorzaak vormen van de manifeste en niet-manifeste werkelijkheid waaruit deze schepping bestaat.'

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'De ongedifferentieerde, eeuwige werkelijkheid die zich differentieerde als de materiële natuur [prakriti] die een combinatie van de drie geaardheden vormt, deze oorzaak van het effect [van de materiële manifestatie] wordt de primaire natuur [de oerether of pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur staat bekend als de basis van waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, de tien zinnen van waarnemen en handelen en de vier zinsafdelingen ontstonden, die samen uitkomen op een aantal van vierentwintig [zie ook elementen].  (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether. Van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal. Het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven en ruiken [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende. (14) De geest, de intelligentie, het ego en het bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne, subtiele zin die men onderscheid als men aandacht heeft voor de verschillende kenmerken van de [hersen]functies. (15) Aldus zijn met de door Mij gegeven rangschikking de materiële kwaliteiten van de Absolute Waarheid van Brahman opgesomd  [saguna brahman genaamd]. Wat betreft de tijd wordt daarbij gesproken van het vijfentwintigste element.

(16)
Van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd dat Hij de invloed van de tijdfactor vormt die gevreesd wordt door sommigen die begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële aard van het individuele bestaan. (17) De [expanderende, accellererende] beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en hun specifieke kwaliteiten o dochter van Manu, vormt de [ruimte]tijd [de vierde dimensie] waarvan we in onze wereld Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die er vanbinnen is in de vorm van de oorspronkelijke persoon [de purusha] en vanbuiten in de vorm van de tijd [het vijfentwintigste element],  existeert op basis van [de manifestatie] van Zijn vermogens als de Heer van Alle Volheden [Bhagavân, de Fortuinlijke] voor alle levende wezens [en elementen]. (19) Zij [de materiële natuur] van wie het evenwicht der geaardheden werd verstoord door de  genade, de goddelijke beschikking, van de Hoogste Persoon die haar schoot bezwangerde met Zijn semen, Zijn inwendig vermogen, brengt het geheel van de kosmische intelligentie voort [de mahat-tattva] van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [die bekend staat als hiranmaya]. (20) Het universum dat deze onveranderlijke grondoorzaak van de kosmische manifestatie in zich draagt, slokte door zijn eigen uitstraling de hechte duisternis op van het Zelf in zijn voorwereldlijke sluimertoestand. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere positie vormt om de Allerhoogste Heer te begrijpen, staat bekend onder de naam Vâsudeva; het is het bewustzijn dat de aard van het intellect vormt [zie ook S.B. 1.2: 23]. (22) De kenmerkende eigenschappen van iemands [rede in deze staat van Krishna- of natuurlijk tijds-]bewustzijn zijn als die van de natuurlijke staat van zuiver water: helderheid, onveranderlijkheid en sereniteit. 

(23-24) 
Uit de volledige werkelijkheid [de mahat-tattva] die de veranderingen ondergaat die worden veroorzaakt door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprongen de in vijf verdeelde elementen, het materiële ego [of ik-besef] en de daaruit voortspruitende geest in combinatie met de verschillende zinnen van handelen en waarnemen. Bewogen door dat actieve vermogen van de Heer manifesteerde het ego zich in de drie soorten van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid. (25) Dat alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest vormt de persoon van de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] die bekend staat onder de naam Sankarshana [de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het valse ego, het ik geïdentificeerd met de materie, kan aldus [overeenkomstig de drie guna's] worden gekenschetst als zowel degene die handelt, het instrument waarmee gehandeld wordt [het lichaam] als het effect van de handelingen [of dat wat er tot stand gebracht werd]. Ook kan men in dat verband spreken van het ego als zijnde sereen, actief of traag. (27) Met de transformatie [van het ego in drie valse vormen] ontwikkelde zich [in goedheid] uit de emoties ervan het principe van de geest waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) De naam van dat principe is Aniruddha, Hij [de persoonlijke expansie van de geest van Vâsudeva] die bekend staat als de heerser over de zinnen. Hij is zo blauw als een lotus in de herfst en wordt alleen geleidelijk aan gerealiseerd door de yogi's. (29) Vanuit de schittering van het licht van de transformatie deed zich het principe van de intelligentie [de expansie van de Heer genaamd Pradyumna] voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen aan het zintuiglijk constateren van de voorwerpen die er waar te nemen zijn [zie ook S.B. 1.5: 37]. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap beschouwt men aldus als de verschillende kenmerken van de functies der intelligentie.

(31) 
Van de krachtwerking van het ego zijn er de zinnen om te komen tot handelen en om kennis te verwerven overeenkomstig de werkzame krachten van respectievelijk de vitale energie en de intelligentie. (32) Ertoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer manifesteerde zich vanuit de onwetendheid van het ego in transformatie het subtiele element van het geluid. Daarop ontwikkelde zich vanuit de ether de gehoorzin om de geluiden op te vangen. (33) Geleerde personen definiëren geluid als dat wat een materieel object aanduidt, als dat wat de aanwezigheid van een spreker verraadt [die herinnerd niet noodzakelijk nog langer aanwezig is] en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ruimte. (34) Wat betreft zijn werking en kenmerken wordt de ether beschreven als het element dat intern en extern ruimte biedt aan de levende wezens en als het handelingsgebied van de levensadem [prana], de zinnen en de geest. (35) Vanuit de ether zich ontwikkelend uit de subtiliteit van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en treft men aldus de lucht aan, het zinsorgaan ervoor en met die tastzin de feitelijke waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, alsmede koude en hitte zijn van dit subtiele element der aanraking de onderscheiden kenmerken in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door deze verschillende kenmerken van de werking van de lucht die beweegt en zich vermengt, dingen naar elkaar toe brengt en [stof]deeltjes en golven van geluid meevoert, worden de overige zinnen tot het juiste functioneren aangezet. (38) Bij lotsbeschikking evolueerde vanuit het element van de lucht en het subtiele element der aanraking de gedaante [die men heeft] waarin zich met het vuur het gezichtsvermogen ontwikkelde om kleur en vorm waar te nemen.

(39)
O deugdzame, de kenmerken van het vormelement zijn de afmeting, de kwaliteit en de individualiteit van een voorwerp. Voor vuur is dit de straling. (40) De functies van het vuur bestaan eruit te verlichten, te verteren, te verdampen, de kou te verdrijven, honger en dorst op te wekken en te zorgen voor eten en drinken. (41) Van de waargenomen vorm die door hogerhand beschikt transformeert onder invloed van het vuur manifesteerde zich het smaakelement waarvan er met het water de tong verscheen die de smaak waarneemt. (42) Hoewel de smaak één is, raakt ze door al de verschillende substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, verkoelt en in overvloed beschikbaar is. (44) Door de transformaties die het element van de smaak door het water onderging, manifesteerde zich zoals beschikt bij het vinden van de aarde de maat der geur terwille van het ruiken van aroma's. (45) De eenheid van de geur is, afhankelijk van de verhoudingen der substanties, verdeeld in de realisaties van het vermengd, pregnant, welriekend, mild, sterk en zurig zijn en zo meer. (46) De kenmerkende functie van de aarde is dat ze gemodelleerd wordt in vormen van het Allerhoogste Brahman met verblijfplaatsen, opbergpotten etc. die de plaats vormen voor de aanwezigheid van alles wat afgescheiden in de ruimte kan bestaan. (47) De zintuiglijke functie die het individuele kenmerk van de lucht [het geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en de zin welke de verschillende kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zintuiglijke functie die dat wat zich aftekend van het vuur [ofwel de vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de specifieke waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en de waarneming van het bijzondere van de aarde wordt de reukzin genoemd.

(49) 
In de kenmerken van het gevolg van iets kan men de kenmerken van de oorzaak herkennen. Bijgevolg kan men in enkel het aarde-element [als het laatst geschapen element] de eigenaardigheden van al de voorgaande elementen terugvinden. (50) Toen [bij de aanvang van de schepping] de zeven primaire elementen [de vijf materiële elementen, het ego en de kosmische intelligentie - de mahat-tattva] zich nog niet hadden vermengd, ging [de Heer] de oorsprong van de schepping toegerust met kâla, karma en guna [de tijd, de werklast en de geaardheden] het universum binnen. (51) Toen werden door Hem [als de Tijd] deze zeven principes tot activiteit aangezet en in een eivorm verenigd die in een onbewuste staat verkeerde. Uit dat ei manifesteerde zich het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha]. (52) Dit ei noemt men vis'esha ['de gedifferentieerde werkelijkheid']. Het is de uitwendige gedaante van Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, die zich uitstrekt als het geheel der leefwerelden [zie S.B. 2.1: 24-37] die bestaan uit opeenvolgende lagen van water en de overige elementen, ieder tien keer zo dik als de vorige. Van buiten zijn ze omhuld door pradhâna, de ongedifferentieerde staat der materie [de oerether]. (53) Uit het gouden [zonlicht van het] universele ei verrees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, de grootsheid van God [Mahâdeva] verdeeld in vele cellen [kham, etherische openingen van lichtbeheersing]. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond gevolgd door het spraakorgaan. Daarmee verscheen tevens de goddelijkheid van het vuur [Vahni, de goddelijkheid die over het vuur van de spijsvertering heerst] met daaropvolgend de neusvleugels met de bij hen horende reukzin en de levensadem [prâna]. (55) Uit de reukzin manifesteerde zich de goddelijkheid van de lucht [Vâyu]. Toen manifesteerde zich vanuit het gezichtsvermogen van de twee ogen de goddelijkheid van de zon [Sûrya] en kwam [daarop] uit de gehoorzin van de twee oren de goddelijkheid heersend over de windrichtingen voort. (56) Toen verscheen de huid van de universele gedaante met zijn haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden verschenen met daarna de geslachtsorganen. (57) Van hen was er semen en manifesteerde zich de goddelijkheid der wateren. Ook manifesteerde zich een anus en was er van die anus het vermogen zich te ontlasten. Daarna verscheen de [god van de] dood die de hele wereld in vrees doet leven. (58) Ook manifesteerden zich twee handen samen met het vermogen dat ze hebben en verscheen daarna Heer Indra ten tonele [de onafhankelijkheid]. Vanuit de manifestatie van de twee benen manifesteerde zich de voorwaartse beweging en verscheen vervolgens de Heer [Heer Vishnu die over hen heerst]. (59-60) De aderen van het universele lichaam vertoonden zich samen met het erbij geproduceerde bloed. Daarmee verschenen de rivieren en manifesteerde zich een maag waarmee zich honger en dorst voordoet. Na hen verschenen de oceaan en het hart van de universele gedaante. Uit het hart manifesteerde zich toen het denken. (61) Vanuit het denken kwam toen de maan [Candra] in zicht en daaruit manifesteerde zich de intelligentie. Vanuit die intelligentie verscheen de Heer van de spraak [Brahmâ]. Het zich in vals ego identificeren met de materie leidde toen tot de verschijning van Rudra [S'iva], de rede en de goddelijkheid die over de rede heerst.

(62)
Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren geenszins in staat de Oorspronkelijke Persoon in het leven te roepen en om die reden gingen ze de een na de ander weer terug naar de bron van hun bestaan om Hem op te wekken. (63) De god van het vuur der spijsvertering ging de mond weer binnen, maar mislukte erin Hem op te wekken. De god van de wind ging weer terug naar de reukzin van de neusgaten, maar kon de Oorspronkelijke Persoon toen niet naar voren roepen. (64) Het goddelijke licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke Persoon niet teweegbrengen en met het goddelijke zich oriënteren middels de hoorzin op Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon evenmin tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid kon met zijn begroeiing en zegen aan kruiden de Gevierde Persoon niet naar boven halen en de goddelijkheid van het water kon met de voortplanting via de geslachtsorganen de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen tot leven te wekken. (67) Vishnu met de macht der vooruitgang was met het binnengaan van Zijn twee voeten niet in staat de Grootheid van het Geheel tot actie te bewegen en ook was de goddelijke stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten terugkerend met het bloed en de macht van de circulatie toen niet in staat de Oorspronkelijke Persoon in beweging te krijgen. (68) De oceaan die samen met de honger en de dorst volgde kon naar Zijn buik bewegend de Grote Persoon niet in gang zetten en het hart met de geest overeenkomstig de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware Gigantische Persoon op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, zoals ook Heer S'iva er niet toe in staat bleek het volledige van de Purusha op te wekken met het sturen van het ego naar Zijn hart. (70) Maar, toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een slapende man waarvan de levensadem, de handelende en kennende zinnen, het denken en het begrijpen uit eigen beweging hem niet in beweging kunnen brengen zonder dat Hij er is. (72) Daarom behoort iemand die aan yoga doet met behulp van geestelijke kennis, onthechting en toewijding, gewetensvol de gedachte aan Hem als de Superziel die in het hart aanwezig is, in overweging te nemen.'



Hoofdstuk 27: Bevrijding uit de Valsheid

(1) De Allerhoogste Heer [Kapila] zei: 'Hoewel het levend wezen zich ophoudt in een materieel lichaam, staat het niet onder de invloed van de materiële geaardheden der natuur als het geen eigendom claimt en aldus niet onderhevig is aan verandering, net zoals de zon niet beïnvloed wordt door zijn weerspiegeling in water. (2) Maar als ditzelfde levende wezen zich verliest in vals ego en aldus beheerst wordt door de geaardheden der materiële natuur, is de individuele ziel begoocheld en denkt hij: 'Ik ben degene die handelt.' (3) Vanwege de verkeerde handelingen die voortvloeien uit een dergelijk omgaan met de materiële natuur, ondergaat hij aldus in onvrede verkerend hulpeloos het zich herhalen van geboorte en dood met het ter wereld komen uit verschillende baarmoeders [of levensvormen] afhankelijk van het feit of hij een goed of een slecht leven leidde of een combinatie van dezen. (4) Als was hij in een nachtmerrie beland waarin wat zich afspeelt niet werkelijk bestaat, komt er voor het levende wezen dat zich [enkel] bezint op wat zich voordoet aan zijn zinnen geen einde aan het geconditioneerde bestaan [van illusie]. (5) Daarom moet geleidelijk aan de geest, die hecht aan materiële genoegens consequent zonder gehechtheid op het pad van de bhakti yoga, onder controle worden gebracht. (6) Beoefen beginnende met yama [de grote gelofte van de yoga van geweldloosheid, waarheid, niet-stelen, celibaat en een afwezigheid van bezitsdrang in de praktijk der onthechting], de verschillende vormen van yoga en ontwikkel, vervuld van geloof, door naar Mijn verhalen te luisteren zuivere toewijding voor Mij. (7) Wees daarin vrij van vijandigheid en bezie alle levende wezens gelijkelijk, onderhoudt geen intieme betrekkingen en wees celibatair, wees stil en draag de resultaten van uw handelen op. (8) Wees tevreden met wat er ook uit zich zelf op u afkomt, eet weinig, leef bedachtzaam in afzondering en wees vreedzaam, aardig, meedogend en zelfgerealiseerd. (9) Volg in relatie tot anderen en uw eigen lichaam niet zozeer het lichamelijk begrip van het leven, maar let vanuit de spirituele kennis meer op de feitelijke waarheid van de materie en de persoon [tezamen]. (10) Overstijg de stadia van bewustzijn [van het slapen, dromen en de diepe slaap] en hou u verre van andere levensopvattingen. Aanschouw aldus met een gezuiverd intellect uw ware zelf vanbinnen, de ziel van uw realisatie, zoals u de zon voor ogen hebt [vanbuiten].  (11) Kom tot de realisatie van de transcendentale Ondersteuning van de Oorzaak der Materie [de Opperziel] die zich toont als een reflectie in het onware, als een oog voor het illusoire van de materie dat alles doordrong als de Ene zonder weerga. (12) Het is als met de zon die aan de hemel staand boven water wordt gezien als een weerspiegeling op dat water of op een muur. (13) Aldus wordt de waarheid van het zelf onthuld door zijn weerspiegelingen in de drievoudigheid van het materieel geïdentificeerde ego dat bestaat uit het lichaam, de zinnen en de geest. (14) Iemand die zich in deze materiële wereld valselijk verenigt met de elementen der materie, de objecten van het materieel genoegen, de materiële zinnen, de geest, de intelligentie enzovoorts, bevindt zich in een slaaptoestand, maar ontwaakt [in de toewijding van de yoga] is hij bevrijd van het valse ego. (15) Hoewel men niet verloren is, denkt men [als men ontwaakt] ten onrechte [aanvankelijk] dat men verloren is, omdat men, net als iemand die van streek is omdat hij zijn rijkdom kwijt is, zich als de stille getuige bewust is van de teloorgang van zijn valse ego. (16) Tot begrip hiervan komend realiseert zo'n persoon, bekend met de situatie die hij aanvaardde onder het valse ego, zich de genade van de oorspronkelijke positie van zijn ware zelf, zijn oorspronkelijke individualiteit [svarûpa].'

(17) Devahûti zei: 'Beste brahmaan, is het niet zo dat de materiële natuur nooit de ziel los zal laten daar de twee voor altijd tot elkaar zijn veroordeeld o Allerbeste? (18) Zoals het aroma en de aarde of het water en de smaak niet onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan, is het ook met de intelligentie en het bewustzijn. (19) Hoe kan zo de ziel dan vrij zijn van de materiële natuur? De ziel die zelf inactief is, is met die geaardheden immers gebonden aan het karma dat er mee geassocieerd is. (20) De grote angst die men soms kan vermijden door zich te bezinnen op de grondbeginselen, treedt [telkens] weer opnieuw naar voren, aangezien de oorzaak [de guna's] niet ophield te bestaan.'

(21) De Opperheer zei: '[Men zal zich de vrijheid realiseren,] als men met een zuivere geest ernst met Mij maakt en met het trouw luisteren naar Mijn verhalen in toegewijde dienst zijn plichten weet te doen zonder te verlangen naar de vruchten ervan. (22) Met behulp van de spirituele kennis raakt men, met de visie van de Absolute Waarheid door de yoga sterk verbonden in de boetedoening, onthecht en stevig verankerd in het verzonken zijn in de ziel. (23) Gebonden aan de materiële natuur wordt een levend wezen dag na dag opgebrand. Het verdwijnt geleidelijk aan zoals brandhout dat in brand staat. (24) Met het opgeven van het genoegen dat hij smaakte [in de materie], omdat hij het verkeerde inziet van steeds te willen genieten en van die afhankelijkheid de schade te ondervinden, staat hij sterk in zijn eigen heerlijkheid. (25) Zoals het gaat met iemand die slaapt en een droom heeft die vele kwade dingen met zich meebrengt, kan diezelfde droom hem als hij weer wakker is geenszins imponeren. (26) Zo ook kent iemand, die zich altijd verheugt in de ziel en zijn geest richt op Mij, de Absolute Waarheid en heeft aldus van de materiële natuur niets te vrezen. (27) Als een wijs iemand aldus voor vele jaren en vele geboorten bezig is met zelfverwerkelijking, zal hij een afkeer ontwikkelen voor alles, tot aan de hoogste geestelijke positie [van Satyaloka] toe. (28-29) Iemand die Mij toegewijd is en die onder Mijn hoede terwille van het ontwaken van zijn intelligentie, bij Mijn onbegrensde genade gaat voor het uiteindelijke doel van zijn bestaan van wat bekend staat als kaivalya [verlichting, emancipatie, zaligheid], zal in dit leven een stabiel zelfbewustzijn bereiken en vrij zijn van twijfels. De yogi die vertok naar dat hemelverblijf zal, na zowel het subtiele als het grofstoffelijke lichaam achter zich gelaten te hebben, nimmer weer terugkeren. (30) Als de aandacht van de vervolmaakte yogi verder niet uitgaat naar de speciale verworvenheden van de yoga Mijn beste moeder, dan zal, als hij geen ander doel voor ogen heeft, zijn vorderen in Mijn richting nooit onderbroken worden, omdat hij daarin niet de macht van de dood zal aantreffen.'

 

Hoofdstuk 28: Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'O dochter van de koning, Ik zal nu de kenmerken van het yogasysteem beschrijven dat met het volgen van de regulerende beginselen het inperken van de geest beoogt om zo vervuld van vreugde succesvol te zijn op het pad van de Absolute Waarheid. (2) Men behoort zo goed mogelijk zijn plicht te doen en dat wat die plichtsbetrachting in de weg staat te vermijden. Men moet genoegen nemen met wat de Heer hem doet toekomen en de voeten van een zelfgerealiseerde ziel [de geestelijk leraar] vereren. (3) Men moet een einde maken aan conventionele religieuze praktijken en zich aangetrokken voelen tot die religieuze praktijken die leiden tot bevrijding. Met het eten van weinig en zuiver [vegetarisch] voedsel, moet men steeds in afzondering leven en aldus in vrede verkeren. (4) Geweldloos, waarheidlievend, zonder valse toeëigening en slechts in bezit van zoveel als men nodig heeft, moet men celibatair, boetvaardig en rein met het bestuderen van de Veda's respect oefenen voor de verschijning van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (5) Stilte in acht nemend en stabiliteit bereikend in de beheersing van yogahoudingen en de ademhaling, moet men zich geleidelijk aan terugtrekken van de voorwerpen van de zintuigen en de geest op het hart richten. (6) Of door de geest en prâna te fixeren op één van de [zes] cakra's [of energieknopen *] of door eenpuntig geconcentreerd te zijn op het spel en vermaak van [de Heer van] Vaikunthha, raakt men in zichzelf verzonken [of in samâdhi]. (7) Met deze en andere [yoga]methoden intelligent tewerkgaand en de adem beheersend dient men de geest die besmet raakt door materiële genoegens geleidelijk aan te onderwerpen. (8) Dit moet men na het beoefenen van de yogahoudingen doen als men plaats heeft genomen op een gewijde plek waar men het lichaam rechtop houdt, zittend in een gemakkelijke houding. (9) Om ervoor te zorgen dat het denken stabiel wordt en niet afgeleid raakt, moet men de doorstroming van de levensadem of de prâna mogelijk maken door in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen -  of het omgekeerde te doen. (10) De geest van de yogi is in een dergelijke zelfbeheersing snel vrij van verstoringen, precies zoals goud in het vuur geplaatst en met lucht aangewakkerd snel bevrijd raakt van onzuiverheden. (11) Middels adembeheersing [prânâyâma] verdrijft men onzuiverheden, door zich naar binnen te keren [pratyâhâra] neemt het materieel gemotiveerde denken af, door het denken te concentreren [dhâranâ] komt men de zonde te boven en door meditatie [dhyâna] rijst men uit boven de macht van de geaardheden der natuur. 

(12) Als de geest door de yogapraktijk gezuiverd is en beheerst wordt, behoort men kijkend naar het puntje van zijn neus te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [kâshthhâ, een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam]. (13) Met Zijn knots, schelphoorn en werpschijf in Zijn handen, Zijn roodachtige ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en de donkere huidskleur gelijk aan die van de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte, lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (14) Gekleed in zijden kleding zo geel als de meeldraden van een lotus, draagt Hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek. (15-16) Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken hommels, een halsketting van onschatbare waarde alsmede armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel. Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, een lust voor het oog die van een sereniteit is die  vreugde schept in de geest en het hart. (17) Hij is altijd zeer mooi om te zien, aanbiddelijk voor alle mensen overal, zo jeugdig als een jongen en begerig Zijn zegen te schenken aan degenen die Hem dienen. (18) Zijn roem die bijdraagt tot de goede naam van de toegewijden is het bezingen waard. Men moet op de godheid en al Zijn leden mediteren totdat de geest niet meer afdwaalt. (19) Men moet zich de goedgunstige daden voor de geest halen van het prachtige spel en vermaak van Zijn gaan, staan, zitten en liggen danwel verblijven in het hart. (20) Hij die contempleert moet, als hij met zijn geest gevestigd op de ene gedaante al Zijn ledematen onderscheidt, in zijn concentratie acht slaan op ieder onderdeel van de Heer afzonderlijk [zie ook S.B. 2.2: 13]. (21) Men moet mediteren op de lotusvoeten van de Heer die gesierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok, de banier en de lotus, alsook op de in het oog springende schitterende rode nagels met de pracht van de maansikkel die de hechte duisternis van het hart verdrijven. (22) Men moet een lange tijd op de lotusvoeten van de Heer mediteren aangezien het heilige water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt Heer S'iva zegende die het op zijn hoofd droeg. Ze werden tot een bliksemschicht die werd weggeslingerd naar de berg van zonde aanwezig in de geest van de mediteerder.

(23) Met betrekking tot Zijn knieën moet men mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotusogige moeder van het gehele universum dat werd geschapen door Brahmâ. Zij die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materiële bestaan, wordt door alle godsbewusten aanbeden. (24) Men moet mediteren op Zijn twee prachtige benen die staand op de schouders van Garuda alle energie herbergen en die zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem. Ook moet men mediteren op de ronding van Zijn heupen in de uitgelezen gele stof met de gordel er omheen. (25) Dan mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden die zich bevinden in Zijn onderbuik. Uit die navel ontsprong de lotus, de verblijfplaats van de zelfgeborene [Heer Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op de twee uiterst delicate tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de paarlen van Zijn halssnoer. (26) De borst van de Heer der Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî haar verblijf heeft, verschaft de geest en de ogen van de mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet zijn denken ook richten op de meditatie van de hals van Hem die door het hele universum wordt bewonderd, welke de schoonheid onderstreept van het Kaustubha juweel. (27) Op Zijn armen, waar de heersers van het universum hun bestaan aan ontlenen en waarvan de versieringen gepolijst zijn door het ronddraaien van de berg Mandara, behoort men eveneens te mediteren, alsook op de oogverblindende schittering van de Sudarshana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer. (28) Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer in gedachten nemen die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als Hij is met het bloed van de soldaten van de vijand. Ook moet men aandacht schenken aan de bloemenslinger die gonst van de hommels eromheen en het parelsnoer om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [zie B.G. 7: 7]. (29) Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer die Zijn verschillende gedaanten in deze wereld aannam uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende, krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten. (30) Vervolgens moet men aandachtig het geestesoog richten op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar en op Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen in het niet doen verzinken. (31) Hij die een hart vol van toewijding heeft moet lang mediteren op de vele blikken van medeleven in Zijn ogen, want die blikken die worden vergezeld door de overdaad van Zijn liefdevolle, genadige glimlachen, verzachten de drie beangstigende vormen van ellende [die men zelf veroorzaakt, die door anderen wordt veroozaakt en die door de materiële natuur wordt teweeggebracht]. (32) Op de hoogst weldadige glimlach van de Heer die de oceaan van tranen doet opdrogen van alle mensen die in hun verdriet voor Hem bogen moet men mediteren alsmede op de boog van Zijn wenkbrauwen die terwille van alle wijzen door Zijn inwendig, creatief vermogen zijn gemanifesteerd om de god der seksualiteit te bekoren. (33) Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. Met toewijding zijn geest verankerend moet men vol van liefde voor Hem en met niemand anders voor ogen, op Hem mediteren, Heer Vishnu die zich ophoudt in het hart.

(34) Vanwege de zuivere liefde die men aldus door toewijding heeft ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, smelt iemands hart en daardoor ervaart men dan steeds hoe je de haren overeind gaan staan door het extreme genoegen en dat er een stroom van tranen is door de intense liefde. In die staat geeft het denken als [een vis] aan de haak het geleidelijk aan op. (35) Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, raakt hij terstond onverschillig en dooft hij met het loslaten van de zinsobjecten uit. Zoals een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur' van de Superziel] en ervaart hij eenheid nu hij vrij is van de wisselwerking van de natuurlijke geaardheden. (36) Als hij zich bevindt in zijn uiteindelijke heerlijkheid vanwege het stoppen van de op de materie reagerende geest, ziet hij hierbij bovendien in zijn uitstijgen boven geluk en leed, dat inderdaad de oorzaak van het plezier en de pijn gevonden wordt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren. Daarin  schreef hij aan zichzelf [de beheersing toe, ofwel dat] toe wat nu wordt gerealiseerd door de vorm en de tijdmaat [de kâshthhâ dus] van de Superziel [het gelokaliseerd aspect van de Heer]. (37) En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat dat niet zou voortbestaan, zich wel zou handhaven of geboorte zou nemen, omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit [svarûpa] bereikt heeft. Net zoals dat is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft. (38) Zo komt men dan te staan voor de activiteiten die men met het lichaam ondernam en die op gezag van Boven voortduren voor zolang als het moet. Men bevindt zich dan als gevolg van de yoga in verzonkenheid, de bewustzijnstoestand waarin de tot zijn wezensstaat ontwaakte ziel het lichaam met inbegrip van zijn zinnelijkheid en 'bijproducten' - dat zijn bestaan vond als in een droom - niet [langer] als het zijne aanvaard. (39) Zo goed als men een sterfelijk mens begrijpt als zijnde verschillend van zijn zoon en zijn weelde, ongeacht zijn natuurlijke voorliefde voor hen, verschilt de persoon in zijn oorspronkelijke aard op dezelfde manier van zijn lichaam, zinnen, geest en zo meer, [ongeacht zijn identificatie met hen]. (40) Hoewel een vuur door zijn vlammen, vonken en rook  nauw met zichzelf is verbonden, verschilt het van zichzelf in de manier waarop het opvlamt. (41) De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3.26: 10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de ziener die de Allerhoogste Heer is die wordt gekend als de spirituele volkomenheid [Brahman]. (42) Zoals men met een gelijkgezinde geest alle schepselen herkent als deeluitmakend van één en dezelfde natuur, moet men ook de ziel als aanwezig zien in alle levende wezens en alle levende wezens als zijnde aanwezig in de ziel. (43) Zoals het ene vuur zich manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook kent de ene geestelijke ziel in haar positie in de materiële natuur verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden. (44) Als men aldus de moeilijk te doorgronden werking van de oorzaak en het gevolg van de eigen, door God gegeven materiële energie te boven is gekomen, bevindt men zich in de positie der zelfverwerkelijking [in zijn svarûpa].'


Hoofdstuk 29: De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

(1-2) Devahûti zei: 'Beste meester, je beschreef de specifieke kenmerken van de complete werkelijkheid van de materiële en persoonlijke natuur zoals die in de analytische [Sânkhya]filosofie wordt vermeld als zijnde de belangrijkste. Ga nu alsJeblieft uitvoerig in op het pad van de bhakti yoga dat men ziet als de uiteindelijke bedoeling ervan. (3) Lieve Heer, beschrijf voor mij en de mensen in het algemeen de verschillende manieren waarop geboorte en dood zich herhalen, want aan de hand daarvan kan iemand volledig onthecht raken. (4) En ja, wat kan Je zeggen over de Eeuwige Tijd die de eeuwige en oorspronkelijke gedaante vertegenwoordigt van de Allerhoogste Heerser die heerst over alle andere heersers en er toe leidt dat de gewone man zich vroom gedraagt? (5) Jij bent verschenen als de zon van het yogasysteem terwille van de levende wezens wiens intelligentie in hun voorkeur voor materiële handelingen verblind is door vals ego, [een gehechtheid] waardoor ze zonder een toevlucht te vinden vermoeid heel lang sluimeren in de duisternis.'

(6) Maitreya zei: 'Met waardering voor de woorden van Zijn moeder o beste der Kuru's, zei de grote en vriendelijke wijze tevreden en bewogen door mededogen het volgende. (7) De Allerhoogste Heer zei: 'Toewijding in de yoga die zo verschilt in haar verschijningsvormen, kent vele wegen o nobele dame, manieren van doen die laten zien hoe mensen naar gelang hun natuurlijke kwaliteiten hun eigen weg volgen. (8) Wat men voor Mij doet in een geest van geweld, trots en afgunst of kwaadgezind vanuit een afwijkend standpunt, wordt beschouwd van de geaardheid onwetendheid te zijn. (9) Hij die in een andere geest Mij met behulp van beeltenissen aanbidt of uit is op materiële zaken, roem en weelde, verkeert in de geaardheid hartstocht. (10) Hij die Mij aanbidt als verschillend van hemzelf of die van aanbidding is met het offeren van het resultaat van zijn handelen ofwel zich terwille van de bovenzinnelijkheid wil bevrijden van vruchtdragende handelingen, verkeert in de geaardheid goedheid. (11-12) Het enkel maar steeds weer vernemen over Mijn bovenzinnelijke kwaliteiten zal resulteren in een geest die zich beweegt in de richting van Mij, Ik die zich bevindt in ieders hart, zoals het water van de Ganges stroomt in de richting van de oceaan;  een dergelijke manifestatie van puur devotionele yoga - yoga volbracht zonder nevenmotieven - is toegewijde dienst voor de Allerhoogste Persoonlijkheid. (13) Zonder Mij van dienst te zijn zullen zuivere toegewijden het niet aanvaarden - zelfs niet als hen dit wordt aangeboden - om te leven op dezelfde planeet, dezelfde weelde te genieten, persoonlijke omgang te hebben, dezelfde lichaamskenmerken te hebben of verenigd te zijn in eenheid [de vijf vormen van bevrijding genaamd sâlokya, sârshthi, sâmîpya, sârûpya en ekatva of sâyujya]. (14) Als men door middel van deze bhakti yoga - die het hoogste platform wordt genoemd - erin slaagt om de drie geaardheden der natuur de baas te zijn zoals Ik dat uitgelegd heb, bereikt men Mijn bovenzinnelijke natuur. (15) Als men z'n plicht doet zonder gehechtheid aan de resultaten is men sterker [in zijn yoga] en als men zonder onnodig geweld [zonder vlees te eten b.v.] regelmatig is in het doen van zijn yoga-oefeningen zal men het geluk vinden. (16) In contact staand met het ritueel van het zien, respecteren, opdragen van mantra's en het positief benaderen van Mijn [oorspronkelijke] gedaante en verblijf, en over Mij nadenkend als aanwezig in alle levende wezens, leeft men in de geaardheid goedheid en is men van onthechting. (17-19) Middels zinsbeheersing en de juiste regulering [in yama en niyama, wat men niet en wel doet in de yoga *], door het grootste respect te koesteren voor de grote zielen, door mededogend te zijn met de armen en door vriendschappelijk om te gaan met zijns gelijken; door te vernemen over spirituele zaken, door het zingen van Mijn heilige namen, door rechtdoorzee te zijn, er beschaafd gezelschap op na te houden en door geen vals ego te koesteren, raakt van een persoon die met deze kwaliteiten van plichtsbetrachting is jegens Mij het bewustzijn volledig gezuiverd. Zonder twijfel zal hij met het vernemen over Mijn uitnemendheid Mij onverwijld bereiken. (20) Zoals de reukzin het aroma opvangt dat vanaf zijn oorsprong via de lucht wordt meegevoerd, krijgt ook het bewustzijn via de yoga lucht van de Opperziel die onveranderlijk is.

(21) Een sterveling die geen respect heeft voor Mij als de Superziel die zich altijd bevindt in ieder levend wezen maar wel Mijn beeltenis aanbidt, is enkel aan het imiteren. (22) Iemand die met het aanbidden van Mijn beeltenis Mij niet respecteert als de Hoogste Heerser en Superziel die aanwezig is in alle wezens, is in zijn onwetendheid alleen maar bezig met het brengen van offers in de as. (23) Hij die Mij zijn respect betoont maar afgunstig is als er anderen bij zijn, leeft met zijn ingaan tegen anderen in vijandschap en zal nooit een geest bereiken die van vrede is. (24) O zondeloze, Ik ben er zeker niet mee behaagd als zij die erin geslaagd zijn Mij in de vorm van Mijn beeltenis met alles wat erbij hoort te aanbidden, geen respect hebben voor andere levende wezens. (25) Men moet de beeltenis van Mij de Heer aanbidden zolang men op zijn voordeel uit is [karma opbouwt] en niet inziet dat Ik mij ophoudt in het eigen hart en in het hart van anderen. (26) Ik zal in de vorm van de dood angst scheppen in hen die met een ander perspectief op hun fysieke lichaam anderen discrimineren ten opzichte van zichzelf. (27) Daarom moet men met liefdadigheid, respect en in vriendschap een ieder als zijns gelijke beschouwend, Mij gunstig stemmen, de Ene aanwezig in allen als het Ware Zelf.

(28) Levende wezens zijn beter dan levenloze voorwerpen, beter dan bestaansvormen met levenstekenen o gezegende, zijn bestaansvormen met een ontwikkeld bewustzijn en beter dan zij zijn degenen die hun zintuigelijke waarneming ontwikkelden. (29) Verder zijn zij die ontvankelijk zijn voor smaak beter dan zij die [enkel] hun tastzin ontwikkelden en beter dan zij zijn degenen waarbij het ruiken van geuren zich ontwikkelde. Ten opzichte van hen zijn zij weer beter die hun gehoorzin ontwikkelden. (30) Beter dan zij zijn degenen die vormverschillen waarnemen en nog weer beter zijn zij die tanden in hun beide kaken hebben. Van hen zijn zij die meerdere ledematen hebben de betere. Onder hen zijn de vierbenigen de beteren en nog weer beter dan zij zijn de tweebenigen [de menselijke wezens]. (31) Onder de mensen is een samenleving met vier klassen de betere en van die klassen zijn de brahmanen de beste. Verder is onder de brahmanen hij die kennis heeft van de Veda's de beste en beter dan hij is degene die op de hoogte is van de bedoeling van de Veda's [te weten het absolute van de waarheid te kennen in drie fasen: brahman, paramâtmâ en bhagavân]. (32) Beter dan degene die weet heeft van de bedoeling van de Veda's is degene die de twijfel weet uit te bannen en beter dan hij is de brahmaan die zijn vastgestelde plicht vervult. Nog weer beter is degene die daarin vrij is van wereldse gehechtheid en het allerbest is hij die zijn rechtschapen plicht niet voor zichzelf doet. (33) Daarom ken Ik geen persoon die groter is dan hij die met een toegewijde geest al zijn handelingen, rijkdom en leven zonder enige terughoudendheid aan Mij heeft opgedragen en standvastig tewerk gaat zonder een ander belang te dienen. (34) Zo iemand die de Allerhoogste Heer, de Heerser over de individuele ziel, beschouwt als binnengegaan in al deze levende wezens in de vorm van Zijn expansie van de Superziel [het Paramâtmâ], gaat daarom gewetensvol met ze om met achting en respect. (35) O dochter van Manu, iemand kan de Oorspronkelijke Persoon bereiken door ieder van de twee paden van bhakti en mystieke yoga afzonderlijk te volgen die Ik heb beschreven. (36) Deze [oorspronkelijke] gedaante van de Opperheer van het Brahman [de Allerhoogste Geest] en Paramâtmâ [het gepersonaliseerde lokale aspect], is de transcendentale, etherische persoonlijkheid van de primaire werkelijkheid [pradhâna] wiens handelingen allen geestelijk zijn.

(37) De [natuurlijke] tijd die bekend staat als de goddelijke veroorzaker van de verschillende verschijningsvormen van de levende wezens, vormt de reden waarom alle levende wezens in angst leven die gemotiveerd door de kosmische intelligentie en zo meer zichzelf als afgescheiden beschouwen. (38) Hij die vanbinnenuit in al de levende wezens doordringt, ieders ondersteuning vormt en [ze dan weer] vernietigt met behulp van andere levende wezens noemt men Vishnu, de genieter van alle offers die die tijdfactor is, de meester aller meesters. (39) Er is niemand die Zijn voorkeur geniet, noch is Hij gebonden aan of afkerig van wie dan ook; Hij draagt zorg voor hen die aandachtig zijn en van onoplettende personen is Hij de vernietiger. (40-45) Hem voor wie bevreesd de wind waait en deze zon schijnt, voor wie bevreesd Indra de regens zendt en de hemellichamen aan de hemel stralen; Hem voor wie bevreesd de bomen, de klimplanten en de kruiden ieder op hun tijd bloemen dragen en vruchten voortbrengen; Hem uit angst voor wie de rivieren stromen en de oceanen niet overstromen, vanwege wie het vuur brandt en de aarde met haar bergen niet verzinkt; Hem vanwege wie de hemel lucht verschaft aan hen die ademhalen en onder wiens heerschappij het geheel van het universum uitdijt tot de volledige werkelijkheid [mahat-tattva] met haar zeven lagen [**]; Hem uit vrees voor wie de goden van de schepping en zo meer die zorg dragen voor de geaardheden der natuur in deze wereld hun functies uitoefenen naar gelang de yuga's [zie 3.11] en onder wiens gezag al dit levende en levenloze staat; die oneindige, uiteindelijke heerser van de Tijd die zijn begin niet kent, is de onveranderlijke Schepper die mensen vormt uit mensen en de heerschappij van de dood beëindigt middels de dood.'

*: Naast de yama, de gelofte van de yoga over wat men niet moet doen zoals vermeld in 3.27: 6, bestaat de regulering van de discipline over wat men wel moet doen in niyama uit: innerlijke en uiterlijke reinheid, tevredenheid, boetvaardigheid, de studie van heilige geschriften en zich inzetten voor de Godspersoon. Zie ook Patañjali's Yoga-sûtra's II: 32.

**: De zeven kos'a's - vijf stuks uitgebreid met soms twee extra - of ook zeven dvîpa's met hun bewustzijnsniveau's op  het vlak van het fysieke, vitale, psychologische, intellectuele, gelukzalige, zelfbewuste en ware zelf.



Hoofdstuk 30: Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

(1) Kapila zei: 'Zoals een wolkenmassa geen weet heeft van de kracht van de wind, heeft ook een persoon geen weet van de kracht van deze tijdfactor, ook al wordt hij er door geconditioneerd. (2) Welke goederen men ook met moeite vergaarde voor zijn levensgeluk worden door de Opperheer [in de vorm van de Tijd] vernietigt en daarover treurt de persoon. (3) In zijn onwetendheid denkt hij dwaas dat het tijdelijke van zijn huis, zijn land en zijn weelde voor het heil van zijn lichaam, iets van blijvende waarde is. (4) Het levend wezen dat zijn bevrediging vindt in dit wereldse bestaan, zal ongeacht zijn verworven geboorte, ermee in overeenstemming verkeren. (5) Zelfs als iemand fysiek in de hel verkeert wenst hij die in waarheid is misleid door het begoochelend materieel vermogen van God het niet zijn helse genoegens op te geven. (6) Met zijn lichaam, echtgenote, kinderen, thuis, dieren, weelde en vriendschappen diep geworteld in zijn hart, denkt hij van zichzelf dat hij het er groots vanaf heeft gebracht. (7) Geplaagd door zorgen over het onderhouden van zijn dierbare familieleden, is hij steeds vol van zonde en gedraagt hij met een slechte geest zich als een dwaas. (8) In zijn hart en zinnen bekoord door een vrouw die hij in het privé treft en door het vertoon van de lieve woordjes van zijn kinderen, verkeert hij in de greep van de valsheid van de illusoire wereld [van tijdelijke zaken die voor eeuwig doorgaan]. (9) Verwikkeld in de huishoudelijke verplichtingen van zijn gezinsleven dat aanleiding geeft tot allerlei soorten van ellende, heeft hij het er druk mee deze misère zorgvuldig te bestrijden en denkt hij dat hem dat als huishouder gelukkig zal maken. (10) Met behulp van de weelde die links en rechts met veel geweld [en slachtoffers] werd vergaard onderhoudt hij zijn familie maar hij gaat er op zijn beurt onderdoor als hij voor zijn eigen onderhoud mag aanschuiven voor wat er van de maaltijd overbleef. (11) Als hij keer op keer beheerst door begeerte de rijkdom die door anderen wordt genoten wil verwerven, komt hij in de uitoefening van zijn beroep zelf in moeilijkheden en raakt zo geruïneerd. (12) Niet langer in staat zijn gezin te onderhouden, verzucht de ongelukkige man verstoken van schoonheid en weelde dan met een verbijsterde geest vol van verdriet over alles wat hij tevergeefs probeerde.
 
(13) Er aldus niet toe in staat zijn vrouw enzovoorts te onderhouden, geniet hij niet meer het respect dat hij voordien genoot, net zoals een oude os niet meer hetzelfde respect geniet van zijn boer. (14) Hoewel hij nu wordt onderhouden door hen die hij ooit onderhield, ontwikkelt hij daar geen tegenzin tegen en blijft hij, krom groeiend van de ouderdom, maar thuis wonen om daar de dood af te wachten. (15) Hij houdt zich daar dan op als een huisdier etend wat hem achteloos wordt voorgezet en krijgt dan last van zijn spijsvertering, terwijl hij nog maar weinig eet en weinig doet. (16) Door de druk vanbinnenuit puilen zijn ogen uit, hoest hij hard vanwege zijn met slijm verstopte luchtpijp en haalt hij met moeite adem, alleen nog maar 'ucha ucha' zeggend. (17) Buiten bewustzijn neerliggend temidden van zijn treurende vrienden en verwanten is hij, verkerend in de greep van de strop der tijd, niet in staat te spreken ook al is het er eigenlijk wel de tijd voor. (18) Zodoende heeft hij die vergroofde in het onderhouden van zijn gezin, zijn denken en zinnen niet onder controle en sterft hij in grote pijn, terwijl zijn familie huilt als hij de geest geeft. (19) Getuige van de komst van de boodschappers van de dood met hun verschrikkelijke ogen vol van wraak laat hij, met de schrik om het hart, zijn ontlasting en urine lopen. (20) Als waren ze de soldaten van de koning immobiliseren ze zijn lichaam dat ze voor straf met touwen vastbinden en slepen hem dan bij zijn nek met geweld over een grote afstand mee als een misdadiger. (21) Innerlijk gebroken vanwege hun bedreigende aanwezigheid, staat hij verbouwereerd te trillen op zijn benen en wordt hij gebeten door honden terwijl hij in ontzetting zich zijn zonden herinnert. (22) Aangedaan door honger, dorst en de straling van verschroeiende bosbranden en winden op hete en zanderige wegen, voelt hij hoe hij pijnlijk met een zweep op de rug wordt geslagen, terwijl hij niet in staat zich te bewegen geen toevlucht of water vindt. (23) Nu en dan neervallend raakt hij vermoeid en verliest hij zijn bewustzijn, om dan weer wakker te schrikken op de weg van zijn ellende waar hij snel voor de eeuwige heerser van de dood wordt geleid [Yamarâja]. (24) Binnen enkele ogenblikken ziet hij zijn hele leven aan zich voorbijtrekken [hij legt een afstand van 'negenennegentigduizend yojana's af] en krijgt vervolgens de straf die hij verdient. (25) Dan met al zijn leden bedolven onder brandhout wordt hij gecremeerd of ziet hij soms hoe hij zijn eigen vlees opeet of dat dat door andere schepselen wordt gedaan.  (26) Hij is er dan getuige van hoe in zijn laatste rustplaats honden zijn ingewanden uit zijn lijf trekken en tot zijn afschuw slangen, schorpioenen en steekvliegen hem belagen. (27) Hij ziet hoe hij de een na de ander van zijn ledematen gescheiden wordt door grote en kleine dieren die hem uiteenscheuren, van grote hoogten neerwerpen of hem onder water of in holen sleuren. (28) Vanwege een losse omgang met elkaar [er geen vaste seksuele relatie op nahoudend] moet men, of men nu een man of een vrouw is, de vergelding ondergaan in helse staten van woede, zelfvernietiging en begoocheling [tâmisra, andha-tâmisra en raurava en dergelijke, zie 5.26].

(29) O moeder, omdat men [de keerzijde van] deze helse kwellingen hier kan waarnemen, spreekt men van [het vinden van] zowel de hel als de hemel in deze wereld. (30) Hij die aldus [in begeerte, gehechtheid en ontrouw] zorg droeg voor zijn gezin of enkel maar leefde voor zijn maag, zal met het achter zich laten van deze wereld na zijn dood daarvan de gevolgen voor zijn familie en zichzelf onder ogen moeten zien. (31) Na het achterlaten van dit voertuig van de tijd zal hij moederziel alleen de duisternis binnengaan en de prijs betalen voor het leed dat hij anderen afgunstig op hun geluk heeft berokkend in het zorgen voor zijn eigen hachje. (32) Door goddelijke voorbeschikking moet de man die een gezin onderhoudt de helse conditie ondergaan die het gevolg is van zijn slinkse daden, net als iemand die al zijn fortuin heeft verloren. (33) Iemand die in de ijver van het onderhouden van zijn gezin simpelweg goddeloos tewerk gaat, stevent aldus af op de donkerste regionen der zelfvernietiging [andha-tâmisra]. (34) Nadat hij te beginnen met de laagste positie [van een dierlijk leven] voorafgaande aan een menselijke geboorte in de juiste volgorde de vergelding en dat alles heeft ondergaan, mag hij gezuiverd weer naar de wereld der mensen op deze planeet terugkeren.'


Hoofdstuk 31: Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als gevolg van zijn karma gaat het levende wezen door God beschikt middels het deeltje van het zaad van een man de baarmoeder van een vrouw binnen om daar te verblijven voor het verkrijgen van een lichaam. (2) In de eerste nacht versmelt de zaadcel met de eicel, met de vijfde nacht is er een blaasje en in ongeveer tien dagen is het daarna als een pruim, een klompje vlees of een ei. (3) Binnen een maand verschijnt er een hoofd en binnen twee maanden vormen zich ledematen zoals de armen en de voeten. De nagels, [het begin van] haar, beenderen, huid, voortplantingsorganen en de lichaamsopeningen verschijnen binnen drie maanden. (4) In ongeveer vier maanden scheiden de zeven ingrediënten van het lichaam zich [de lichaamssappen en andere elementen], in vijf maanden doen zich gevoelens voor als honger en dorst en in zes maanden begint de foetus zich rechts rond te bewegen in het vruchtvlies [mannen rechts, vrouwen links zo wordt beweerd]. (5) Van de voeding onttrokken aan de moeder, groeit het lichaam van de foetus die daar in die onmogelijke holte verblijft waar in de buurt ontlasting en urine een broedplaats voor bacteriën vormen. (6) Voortdurend smachtend naar voeding, wordt het, kwetsbaar als het is, geplaagd door onzuiverheden ['wormen'] en heeft het aldaar verblijvend aldus zeer te lijden over zijn gehele lichaam, waarbij het telkens weer in een onbewuste staat afglijdt. (7) Het bovenmatige bittere, hete, sterke, zoute, droge, zure etc. van het voedsel gegeten door de moeder wordt door het levende wezen gevoeld in alle lichaamsdelen waardoor het pijn lijdt. (8) Omsloten door het vruchtvlies ligt het aldaar omringd door de ingewanden, met een gekromde nek en rug met het hoofd gebogen in de buik. (9) Als een vogel in een kooi die geen bewegingsvrijheid heeft herinnert het - als het geluk heeft - zich nog wat zich in al de honderden levens allemaal heeft afgespeeld. Zich zo'n lange geschiedenis heugend, zal het verzuchten, want hoe kan het zo geestelijke rust vinden? (10) Het is vanaf de zevende maand begiftigd met bewustzijn, maar wordt, niet in staat daar nog veel langer te verblijven, tegelijkertijd door de druk van de baarmoeder naar beneden gedrongen, precies als de worm die uit dezelfde buik afkomstig is.

(11) Het bange levende wezen gebonden aan zijn zeven ingrediënten [nagels, huid, vet, vlees, bloed, gebeente, merg], doet dan in zijn weerzin, met gevouwen handen en woorden van gebed een beroep op de Heer die het in de baarmoeder plaatste. (12) De menselijke ziel zegt: 'Moge Hij me beschermen die het hele universum beschermt en met Zijn aannemen van verschillende gedaanten deze aarde met Zijn lotusvoeten betreedt. Laat me mijn toevlucht zoeken bij die bescherming die mijn angsten zal wegnemen, bij Hem die vond dat ik deze onware omstandigheid verdiende. (13) Ik, de zuivere ziel overdekt door het grofstoffelijke dat bestaat uit de elementen, de zinnen en het denken, ben door mijn gebondenheid aan mijn activiteiten in deze staat van begoocheling [mâyâ] beland. Laat me mijn eerbetuigingen brengen opdat ik vast moge houden aan de volledig zuivere Onveranderlijke Ene van onbegrensde kennis die in het hart van de boetvaardige verblijft. (14) Ik ben, afwijkend van wat het moet zijn, [als geestelijke ziel] afgescheiden door de overdekking van dit materiële lichaam dat werd gevormd uit de vijf elementen en zich baseert op zintuigen, materiële voorkeuren [guna's], belangen en cognities, en biedt mijn eerbetuigingen daarom U aan, U de Allerhoogste Persoon verheven boven de materiële natuur en haar levende wezens, wiens heerlijkheden niet verduisterd zijn door een materieel lichaam. (15) Door de begoochelende kwaliteit van Uw uiterlijke verschijning heeft dit lichaam dat door de geaardheden en zijn karma eraan gebonden is rond te dolen op het pad van herhaalde geboorte en dood, aanzienlijk te lijden met een bedorven geheugen. Moge wederom dit levend wezen Uw ware natuur inzien. Hoe zou men anders Uw goddelijke genade kunnen vinden? (16) Wat anders dan Uw Goddelijkheid, die als een gedeeltelijke representatie [het Paramâtmâ] verblijft in zowel het levende als het levenloze, zou ons de kennis verschaffen van de drievoudigheid van de Tijd, van het verleden, het heden en de toekomst? Teneinde bevrijd te raken van de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door onszelf, de natuur en door anderen] moeten wij als individuele zielen die bezig zijn op het pad der vruchtdragende activiteiten ons aan die goddelijkheid overgeven. (17) Behept met een lichaam dat zich bevindt in de onderbuik van een ander lichaam, beland zijnde in een poel van bloed, ontlasting en urine en sterk geschroeid door het vuur der spijsvertering, telt [deze individuele ziel met] dit lichaam ernaar verlangend die plaats te verlaten, zijn maanden wanneer het ellendig als het is zal worden bevrijd o Heer. (18) U schonk mij [nog geen] tien maanden oud o Heer [het licht van] Uw onvergelijkelijke, allerhoogste genade. Wat kan ik anders doen dan te bidden met gevouwen handen om in wederkeer mijn dank te betuigen voor de onvergelijkelijke en unieke gratie van U die de toevlucht bent voor hen die ten val kwamen? (19) Dit levend wezen kan in zijn gebondenheid aan de zeven lagen der materie [3.29: 40-45] alleen maar begrijpen wat aangenaam en onaangenaam is, maar door U toegerust met een ander lichaam van zelfbeheersing binnenin mezelf, ben ik werkelijk in staat om U, de oorspronkelijke persoon in mij die de leiding vormt vanbinnenuit, te herkennen als zich zowel ophoudend in het hart als daarbuiten. (20) O Almachtige hoewel ik die leven moet met al de ellende buiten deze buik liever niet van hier vertrek om te belanden in die valkuil, zal ik [net als iedereen] die zich in de wereld begeeft terstond in de ban raken van Uw mâyâ en me verstrikken in de valse vereenzelviging [van het ego] die ten grondslag ligt aan de eeuwige herhaling van geboorte en dood. (21) Daarom zal ik, de ziel welgezind en nu niet langer van streek, mezelf weer snel uit die duisternis bevrijden door de voeten van Heer Vishnu in mijn hart te plaatsen en me zo te behoeden voor dit lot zovele baarmoeders te moeten binnengaan.'

(22) Kapila zei: 'Aldus verlangend vanuit de baarmoeder, prijst het [nog geen] tien maanden oude levende wezen de Heer op het moment dat hij onder de druk van de baarmoeder naar beneden wordt geperst om geboorte te nemen. (23) Vanwege die druk komt het met het hoofdje naar beneden gekeerd plotseling, met de grootste moeite en beroofd van al zijn herinnering, ademloos naar buiten. (24) Als een worm op de aarde belandend beweegt het, besmeurd met bloed, zijn ledematen en huilt het hardop nu het de wijsheid kwijt is met het bereiken van de tegenovergestelde [materiële] positie. (25) Verzorgd door de zijnen die niet snappen wat het wil is het, niet in staat om af te wijzen, in omstandigheden beland die het niet verlangde. (26) Liggend in vervuild linnen [vuile luiers e.d.] wordt het kind geplaagd door ziektekiemen [lijdt het onder uitslag op het lichaam] dat het niet van zijn ledematen weg kan krabben, want het is niet in staat om te zitten, te staan of zich rond te bewegen. (27) Vliegen, muggen, insecten en andere schepselen bijten in het tere huidje van de baby en als ongedierte gebeten door ander ongedierte, zet het, verstoken van wijsheid, het op een huilen. (28) Op deze manier de babytijd ondergaand in lijden en zelfs in zijn kindertijd vanwege zijn onwetendheid niet bereikend wat het wil, wordt het kwaad en verdrietig. (29) Als een lustmatige persoon destructief jegens andere lustmatige personen ontwikkelt het met de trots van het zich ontwikkelende lichaam, vanwege die woede, dan vijandschap ten koste van de ziel. (30) De belichaamde ziel in onwetendheid vasthoudend aan zaken van tijdelijke aard baseert zich dan voortdurend op het fysieke gevormd uit de vijf elementen en denkt aldus dwaas in termen van 'ik' en 'mijn'. (31) Verwikkeld in handelingen ten dienste van het lichaam wordt hij vanwege de gebondenheid aan de duistere motieven van zijn vruchtdragende arbeid achtervolgd door moeilijkheden [bestaande uit de zogenaamde kles'a's] en beweegt hij zich steeds weer in de richting van weer een ander leven in de materiële wereld. (32) Als hij op het materialistisch pad dan wederom [slechts] uit is op menselijke omgang terwille van het genoegen van zijn geslachtsorganen en zijn maag, belandt het levende wezen als voorheen weer in het duister. (33) Want aldus geassocieerd verliest hij zijn zin voor de waarheid, zijn zuiverheid, mededogen en ernst, zijn geestelijk inzicht, voorspoed, bescheidenheid en zijn goede naam, alsmede zijn genade, de beheersing van zijn geest en zinnen en zijn geluk. (34) Men moet geen omgang zoeken met vergroofde, immorele zotten verstoken van zelfverwerkelijking die als deerniswekkende honden dansen naar de pijpen van de dames. (35) Er is niets in de wereld dat een man zo dwaas en afhankelijk maakt als om te gaan met een man die gehecht is aan vrouwen of met een genootschap van mannen die gek zijn op vrouwen. (36) De vader der mensen [Brahmâ] begoocheld door de aanblik van zijn eigen dochter zat als een hert schaamteloos achter haar aan toen hij haar zag in de vorm van een hinde [vergelijk 3.12: 28]. (37) Behalve de wijze Nârâyana is er werkelijk geen man te vinden onder de levende wezens die werden geboren uit Brahmâ wiens intelligentie niet wordt afgeleid door mâyâ in de vorm van een vrouw.

(38) Aanschouw de kracht van Mijn mâyâ in de gedaante van een vrouw die zelfs de veroveraars van de wereld haar op de voet doen volgen bij het optrekken van een enkele wenkbrauw. (39) Iemand die ernaar streeft de vervolmaking van de yoga te bereiken behoort nooit werelds gehecht te raken aan een [jonge, aantrekkelijke] vrouw; men zegt dat voor iemand die tot zelfverwerkelijking kwam door Mij dienst te verlenen, zo met haar omgaan de poort naar de hel vormt. (40) De vrouw geschapen door God is als een overwoekerde put [waar men intuimelt als men niet oplet], ze vertegenwoordigt de zich langzaam opdringende mâyâ, de begoochelende macht van de materiële wereld die men moet beschouwen als de dood voor de ziel. (41) Zij, die door gehechtheid aan vrouwen [in zijn vorige leven] een vrouw werd, denkt, als gevolg van de illusie in de achting voor Mijn mâyâ, dat het uitzijn op de gedaante van een man [haar echtgenoot] haar weelde, nageslacht en een huis zal bezorgen. (42) Zij [op haar beurt] moet ervan uitgaan dat Zijn mâyâ in de vorm van haar echtgenoot, kinderen en huis de dood is die op gezag van God werd teweeggebracht zoals een lokroep door een jager [*]. (43) Omdat de persoon steeds behagen schept in het verrichten van vruchtdragende activiteiten, dwaalt de belichaamde ziel van de ene wereld naar de andere. (44) Zodoende krijgt hij een geschikt lichaam samengesteld uit de elementen, de zinnen en het denken. Als dat op een einde loopt wordt het de dood genoemd maar als het zich manifesteert spreekt men van geboorte. (45-46) Als men [starend in de meditatie] niet in staat is de vaste plaats van een voorwerp waar te nemen houdt dat de dood van de waarnemingszin in, en als men het lichaam beziet als iets dat men zelf is, houdt dat het geboren worden in [in materiële zin]. Hij die waarneemt kan niet tegelijkertijd een voorwerp zien en de getuige van het zien zelf waarnemen, precies zoals de ogen ook niet in staat zijn om in één keer al de verschillende onderdelen van een enkel voorwerp te bekijken. (47)  Men moet de dood niet met afschuw bezien, men moet niet vrekkig de armoe koesteren en zich ook niet druk maken over enig materieel voordeel; als men de ware aard van het levende wezen inziet behoort men zich op deze planeet standvastig en vrij van gehechtheid rond te bewegen. (48) Als men aan de wereld die opgebouwd is uit mâyâ zijn lichaam toevertrouwt moet men, begiftigd met de juiste visie, op basis van de rede zich aldaar rondbewegen in onthechting verbonden in de wetenschap van de [drie vormen van] yoga.'

*: Vergelijk deze passage met het vers in de Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255 dat omgang van de geslachten toestaat in een devotionele setting: 'Man en vrouw behoren samen te leven als huishouders in relatie tot Krishna, enkel voor het doel zich van plichten te kwijten in dienst aan Krishna. Betrek de kinderen, betrek de vrouw, betrek de echtgenoot, allen in Krishna-bewuste activiteiten, en dan zullen al deze lichamelijke of materiële gehechtheden verdwijnen. Aangezien het bemiddelend medium Krishna is, is het bewustzijn zuiver, en bestaat er geen mogelijkheid van terugval wanneer dan ook.' (Rûpa Gosvâmî in: Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255.)


Hoofdstuk 32: De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

(1) Kapila zei: 'Welnu, de persoon die thuiswonend de plichten vervult van een huishouder, geniet keer op keer het voordeel van de zinsbevrediging, de economische opbrengst en de religieuze handelingen. (2) Daarenboven heeft hij in zijn gewetensvol aanbidden van de goden en de voorvaderen met het ceremonieel vertoon van offerandes [genaamd pravritti-dharma], zich verdwaasd door de lust afgekeerd van het zich ontwikkelen in de toegewijde dienst voor de Heer [ten behoeve van het z.g. nivritti-dharma]. (3) Bepaald door een gelovige geest zal de persoon die zwerend bij de voorvaderen en de halfgoden aldus met het drinken van soma [een drank die wordt gedronken door offerende brahmanen] deze wereld verliet in achting voor de orde van de maan [waarmee hij zijn offers bracht] weer naar deze wereld terugkeren [zie ook B.G. 8: 25]. (4) Als Heer Hari zich neerlegt op het slangenbed Ananta S'esha vinden deze werelden van de materieel gehechte huishouders hun einde. (5) Die intelligenten [echter] die met het verrichten van hun persoonlijke plichten geen misbruik maakten ten behoeve van de lust en het economisch gewin, maar meer vrij van materiële gehechtheid hun vruchtdragende handelingen opgaven, zullen de perfectie van de vrede vinden omdat hun bewustzijn gezuiverd raakte. (6) Als men zonder aflaten [in nivritti-dharma] rechtschapen bezig is terwille van de onthechting van het opgeven van eigendomsclaims en egoïsme, raakt men in het doen van zijn persoonlijke plichten volledig gezuiverd door de goedheid van het bewustzijn. (7) Door het pad der verlichting te volgen naderen ze tot de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de oorzaak van de manifestatie en beëindiging van de wereld die zich weerspiegelt in het gelaat van een ieder als de Heerser over de geestelijke en materiële werelden. (8) Tot aan het einde van de lange tijd van twee parârdha's waarin het hele leven van Brahmâ zelf ten einde loopt [zie 3.11], verblijven ze in de bovenzinnelijke wereld verzonken in gedachten over de Allerhoogste. (9) Nadat hij voor de duur van twee parârdha's het natuurlijke zelf [van de schepping] bestaande uit de drie geaardheden heeft ervaren, gaat de Heer van het Voorbije [Brahmâ] met het verlangen een einde te maken aan de materiële overdekking samengesteld uit aarde, water, vuur, ether, het denken, de zinnen, voorwerpen, ego enzovoorts, te dien tijde over in de ongemanifesteerde oerstaat. (10) De yogi's die de verantwoordelijkheid voor hun lichaam niet opgaven in het beheersen van de ademhaling en het denken gaan aldus na zo'n lange tijd met Heer Brahmâ doorgemaakt te hebben, onthecht met hem gezamenlijk de Oorspronkelijke Persoon, de belichaming der gelukzaligheid binnen die de oudste, primaire werkelijkheid van de geest vormt. (11) Mijn beste moeder, zoek daarom middels toegewijde dienst uw toevlucht bij Hem waarover u nu hebt vernomen, Hij die zich ophoudt in het lotushart van een ieder. (12-15) [Maar bedenk wel dat] zelfs Brahmâ de Schepper van het levende en levenloze die de bron van de Vedische wijsheid is, alsook de wijzen en de meesters van de yoga, de Kumâra's en de andere volmaakten en oorspronkelijke denkers van de yoga die de Oorspronkelijke Persoon van de Absolute Waarheid, de eerste van alle zielen, bereikten op basis van hun onthechte, egoloze handelen, ondanks hun onafhankelijke visie en al hun spirituele kwaliteiten, weer opnieuw geboorte nemen om hun posities in te nemen als deze manifestatie van de Heer weer opnieuw wordt geschapen door de werking van de tijd en de drie geaardheden. En dat geldt ook voor alle anderen die de goddelijke weelde genoten die voortkwam uit hun vrome daden, ook zij keren weer terug als de wisselwerking der geaardheden zich opnieuw voordoet.

(16) Zij wiens geesten in deze wereld verslaafd zijn aan vruchtdragende arbeid doen met overtuiging hun voorgeschreven plichten in gehechtheid aan het resultaat van hun handelen en doen dat dan ook telkens weer opnieuw. (17) Geheel gericht op hun huishouding vereren ze hun voorvaderen en hebben ze, voortgedreven door de hartstocht, geesten die uit zijnde op zinsbevrediging vol van zorgen zijn en zinnen die ze niet onder controle hebben. (18) Die [trai-vargika] personen die de drie burgerdeugden [van economie, zinsbevrediging en religieuze dienstverlening] zijn toegewijd, zijn niet geïnteresseerd in het spel en vermaak van Heer Hari, de doder van de demon Madhu, wiens bovenzinnelijke uitnemendheid het bespreken zo waard is. (19) Het opgegeven hebbend met de nectar van de verhalen over de Onfeilbare luisteren ze liever in weerwil van God naar de verhalen van het materialisme, en wat dat betreft zijn ze precies als ontlasting etende zwijnen.

(20)
Als de zon door het zuiden gaat, nemen ze samen met hun families na hun crematie opnieuw geboorte in de wereld van hun voorvaderen om daar hun vruchtdragende handelingen tot het [bittere] einde toe vol te houden [vergelijk B.G. 8: 25]. (21) Als ze de verdienste van hun vrome handelen hebben uitgeput, komen ze meteen hulpeloos ten val uit hun verheven positie om bij goddelijke voorbeschikking terug te keren naar deze planeet, o deugdzame [vergelijk B.G. 9: 21].

(22) Aanbid daarom met heel uw hart de Allerhoogste van uw toevlucht die middels Zijn voeten de toegewijde dienst verbindt met goede kwaliteiten. (23) Het verrichten van toegewijde dienst voor Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, zal zeer spoedig resulteren in de onthechting en spirituele kennis die leiden tot zelfverwerkelijking. (24) Als de geest van de toegewijde in iedere omstandigheid in evenwicht is met de activiteit van de zinnen, maakt deze geen onderscheid meer tussen wat aangenaam is of onaangenaam. (25) Hij die dan vanwege de onthechte opmerkzaamheid van zijn ziel een gelijkgezinde kijk op de wereld heeft, is vrij van voorkeur en afkeer en ziet zich verheven tot de transcendentale positie. (26) Hoewel de Hoogste Persoonlijkheid het unieke geheel vormt van de bovenzinnelijke kennis wordt Hij in filosofisch onderzoek en andere processen van begrijpen verschillend bezien als de Absolute Geest [Brahman], de Superziel [Paramâtmâ] en de Heer die persoonlijk aanwezig is [Bhagavân, zie ook S.B. 1.2: 11]. (27) Het enige doel dat een yogi voor ogen staat in deze wereld is het middels de praktijk van de yoga bereiken van de volledige onthechtig van alles. (28) Voor iemand die afkerig is van de kennis der spiritualiteit doet de Absolute Waarheid die is verheven boven de geaardheden zich voor als een zintuiglijk waar te nemen relativiteit van vormen [die echter wordt] misverstaan in talloze [speculatieve] overwegingen. (29) [Maar] net zoals uit het grote geheel van het mahat-tattva met de drie geaardheden en de vijf elementen, het materiële lichaam van het levende wezen zich vormde met het individuele bewustzijn, de elf zinnen [de vijf zinnen van handelen en waarnemen met inbegrip van de geest] en het valse ego, vormde zich ook het universum uit het kosmisch ei van alle universa [en mag men dus concluderen dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de lokale overdekking van de individuele ziel en de gigantische universele overdekking van de Superziel;  of kort gezegd, dat men het universum dus moet zien als een persoon]. (30) Met geloof en toewijding immer standvastig zijnde in de yoga zal hij dit begrijpen wiens geest gefixeerd is in de onthechting van het afstand nemen van de materiële betrokkenheid.

(31) En zo Mijn achtenswaardige moeder, heb Ik deze spirituele kennis beschreven die de visie op de Absolute Waarheid onthult waarmee men begrip heeft voor de werkelijkheid van het materiële en persoonlijke [prakriti en purusha]. (32) Middels zowel de jñâna-yoga [de yoga van de spirituele kennis] als de vrijheid van de geaardheden op Mij gericht die men bhakti noemt, bereikt men - beter dan door ieder van hen afzonderlijk - het doel dat men aanduidt met het woord Bhagavân. (33) Net zoals één en hetzelfde voorwerp dat vele verschillende kwaliteiten heeft op verschillende manieren wordt waargenomen door de zintuigen, wordt ook de ene, unieke Heer van Alle Fortuin verschillend bekeken naar gelang de verschillende wegen die in de geschriften worden beschreven. (34-36) Door materiële handelingen, opofferingen, liefdadigheid, versobering, studie van de geschriften, filosofisch onderzoek, het onderwerpen van het denken en de zinnen, alsook door verzaking en het afzien van baatzuchtige handelingen, het beoefenen van de verschillende vormen van yoga, het verrichten van  toegewijde dienst en het naleven van individuele plichten - zowel in geval van een actief als een contemplatief leven [pravritti- en nivritti-dharma] -, zal men met consequente onthechting en kennis van de wetenschap der zelfrealisatie, de Allerhoogste Heer zien zoals Hij werkelijk is: als aanwezig in zowel de materiële wereld als in bovenzinnelijkheid [saguna en nirguna]. (37) Ik gaf uitleg over de vier afdelingen van de persoonlijke identiteit [svarûpa] in toegewijde dienst [in combinatie met de geaardheden en hun transcendentie *] en de niet waarneembare actie van de tijd [de conditionering] die de levende wezens voortdrijft. (38) Voor het levend wezen Mijn beste moeder, zijn er vele manieren van materieel tewerk gaan in onwetendheid [omtrent de eigen aard]. Ze komen allen voort uit het werken voor een materieel resultaat [karma] en hij die zich erin verstrikt is om die reden dan ook de weg kwijt. 

(39) Dat wat Ik zei is er niet voor bedoeld om kwaadwilligen en zij die zich slecht gedragen te onderrichten en moet ook niet worden overgedragen aan opstandige en offensieve types of aan wie dan ook die slechts in naam zijn plicht doet. (40) Ook moet men dit niet uitleggen aan begeertige lieden, noch aan iemand die gehecht is aan huis en haard en ook niet aan iemand die Mij niet toegewijd is of een hekel heeft aan Mijn toegewijden. (41) Het is bedoeld voor trouwe zielen, toegewijden, mensen met respect, zij die niet op anderen afgeven, zij die vriendelijk zijn en volijverig gewetensvol van dienst zijn. (42) Zegt dit aan hen die met een geest van vrede onthechting ontwikkelden voor dat wat zich buiten hen bevindt, die niet afgunstig zijn en rein zijn en voor wie Ik de meest beminnelijke der beminnelijken ben. (43) O moeder, hij die hier slechts een enkele keer met geloof over vernam of het voor zichzelf herhaalt met zijn aandacht op Mij gevestigd [japa doend], zal voorzeker Mijn hemel bereiken.'


* De vier identiteiten met de geaardheden en hun transcendentie staan bekend als het spel van de orde dat de mens speelt in zijn identificaties van het overeenkomstig de vier klassen [varna], de vier vormen van status [âs'rama], de drie geaardheden [guna] en de acht niveaus van transcendentie [ashthânga] functioneren met een zekere graad van ervaring. 
 

Hoofdstuk 33: De Verzaking van Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de beminde echtgenote van Kardama, de moeder genaamd Devahûti, aldus had geluisterd naar de woorden van Heer Kapila, droeg zij, nadat ze bevrijd was van de sluier der onwetendheid en ze Hem haar eerbetuigingen had gebracht, gebeden op aan de auteur in de aangelegenheid van de fundamentele [Sânkhya-yoga] waarheden die de grondslag vormen van de bevrijding. (2) Devahûti zei: 'Men zegt dat de Ongeborene [Brahmâ], die voortkwam uit de lotusbloem [voortspruitend] uit Je buik, op Jouw in het water neerliggende lichaam mediteerde dat de bron vormt van de stroom van de natuurlijke geaardheden en het beginsel is dat al het gemanifesteerde van de materiële elementen, de zinnen, de zinsobjecten en het denken doordringt. (3) Als die ene persoon van het universum die door de interactie van de geaardheden de schepping en dat alles verdeelde, houdt Je stand op basis van Je heldenmoed. Jij vormt daarbij, door Je te onderscheiden als de onfeilbare die niet handelt, het verschil als de Heer van alle levende wezens wiens duizenden energieën het bevattingsvermogen te boven gaan. (4) Hoe kan het dat Jij als diezelfde persoon geboorte nam uit mijn buik mijn Heer, Jij wiens vermogens ondoorgrondelijk zijn en in wiens buik  dit universum zijn plaats heeft, o Jij die Je aan het einde van het millennium geheel alleen neervleit op het blad van een banyanboom als een baby die zijn voetje likt? (5) Jij hebt dit lichaam aangenomen om het zondig handelen terug te dringen o mijn Heer en instructies te verschaffen over de toewijding. Net als met Je nederdalingen als de zwijn-incarnatie en andere, ben Je er ook als deze om het pad der zelfverwerkelijking te openbaren. (6) Met Jou is op welk moment dan ook zelfs de laagst geborene met het horen zingen van Je naam, het brengen van eerbetuigingen voor Jou of zelfs maar door de enkele  herinnering aan Jou, er terstond toe in staat de Vedische rituelen te voltrekken, en dan zien ze Jou, o Fortuinlijke, nog niet eens van aangezicht tot aangezicht! (7) O hoe zalig en derhalve aanbiddelijk is hij die Je heilige naam vóór op zijn tong heeft, ook al kookt hij maar voor zichzelf. Terwille van Jou deden de mensen van geestelijke ontwikkeling [de Ariërs] die de Veda's bestudeerden en Jouw heilige naam hebben aanvaard, hun boete, brachten zij vuuroffers en dompelden ze zich onder in de heilige rivieren. (8) Jou biedt ik mijn eerbetuigingen, Jij de Hoogste Geest, de Hoogste Persoonlijkheid, Heer Vishnu die de naam van Kapila draagt en die de bron van de Veda's is, Hem naar wie ik mij inwaarts keerde, die ik voor de geest had, waarop ik mediteerde en door wiens vermogen de invloed van de geaardheden verdween.'

(9) Maitreya zei: 'De Allerhoogste Heer genaamd Kapila gaf aldus geprezen vol van liefde voor Zijn moeder haar antwoord met woorden van gewicht. (10) Heer Kapila zei: 'Door dit makkelijk uit te voeren pad te volgen dat Ik u uiteenzette Mijn beste moeder, zal u zeer spoedig het hoogste doel bereiken. (11) U kan erop vertrouwen dat met deze instructie van Mij die door de transcendentalisten wordt nageleefd, u Mij vrij van angst zult bereiken, terwijl degenen die hier niet van op de hoogte zijn de [herhaling van de kringloop van geboorte en] dood realiseren.'

(12) Maitreya zei: 'Na deze uitleg nam die eerbiedwaardige Allerhoogste Heer van het pad der zelfverwerkelijking, Kapila, de leraar van de Absolute Waarheid met permissie afscheid van Zijn moeder en vertrok. (13) Zoals haar zoon haar had gezegd in Zijn uitleg over de yoga, concentreerde ze zich om in dat woonverblijf [in Kardama's paleis], dat met zijn bloemenweelde het kroonjuweel van de Sarasvatî rivier was, verbonden te zijn in de wetenschap van de bewustzijnsvereniging. (14) Terwijl ze regelmatig een bad nam, werd haar krullende, samengeklitte haar grijs en werd haar in oude kleren gehulde lichaam mager van de zware boetedoeningen. (15) Op basis van zijn verzaking in de yoga had Kardama Muni, de stamvader van de mensheid, zijn ongeëvenaarde woning tot stand gebracht met alles wat erbij hoorde die zelfs door de bewoners van de hemel werd beneden. (16) De ivoren bedden wit als melkschuim hadden met goud bestikte spreien en de stoelen en banken waren van goud gemaakt en hadden zachte kussens om te zitten. (17) De wanden waren vervaardigd van puur marmer  en ingelegd met kostbare smaragden en de lampen straalden van de zelfde juwelen als waarmee de dames zich opsierden. (18) De tuin van het huis was prachtig met zijn bloemen en vruchten, vele bomen met paartjes zangvogels en het gezoem van dronken bijen. (19) Als ze een bad nam in de naar lotussen geurende vijver, zongen de hemelse metgezellen voor haar over Kardama's goede zorg.

(20) [Maar] als ze die tuin verliet die zelfs begeerd werd door de vrouwen van Indra, had ze een treurige uitdrukking op haar gezicht omdat ze leed onder het feit dat ze gescheiden was van haar zoon. (21) Met haar echtgenoot naar het woud vertrokken en haar zoon bij haar weg werd ze, ondanks de waarheid waar ze van op de hoogte was, zo verdrietig als een zorgzame koe die haar kalf kwijt is. (22) Op Hem, haar goddelijke zoon Heer Kapiladeva mediterend, raakte ze zeer snel o beste Vidura, onthecht van haar fijne woning. (23) Mediterend op de gedaante van de Allerhoogste Heer zoals Hij had geïnstrueerd, hield zij als haar voorwerp van meditatie het geheel en de delen van het lachende gezicht van haar zoon in gedachten. (24-25) Door op basis van de kennis van de Absolute Waarheid op de juiste manier haar plicht te doen was ze voortdurend bezig in toegewijde dienst en zeer sterk in verzaking. Spiritueel gezuiverd in meditatie op de Grote Ziel wiens gelaat overal wordt waargenomen, zag ze toen in haar zelfrealisatie de symptomen van de geaardheden der natuur verdwijnen. (26) Met haar geest gevestigd in Brahman opgaand in het dienen van de Opperheer die zich in alle levende wezens ophoudt, verdween de materiële pijn van de ongelukkige toestand van haar ziel en bereikte ze het bovenzinnelijke geluk. (27) Zich bevindend in de eeuwige staat der vervoering werd ze vrij van de geaardheden niet langer herinnerd aan haar materiële lichaam, net zoals iemand die opstaat vergeet wat hij in een droom zag. (28) Haar lichaam werd onderhouden door anderen [door haar hemelse dienstmaagden], maar omdat ze niet onder angsten gebukt ging, vermagerde ze niet; met de onzuiverheden [van haar luxe] straalde ze net als een vuur dat gehuld is in rook. (29) Met haar lichaam betrokken in de verzaking van de yoga had ze onder de goddelijke bescherming van haar verzonken zijn in gedachten over Vâsudeva, er geen weet meer van dat haar haar los hing of dat haar kleren in het ongerede waren geraakt. (30) Aldus het pad volgend dat haar door Kapila was onderricht, bereikte ze zonder mankeren in de geest van de Absolute Waarheid van de Opperziel spoedig het einde van haar materiële bestaan en [het hemelverblijf van] de Allerhoogste Heer.

(31) Die allerheiligste plaats waar ze de volmaaktheid bereikte o dappere, staat in de drie werelden bekend onder de naam Siddhapada [de toevlucht der volmaaktheid]. (32) De materiële elementen van haar lichaam dat met de yogabeoefening werd opgegeven werden een rivier die de belangrijkste van alle rivieren is o zachtgeaarde, ze wordt gezocht door allen die de volmaaktheid verlangen daar ze die vervulling verleent. (33) Toen Heer Kapila, de grote yogi en Opperheer, vertrok  uit de hermitage van Zijn vader nadat Hij afscheid had genomen van Zijn moeder, begaf Hij zich in noordoostelijke richting. (34) Hij werd door de Siddha's, de Cânara's, de Gandharva's, de muni's en de Apsara's verheerlijkt en de oceaan bood Hem offergaven en een verblijfplaats *. (35) Aldaar aanbeden door de leraren van het voorbeeld die het Sânkhya-yogasysteem beoefenen, verkeert Hij permanent in samâdhi om de verlossing te verzekeren van [alle zielen in] de drie werelden. (36) Mijn beste zondeloze, dit wat ik u op uw verzoek vertelde over Kapila en Zijn conversatie met Devahûti, zuivert degene die erover verneemt. (37) Wie ook maar die luistert naar of uitweidt over deze vertrouwelijke leringen van Kapila Muni over de eenheid van de ziel en aldus zijn geest heeft gericht op de Fortuinlijke die de vlag van Garuda voert, zal de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer bereiken.'

* Heden ten dage nog steeds bekend en aanbeden als Gangâ-sâgara-tîrtha, de plaats waar de Ganges de oceaan instroomt.

Aldus eindigt het derde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Status Quo.




CANTO 4: De Schepping van de Vierde Orde, de Bescherming door de Heer

Hoofdstuk 1: Stamboom van de Dochters van Manu

(1) S'rî Maitreya zei: 'Svâyambhuva Manu verwekte bij zijn vrouw S'atarûpâ zowel [als twee zoons] drie dochters genaamd Âkûti, Devahûti en Prasûti, zoals u weet [zie 3.12: 56]. (2) Hoewel Âkûti broers had * werd ze aan de grote wijze Ruci uitgehuwelijkt op voorwaarde dat de koning de daaruit resulterende zoon zou krijgen. Dit kwam tot stand met de ondersteuning van religieuze riten en de instemming van zijn vrouw. (3) Ruci, de zeer machtige grote wijze die de voortplanting was toevertrouwd, verwekte een stel kinderen met haar die van de grootste spirituele en brahmaanse kracht waren. (4) Het mannelijk kind van de twee, Yajña ['Hij van het Offer'], was een directe verpersoonlijking van Vishnu terwijl het andere, vrouwelijke kind Dakshinâ Zijn onafscheidelijke volkomen deelaspect, de Godin van het Geluk [Lakshmî] was. (5) De zeer machtige zoon die door de dochter ter wereld werd gebracht werd naar het huis van de overgelukkige Svâyambhuva Manu gebracht, terwijl Ruci Dakshinâ voor zichzelf hield. (6) De Heer en meester van alle offers trouwde met haar die altijd zeer naar Hem verlangde. Zeer blij als ze was om Hem als haar echtgenoot te hebben die zelf ook zeer verheugd met haar was, bracht ze toen twaalf zoons ter wereld. (7) De twaalf waren: Tosha, Pratosha, Santosha, Bhadra, Sânti, Idaspati, Idhma, Kavi, Vibhu, Svahna, Sudeva en Rocana. (8) In het tijdperk van Svâyambhuva stonden ze bekend als de Tushita halfgoden. Marîci was toen de aanvoerder van de wijzen en Yajña was de koning van de halfgoden [Indra]. (9) De twee zoons van Manu, Priyavrata en Uttânapâda, waren in die periode de grootste van alle koningen en hun zonen, kleinzonen,  klein-kleinzonen en hun nageslacht volgden in hun voetsporen gedurende die periode van Manu. (10) Beste Vidura, wat betreft Svâyambhuva die zijn dochter aan Kardama overhandigde, heb je me uitgebreid horen spreken [zie 3.12: 57]. (11) De grote persoonlijkheid Svâyambhuva gaf Prasûti aan Daksha, de zoon van Brahmâ, wiens nageslacht zich enorm over de drie werelden verspreidde. (12) Ik vertelde u reeds over de negen dochters van Kardama die de echtgenotes werden van de negen grote wijzen van geestelijke kennis [zie 3.24: 21-25]. Luister nu naar mijn beschrijving van de geslachten die uit hen voortkwamen. (13) De dochter van Kardama, de vrouw van Marîci ook wel Kalâ genaamd, bracht Kas'yapa en Pûrnimâ ter wereld wiens kinderen zich over de aarde verspreidden. (14) Pûrnimâ kreeg zoons met de namen Virajâ, Vis'vaga, o overwinnaar, en een dochter genaamd Devakulyâ die het water werd dat van de Heer Zijn lotusvoeten afspoelde en later de hemelrivier, de Ganges vormde. (15) De vrouw van Atri Muni, genaamd Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde zoons: Dattâtreya, Durvâsâ en Soma [de maangod], welke [gedeeltelijke] incarnaties zijn van respectievelijk de Superziel [Vishnu], Heer S'iva en Heer Brahmâ.'

(16) Vidura zei: 'O geestelijk leraar, kan u me vertellen hoe in het huis van Atri de belangrijkste halfgoden wat betreft de zaak der handhaving, schepping en vernietiging konden verschijnen in het verlangen iets te gaan doen?'

(17) Maitreya zei: 'Er toe aangezet door Heer Brahmâ om zich voort te planten ging Atri, de belangrijkste van de geleerden in de spirituele kennis, tezamen met zijn vrouw naar de grote berg met de naam Riksha om daar te verblijven voor boetedoeningen. (18) Op die plaats waren er in de tuin van het woud vele as'oka- en palâs'abomen en bloemen, en was er het geluid van het stromende water van de rivier de Nirvindhyâ. (19) Het denken beheersend door de ademhaling te reguleren verbleef de wijze daar een honderdtal jaren van de lucht levend terwijl hij op het ene been van de non-dualiteit stond. (20) Hij dacht: 'Door mijn heil bij Hem te zoeken heb ik me aan Hem overgegeven, moge Hij die de meester van het universum is, mij een zoon schenken die net zo is als Hij.' (21) Door het vuur dat uit het hoofd van de wijze voortkwam en gevoed werd door zijn adembeheersing, werd hij, met de beoefening van zijn boete opgemerkt door de drie belangrijkste goden van de drie werelden. (22) Met het zich verspreiden van zijn roem, kwamen de Apsara's, de muni's, de Gandharva's, de Siddha's, de Vidyâdhara's en de Nâga's, naar zijn hermitage. (23) Toen hij al deze halfgoden en grote persoonlijkheden tegelijkertijd zag verschijnen, klaarde de geest van de wijze op die op zijn ene been tot bewustzijn was gekomen. (24) De symbolen van hun persoonlijke toebehoren herkennend [trommel, kus'agras en werpschijf] alsook de stier, de zwaan en Garuda waarop ze waren gezeten, wierp hij met gevouwen handen zich rechtuit voor hen neer om hen zijn eerbetuigingen te brengen. (25) Verblind door de stralende gloed van hun glimlachende gezichten en de zichtbare voldoening van hun genadevolle blikken, sloot de wijze zijn ogen. (26-27) Met dat beeld voor zich formuleerde hij met gevouwen handen extatisch zijn gebeden voor hen die in alle werelden hoogst gewaardeerd worden. Atri zei: 'Ik buig me neer voor U Heer Brahmâ, Heer S'iva en Heer Vishnu die, zoals steeds in de verschillende tijdperken, Uw lichamen hebt aangenomen in overeenstemming met de geaardheden van de natuur terwille van de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Wie van U werd door mij feitelijk aangeroepen? (28) Wees zo genadig, leg aan mij die zo hevig twijfelt uit hoe het zo kan zijn dat, hoewel ik me ver boven de geesten der belichaamden bevind, U allen hier bent verschenen terwijl ik mijn denken concentreerde op de Ene Grote Heer van Al het Geluk met de bedoeling een kind te verwekken?'

(29) Maitreya zei: 'O machtige, na aldus kennis te hebben genomen van de woorden van de grote wijze, gaven alle drie de hoofdgoden hem glimlachend en in vriendelijke bewoordingen antwoord. (30) De halfgoden zeiden: 'Zoals u het hebt besloten, zo zal het geschieden en niet anders; voor u, wiens vastbeslotenheid nimmer week o beste brahmaan, zijn wij allen een en dezelfde waar u zo waarachtig op mediteerde. (31) Daarom zullen onze volkomen deelaspecten - de zoons die uit u zullen worden geboren - zeer vermaard in de wereld zijn, beste wijze, en tot uw grote geluk zullen ze ook uw goede naam verspreiden.'

(32) Terwijl de echtelieden toekeken keerden de leidende halfgoden die op die manier, volmaakt aanbeden als ze waren, hun zegeningen hadden uitgesproken van daar terug. (33) Soma verscheen als een gedeeltelijke expansie van Heer Brahmâ, Dattâtreya als een oppermachtige yogi van Heer Vishnu en Durvâsâ als een partiële incarnatie van S'ankara [S'iva]. Verneem nu over de generaties die voortkwamen uit Angirâ. (34) S'raddhâ, de vrouw van Angirâ, bracht de dochters Sinîvâlî, Kuhû en Râkâ ter wereld met Anumati als de vierde. (35) De zoons die naast hen door hem verwekt werden waren zeer beroemd in het tijdperk van Svârocisha Manu [de tweede Manu na Svâyambhuva]: het waren de machtige Utathya en de meest vooraanstaande kenner van de Absolute Waarheid Brihaspati. (36) Pulastya verwekte bij zijn vrouw Havirbhû, Âgastya, die in zijn volgende leven Dahrâgni [die van het vuur van de spijsvertering] zou zijn, en Vis'ravâ, die groot was in verzaking. (37) Door Vis'ravâ kwam de halfgod Kuvera, de koning der Yaksha's [zijn bovennatuurlijke bedienden] ter wereld. Hij nam zijn geboorte uit Idavidâ terwijl de zoons Râvana, Kumbhakarna en Vibhîshana werden geboren uit een andere vrouw [genaamd Kes'inî]. (38) Gati, de echtgenote van Pulaha, o toegewijde, bracht drie kuise zonen ter wereld [Karmas'reshthha, Varîyân en Sahishnu] die alles van karma afwisten en eveneens zeer respectvol en tolerant waren. (39) Kriyâ, de vrouw van de wijze Kratu, bracht zestigduizend wijzen ter wereld die leefden naar de Vâlakhilya [een aantal Rig-veda verzen over het teruggetrokken bestaan]. Ze blonken uit in het brahmaanse perspectief [en stonden ook bekend als de kleinen, de Vâlakhilya's die door Brahmâ voortgebracht de wagen van de zon omringden]. (40) Verwekt door de wijze Vasishthha kwam uit Ûrjâ [ook wel Arundhatî genoemd], o grote, Citraketu ter wereld als de eerste van zeven zoons die allen grote en zuivere wijzen waren van Brahman, de Absolute Waarheid. (41) Dat waren Citraketu, Suroci, Virajâ, Mitra, Ulbana, Vasubhridyâna en Dyumân. En er kwamen ook S'akti en andere zoons ter wereld uit een andere vrouw van hem. (42) Ook Citti [ook wel bekend als Sânti], de vrouw van Atharvâ, kreeg in haar volkomen overgave aan de Dadhyañca gelofte [de gelofte der meditatie] een zoon genaamd As'vas'irâ. Verneem nu over het geslacht van Bhrigu. (43) Bhrigu, zeer fortuinlijk, verwekte bij zijn vrouw Khyâti, de zoons Dhâtâ en Vidhâtâ en een dochter genaamd S'rî, die van grote toewijding voor de Heer was. (44) Aan deze twee zoons werden Âyati en Niyati, twee dochters van de wijze Meru, uitgehuwelijkt en daaruit kwamen Mrikanda en Prâna voort. (45) Mârkandeya Muni werd geboren uit het zaad van Mrikanda en uit Prâna kwam de grote wijze Vedas'irâ voort wiens hoogst machtige zoon genaamd Kavi Bhârgava ook bekend stond als Us'anâ [ofwel S'ukrâcârya]. (46-47) O Vidura, ik heb voor u gesproken over hoe met het nageslacht van de wijze Kardama al de grote wijzen met hun afstammelingen de drie werelden bevolkten met de kleinzoons die uit hun lendenen geboren werden. Het met geloof hierover vernemen is de beste manier om terstond de zonde uit te bannen.

Prasûti, een dochter van Manu, trouwde met de zoon van Brahmâ die Daksha heet. (48) Met haar verwekte hij zestien lotusogige dochters. Dertien werden er uitgehuwelijkt aan Dharma en één werd er aan Agni gegeven. (49-52) Eén dochter schonk hij aan de gezamenlijke voorvaderen en één gaf hij aan Heer S'iva de verlosser der zondaars. S'raddhâ, Maitrî, Dayâ, Sânti, Tushthi, Pushthi, Kriyâ, Unnati, Buddhi, Medhâ, Titikshâ, Hrî en Mûrti zijn de namen van Daksha's dochters die aan Dharma werden geschonken. S'raddhâ gaf geboorte aan S'ubha, Maitrî kreeg Prasâda, Dayâ kreeg Abhaya, Sânti kreeg Sukha, Tushthi kreeg Muda, Pushthi kreeg Smaya, Kriyâ kreeg Yoga, Unnati kreeg Darpa, Buddhi kreeg Artha, Medhâ kreeg Smriti, Titikshâ kreeg Kshema en Hrî kreeg Pras'raya. Mûrti, een vergaarbekken van alle goede kwaliteiten, bracht de wijzen Nara en Nârâyana ter wereld. (53) Het verschijnen van Hen beide verheugde het ganse universum en vulde ieders geest met blijdschap. In alle windrichtingen werden de rivieren, de bergen en de atmosfeer aangenaam. (54-55) De halfgoden, Brahmâ en anderen droegen allen vol respect hun gebeden op. Uit de hemelen weerklonken muziekinstrumenten, er werden bloemen uit de hemel naar beneden gestrooid, de wijzen hieven tevreden Vedische hymnen aan, de Gandharva's en Kinnara's begonnen te zingen, de hemelse maagden dansten, en zo zag men alle goede voortekenen. (56) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen voor de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoonlijkheid die middels Zijn uitwendige energie de variëteit van al het bestaande schiep dat zich in Hem bevindt net zoals  men de wolkenmassa's in de hemel aantreft, Hem die vandaag verschenen is in het huis van Dharma in de gedaante van deze wijzen. (57) Moge Hij die we kennen aan de hand van de Veda's en die - om een einde te maken aan het ongeluk van de geschapen wereld - ons, de halfgoden, schiep vanuit de geaardheid goedheid, ons Zijn genadevolle blik vergunnen die de smetteloze lotus waarin de Godin van het Geluk huist nog overtreft.'

(58) O Vidura, na aldus te zijn geprezen door de verzamelde halfgoden die de genade van Zijn blik vonden, vertrok de Allerhoogste Heer naar de Gandhamâdanaheuvel. (59) Deze twee partiële [ams'a-]incarnaties van de Allerhoogste Heer Hari zijn nu alhier verschenen om de last van de wereld te verlichten in de gedaante van de twee van Krishna [Krishna en Arjuna] die de besten zijn die de Kuru- en Yadudynastie voortbrachten. (60) Svâhâ [de dochter van Daksha en] de vrouw van Agni, de heersende godheid van het vuur, bracht drie zonen voort: Pâvaka, Pavamâna en S'uci die zich voeden met de offergaven. (61) Uit hen kwamen vijfenveertig vuurgoden voort, zodat er alles bij elkaar negenenveertig van hen zijn, de vaders en grootvader meegerekend. (62) Zij vormen met hun namen de [49] vuren waarin de kenners van het Brahman tijdens Vedische offerplechtigheden hun kleinschalige offers [ishthi's] voor Agni brengen. (63) De voorvaderen bestaan uit de Agnishvâtta's, Barhishada's, Saumya's en Âjyapa's; men benadert hen [met het brengen van plengoffers van water] met dan wel zonder vuur en Svadhâ, Daksha's dochter, is hun echtgenote. (64) Zij schonken haar twee dochters, Vayunâ en Dhârinî, die beiden expert waren in zowel de kennis als de wijsheid [der transcendentie] van de onpersoonlijke weg van Brahman. (65) De echtgenote van Bhava [een naam van S'iva] genaamd Satî, hield zich trouw bezig met het dienen van de halfgod, maar bracht niet een zoon ter wereld met haar kwaliteiten en karakter. (66) Haar vader [Daksha] had zich namelijk ten ongunste woedend opgesteld tegenover de foutloze [S'iva], zodat ze zelfs nog voordat ze de volwassenheid had bereikt in yoga verbonden haar lichaam op moest geven.'


* Normaal gesproken wordt als een vrouw broers heeft ze niet onder deze voorwaarden uitgehuwelijkt. De kleinzoon wordt geadopteerd om de erfenis over te nemen en zo via de mannelijke lijn de nalatenschap veilig te stellen. Dit heet putrikā-dharma: een zoon krijgen door een religieus ritueel.  S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geeft hier als commentaar de verklaring bij dat Manu wist dat de Hoogste Persoonlijkheid als de zoon van Âkûti zou verschijnen. Zo werd Hij dan zijn zoon.

 

Hoofdstuk 2: Daksha vervloekt Heer S'iva

(1) Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde? (2) Hoe kon hij hem haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, van binnenuit tevreden met een vredelievende persoonlijkheid vrij van vijandschap, de grootste halfgod van het universum is? (3) Zeg me daarom, o brahmaan, om welke reden de schoonvader en schoonzoon ruzieden en Satî daardoor het leven opgaf dat zo moeilijk op te geven is.'

(4) Maitreya zei: 'Eens in het verleden hadden op initiatief van de heerser over de schepping [de Prajâpati] de wijzen, samen met de filosofen, de halfgoden en de goden van het vuuroffer en al hun volgelingen, zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid. (5) Toen hij [Daksha] in die grote vergadering arriveerde, gaf dat de wijzen een kijk op hem als iemand die, vrij van de duisternis der onwetendheid, straalde met een luister gelijk die van de zon. (6) Zij, de leden van de vergadering samen met hen die voor het vuur zorgden, stonden toen onder de indruk van zijn luister, met uitzondering van Heer Brahmâ en Heer S'iva, allen op van hun zitplaatsen. (7) Daksha, hij van alle weelde, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene, de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing toen zitten. (8) Voordat hij zijn plaats innam voelde hij zich echter door de zittende Heer S'iva die geen blijk van respect gaf,  beledigd en zijn beheersing verliezend zei hij met een kwade blik in zijn ogen het volgende. (9) 'Luistert naar me, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken, o vuurgoden, hoe ik tot u spreek over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie. (10) Hij [S'iva] heeft met een gebrek aan manieren schaamteloos de eer bezoedeld van de heersers van het universum en het pad bedorven dat de zachtmoedigen volgen. (11) Hij heeft, zich voordoend als een eerlijk man, [als een zoon van mij] het aanvaard een ondergeschikte positie in te nemen door de hand van mijn dochter te aanvaarden in de aanwezigheid van vuur en brahmanen. (12) Hij heeft met het aanvaarden van de hand van haar die ogen heeft als die van een hertje, met zelf de ogen van een aap, mij niet zoals het hoort met een welkomstwoord geëerd door van zijn zitplaats op te staan. (13) Tegen mijn zin heb ik  aan hem die in minachting voor de regels en voorschriften onzuiver en trots gebroken heeft met de beleefdheidsregels, mijn dochter weggegeven alsof de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra werd gegeven! (14-15) In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd en lacht en huilt er als een waanzinnige waarbij hij met zijn haar in de war zich besmeurt met de as van de brandstapel. Hij draagt een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hij is hun leider en hun Heer vergroofd in de geaardheid onwetendheid. (16) Aan hem, de Heer der Spoken verstoken van alle reinheid en zijn hart vol van akelige zaken, heb ik helaas, op verzoek van de hoogste meester [Brahmâ], Satî weggegeven.'

(17) Maitreya zei: 'Na aldus S'iva beledigd te hebben die zich zelf van vijandigheden weerhield, spoelde Daksha zijn handen en mond met water en begon hij hem kwaad te vervloeken: (18) 'Dat aandeel van het offer voor God dat de halfgoden samen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen toekomt, is er niet voor de laagste der halfgoden.' (19) Hoewel de leden van de vergadering er op aandrongen dat niet te doen, keerde Daksha, nadat hij S'iva had vervloekt, terug naar huis o Vidura, want hij was zeer kwaad geworden. (20) Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandis'vara, een van zijn volgelingen, rood aan en blind van woede vervloekte hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaatsvond.

(21) 'Moge hij die in de fysieke aanwezigheid van hem, de niet-afgunstige Heer S'iva, afgunst koestert en aldus zijn verstand kwijt is met een dualistische visie, zijn greep op de werkelijkheid verliezen. (22) Hij die zich aangetrokken voelt tot een huishoudelijk bestaan vol van gepretendeerde religiositeit en in een verlangen naar materieel geluk zich overgeeft aan vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie aangaande het Vedisch woord verloren zien gaan. (23) Laat hem die, met een intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het seksleven, die onmatige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen! (24) Mogen zij die hem volgen in zijn beledigingen en in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft hun intelligentie en kennis zijn kwijtgeraakt, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden. (25) Mogen zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden door de bekoorlijke, bloemrijke taal der Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, voor altijd versuft zijn. (26) Laten die brahmanen die het zochten in scholing, verzaking en geloften met de bedoeling er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'

(27) Toen Bhrigu de woorden hoorde van deze vloek tegen de klasse der tweemaal geborenen, formuleerde hij in reactie daarop een onoverkomelijke vervloeking in overeenstemming met de brahmaanse manier van afstraffen: (28) 'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen. (29) Laten zij die zich lieten initiëren om S'iva te aanbidden en de reinheid hebben afgezworen, dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, hun bestemming vinden in bedwelming. (30) Aangezien u de Veda's en de brahmanen die de gevestigde orde van de samenleving hooghouden hebt belastert, hebt u derhalve uw heil gezocht in het atheïsme. (31) In de Veda's die in het verleden altijd strikt werden nageleefd omdat ze het goedgunstige pad voor alle mensen vormen, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst]. (32) Met het belasteren van die verheven en zuivere geest die de eeuwige weg is van de waarheidlievenden, bent u gedoemd in het atheïsme te belanden waarin u als uw godheid de Heer der materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'

(33) Maitreya zei: 'Toen S'iva aldus ter sprake was gekomen in de vloek van Bhrigu, vertrok de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen. (34) En zo stelden de vaderen der mensheid zich voor een duizendtal jaren in op de offerplechtigheid o grote meester, waarin Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, de belangrijkste van alle goden is. (35) Na hun harten te hebben gezuiverd door daar waar de Ganges samenkomt met de Yamunâ hun rituele, afsluitende bad te nemen, vertrokken ze allen van daar om terug te keren naar hun eigen verblijfplaatsen.'

 

Hoofdstuk 3: Het gesprek tussen Heer S'iva en Satî

(1) Maitreya zei: 'En zo bleef de hartgrondige vijandschap die bestond tussen de schoonvader en de schoonzoon, een lange tijd bestaan. (2) Toen Daksha door Brahmâ, de allerhoogste leraar, werd aangewezen als de belangrijkste van alle stamvaders van de mensheid, raakte hij zeer verwaand. (3) S'iva en zijn volgelingen negerend begon hij, na eerst een Vâjapeya-offer te hebben gebracht, [het offer van 'de beker van de kracht of de veldslag'] aan het beste van alle offers genaamd het Brihaspati-sava-offer [het aanvangsoffer ter ere van de de belangrijkste offeraar der gebeden en gaven]. (4) Daartoe verzamelden zich alle godsbewusten en geleerden der wijsheid, de voorvaderen en de halfgoden met inbegrip van de fraai opgesierde echtgenotes die hun mannen begeleidden. (5-7) Satî, de dochter van Daksha en vrouw van S'iva, hoorde de hemelbewoners van boven praten over het grote festival dat door haar vader werd gehouden, en toen ze bij haar in de buurt de mooie vrouwen van de godsbewusten met glinsterende ogen van alle kanten in mooie jurken met gouden oorbellen en ornamenten om hun halzen, zich in hun hemelse voertuigen rond zag bewegen met hun echtgenoten om daar naar toe te gaan, richtte ze zich hoogst verontrust tot haar echtgenoot, de Heer en meester der Bhûta's [zij die van de materie en de doden zijn]. (8) Satî zei: 'Je schoonvader Daksha, is begonnen aan een grote offerplechtigheid waar al de godsbewusten naar toe gaan en waar wij dus zeker ook naar toe kunnen gaan mijn liefste, als je dat wilt tenminste. (9) Zeker zullen mijn zussen samen met hun echtgenoten er ook naar toe gaan vol van verlangen hun verwanten te treffen. Ik zou ook graag met jou en al de sieraden die me gegeven zijn die bijeenkomst bij willen wonen. Vind je dat goed? (10) Ik zal daar dan zeker mijn zusters en hun echtgenoten ontmoeten alsmede mijn lieve tantes en mijn moeder. Ik kijk er al een lange tijd naar uit hen te treffen en ook de offervanen te zien die zijn opgehesen door de grote wijzen, o genadige. (11) Voor jou o Ongeborene, is deze manifestatie van Zijn uitwendige energie  die werd geschapen als een interactie van de drie geaardheden, zo iets wonderbaarlijks. Maar ik ben slechts je arme vrouw die niet van de waarheid op de hoogte is en graag haar geboorteplaats weer eens wil zien o Bhava [S'iva als de Heer van het bestaan]. (12) O onstoffelijke met je blauwe keel, alle vrouwen, opgesierd en met hun echtgenoten en vrienden, bewegen zich daar samendrommend in grote getale naar toe, zich prachtig aftekenend in de lucht met hun witte zwanen die hen hoog dragen. (13) Hoe kan ik nu emotioneel onberoerd blijven o beste der halfgoden, als ik als de dochter verneem over het festival dat plaatsvindt in het huis van mijn vader? Ook als je niet bent uitgenodigd kan je toch nog wel naar het huis van je vriend, je echtgenoot, je vader of je geestelijk leraar gaan nietwaar? (14) Wees daarom zo goed voor me o onsterfelijke, en beantwoord aan mijn verlangen o eerbare, meedogende Heer met je onbegrensde visie. Zie mij als je [volwaardige] fysieke wederhelft, wees alsjeblieft zo genadig gehoor te geven aan mijn verzoek.'

(15) De wijze zei: 'De bevrijder van de berg Kailâsa [Heer S'iva] aldus aangesproken door zijn liefste, gaf beminnelijk als hij was voor zijn verwanten, glimlachend een antwoord terwijl hij zich de hartverscheurende, boosaardige woorden herinnerde die Daksha had uitgesproken in de aanwezigheid van de bewakers van de schepping. (16) De grote Heer zei: 'Wat je zei mijn liefste schoonheid, is helemaal waar; men kan, zelfs ongenood, naar vrienden gaan, mits ze er niet op uit zijn je fouten aan te wrijven en, wat nog belangrijker is, als ze niet kwaad zijn uit trots over hun materiële verworvenheden. (17) Zij die arrogant zijn, zijn verblind in hun trots over de zes kwaliteiten van de deugd der scholing, de verzaking, de weelde, de schoonheid, de jeugd en een goede afkomst. Zonder achting voor de grote zielen raken ze daarentegen verstrikt in onwaarheid en verliezen ze hun juiste zin voor de werkelijkheid. (18) Men moet niet naar het huis van verwanten en vrienden gaan die in hun veronderstellingen de dingen niet zien zoals ze zijn en aldus hun gasten koeltjes onthalen en ze tegemoet treden met geheven wenkbrauwen en woede in hun ogen. (19) De pijlen van een vijand raken iemand niet zo diep in het hart als het verdriet dat men ondervindt door de misleidende, barse woorden van verwanten, want onder zulk verdriet gaat de getroffene dag en nacht gebukt. (20) Het is duidelijk dat jij met je knappe gezicht en je goede gedrag de lieveling bent van de dochters van de Prajâpati [Daksha], niettemin zal je door je verbondenheid met mij pijn ondervinden omdat je vader mij niet eert. (21) Iemand die met een brandend hart van streek is, is niet zomaar in staat om zelfs maar te tippen aan de standaard van het voorbeeldig vroom gedrag van hen wiens geesten altijd uitgaan naar de Oorspronkelijke Persoon, net zomin als demonen in hun afgunst op de Heer zich vroom kunnen gedragen. (22) O liefste jonge vrouw van me, samen opstaan om elkaar te gaan verwelkomen met eerbetoon is gepast, maar de wijzen richten zich, intelligent als ze zijn jegens het Allerhoogste, op de Oorspronkelijke Persoon die zich in het lichaam ophoudt en zeker niet op degene die zich vereenzelvigt met het lichaam. (23) Het zuivere bewustzijn dat bekend staat als Vasudeva [de goedheid van God] openbaart zich daarin [in het hart] omdat de persoon in die positie in goedheid verkeert en niet overdekt is [door duisternis]. De Allerhoogste Heer respecteer ik als zodanig altijd met de naam Vâsudeva [de 'God van de ziel'], omdat Hij de transcendentie is. (24) Daarom moeten we niet naar je vader Daksha en zijn Vis'vasrik volgelingen aanwezig bij de offerplechtigheid toegaan. [Bedenk wel dat] hoewel hij je jouw lichaam schonk o Satî, hij afgunstig mij met wrede bewoordingen heeft beledigd, ik die onschuldig was. (25) En als jij mijn woorden in de wind slaat en besluit er [op eigen houtje] naartoe te gaan, zullen de zaken zich niet voor jou ten goede keren. Als jij die zo respectabel bent door je familielid beledigd bent, zal die belediging gelijk staan aan ter plekke sterven.'


Hoofdstuk 4: Satî Verlaat haar Lichaam

(1) S'rî Maitreya zei: 'Nadat hij dit allemaal gezegd had over het [mogelijke] einde van het fysieke bestaan van zijn vrouw, viel Heer S'iva stil. Omdat ze nu dankzij S'iva begreep dat ze kon kiezen tussen er naar verlangen haar verwanten te zien en er bang voor zijn om ze te bezoeken, stond ze in dubio of ze nu wel of niet moest gaan. (2) Gefrustreerd in haar verlangen haar familieleden te treffen had ze het er moeilijk mee en liet ze geëmotioneerd haar tranen de vrije loop. Trillend keek ze boos naar haar Bhava, de ongeëvenaarde, alsof ze hem wilde verbranden. (3) Zwaar ademend liep ze weg bij hem, de heilige haar zo dierbaar die zij de helft van haar lichaam had geschonken.  Van slag door haar treurnis en woede en met haar intelligentie versluierd door haar vrouwelijke aard, ging ze toen uit liefde voor haar vaders belichaming op weg naar zijn huis. (4) Zo rap in haar eentje vertrekkend werd Satî gauw gevolgd door de duizenden metgezellen en Yaksha's van de drieogige [Heer S'iva] die werden aangevoerd door Manimân en Mada. Er niet bang voor [Heer S'iva alleen achter te laten] hadden ze de stier Nandî voorop geplaatst. (5) Met haar op de uitgedoste stier gezet namen ze haar lievelingsvogel, bal, spiegel, lotusbloem, witte parasol, muskietennet, bloemenslingers en andere zaken mee onder de begeleiding van de muziek van trommels, schelphoorns en fluiten. (6) Zo betrad ze de offerplaats waar met de offerdieren, potten, klei, hout, ijzer, goud en het gras en de huiden om op te zitten de offerplechtigheid opgeluisterd door de geluiden van Vedische hymnen werd gehouden in de aanwezigheid aan alle kanten van de grote wijzen en gezagsdragers. (7) Maar toen ze daar aankwam werd ze uit angst voor degene die het offer bracht [Daksha] door niemand met respect verwelkomd, behalve dan natuurlijk door haar eigen zussen en moeder die haar vol eerbied omhelsden met verheugde gezichten en kelen verstikt door tranen van genegenheid. (8) Satî echter, niet welkom geheten door haar vader, reageerde niet op het eerbetoon van de begroetingen van haar zusters, moeder en tantes die met gepast respect naar behoren haar op de hoogte stelden en haar geschenken en een zitplaats boden. (9) Inziend dat haar vader zonder offergaven voor S'iva uit minachting voor de godheid de machtige niet voor de bijeenkomst van het offer had uitgenodigd, werd Satî zeer kwaad en keek ze aangebrand met een blik als wilde ze de veertien werelden verzengen. (10) De godin begon toen goed hoorbaar in het bijzijn van allen met woorden vol van woede S'iva's tegenstanders te vervloeken die zo trots waren op hun moeizame offers, terwijl ze S'iva's Bhûta's die klaar stonden om tot de aanval over te gaan, gebood zich afzijdig te houden. (11) De gezegende zei: 'Niemand in de wereld is zijn [S'iva's] rivaal, niemand is zijn vijand noch is er ook maar iemand die hem dierbaar is. Wie anders dan u is er nou jaloers op hem, het meest geliefde wezen van het universum, die vrij is van vijandigheid? (12) In tegenstelling tot u, o tweemaal geborene, zoekt hij geen fouten in de kwaliteiten van hen die de waarheid zoeken, met anderen vergroot hij eerder zoveel als hij maar kan ieder beetje goed dat hij aantreft. En nu bent u bij hem, de grootste van alle personen, fouten aan het constateren. (13) Het wekt geen verbazing dit denigreren van glorieuze personen door hen die het vergankelijke lichaam aanzien voor het ware zelf. Het is een lelijk kwaad dat een afgunst inhoudt op grote persoonlijkheden, een afgunst die er perfect geschikt voor is om bij het stof van de voeten der heiligheid henzelf naar beneden te halen. (14) Personen die slechts een enkele keer vanuit hun hart de twee lettergrepen van zijn naam uitspreken, zien hun zondige handelen onmiddellijk verslagen; voor die S'iva wiens gebod nooit wordt geminacht en die van een onberispelijke reputatie is, koestert u nu vreemd genoeg haat en nijd. (15) In dienst aan zijn lotusvoeten oefenen de hogere persoonlijkheden hun bij-gelijke geesten terwille van de nectar der bovenzinnelijke verrukking, terwijl hij voor de gewone man degene is die men zoekt om alle wensen in vervulling te doen gaan. Dat uitgerekend u nu tegen hem moet zijn, hij de vriend van alle levende wezens in al de drie werelden! (16) Denkt u nu werkelijk dat anderen dan u zoals Heer Brahmâ en zijn brahmanen geen weet hebben van de ongunstige roep van hem die wordt geassocieerd met de demonen en die met zijn loshangende, samengeklitte haren is omhangen met schedels en besmeurd is met as van de begraafplaats? [Maar] zij nemen wel de bloemen die van de voeten vielen [van hem die goedgunstig oftewel S'iva wordt genoemd] op hun hoofden! (17) Als men wordt geconfronteerd met mensen die onverantwoordelijk de heerser der religie belasteren zou men zijn oren moeten dichtstoppen en weg moeten lopen als het niet anders kan. En als men wel iets kan doen, zou men met geweld de tong van dergelijke kwaadsprekende godslasteraars moeten uitsnijden en vervolgens zijn eigen leven moeten opgeven. Dat is de manier om dat soort zaken aan te pakken! (18) Daarom zal ik niet langer dit lichaam met me meezeulen dat ik van u, die God belastert, heb ontvangen. Om je te zuiveren van het abusievelijk gegeten hebben van giftig voedsel kan men het beste gaan overgeven, zo zegt men. (19) Verheven transcendentalisten die behagen scheppen in hun leven houden zich niet altijd aan de regels van de Veda's, de weg van de goden verschilt van die van de mensen. Men moet [daarom] vanuit zijn eigen unieke plichtsbetrachting niet een ander [als S'iva] de maat willen nemen. [zie ook B.G. 18: 47]. (20) Naar waarheid wordt er in de Veda's onderscheid gemaakt tussen handelingen in gehechtheid en handelingen in onthechting [pravritti en nivritti dharma] en heb je aldus op basis van die twee kenmerken van het dharma twee keuzen. Om van beide te zijn is een tegenstrijdigheid en zo kan het dan zijn dat geen van deze bezigheden naar de zin is van hem die van de transcendentie is. (21) O vader, de wegen die wij volgen zijn niet de uwe, ze worden niet aangeprezen door hen die bevredigd door het voedsel van de offers het rituele pad volgen en zo aan hun trekken komen. Ze zijn van die geheelonthouders die de niet-gemanifesteerde vorm van het offeren volgen. (22) Met uw overtredingen tegen S'iva en het ontkennen van dit lichaam dat werd voortgebracht door uw lichaam zeg ik: genoeg is genoeg! Ik schaam me ervoor dat ik voor zo'n verwerpelijke geboorte heb gekozen. Wat een schande is het om door je geboorte verwant te zijn met zo'n slechte persoon, met iemand die grote persoonlijkheden beledigt. (23) Vanwege de familieband die ik met u heb wordt ik er triest van als ik mijn grote Heer S'iva mij 'dochter van Daksha' hoor noemen. Al mijn vreugde en glimlachen verdwijnen dan onmiddellijk. Daarom zal ik deze zak met beenderen die door uw lichaam werd voortgebracht opgeven!'

(24)
Maitreya zei: 'O vernietiger van de vijand, aldus in het offerperk tot Daksha sprekend, ging ze in stilte op de grond zitten met haar gezicht naar het noorden. Na water te hebben beroerd sloot ze, gehuld in saffraankleurige kleding, toen haar ogen om de verzonkenheid te vinden in het proces van de yoga. (25) In de beheersing van haar yogahouding bracht ze de inwaarts en uitwaarts gaande adem in evenwicht en stuurde zij die geen blaam treft haar levensadem naar boven. Met intelligentie hief ze hem geleidelijk op van de navelcakra naar het hart, van het hart naar de luchtpijp en van de keel naar de plek tussen haar wenkbrauwen. (26) In haar verlangen het op te geven vanwege haar woede jegens Daksha, concentreerde zij die keer op keer vol van respect op de schoot van de meest aanbiddelijke van alle heiligen had gezeten, zich door de oefening van haar wilskracht op de lucht en het vuur in haar lichaam. (27) Toen ze daar in haar geest niets anders voor zich zag dan de nectargelijke lotusvoeten van haar echtgenoot, de hoogste geestelijk leraar van het universum en ze vrij was van alle smetten, stond spoedig het lichaam van Satî in lichterlaaie door het vuur dat voortkwam uit haar verzonkenheid.

(28)
Van de kant van hen die er aldaar getuige van waren ontstond er een in de hemel en op aarde luid weerklinkend, wonderbaarlijk groots brullend 'Ohhh..., helaas heeft Satî de geliefde godin van de meest respectabele halfgod haar leven opgegeven uit woede over Daksha. (29) Och zie toch hoe enorm zielloos hij is, de Prajâpati uit wie alle generaties zijn ontsproten. Met zijn gebrek aan respect heeft zij vrijwillig haar lichaam opgegeven, zij, zijn eigen dochter Satî die ons herhaalde respect waardig is. (30) Hij zo hardvochtig en de brahmaanse status onwaardig, zal wijd en zijd een slechte roep verwerven in de wereld, omdat hij met zijn overtredingen als een vijand van Heer S'iva niet heeft verhinderd dat zijn eigen dochter zich voorbereidde op de dood!' (31) Terwijl de mensen zo onderling met elkaar spraken na getuige te zijn geweest van de wonderbaarlijke dood van Satî, stonden de dienaren van S'iva met geheven wapens op met de bedoeling Daksha te doden. (32) Maar zo gauw hij ze zag aankomen offerde Bhrigu snel offergaven in het zuidelijke vuur terwijl hij hymnen uit de Yajur Veda reciteerde om de vernietigers van een offer af te weren. (33) Door de gaven die werden geofferd door Bhrigu manifesteerden zich bij duizenden de halfgoden genaamd de Ribhu's die dankzij de maan [Soma] en door boetedoeningen grote kracht hadden verworven. (34) En al de geesten en Guhyaka's [de wachters van S'iva] die door hen werden aangevallen met stukken brandhout uit het vuur, vluchtten daarop weg in alle richtingen [opgejaagd] dankzij de gloed van enkel de brahmaanse macht.'


 

Hoofdstuk 5: Het Verhinderen van Daksha's offerplechtigheid

(1) Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî veroorzaakt door de schaamteloosheid die de Prajâpati aan de dag legde en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgekomen uit Daksha's offervuur, werd hij ongekend kwaad. (2) Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide met een elektrisch vuur. Abrupt opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet de haar op de grond. (3) Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen en een duizendtal armen die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (4) Toen hij [Vîrabhadra] met gevouwen handen de grote Heer vroeg: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer der Geesten?', zei de Heer hem: 'Jij als de aanvoerder van mijn bondgenoten o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'

(5) Met die opdracht omliep hij, als de woede van de woede van de god der goden, de machtige S'iva. Met de niet te weerstane kracht die de machtigste hem geschonken had, beschouwde hij zich als oppermachtig mijn beste Vidura, en aldus in staat om welke kracht ook te trotseren. (6) Met banden om zijn enkels die een hard geluid maakten en een drietand in zijn handen die schrikwekkend genoeg was om zelfs de dood uit het leven te helpen haastte hij zich toen met een luide brul weg, gevolgd door S'iva's soldaten die [mee]brulden met een enorm rumoer. (7) Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de Yajña en al de personen verzameld, vanuit het noorden de duisternis van een zandstorm opdoemen. De brahmanen en hun vrouwen begonnen toen te speculeren over waar dat stof vandaan kwam: (8) 'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn want Koning Barhi is nog steeds in leven om hen te bestraffen en de koeien worden ook niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'

(9) De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit gevaar is nu het gevolg van de zonde van Daksha die als Satî's Heer en schepper zijn volmaakt onschuldige dochter heeft beledigd in de aanwezigheid van haar zusters. (10) Of zou hij het zijn die als de eindtijd is aangebroken danst met zijn wapens als vlaggen gehesen in zijn handen en met zijn bos haar loshangend, terwijl hij de heersers met zijn puntige drietand doorboort en zijn luide lach als een donderslag in alle windrichtingen laat weerklinken? (11) Hoe kan men ook het geluk vinden als men als degene die de zaken regelt de toorn heeft afgeroepen van hem die nu met een ondraaglijke gloed vol van woede het zwerk verduistert met de afgrijselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'

(12) Terwijl de mensen [verzameld bij de offerplechtigheid van] Daksha allen zo aan het praten waren, konden ze nerveus om zich heen kijkend overal en bij herhaling talloze beangstigende voortekenen waarnemen in de lucht en op de aarde [als gevolg] van de grote Heer [zijn woede]. (13) Snel, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra die met allerlei opgeheven wapens overal rondrenden met hun gedrongen, geel- en zwartkleurige, op haaien lijkende lichamen en gezichten.

(14) Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (15) Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die terwille van de offerplechtigheid brandden, sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde en sommigen urineerden er. (16) Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en grepen de godsbewusten die weg wilden vluchten. (17) Manimân greep Bhrigu Muni vast, Vîrabhadra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a hield Pûshâ aan en Nandîs'vara bracht de halfgod Bhaga op. (18) Gebukt onder een regen van stenen verkeerden de priesters, de goddelijken en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren in alle staten en verspreidden ze zich in alle richtingen. (19) S'iva's machtige verschijning [Vîrabhadra] scheurde temidden van allen daar bijeen de snor  eraf van Bhrigu Muni die de offerlepel had vastgehouden waarmee de uitgietingen werden gedaan, want hij had het gewaagd om met zijn [trotse] snor S'iva uit te lachen. (20) Bhaga's ogen werden door de grote krijgsheer die hem zeer kwaad ter aarde had geworpen uitgestoken in het bijzijn van de Vis'vasrik's, daar hij door de bewegingen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van Heer S'iva had aangemoedigd. (21) Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij Pûshâ, die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva, de tanden uit de mond. (22) Maar toen hij met zijn voet op de borst van Daksha met een scherpe bijl zijn hoofd van zijn romp wilde scheiden, kon de drieogige reus dat niet voor elkaar krijgen. (23) Noch met wapens, noch met behulp van mantra's in staat om hem enkel maar een schrammetje toe te brengen, was Vîrabhadra met stomheid geslagen en moest hij diep nadenken. (24) Toen viel zijn oog op het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van het lichaam van Daksha, de heer die over het offer heerste maar nu zelf een offerdier was.

(25) Al de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva juichten van vreugde toen ze hem dat zagen doen, terwijl de volgelingen van Daksha de tegenovergestelde emotie ondergingen. (26) In zijn grote woede met Daksha gooide Vîrabhadra het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijke offervuur en stak hij al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van de verblijfplaats van hun meester [Kailâsa, 'daar waar de Guhyaka's verblijven'].'

 


Hoofdstuk 6: Brahmâ stelt Heer S'iva tevreden

(1-2) Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze met al hun ledematen gewond samen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst Heer Brahmâ hun eerbetuigingen en deden hem toen gedetailleerd verslag van de gebeurtenissen. (3) Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen hadden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bijgewoond. (4) Vernemend over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Een grote persoonlijkheid is geweld aangedaan en dat is, gegeven de wens om in overeenstemming te leven, over het algemeen niet bevorderlijk voor uw geluk. (5) Ondanks het begaan hebben van deze overtredingen met het Heer S'iva ontzeggen van zijn aandeel in de offergaven, zal u allen snel zijn genade vinden als u, zonder enige terughoudendheid, hem tevreden stelt door de toevlucht te zoeken van zijn lotusvoeten. (6) U moet niet denken dat u verder kan gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers die u kwaad gemaakt heeft om vergeving vraagt; verstoken van zijn echtgenote was zijn hart zeer van streek door de onaardige woorden [die u bezigde]. (7) Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materieel lichaam hebben, noch zelfs de wijzen die de werkelijke reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks met hem te wagen die zich enkel op de ziel verlaat.'

(8) Nadat hij aldus de godsbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk die hij vanaf zijn eigen plaats leidde naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen die zo geliefd is bij de meester. (9) De plek genoten door de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen] wordt bevolkt door zij die van de perfectie zijn [ofwel Siddha's zijn] en verschillen van andere mensen [ofwel gaven ontwikkeld hebben] op basis van hun geboorte, van hun verzaking, het gebruik van kruiden of door het beoefenen van mantra's in yoga. (10) De bergketen bevolkt door verschillende soorten herten zit vol met allerlei soorten kostbare edelgesteenten en is begroeid met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten. (11) De bergtoppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten die de mystici huisvesten die zich daar vermaken met hun liefhebbende echtgenotes. (12) Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen blind van dronkenschap, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels. (13) Met het rondbewegen van de olifanten lijkt de berg zelf in beweging te zijn, met het geluid van de watervallen is het alsof de berg zelf van zich laat horen en met de bomen die aan ieders wensen beantwoorden is het alsof de berg zelf zijn armen uitstrekt en roept om de vogels. (14-15) De berg wordt verder opgesierd door mandâra, pârijâta, sarala (pijnbomen) en tamâla bomen, s'âla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, cûta's (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's, nâga's, punnâga's en campaka's en men ziet er ook bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. (16) Hij is ook gesierd met goudkleurige lotussen, de kaneelboom, de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî. (17) Met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksha's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen zijn er ook betelnoot bomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen]. (18) Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij eveneens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe]. (19-20) Kumuda-, utpala-, kahlâra- en s'atapatra lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, apen, zwijnen, katten, beren, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen. (21) De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, as'vâsya's, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de eveneens aanwezige groepjes bananenbomen en de prachtigste lotusmeertjes met zanderige oevers. (22) De toegewijden zagen er de wateren van het Alakanandâmeer dat de geur nog droeg van Satî die daar had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer der Geesten. (23) Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] zagen ze het gebied met het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege het soort van lotusbloemen dat men daar aantreft. (24) De twee rivieren de Nandâ en de Alakanandâ die in de buurt van de verblijfplaats van de meester stroomden, waren zelfs nog heiliger door het stof van de lotusvoeten. (25) Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om er na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten en elkaar nat te spetteren met het water. (26) De beide stromen geel van het kunkum poeder [dat van hun borsten afspoelde] deden de olifanten en hun wijfjes die daar een bad kwamen nemen van het water drinken, ook al waren ze niet dorstig. (27) De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt met talloze waardevolle edelstenen, paarlen en goud waardoor ze eruit zagen als wolken die in de hemel oplichten door de flitsen van bliksem.

(28) Door het Saugandhikawoud trekkend dat zo aantrekkelijk was met zijn variëteit aan bomen en dat met bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer der Yaksha's. (29) Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van bijen, en zagen ze ook meertjes met groepen zwanen en de zeldzaamste lotusbloemen. (30) De bries van de sandelhoutbomen deed de wilde olifanten samendrommen en prikkelde de geesten van de vrouwen der deugdzamen keer op keer. (31) De traptreden leidend naar de baadplaatsen vol met lotussen die werden gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de Kimpurusha's], waren gemaakt van vaidûrya gesteente en zo gauw ze die zagen ontwaarden ze niet ver daar vandaan een banyanboom. (32) Op een hoogte van duizenden meters spreidde die boom zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg en wierp een fijne, verkoelende schaduw. Er nestelden geen vogels in. (33) Eronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van menig een grote wijze die verlangt naar de bevrijding, daar zitten zo ernstig als de eeuwige tijd zelve met het hebben opgegeven van zijn gramschap. (34) Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sanandana aan het hoofd en Kuvera, de meester der Guhyaka's en Râkshasa's, zaten daar  vol eerbied rondom de statige en serene Heer. (35) Ze zagen hem daar als de meester der zinnen, de kennis der verzaking en het pad van de yoga, als de vriend van de hele wereld die met zijn totale liefde de zegen voor allen is. (36) Hij kon worden herkend als degene die de asceten graag zien: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze gekleurd lichaam en met de sikkel van de halve maan op zijn hoofd. (37) Met onder zich een kussen van darbha-stro was hij voor een gehoor van alle wijzen met Nârada in gesprek over de eeuwigheid en de Absolute Waarheid. (38) Zijn linkervoet had hij geplaatst op zijn rechterdij en met zijn rechterhand rustend op zijn knie zijn gebedssnoer vasthoudend, gebaarde hij om zijn argument kracht bij te zetten. (39) Met zijn knie gefixeerd aldus leunend en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid ontving hij als de eerste denker onder de wijzen aldaar het eerbetoon van de overige wijzen en heersers der verschillende werelden die hun handen hadden samengevouwen. (40) Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, wiens voeten worden aanbeden, was aangekomen vergezeld door de besten der verlichten en niet-verlichten, stond hij op en boog hij vol respect zijn hoofd precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmanadeva Kas'yapa verwelkomde. (41) Zo ook deden de andere vervolmaakten en grote rishi's dat die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden in het brengen van eerbetuigingen. Na dat vertoon van respect voor Heer S'iva sprak Heer Brahmâ met een glimlach tot hem.

(42)  Brahmâ zei: 'Ik ken u als de beheerser van de ganse manifestatie van de kosmische schepping, als het vermogen van zowel het zaad [van de vader] als de schoot [van de moeder] en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel. (43) Zoals een spin met zijn web tewerk gaat o Fortuinlijke, schept, handhaaft en vernietigt u met de belichaming van uw goedgunstige energie dit universum. (44) Ter bescherming van het voordeel ontleend aan het dharma en de artha [de religie en de economie] machtigde u Daksha om [het systeem van] offeren tot stand te brengen en het respect te verzekeren voor dat wat de mensen samenbindt [het varnâs'rama-systeem] en waar de brahmanen bij zweren met de grootste achting. (45) O goedgunstige, de daden van hem die het goede nastreeft leiden tot de hogere werelden, de hemelen en het bovenzinnelijke bereik terwijl iemand die ten ongunste bezig is een gruwelijke hel wacht. Hoe kan het dat dit voor sommigen precies omgekeerd werkt? (46) Bij de toegewijden die in volle overgave aan uw voeten u perfect herkennen in allerlei soorten levende wezens en die vanuit de Allerhoogste positie geen verschil maken tussen de levende wezens, treft men praktisch nimmer de woede aan die men aantreft bij het dierlijke type mens. (47) Zij die denken dat alles van elkaar verschilt, zij die uit zijn op resultaten, het niet kunnen hebben als het anderen goed gaat en die het hart hebben opgegeven, zijn steeds maar boos op anderen en kwetsen met barse woorden. Ze hoeven niet door u gedood te worden daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood. (48) Als materialisten op sommige plaatsen [die aan Kalî werden toegewezen, zie 1.17: 36] begoocheld door de onoverkomelijke, illusoire energie van de Grote Blauwe Heer [de Heer als Pushkaranâbha] anders tegen zaken [van goed en kwaad] aankijken, zullen heilige personen vanuit hun mededogen nooit hun krachten [tegen hen] in het geweer brengen maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles bij het lot is geregeld. (49) O Heer, aangezien de intelligentie van u, de ziener en kenner van allen, nimmer wordt aangetast door dat grote vermogen van de Allerhoogste Persoon Zijn materiële energie [of mâyâ], zou u in dit geval er naar moeten streven genade te hebben met hen die in hun hart begoocheld zijn vanwege diezelfde illusoire energie die hen verleidt tot karmisch handelen. (50) Heer S'iva, u die zou delen in de opbrengst van Daksha's nu onvoltooide offer deed wat u moest doen toen u een einde maakte aan de offerplechtigheid van zijn slechte priesters en alles vernietigde. Omdat u niet uw deel van het offer dat uzelf begunstigt gegund werd hebt u het recht om te nemen wat het uwe is. (51) Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûsâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben. (52) Laat de godsbewusten wier ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu direct bij uw genade o vertoornde, herstellen van hun verwondingen. (53) O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag nog zijn volkomenheid mag vinden o vernietiger van de yajña.'


Hoofdstuk 7: Het Offer Uitgevoerd door Daksha

(1) Maitreya zei: 'Heer S'iva die aldus door Heer Brahmâ geheel tevreden was gesteld sprak toen voldaan met een glimlach, o machtig gearmde. (2) Mahâdeva zei: 'Ik neem geen aanstoot aan hen die ik als kinderen zie, ik maak me er niet druk over o Heer der geschapen wezens, ik heb hen die begoocheld waren door de uiterlijkheid van God [slechts] gestraft. (3) Laat er voor de Prajâpati wiens hoofd tot as werd verbrand de kop van een geit zijn en laat Bhaga zijn deel van het offer bekijken door de ogen van Mitra. (4) Pûshâ die de ceremonie leidde zal deeg van kikkererwten moeten eten of voedsel dat voor hem gekauwd is, maar de goddelijken die mij wel een deel van het offer gunden zullen zich volledig herstellen. (5) De twee armen van de As'vin's [de tweeling beschermers van de medische wetenschap] en de handen van Pûshâ zijn er voor hen die deze ledematen moeten missen en Bhrigu en de andere priesters mogen de baard van de geit hebben.'

(6) Maitreya zei: 'Allen die op dat moment hoorden wat de beste der begunstigers zei waren innerlijk voldaan o mijn beste en zeiden: 'Goed gezegd, goed gezegd!' (7) Toen werd Heer S'iva door de goddelijken en de wijzen aangevoerd door Bhrigu uitgenodigd en gingen ze samen met de Vrijzinnige [S'iva] en hij die van de Veda is [Brahmâ] voor de tweede keer op weg naar het offer dat ze voor God wilden brengen. (8) Nadat ze allen hadden volbracht wat Heer Bhava hen had opgedragen, voegden ze de kop van het offerdier samen met het lichaam van Daksha. (9) Zo te werk gaand werd Koning Daksha onder toezicht van Rudra aldus met die kop opgewekt uit zijn klaarblijkelijke staat van bewusteloosheid, zodat hij toen de mededogende Heer voor zich zag staan. (10) Zo gauw de Prajâpati de Heer die de stier berijdt zag werd zijn door haat besmette hart zo rein als een [door de regens gevuld] meer in de herfst. (11) Hoewel voornemens tot Bhava te bidden, wou dat met zijn ogen vol tranen vanwege de heftige stroom van emoties bij de herinnering aan de dood van zijn dochter niet lukken. (12) Nadat hij met veel moeite zijn geest die verbijsterd was door zijn liefde en genegenheid in bedwang had gekregen, bad de Prajâpati weer bij zinnen gekomen tot de Heer met lof en welgemeende gevoelens. (13) Daksha zei: 'Wat een grote gunst is mij ten deel gevallen met uw straffen. Ondanks dat u mij versloeg is er noch van uw kant o Fortuinlijke, noch van de zijde van Vishnu, sprake van enige verwaarlozing van een ongekwalificeerde brahmaan [als ik] mijn Heer, dus waarom zou hij die zich aan zijn geloften houdt [en offers brengt, tekortkomen]? (14) O Grote der Groten, de brahmanen werden als de eersten geschapen uit de mond van Brahmâ met de bedoeling de leringen der zelfrealisatie, de geloften en de verzaking te verkondigen. Daarom beschermt u ze telkens als ze nood lijden met een stok in uw hand, net als iemand die zijn kudde beschermt. (15) U die door mij, me niet bewust van uw werkelijkheid, werd beledigd met de pijlen van [mijn] onaardige woorden, slaat daar niet werkelijk acht op. Toen u mij in de hel zag afglijden omdat ik de meest respectabele belasterde, hebt u mij uit mededogen gered. Ik zou graag zien dat u tevreden bent over wat u vanuit uw eigen genade hebt gedaan o Heer.'

(16) Maitreya zei: 'Daksha aldus vergiffenis vindend bij Heer S'iva, begon met de permissie van Heer Brahmâ opnieuw met de uitvoering van het offer samen met de priesters, de geschoolden en de anderen. (17) Om gezuiverd te raken van het contact dat ze hadden gehad met Vîrabhadra en zijn mannen en het offer te kunnen volbrengen dat bedoeld was voor Vishnu, regelden de besten onder de brahmanen drie soorten van offerandes [die onderdeel uitmaakten] van de offerplechtigheid genaamd purodâs'a. (18) O Vidura, zo gauw de leider van de Yajña [Daksha] aldus geheiligd in de meditatie de geklaarde boter met  hymnen uit de Yajur Veda offerde, verscheen Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid ten tonele. (19) Door de helderheid [zich verspreidend] in al de tien windrichtingen van Hem die werd gedragen door Garuda's [of Stotra's] enorme vleugels, raakte de gloed van allen daar aanwezig toen overschaduwd. (20) Met een donkere huidskleur, kleding zo geel als goud, een helm met de schittering van de zon, krullend haar zo zwart als zwarte bijen, een gelaat opgesierd met oorhangers, met een schelphoorn, een lotusbloem, een schijf en pijlen, een boog, een knots, een zwaard en schild in Zijn [acht] handen en met Zijn vele gouden sieraden, zag Hij er uit als een boom in de bloei. (21) Omhangen met woudbloemen droeg Hij Zijn gezellin [Lakshmî] op Zijn borst en slechts een klein deel van Zijn grootse, glimlachende blik volstond om de gehele wereld te behagen. Aan Zijn zijde werden er op zwanen lijkende yakstaartwuifkwasten bewogen en boven Hem zag men een prachtige, maangelijke koninklijke witte baldakijn. (22) Nadat ze Hem zagen arriveren, stonden al de halfgoden en de anderen onder leiding van Brahmâ, Indra en de drieogige S'iva, onmiddellijk op van hun zitplaatsen en brachten ze hun eerbetuigingen. (23) Overstraald door de luister van  Zijn uitstraling vielen ze allen stil en vol ontzag beroerden ze hun hoofden om in gebed neer te buigen voor Adhokshaja, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (24) Hoewel Zijn heerlijkheid het bevattingsvermogen van zelfs de machtigen der ziel te boven gaat, konden ze nu door Zijn genade Zijn bovenzinnelijke gedaante aanschouwen en hun gebeden brengen overeenkomstig hun verschillende capaciteiten. (25) Daksha werd met het zoeken van zijn toevlucht aanvaard met de eervolle offerandes die hij uitvoerde voor de meester aller offers, de allerhoogste leraar van alle stamvaders der mensheid die door Nanda en Sunanda [de belangrijkste dienaren van Nârâyana in Vaikunthha] wordt bijgestaan. Hij bracht Hem toen met het grootste genoegen, een onderworpen geest en met gevouwen handen zijn gebeden. (26) Daksha zei: 'Uwe Heerlijkheid hier nu volledig aanwezig, bent vanuit de zuiverheid van Uw hemelverblijf in een volmaakte transcendentie boven alle mentale gissingen naar hier teruggekeerd. U bent die ene zonder weerga, de heerser over alle materie vrij van angst, die ogenschijnlijk onzuiver met haar [met Mâyâ] in relatie bent getreden als degene die het overzicht heeft en in Zichzelf volkomen is.'

(27) De priesters zeiden: 'Wij allen die niet bekend zijn met de waarheid van Uwe Heerlijkheid die vrij is van de invloed van de materiële wereld, wij die van een intelligentie zijn die door de vloek van S'iva een te grote gehechtheid aan vruchtdragende bezigheden inhoudt o Heer, zijn nu op de hoogte van uw naam [Yajña] die staat voor de regeling van het religieus offeren dat zich in de drie afdelingen [van de drie Veda's] beweegt en ter wille waarvan we ons bezighouden met de aanbidding van halfgoden [als de goddelijkheid van de zon en de maan].'

(28) De leden van de bijeenkomst zeiden: 'Op het pad van herhaalde geboorte en dood hebben we geen plaats om te schuilen. We hebben er hevig onder te lijden gebonden te zijn aan dit machtige bolwerk van de tijd dat vol is van lelijke slangen en waarin de luchtspiegeling van het materieel geluk van een huis en een lichaam een zware last vormt. Als we moeten leven met de dubbele valkuil van verdriet en zogenaamd geluk, de angst voor wilde dieren, de bosbrand van het weeklagen over het belang van de onwetenden en het geplaagd zijn door allerlei soorten van verlangens, genieten wij, met U die beschutting biedt, de bescherming van Uw lotusvoeten.'

(29) Rudra zei: 'O allerhoogste begunstiger, als ik, verlangend naar bevrediging in de materiële wereld, mijn geest heb gefixeerd op Uw beminde lotusvoeten die worden verzorgd en aanbeden door de bevrijde wijzen, hecht ik er met een mededogen gelijk aan dat van U geen waarde aan als onwetende mensen zich tegen mij uitlaten.'

(30) Bhrigu zei: 'Van Heer Brahmâ tot aan alle andere belichaamde wezens is een ieder die, verkerend onder de invloed van de onoverkomelijke materiële energie, verstoken is van de kennis van zijn oorspronkelijke zelf, gehuld in de duisternis der illusie. Zij die U niet zien als zich bevindend in het zelf, kunnen de situatie van U als de absolute werkelijkheid niet begrijpen. O Heer, als de vriend van de overgegeven ziel, wees ons genadig.'

(31) Brahmâ zei: 'Als men probeert Uw persoon te zien, kan men deze oorspronkelijke gedaante van U niet kennen met behulp van de verschillende [zintuigelijke] deugden van respect om kennis te verwerven, want U die de basis vormt van de kennis en objectiviteit der materiële kwaliteiten moet men als verschillend beschouwen van dat wat bestaat uit de materiële energie.'

(32) Indra zei: 'Deze transcendentale gedaante o Onfeilbare, die er is voor het welzijn van het universum, is een bron van genoegen voor de geest en het oog daar U, in het bezit van de acht wapens die U omhooghoudt met Uw armen, hen straft die zich vijandig opstellen tegenover Uw  toegewijden.'

(33) De vrouwen van hen die de offerplechtigheid bijwoonden zeiden: 'Dit met offers aanbidden zoals ingesteld door Brahmâ werd verwoest door Heer S'iva. Moge vandaag de schoonheid van Uw lotusgelijke blik o Heer van het offer, het offer heiligen dat door de woede jegens Daksha tot een stilte verviel als die van de dode lichamen der offerdieren.'

(34) De wijzen zeiden: 'Hoe wonderbaarlijk o Opperheer, zijn Uw handelingen waaraan U, in het uitoefenen van Uw vermogen, nimmer gehecht bent. Noch is Uwe Heerlijkheid gehecht aan de genade van Uw welwillende dienares, de Godin van het Fortuin Lakshmî, voor wiens genade men van aanbidding is.'

(35) De volmaakten zeiden: 'De olifant van de geest die geschroeid is door de bosbrand der [zinnelijke] beroeringen, herinnert zich ondergedompeld in de rivier van de zuivere nectar van Uw avonturen niet langer die ellende en wil er nooit meer uitkomen, net als iemand die is opgegaan in het Absolute.'

(36) Daksha's vrouw zei: 'Wees behaagd mijn Heer met mijn eerbetoon voor Uw goedgunstig verschijnen o toevlucht van de Godin. Met Lakshmî als Uw echtgenote beschermt U ons. Ons offerperk kent geen schoonheid zonder Uw armen o beheerser, net als iemand zonder een hoofd er niet goed uitziet met enkel een romp.'

(37) De plaatselijke bestuurders zeiden: 'We betwijfelen of we U wel kunnen zien met onze materiële zinnen. U, die Uw eeuwige gedaante openbaart, beschouwen we als de innerlijke getuige door wiens genade de gehele illusoire wereld kan worden aanschouwd o eigenaar van alles, want U verschijnt met de elementen ten tonele als de zesde van de vijf der zinnen.'

(38) De groten van de yoga zeiden: 'Zij die door niemand anders dan U dierbaar te achten, zichzelf zien als bestaande in U en niet als los van U, de Superziel van alle wezens o meester, zijn U zeer dierbaar. En hoeveel meer keurt U niet absoluut het geloof van die zielen goed o Heer, die daarmee toegewijd van aanbidding zijn o liefdevolle ouder? (39) We bieden Hem onze eerbetuigingen die met Zijn persoonlijke verschijning middels Zijn materiële energie de lotsbestemming bepaalde van de levende wezens overeenkomstig hun specifieke neigingen, Hij die met de vele materiële kwaliteiten in de materiële wereld op verschillende manieren verscheen ter wille van de schepping, handhaving en vernietiging van de materiële wereld en die in Zijn absolute staat zich afkeerde van de interactie der geaardheden.'

(40) De Veda's in eigen persoon verklaarden: 'Ons respect voor U ontstegen aan de geaardheden der natuur die de toevlucht bent van de kwaliteit der goedheid en de bron van de verzaking en boete in alle religies. Ik noch iemand anders kent U of Uw situatie werkelijk.'

(41) Agni, de vuurgod zei: 'Door Uw gloed ben ik lichtend als het grootste vuur en mag ik in opoffering de vijf soorten van offerandes vermengd met boter aanvaarden; ik biedt Yajña, de beschermer der offerandes, die wordt aanbeden middels de vijf soorten van hymnen uit de Veda, mijn eerbetuigingen.'

(42) De goddelijken zeiden: 'Voorheen bij de verwoesting van het tijdperk [kalpa] toen U als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid rustte in het water en neerlag op het slangenbed Ananta S'esha, nam U dat wat U schiep en van U vervreemd was weer op in Uw buik. U op wie de bevrijde zielen in hun harten mediteren in filosofische speculaties, zien we nu met beide ogen hier aanwezig U bewegend op de weg van de bescherming van ons Uw dienaren.'

(43) De bewoners van de hemel zeiden: 'Marîci en de grote wijzen onder de leiding van Brahmâ en Indra en de goddelijkheid geleid door S'iva, moet worden gezien als deel en geheel van Uw lichaam o God; mogen we jegens de Allerhoogste Almachtige voor wie deze hele schepping slechts iets is om mee te spelen o Heer, altijd in eerbied verkeren en U onze eerbetuigingen aanbieden.'

(44) De Vidyâdhara's [zij die van de kennis houden] zeiden: 'Na met Uw extern vermogen het menselijk lichaam te hebben verworven en met het bewonen van dit lichaam, denkend in termen van 'ik' en 'mijn', zich er foutief mee geïdentificeerd te hebben, zoekt de onwetende persoon die het lichaam voor zichzelf houdt en zich laat afleiden door materiële bezittingen, ook langs verkeerde wegen zijn geluk in zinsobjecten, maar zich lavend aan de nectar van Uw onderwerpen kan hij verlossing vinden, zelfs al is hij daar ver van afgedwaald.'

(45) De brahmanen zeiden: 'U bent het offer, het uitgieten van de geklaarde boter, het vuur in eigen persoon; U bent de mantra's, de brandstof, het kus'agras [om op te zitten] en de potten; U bent de leden van de bijeenkomst, de priesters, de leider van de Yajña en zijn vrouw, de halfgoden en de heilige plechtigheid voor het vuur, de offers gebracht aan de voorvaderen, de somaplant, de gezuiverde boter zelf en het offerdier [zie ook B.G. 4: 24]. (46) In het verleden was U het die als de grote zwijnincarnatie [zie Canto 3.13] vanuit de wateren, als een olifant die een lotus oppakt, de wereld ophief op Uw slagtanden. Heel makkelijk werd de vibratie opgevangen door grote wijzen als Sanaka als een offerande van gebeden in de vorm van een plechtigheid o kennis van de Veda's in eigen persoon. (47) U als diezelfde persoon vragen we tevreden te zijn over ons die nalatig in het brengen van offers in afwachting verkeren van Uw aanwezigheid. Door het zingen van Uw heilige namen slaagt men erin o Heer van het offer, hindernissen te overwinnen. U brengen we onze respectvolle eerbetuigingen.'

(48) Maitreya zei: 'O gezegende, met Hrishîkes'a [Vishnu als de Heer der zinnen], de beschermer der offers, aldus verheerlijkt, trof Daksha, die ervan geleerd had, maatregelen om de offerplechtigheid die door Vîrabhadra was verwoest te hervatten. (49) O zondeloze, Heer Vishnu, de Superziel van alle wezens en genieter van alle offers, was met het hebben verkregen van Zijn aandeel tevredengesteld en richtte zich tot Daksha. (50) De Allerhoogste Heer [Vishnu] zei: 'Ik, Brahmâ en ook Heer S'iva, verschillen niet [wezenlijk] van elkaar en vormen de hoogste oorzaak en Superziel, de getuige en de in zichzelf tevredene van de materiële manifestatie. (51) Ik die Mijn eigen uitwendige energie ben binnengegaan die is samengesteld uit de geaardheden der natuur o tweemaal geborene, schep, handhaaf en vernietig [aldus] de kosmische manifestatie en neem afhankelijk van wat Ik doe een daarbij passende naam. (52) Iemand echter die hier niet van op de hoogte is denkt dat Brahmâ, S'iva en de levende wezens van elkaar gescheiden bestaan en gaat daarin dan [onpersoonlijk aan Mij voorbijgaand] uit van het ene allerhoogste Zelf, het opperste Brahman dat zijns gelijke niet kent. (53) Zoals een persoon er ook nooit vanuit gaat dat zijn hoofd, handen en andere delen van zijn lichaam los van elkaar zouden bestaan, denkt Mijn toegewijde ook niet dat de levende wezens los van elkaar zouden bestaan. (54) Hij o brahmaan, die de drie [van Ons], die de ene natuur vormen van de Superziel aanwezig in alle levende wezens, niet als los van elkaar bestaand beziet, bereikt de vrede.'

(55) Maitreya zei: 'De meest vooraanstaande der stamvaders [Daksha] aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer Hari vereerde, na eerst Hem met het nodige ceremonieel te hebben aanbeden, toen de halfgoden [Brahmâ en S'iva] afzonderlijk. (56) Nadat hij met een geconcentreerde geest Heer S'iva zijn aandeel van de aanbidding had gegund en hij daarbij samen met de priesters ter afronding ook de godsbewusten en de anderen die zich hadden verzameld zijn respect had betoond, nam hij het afsluitende [avabhritha] bad. (57) Toen hij [Daksha] zo op basis van zijn eigen geloof de volmaaktheid van de religieuze plichtbetrachting had bereikt, vertrokken deze drie dienaren van God die aldus tot intelligentie hadden geïnspireerd, naar hun hemelverblijven. (58) Satî, de dochter van Daksha werd, nadat ze haar lichaam had opgegeven, geboren uit de echtgenote van Menâ [of Menakâ] die in de Himalaya's leeft, zo heb ik vernomen. (59) Als S'iva's geliefde was Ambikâ [Durgâ of Satî], daar ze zich tot geen ander voelde aangetrokken, er zeker van wederom hem als haar echtgenoot te aanvaarden. Voor haar was hij het ene doel, het oorspronkelijk mannelijke van de persoon dat sluimert in de uiterlijke, vrouwelijke energie [der materie]. (60) Dit verhaal over S'ambhu [Heer S'iva als de Heer van alle levende wezens] die Daksha's offer vernietigde, vernam ik van een grote toegewijde en discipel van Brihaspati: Uddhava. (61) De persoon die, na vernomen te hebben over deze zuivere handelingen van de Heer, steeds met geloof en toewijding daar ook verslag van doet, zal roem vinden, lang leven en bevrijd van alle materiële smetten de vernietiging van zijn zonden bereiken, o afstammeling van Kuru.'



Hoofdstuk 8: Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

(1) Maitreya zei: 'Geen van hen die worden aangevoerd door Sanaka [de Kumâra's] of de andere zonen van Brahmâ: Nârada, Ribhu, Hamsa, Aruni en Yati, leidden een bestaan als [getrouwde] huishouders, ze leidden [immers] een celibatair bestaan [ûrdhva retasah, hun zaad opwaarts zendend]. (2) O vernietiger der vijanden, Mrishâ, de vrouw [en zuster] van [een andere zoon van Brahmâ met de naam] Adharma [Goddeloosheid] bracht de twee [kinderen] voort die Dambha [Bluf] en Mâyâ [Bedrog] heetten, maar ze werden meegevoerd door [een demon die over het zuid-oosten heerste genaamd] Nirriti die kinderloos was. (3) Uit hen twee werden Lobha [Hebzucht] en Nikrita [Listigheid] geboren o grote ziel. Uit die twee waren er toen Krodha [Woede] en Himsâ [Geweld]. Op hun beurt werden er uit hen [eveneens in een incestueuze, goddeloze verbintenis] de twee kinderen Kali en de zus genaamd Durukti [Barse Woorden] geboren. (4) O beste der waarachtigen, uit Durukti bracht Kali Bhaya [Angst] en Mrityu [Dood] voort en van de combinatie van die twee werden Yâtanâ [Kwellende Pijn] en Niraya [Hel] verwekt. (5) Ik heb u aldus in het kort uiteengezet wat de oorzaak van de teloorgang is [van het in de hel belanden als gevolg van goddeloosheid]. Iemand die deze beschrijving drie keer aanhoort zal een kuis leven leiden en de besmetting van zijn geest weggewassen zien.

(6) Vervolgens zal ik de dynastie beschrijven die vermaard is om zijn deugdzaam handelen o beste der Kuru's. Hij ontstond uit de Manu genaamd Svâyambhuva, die een deel was van een volkomen aspect [te weten Brahmâ] van de Persoonlijkheid van God. (7) Uttânapâda en Priyavrata, de twee zoons van koningin S'atârûpa en haar echtgenoot, waren, als delen [van Brahmâ's volkomen deelaspect] van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, er voor de bescherming en handhaving van de wereld. (8) Van de twee vrouwen van Uttânapâda, Sunîti ['van goed gedrag'] en Suruci ['zij die behagen schept'], was Suruci de echtgenoot veel dierbaarder dan de andere die een zoon had die Dhruva ['de onverzettelijke'] heette. (9) Toen op een dag de koning de zoon van Suruci genaamd Uttama ['hij die excelleert'] die hij op zijn schoot had gezet, aan het liefkozen was, stond hij afwijzend tegenover Dhruva die ook op zijn schoot probeerde te kruipen. (10) Koningin Suruci die zeer trots was [op de aandacht die ze van de koning kreeg] sprak toen jaloers tot Dhruva, het kind van de bijvrouw dat op zijn schoot probeerde te klimmen, op zo'n manier dat de koning het kon horen. (11) 'Mijn beste kind, je verdient het niet te gaan zitten waar de koning zit omdat, hoewel je geboren werd als een zoon van de koning, je niet uit mijn schoot werd geboren. (12) O kind, je snapt niet dat omdat je niet de mijne bent maar uit de buik komt van een andere vrouw, wat je verlangt buiten je bereik ligt. (13) Je kan wel op de troon van de koning plaatsnemen als je dat wilt, maar alleen als je, door boete te doen, de Persoon van God tevreden hebt gesteld en bij Zijn genade jezelf hebt verzekerd van een plaatsje [om te reïncarneren] in mijn schoot.' 

(14) Maitreya zei: 'Pijnlijk getroffen door de harde woorden van zijn stiefmoeder, brieste hij zo woedend als een slang die met een stok wordt geslagen en toen hij zag dat zijn vader zwijgzaam toekeek, begon hij te huilen en liep hij weg naar zijn moeder. (15) Sunîti die van de anderen had gehoord wat er gebeurd was tilde haar briesende zoon, wiens lippen trilden, op haar schoot en betreurde wat haar mede-echtgenote gezegd had. (16) Haar beheersing verliezend huilde ze met een vuur van verdriet dat brandde als droge bladeren en toen ze terugdacht aan de dingen die waren gezegd door de andere vrouw, sprak ze door het waas van de tranen die van haar mooie lotusgezicht vielen. (17) Niet wetend hoe ze het gevaar af moest wenden raakte ze buiten adem en zei ze tegen haar zoon: 'Wens anderen niet ook maar iets ongunstigs toe mijn liefste zoon, want iemand moet zelf lijden onder het kwaad dat hij anderen toewenst. (18) De waarheid van wat moeder Suruci je heeft gezegd over dat je uit de buik van mij, de onfortuinlijke, werd geboren en dat je bent opgegroeid met de melk uit mijn borst, is dat de koning zich schaamt, hij heeft er spijt van dat hij mij als zijn vrouw heeft aanvaard. (19) Alles wat je stiefmoeder je gezegd heeft is waar. Als je graag op de troon wilt zitten zoals Uttama, hou je dan zonder jaloers te zijn mijn liefste zoon, enkel bezig met het aanbidden van de lotusvoeten van Adhokshaja, de Bovenzinnelijke Heer. (20) De Ongeborene [je overgrootvader, Brahmâ] verwierf zonder twijfel zijn verheven positie in het universum en de kwalificaties om te scheppen, door Hem te aanbidden die we kennen door Zijn lotusvoeten en die kan worden benaderd door hen die in zelfregulatie het denken overwonnen. (21) Zo ook vond de Manu, je achtenswaardige grootvader, zijn bevrijding en het hemelse en aardse geluk dat zo moeilijk op een andere manier te bereiken is, omdat hij in aanbidding offers brengend van een onwankelbare toewijding en een grote liefdadigheid was. (22) Zoek bij Hem, de Zachtmoedige die zorg draagt mijn lieve jongen, je beschutting, want mensen die bevrijd willen raken volgen de weg van Zijn lotusvoeten. Aanbidt de Hoogste Persoonlijkheid door je Zijn beeld voor de geest te halen, nergens anders aan te denken en trouw te blijven aan je eigenlijke plichtsvervulling met Hem. (23)  Ik zou niemand anders weten die je leed zou kunnen wegnemen dan de Heer met de lotusogen. Zelfs de Godin van het Geluk die door anderen wordt aanbeden mijn liefste, is altijd met een lotusbloem in haar hand op zoek naar Hem.'

(24) Maitreya zei: 'Toen hij aldus de bezielende woorden van de moeder had vernomen verliet hij, gewetensvol zichzelf in bedwang houdend, het huis van zijn vader. (25) Nârada die erover vernam en begreep waar hij op uit was, was verrast en met de hand die alle zonde kon verdrijven zijn hoofd beroerend riep hij uit: (26) 'Oh die macht van de heersers! Niet in staat om ook maar enige inbreuk op hun prestige te verdragen, heeft deze hier die nog maar een kind is, zich de onaangename woorden aangetrokken die van zijn stiefmoeder afkomstig zijn.' (27) Nârada zei toen: 'Waarom is het zo mijn beste jongen, dat jij, als een kind dat normaal gek is op sport en spel, je beledigd voelt omdat ze je niet respecteren? (28) Ook al zie je geen andere mogelijkheid, om welke reden anders dan het begoocheld zijn zouden de mensen ontevreden zijn in deze wereld waarin men vanwege zijn karma gescheiden is van elkaar? (29) Daarom zou je tevreden moeten zijn mijn beste. Wat het ook moge zijn waartoe het lot een persoon voorbestemt, wordt door een intelligent iemand herkend als een weg die leidt naar het Allerhoogste. (30) Maar de yoga die je moeder je zei te doen om jezelf tot Zijn genade te verheffen, is volgens mij te moeilijk voor iemand als jij. (31) De grootste wijzen die zich vele levens lang op het pad der onthechting bevonden, konden er in de verzonkenheid van hun gestrenge yogapraktijk nog niet achter komen waar ze naar op zoek waren. (32) Hou nu dan op met deze halsstarrigheid van je, je bereikt er niets mee. Bewaar dat [soort zoeken] maar voor de toekomst, dan zullen zich voldoende kansen voordoen [om je over te geven aan een volwassen aangelegenheid als deze]. (33) Iedere belichaamde ziel die vrede heeft met welk geluk of ongeluk ook dat hem door het lot wordt toebedeeld, kan gene zijde van het duister bereiken. (34) Over dat wat [of degene die] beter is moet men verheugd zijn, voor dat wat [of degene die] van een mindere kwaliteit is moet men mededogen koesteren en voor dat wat [of degene die] gelijkwaardig is moet men vriendelijk zijn. Als men aldus geen verlangens koestert raakt men door beproevingen nimmer van slag.'

(35) Dhruva zei: 'Deze evenwichtigheid van geest waar u het over heeft o Heer, is [een kwaliteit] van mensen die vol van genade zijn voor hen die met hun geluk en verdriet het spoor met de ziel bijster zijn, maar voor personen als wij is het zeer lastig het te zien zoals u. (36) Omdat ik geboren werd als een bestuurder kan ik niet zo verdraagzaam zijn. Pijnlijk getroffen als ik ben door de harde woorden van moeder Suruci ontbreekt mij de genade [te zijn als u]. (37) Vertel me alstublieft wat een eerlijke manier is om mijn verlangen te bevredigen naar een superieure positie in de drie werelden o brahmaan, een positie die zelfs niet bereikbaar was voor anderen als onze vader, grootvader en voorvaderen. (38) U als een waardige nakomeling van Brahmâ trekt met het bespelen van de vînâ, net als de zon rond door de hele wereld ter wille van haar welzijn.'

(39) Maitreya zei: 'Nârada was zeer verheugd toen hij hoorde wat Dhruva zei en vol mededogen gaf hij toen antwoord om de jongen van advies te dienen. (40) Nârada zei hem: 'Dat pad waar je moeder het over had van volledig op Hem geconcentreerd dienst verlenen aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, vormt de hoogste levensbestemming. (41) Voor hem die de hoogste zaligheid van het zelf zoekt middels wat bekend staat als dharma, artha, kâma en moksha [de burgerdeugden van religieuze rechtschapenheid, economische activiteit, de regulatie van de zinsbevrediging en de bevrijding], vormt de aanbidding van de lotusvoeten van de Heer het enige motief. (42) Begeef je voor dat doel mijn beste, met mijn zegen naar de oever van de Yamunâ en wees gezuiverd door de heiligheid van het Madhuvanawoud waar de Heer altijd aanwezig is. (43) Als je een bad genomen hebt in die rivier [ook wel] de Kâlindî genaamd [naar de naam van de berg waar de Yamunâ ontspringt] - hetgeen drie maal daags op de juiste wijze gedaan iets zeer gunstigs is - moet je plaatsnemen op een daarvoor geschikt gemaakte zitplaats. (44) Je moet met een onverstoorde geest mediteren op de Allerhoogste Geestelijk Leraar. Daartoe moet je, in relatie tot de levensadem en de zinnen, middels de drievoudige adembeheersing [van prânâyâma: het beheersen van de ingaande, de uitgaande en de uitgebalanceerde adem] geleidelijk aan de onzuiverheden van je denken opgeven. (45) Altijd bereid tot genade, is Hij met Zijn aangename mond, Zijn manier van kijken, Zijn rechte neus, gewelfde wenkbrauwen en intelligente voorhoofd, de schoonheid van de halfgoden. (46) Jeugdig, aantrekkelijk in al Zijn leden en met lippen en ogen zo roodachtig als de rijzende zon, is Hij, als de toevlucht van de overgegeven zielen die bovenzinnelijk is in ieder opzicht, degene die bescherming biedt zo welwillend als de oceaan. (47) Gekenmerkt door de S'rîvatsa [een paar witte haren op Zijn borst] en van een diepe blauw[grijz]e kleur, is Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid omhangen met bloemen, die de schelphoorn, de knots, de werpschijf en de lotusbloem in Zijn vier handen laat zien. (48) Bij Zijn kleding van gele zijde draagt Hij een  helm, oorhangers van paarlemoer, een halsketting, armbanden en het Kausthubajuweel. (49) Aangenaam voor zowel het oog als de geest, heeft Hij kleine gouden belletjes om Zijn middel en enkels en is Hij van een superieure kalmte, vrede en rust. (50) Hij bezet Zijn positie op de werveling van de lotus van de harten van hen die in eerbetoon zich verenigen in het licht van de glinstering van de nagels van Zijn lotusvoeten. (51) Je moet op deze manier je regelmatig het glimlachen van de Heer voor de geest halen die zo vol van genegenheid is voor de toegewijden en aldus geheel aandachtig je geest laten mediteren op de grootste aller weldoeners. (52) Als je aldus mediteert op de zeer gunstige gedaante van de Opperheer raakt je geest, dan bovenzinnelijk verrijkt, zeer spoedig bevrijd van alle materiële invloeden en zal nimmer naar elders afdwalen.

(53) Alsjeblieft, verneem van mij nu de zeer, zeer vertrouwelijke mantra om te bidden o prins, die als men hem zeven dagen hardop reciteert een persoon laat zien wat zich in de ether beweegt [planeten, hemelwezens, gedachten]. (54) 'Om namo bhagavate vâsudevâya' [alle eer aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva]. Met deze mantra [genaamd de dvâdas'âkshara-mantra] moet hij die onderlegd is en op de hoogte is van de verschillen naar gelang de plaats en tijd [des'a-kâla-vibhâgavit] respect oefenen voor de fysieke verschijning van de Heer, op de manier zoals het hoort met de verschillende hulpmiddelen. (55) Men zuivert met behulp van water, slingers van bloemen uit de natuur, wortels, verschillende vruchten en groenten, vers gras, knoppen, schors en door tulsîblaadjes te offeren die de Heer, je meester, zeer dierbaar zijn. (56) Je kan [alleen zijnd in het woud] ermee beginnen je een godheid te verschaffen - en te vereren - die gemaakt is van stoffelijke elementen als aarde en water [klei] en daarbij als een wijze van volledige zelfbeheersing zijn door in vrede je spraak onder controle te houden en karig te eten van wat het woud ook maar te bieden heeft. (57) Mediteer daartoe op de ondoorgrondelijke activiteiten van de Allerhoogste Heer der Wijsheid in de gedaante van een avatâra, die Hij aan de dag legt om Zijn opperste wil en vermogens uit te oefenen. (58) In dienst van de Allerhoogste Heer moet je Hem in je hart aanbidden met de mantra's die Zijn belichaming vormen op de manier van de toegewijde dienst van de voorgaande leraren zoals ik je dat zei. (59-60) Als de Opperheer aldus middels je lichaam, geest en woorden is aanbeden overeenkomstig de regulerende beginselen van de bhakti, zal Hij de toewijding van de toegewijden die oprecht en serieus bezig zijn doen toenemen en ze belonen met dat wat ze verlangen met betrekking tot het geestelijk leven der gebonden zielen en wat er bij hoort [de zogenaamde purushârtha's]. (61) Als je in bhakti-yoga het ernstig meent met de bevrijding moet je in volledige onthechting van alle zinsbevrediging zonder aflaten een respect oefenen dat vol is van rechtstreekse liefde voor Hem.'

(62) Aldus door Nârada toegesproken, omliep de zoon van de koning hem met het brengen van zijn eerbetuigingen en ging hij naar het Madhuvanawoud dat met de voetafdrukken van de lotusvoeten van de Heer de juiste plaats voor hem was. (63) Toen Dhruva zich aldus had teruggetrokken door het bos in te gaan, dacht de gerespecteerde wijze er goed aan te doen de koning te bezoeken in zijn paleis en aldaar comfortabel gezeten sprak hij tot hem. (64) Nârada zei: 'Beste Koning, uw gezicht lijkt een stuk ouder, waar zit u zo diep over te peinzen? Bent u het spoor bijster met de zinsbevrediging, de religie of de economie?'

(65) De koning gaf ten antwoord: 'O brahmaan,  ik heb mijn zoon, mijn lieve jongen, die nog maar vijf jaar oud is en feitelijk een grote persoonlijkheid en toegewijde, al te gehecht zijnde aan mijn vrouw en te hardvochtig, samen met zijn moeder van hier verdreven. (66) Ik maak me er zorgen over of de hulpeloze jongen wiens gezicht is als dat van een lotus, zonder enige bescherming in het woud o brahmaan, niet aan het verhongeren is of vermoeid is gaan  liggen en door de wolven is verslonden.  (67) Helaas zie toch hoe wreed ik was overwonnen zijnde door een vrouw. Stel je voor hoe hardvochtig ik was met het hem weigeren van genegenheid toen hij uit liefde probeerde op mijn schoot te klimmen.'

(68) Nârada zei: 'Wees niet zeg ik u, wees niet bedroefd over uw zoon. Hij wordt goed beschermd door de Godheid o meester der mensen, u weet niet hoe wijdverspreid Zijn invloed is over de gehele wereld. (69) De jongen is  een meester. Nadat hij voor elkaar heeft gekregen wat zelfs onmogelijk is voor de grootste persoonlijkheden ter wereld, zal hij, ten gunste van uw reputatie, linea recta naar u terugkeren beste Koning.'

(70) Maitreya Muni zei: 'Toen de koning gehoord had wat Nârada hem zei, begon hij over zijn zoon na te denken en verwaarloosde hij zijn welvarende koninkrijk. (71) Ondertussen werd de Oorspronkelijke Persoonlijkheid [door Dhruva], na het nemen van een bad en een nacht vasten, aanbeden met een volmaakte aandacht op de manier die Nârada had aangeraden. (72) De eerste maand dat hij de Heer aanbad at hij alleen maar, voor het hoogst noodzakelijke onderhoud van zijn lichaam, vruchten en bessen in de ochtend na iedere derde nacht. (73) De volgende maand zette de onschuldige jongen zijn respect voor de Almachtige voort, door iedere zesde dag te eten zoals beschreven, waarbij hij op die dagen voedsel tot zich nam bereid uit verdroogde grassen en bladeren. (74) Met het verstrijken van de derde maand dronk hij volledig verzonken in zijn respect voor de Heer der Wijsheid, Uttamas'loka, alleen maar iedere negende dag water. (75) Op die manier doorgaand tot in de vierde maand at hij met het beheersen van zijn adem, mediterend in het aanbidden van God, iedere twaalfde dag enkel nog lucht. (76) Met de vijfde maand zijn adem geheel beheersend stond de zoon van de koning, mediterend op de Schepper, als een pilaar op één been zonder te bewegen. (77) Met zijn geest volledig onder controle zich concentrerend in het hart mediteerde hij met niets anders in gedachten dan de gedaante van de Opperheer, op Hem, de rustplaats der zinnen en hun objecten. (78) Zijn aandacht gevestigd houdend op de grondslag, de kosmische intelligentie van de werkelijkheid, de meester van de primaire ether [pradhâna] en de persoon, de Allerhoogste Geest, begonnen de drie werelden te beven. (79) Zoals hij daar bleef staan op één been, drukte het kind van de koning, met de ene helft [van zijn lichaam] zijn grote teen gekromd in de aarde, precies zoals de koning der olifanten dat doet als die als een boot links en rechts balanceert met iedere stap. (80) Doordat hij in de volle concentratie van zijn meditatie op het geheel van de universele gedaante zijn ademhaling had gestopt en alle lichaamsopeningen had afgesloten, verstikte hij met het aldus inperken van de levensadem al de werelden zodat spoedig al de grote zielen van overal hun toevlucht zochten bij de Heer.

(81) De goddelijken zeiden: 'O Allerhoogste Heer we snappen het niet, de gang van de universele adem is geblokkeerd! Daarom o vergaarbekken der goedheid die zo genadig bent voor de behoeftigen, zoeken wij allen bij U onze toevlucht om van deze calamiteit te worden bevrijd.'

(82) De Allerhoogste Heer antwoordde: 'Vrees niet, dit verstikken van jullie levensadem vindt plaats vanwege de zoon van Koning Uttânapâda die diep is verzonken in gedachten over Mij. Ik zal de jongen zo sterk in zijn vastbeslotenheid van boete, vragen hiermee te stoppen. Keer alstublieft weer terug naar uw woonplaatsen.' 



Hoofdstuk 9: Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

(1) Maitreya zei: 'Zij [de halfgoden], aldus bevrijd van alle angst, brachten de Heer van de grote stappen [Urukrama, Vishnu] hun eerbetuigingen, waarop ze terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen op de rug van Garuda naar het Madhuvana woud in de wens Zijn dienaar te zien [Dhruva]. (2) Hij die gesterkt door zijn meditatie in de yoga Hem gadesloeg schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart, merkte opeens dat Hij was verdwenen, maar om zich heen kijkend zag hij Hem toen recht voor zich staan in dezelfde gedaante. (3) Met Hem voor zich aanwezig wierp hij, in verwarring gebracht, zich ter aarde met zijn lichaam languit als een stok om Hem zijn eerbetuigingen te brengen. Hem aankijkend was het alsof de jongen Hem dronk met zijn ogen, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen.   (4) Toen Hij zag dat hij hem wilde verheerlijken maar niet goed wist hoe dat moest, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, vol begrip voor de jongen genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn. (5) Daarmee de inspiratie ontvangend om in staat te zijn precies dat te zeggen wat hij wilde, kon hij, langzaam zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij de bekende en beroemde Dhruva zou zijn wiens wereld niet te ontkennen was.

(6) Dhruva zei: 'Laat me U mijn eerbetuigingen brengen o Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene vanbinnen, vanuit Uw innerlijk vermogen de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaand, mijn passieve zinnen alsook mijn ledematen, handen, benen en huid tot leven heeft gewekt. (7) U bent de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - toen als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin bent binnengegaan om in de tijdgebonden kwaliteiten op verschillende manieren te verschijnen zoals vuur dat doet in brandhout. (8) De Ene van overgave aan U [Brahmâ] kon als een man die ontwaakt uit zijn slaap dit hele universum overzien dankzij de kennis die U verschafte, o mijn Heer. Hoe kan iemand die op de hoogte is van Uw handelen nu Uw Lotusvoeten die de beschutting vormen voor een ieder die de bevrijding verlangt, buiten beschouwing laten o vriend van hen die te lijden hebben? (9) Het lijdt geen twijfel dat U, de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood, als een wensboom bent voor hen die het, verkerend onder de invloed van de buitenwereld, ontbreekt aan de juiste levensopvatting en U aanbidden met nevenmotieven in hun verlangen naar de bevrediging van de zinnen van deze zak met botten, een bevrediging die zelfs beschikbaar is voor hen die in de hel verkeren. (10) De verrukking van Uw schittering die zich voor belichaamde zielen kan voordoen als ze op Uw lotusvoeten mediteren of als ze luisteren naar de verhalen  van Uw toegewijden, doet zich nimmer voor in het onpersoonlijk verhevene [Brahman] en is ook niet te vergelijken met dat wat men ervaart in [persoonlijk] verheven posities waaruit men - vernietigd door het zwaard van de tijd - weer ten val komt. (11) Laat het zo zijn dat ik de intieme omgang mag genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst o Onbegrensde, met die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren die het materieel bestaan vormt kan oversteken. Laat het zo zijn dat ik gek wordt van het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten. (12) Zij zo hoogstaand mijn lieve Heer, denken nooit aan hun materiële lichaam, hun zich verhouden tot hun zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw; zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd uit zijn op de geur van Uw lotusvoeten. (13) De dieren, de bomen, de vogels, reptielen, goden, demonen en mensen voortgedreven door de materiële energie treft men in het ganse universum aan in allerlei vormen van bestaan en worden om verschillende redenen dan weer wel en dan weer niet gezien o Ongeborene. Dat is wat ik weet, maar van deze bovenzinnelijke gedaante o Allerhoogste, had ik geen idee, ik weet niets anders dan het einde van mijn argument. (14) Aan het einde van ieder tijdperk trekt de Allerhoogste Persoon alles van dit Universum terug in Zijn buik en ligt Hij in zelfreflectie neer in het gezelschap van Ananta S'esha die Zijn bed vormt. Uit de oceaan van Zijn navel ontsprong de gouden verblijfplaats, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (15) U bent de eeuwige bevrijde, smetteloze Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser van de drie geaardheden, de voortdurende intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, genieter en Hij wiens positie verschilt van alle andere. (16) U in wiens natuur altijd de van elkaar verschillende, tegengestelde energieën van kennis en onwetendheid worden aangetroffen, U die dat continuerende Brahman bent, U de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte Ene die eenvoudigweg gelukzalig is, betoon ik mijn respect. (17) Vergeleken met andere zegeningen vormen Uw lotusvoeten de ware o mijn Heer, en  aldus bent U als zodanig de verpersoonlijking van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke. U vol van ijver Uw genade te doen nederdalen, draagt zorgt voor hen die minder van genade zijn zoals ik, zoals een koe voor een kalf zorgt.'

(18) Maitreya zei: 'Toen Hij aldus ten volle was aanbeden middels de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer die er altijd ten gunste van Zijn toegewijden is, tot hem nadat Hij eerst Zijn waardering had geuit. (19) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten hebt o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik je alle fortuin schenken, hoewel het een wens betreft die moeilijk te vervullen is. (20-21) Nimmer eerder Mijn beste jongen, slaagde iemand anders erin zich in te stellen op zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren ronddraaien die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen draaiend met hem aan hun rechterzijde, samen met de sterren al de grote wijzen van het woud zich bewegen zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium. (22) Zo gauw je vader naar het woud is vertrokken, zal de hele wereld je loon zijn. Zij zal voor de duur van zesendertigduizend jaar ononderbroken onder jouw vrome heerschappij staan met de volledige beschikking over al je vermogens. (23) Als je broer Uttama, die de dood vond tijdens de jacht, in het woud wordt gezocht door zijn zeer verdrietige moeder, zal ze in een bosbrand belanden. (24) Na voor Mij, het hart van alle offers, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal ook jij, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van je leven in staat zijn Mij te herinneren. (25) Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's. Als je daarheen vertrokken bent, zal je nooit weer terugkeren.'

(26) Maitreya zei: 'Na de jongen aldus te hebben verzekerd van Zijn persoonlijke bescherming [en verblijfplaats], keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vaandel voert, voor ogen van Dhruva terug naar Zijn hemelverblijf. (27) Hoewel Dhruva op basis van zijn vastberadenheid als het resultaat van zijn dienstbaarheid de voeten van Heer Vishnu had bereikt, was hij niet erg blij met de voldoening die die hij daaruit verkreeg en keerde toen terug naar huis.'

(28) Vidura zei: 'Waarom is het zo dat hij, het met de zeer geconcentreerde aanbidding van Zijn lotusvoeten in één enkel leven hebben verworven van de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer, het eenmaal zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich innerlijk niet zo voldaan voelde?'

(29) Maitreya antwoordde: 'Door de barse woorden van zijn stiefmoeder was hij diep in zijn hart geraakt en ze zich nog alle herinnerend en geen bevrijding verlangend van de Heer der Verlossing, had hij bijgevolg te kampen met verdriet. (30) Dhruva zei tot zichzelf: 'Dat wat de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, in hun verzonkenheid nimmer in één enkele geboorte konden bereiken, heb ik binnen zes maanden doorgrond, maar met het verwerven van de beschutting van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen had gezet op andere zaken dan op Hem. (31) Helaas, zie nu toch het ongeluk gebaseerd op mijn lichamelijk bewustzijn. Met het benaderen van de lotusvoeten van Hem die alle banden kan doorbreken, heb ik gebeden voor dat wat vergankelijk is.  (32) Omdat de halfgoden het niet konden verdragen dat ze [in tegenstelling tot mij, ooit] weer naar de aarde moeten terugkeren, raakte mijn intelligentie besmet en kon ik, slecht als ik was, de waarheid van Nârada's instructies niet aanvaarden. (33) Alsof ik in mijn slaap droomde zocht ik mijn toevlucht in de begoochelende energie van God en beklaagde ik me vanbinnen. De zaken in tegenstelling beziend klaagde ik onder de invloed van de wereld buiten mij dat mijn broeder mijn vijand was, hoewel hij maar een tijdverschijnsel is. (34) Dit waar ik voor gebeden heb, is zo nutteloos als iemand een behandeling geven wiens leven reeds ten einde is. Na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld middels ontzeggingen - iets dat zeer lastig te volbrengen is - bad ik met Hem waarmee men met de wereld kapt, voor een herhaling van geboorte en dood en ben ik daarom ongelukkig. (35) Van Hem die bereid was me Zijn volledige onafhankelijkheid te schenken vroeg ik helaas uit dwaasheid om materiële voorspoed. Het is als een arme man die een grote keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'

(36) Maitreya vervolgde: 'Mijn beste Vidura,  personen als jij die behagen scheppen in het stof van de voeten van de Heer der Bevrijding, zijn in het dienen van Hem niet op hun eigenbelang uit want dat wordt er automatisch mee bereikt, ze beschouwen zichzelf als heel rijk. (37) Toen hij hoorde dat zijn zoon was teruggekeerd als was hij uit de dood opgestaan, kon koning Uttânapâda niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen. (38) [Bevestigd] in zijn geloof in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht en er zeer tevreden over schonk hij hem een kostbaar parelsnoer. (39-40) Zeer begerig zijn zoon te zien beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en verliet, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad samen met de brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden. (41) Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci gingen, behangen met hun goud, samen met Uttama in een draagstoel zitten en voegden zich bij de optocht. (42-43) Hem ontmoetend in een klein bos in de buurt, spoedde de koning zich van zijn wagen en werd hij meteen overmand door liefde op het moment dat hij hem benaderde. Zwaar ademend door zijn grote bezorgdheid omhelsde hij met zijn beide armen langdurig zijn zoon wiens gebondenheid aan de eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de Heer Zijn lotusvoeten. (44) Daarop zijn hoofd keer op keer beruikend, baadde hij, nu hij zijn grootste wens in vervulling gegaan zag, zijn zoon met het koele nat van zijn ogen. (45) Na het respecteren van zijn vaders voeten en door hem te zijn gezegend en vereerd met vragen, boog hij, de nobelste aller zielen, zijn hoofd naar zijn twee moeders. (46) Toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, tilde Suruci hem op, omhelsde hem en sprak ze, verstikt door de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven.' (47) Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is, ontvangt het respect van alle levende wezens, net [zo vanzelfsprekend] als water dat uit zichzelf naar de laagste plek stroomt. (48) Uttama en Dhruva beiden overmand door hun emoties omhelsden met hun haren overeind elkaar keer op keer en lieten hun tranen de vrije loop. (49) Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en gaf, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, alle verdriet op. (50) Daar op dat moment o heldhaftige, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van haar ogen en de melk die begon te vloeien uit de borsten van de moeder van deze held. (51) De mensen om haar heen uitten hun lof voor de koningin: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven nu dat hij, na zo'n lange tijd verloren te zijn geweest, is teruggekeerd om de aarde wijd en zijd te beschermen. (52) U moet Hem aanbeden hebben, de Heer die iemand kan vrijwaren van het grootste gevaar en op wie constant mediterend de wijzen de dood verslaan die zo moeilijk te overwinnen is.'

(53) Dhruva aldus geprezen door de mensen om hem heen, werd door de koning samen met zijn broer op de rug van een vrouwtjesolifant gezet en keerde zo behaagd en gevierd terug naar zijn hoofdstad. (54) Hier en daar waren er prachtige feestbogen gemaakt, er hingen haaientandvormige slingers, en aan rijen bananenbomen en jonge betelnootbomen waren trossen bloemen en vruchten opgehangen. (55) Bij iedere poort was er de versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen tezamen met potten gevuld met water en brandende lampen. (56) De stadspoorten met de omringende muren, de huizen en de koepels van het paleis schitterden aan alle kanten, prachtig versierd als ze waren met kostbare gouden ornamenten. (57) De kruispunten, straten en de marktplaats waren grondig gereinigd en besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten. (58-59) Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden de huisvrouwen hier en daar onder het roepen van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit. Met de klanken van hun zeer aangename liederen in zijn oren betrad hij aldus het paleis van zijn vader. (60) In die fijne woning die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, die onder de voortdurende zorg van zijn vader tot de hoogste status was verheven, als een god. (61) Het paleis was uitgerust met stoelen en meubels met gouden versieringen, met zeer kostbare ivoren bedden en beddengoed zo wit als melkschuim. (62) In de muren gemaakt van marmer waren kostbare edelstenen verwerkt en ook de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door beeldjes van vrouwenfiguren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd. (63) Ook de tuinen waren zeer mooi met verschillende hemelbomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels. (64) Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden en groepjes ganzen, en kraanvogels die in de buurt verbleven.

(65) Toen de rechtschapen koning Uttânapâda hoorde en zag wat de hoogst bewonderenswaardige invloed was van zijn zoon, voelde hij zich zeer gelukkig over dat grote wonder. (66) Op de dag dat hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd en ook werd gewaardeerd door zijn ministers en geliefd was bij zijn onderdanen, maakte hij hem heer en meester over de wereld. (67) Hij, deze koning van Vishnu, beschouwde zichzelf toen eveneens oud genoeg en ging vanuit het oogpunt van zijn zieleheil onthecht het woud in.'

 

Hoofdstuk 10: Het gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

(1) Maitreya zei: 'Dhruva ['de onverzettelijke'] trouwde met Bhrami [wat 'omwentelen' betekent], de dochter van Prajâpati S'is'umâra ['de dolfijn', 'de melkweg'] en gaf haar zoons de naam Kalpa ['tijdperk'] en Vatsara ['tropisch jaar']. (2) Bij een andere vrouw genaamd Ilâ ['de troostrijke'], een dochter van Vâyu [de halfgod van de lucht], verwekte de machtige een zoon genaamd Utkala ['hij die de last draagt'] en een juweel van een meisje. (3) Uttama ['de uitnemende'] echter, Dhruva's broer die niet trouwde, werd tijdens de jacht in het Himalayagebied gedood door een zeer krachtige Yaksha [een boze geest]. Zijn moeder [Suruci] volgde hem [spoedig]. (4) Dhruva vernemend over de dood van zijn broer zwoer in woede ontstoken vol van verdriet wraak en besteeg zijn zegerijke strijdwagen om zich naar de stad der Yaksha's te begeven.

(5) Reizend in de noordelijke richting zag de koning in een vallei van de Himalaya's bewoond door volgelingen van Heer S'iva, een stad vol van spookachtige geesten. (6) Aldaar blies de machtig-gearmde op zijn schelphoorn die in alle richtingen angstwekkend in de lucht weerklonk o bestuurder en daardoor raakten de echtgenotes van de Yaksha's zeer bevreesd. (7) Toen kwamen de zeer machtige soldaten van Kuvera in hun weerzin tegen het geluid van de schelphoorn naar buiten en vielen aan met allerlei soorten wapens. (8) Hij, de held en de machtige boogschutter, kon met hen allen in de aanval, vele tegenstanders tegelijk aan en doodde hen de één na de ander, onder het afschieten van drie pijlen tegelijk. (9) In de veronderstelling dat ze allen zonder mankeren zouden worden verslagen omdat die pijlen op hun vege lijf werden afgeschoten, prezen ze hem voor dat optreden. (10) Het niet kunnen verdragend door hem als adderengebroed onder de voet te worden gelopen, probeerden ze weerstand te bieden en sloegen ze terug met twee keer zo veel pijlen tegelijkertijd. (11-12) In hun ijver zijn optreden en dat van zijn wagenmenner tegen te gaan, stortten zij, 130.000 man sterk, zeer verwoed daarop een regen van allerlei soorten gevederde pijlen, knuppels, zwaarden, drietanden, scherp gepunte lansen, speren en vuurwapens over hem uit. (13) Als een berg die aan het zicht wordt onttrokken door een stortbui, verdween de krijgsheer toen achter die aanhoudende regen van wapens volledig uit het zicht.

(14) In de lucht weerklonk een rumoer van teleurstelling van de kant der volmaakten [de Siddha's] die, getuige van het gevecht, dachten dat deze kleinzoon van Manu, die als de zon was ondergegaan in de zee van Yaksha's, gedood was. (15) De Yaksha's claimden juichend de overwinning, maar toen kwam uit het strijdgewoel zijn wagen weer tevoorschijn zoals de zon uit de mist opdoemt. (16) Zijn zingende goddelijke boog deed zijn vijanden in treurnis verzinken toen hij met zijn pijlen de verschillende wapens uiteensloeg alsof de wind een massa wolken uiteendreef. (17) De scherpe pijlen afgeschoten met zijn boog doorboorden de schilden van de demonen en drongen hun lichamen binnen als blikseminslagen die bergen treffen. (18-19) Het slagveld dat de geesten der helden verbijstert, begon te glinsteren van de hoofden die er, compleet met bloemslingers en tulbanden, prachtig met oorhangers en helmen, door de pijlen waren afgeschoten en de afgesneden benen en armen die met schitterende pols- en armbanden eruitzagen als gouden palmbomen. (20) De resterende soldaten van wie de meesten gewond waren door de pijlen van de grootste aller krijgers, vluchtten weg in alle richtingen als waren ze olifanten verslagen door een leeuw.

(21) Toen hij op dat ogenblik zag dat geen van de soldaten van de tegenpartij nog overeind stond, wilde de beste van alle mannen hun stad bekijken, maar hij ging er niet in binnen want men kan er nooit zeker van zijn wat een mystieke vijand in zijn schild voert. (22) Terwijl hij die de beste strijdwagen had beducht op een tegenaanval van zijn vijanden in gesprek was met zijn wagenmenner, was er een luid geluid te horen als van de oceaan dat kon worden thuisgebracht als de wind van een stofstorm die aan alle kanten opstak. (23) In een mum van tijd was de hemel verduisterd door een massa dichte wolken die overal glinsterden van de bliksem met een dreigend gedonder aan alle kanten. (24) O onberispelijke, er was een stortvloed van bloed, slijm, pus, uitwerpselen, urine, beendermerg en rompen van lichamen die uit de lucht voor zijn voeten neervielen. (25) Toen kon men uit de hemel van overal een stortvloed van stokken, knuppels, zwaarden, en strijdknotsen zien neerkomen samen met een regen grote stenen. (26) Slangen ademend als de donder spuwden vuur met venijnige ogen en groepen van kwaaie olifanten, leeuwen en tijgers drongen zich naar voren. (27) Alsof de dag des oordeels was aangebroken stroomde de zee van alle kanten in wilde golven over de aarde met een geweldig geluid.

(28) Dit soort van verschijnselen wordt in het leven geroepen door demonen die door en door slecht in hun duivelse aard, eropuit zijn de minder intelligenten angst aan te jagen. (29) De grote wijzen zich bewust van de hoogst gevaarlijke mystieke macht die door de demonen tegen Dhruva werd ingezet, schaarden zich toen aaneen om hem te ondersteunen en bij te staan. (30) Ze zeiden: 'O zoon van Uttânapâda, moge de Allerhoogste Heer die de boog draagt met de naam S'ârnga de Godheid zijn die al de vijanden der overgegeven zielen doodt zodat er een eind aan hun lijden komt. Want het is het horen over en zingen van Zijn heilige naam dat de mens terstond geheel over de onoverkomelijke dood heen helpt o Dhruva.'


Hoofdstuk 11: Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord beroerde Dhruva water en legde hij een pijl die door Nârâyana was gemaakt op zijn boog. (2) Zo gauw hij dit wapen van Nârâyana op zijn boog had aangelegd, werden snel de illusies die waren geschapen door de Yaksha's verdreven o Vidura, precies zoals plezier en pijn worden verdreven door het rijpen van geestelijke kennis. (3) Met het hem geschonken wapen op zijn boog sprongen daaruit gouden pijlen met veren als die van zwanen voort die, met het luide geluid van pauwen die een bos binnengaan, de vijandelijke soldaten doorboorden. (4) Over die scherpgepunte pijlen wonden de Yaksha's die zich hadden verspreid op het slagveld zich verschrikkelijk op zodat ze zich met opgeheven wapens woedend in zijn richting spoedden, zoals slangen met uitstaande halzen dat doen uitvallend tegen Garuda. (5) Met zijn pijlen doorsneed hij de armen, benen, nekken en buiken van al de Yaksha's die in de slag op hem afkwamen. Hij zond ze allemaal naar de plaats boven de zon waarheen van oudsher zij die hun zaad opwaarts sturen [de celibatairen] zich begeven. (6) Toen hij zag hoe de Yaksha's die feitelijk niks misdaan hadden werden gedood door de man met de prachtige strijdwagen, was de grootvader, de Manu zo genadig samen met de grote wijzen de zoon van Uttânapâda te benaderen om hem te instrueren. (7) Manu zei: 'Genoeg mijn zoon, hou op met het doden van deze goede kerels die je niets hebben misdaan. Je bevindt je met een dergelijke escalatie van geweld op het pad der onwetendheid en zonde. (8) O mijn beste, deze onderneming van je om de Yaksha's te doden die niet zondigden is ongepast voor een lid van onze familie en is, zo zeggen de wijzen, verboden. (9) Natuurlijk, mijn beste, ben je bedroefd over de dood van de broeder waar je om geeft, maar nu heeft de overtreding van één Yaksha geleid tot het doden van zijn vele metgezellen. (10) Zeer zeker is dit doden van levende wezens nimmer de aangewezen weg voor hen die eerlijk de weg van de Heer der Zinnen bewandelen. Als men het lichaam voor het zelf houdt is men als de dieren. (11) Met meditatie op de Superziel die aanwezig is in alle levende wezens, heb je de verblijfplaats bereikt van Heer Hari die zo moeilijk gunstig te stemmen is. Je hebt door zo van aanbidding te zijn de allerhoogste positie van Vishnu bereikt.  (12) Hoe kan jij als iemand die met de achting van de toegewijden van de Heer altijd door hen wordt herinnerd, jij die als een voorbeeld voor anderen zweert bij het heilige, je nu overgeven aan zo iets abominabels?

(13) Als men verdraagzaam, vriendelijk, genadig en gelijkgezind is jegens alle levende wezens zal de Ziel van Allen, de Allerhoogste Heer, zeer tevreden zijn. (14) De Allerhoogste Heer behagend zal een persoon bevrijd van de geaardheden der materiële natuur en vrij van zorgen over zijn individuele bestaan een onbegrensde geestelijke gelukzaligheid bereiken [brahma nirvâna]. (15) De man en de vrouw evolueerden [onder de dwingende kracht van de Tijd] uit de vijf elementen der materie en uit hun seksualiteit ontstonden er nog meer mannen en vrouwen in deze wereld. (16) Aldus o Koning, vindt er door de interactie van de geaardheden der natuur de schepping, handhaving en vernietiging plaats met de begoochelende energie van het Allerhoogste Zelf. (17) Zoals ijzer wordt bewogen [door een magneet] moet deze wereld van oorzaak en gevolg worden beschouwd als bewogen door de achterliggende oorzaak [van] de oorspronkelijke en meest verheven Persoon die vrij is van de geaardheden. (18) Onder de invloed van het zonder twijfel moeilijk te doorgronden vermogen van de Almachtige in de vorm van de kracht van de Tijd, resulteerde de interactie [of verstoring van het evenwicht] van de geaardheden der natuur in deze verscheidenheid aan energieën waarop de Allerhoogste Persoonlijkheid invloed uitoefent ook al is Hij niet degene die handelt en waarin Hij tot de dood voert hoewel Hij niet degene is die doodt. (19) Hij die geen einde kent maakt in de vorm van de Tijd aan alles een eind, Hij die geen begin kent vormt van alles het begin, Hij die onuitputtelijk is roept het ene levende wezen in het leven via het andere en Hij als de dood maakt een einde aan alles wat doodt. (20) Als de dood ieders leven binnendringend is niemand Zijn bondgenoot of Zijn definitieve vijand. Al de combinaties der elementen [organisch en anorganisch] volgen hulpeloos Zijn bewegen als stofdeeltjes voortgedreven door de wind. (21) Vrij van een korte of een lange levensduur zoals die geldt voor wezens die geboren worden, bevindt de Almachtige zich immer in Zijn bovenzinnelijke positie en kent Hij de begeertigen de resultaten van hun handelen toe. (22) Sommigen o Koning, verklaren dat karma [de werklast der vruchtdragende handelingen] als zijnde het gevolg van iemands eigen aard of als teweeggebracht door anderen o beschermer der mensen. Sommigen zeggen dat het aan de tijd te wijten is, anderen verwijzen naar het lot, terwijl nog weer anderen het toeschrijven aan de begeerte van het levend wezen. (23) Wie mijn beste jongen, kan nu ooit de bedoelingen doorgronden van Hem die onze oorsprong is, Hij der bovenzinnelijkheid die vanuit de ongemanifesteerde werkelijkheid [pradhâna] aanleiding geeft tot de verschillende energieën en natuurkrachten?

(24) Op dezelfde manier mijn zoon, zijn al deze volgelingen van Kuvera [de hemelse schatbewaarder] niet de moordenaars van je broeder. Alleen God is de oorzaak van de geboorte en dood van een levend wezen mijn beste. (25) Hij schept het universum en handhaaft en vernietigt het ook. Daarenboven raakt Hij niet verstrikt door de werking van de natuurlijke geaardheden, want Hij [vrij zijnd van vals ego] identificeert zich niet met een materieel lichaam. (26) Deze Superziel, de beheerser en handhaver van alle vormen van leven, brengt voort, koestert en verslindt, gebruikmakend van de kracht van Zijn eigen uitwendige energie. (27) Aan Hem mijn beste zoon, de Allerhoogste van de dood en onsterfelijkheid die in alle opzichten het uiteindelijke doel van overgave vormt voor de gehele wereld, dragen alle toegewijden en belangrijke persoonlijkheden der schepping hun offergaven op, beheerst als ze zijn door Hem als stieren die worden beheerst door een touw door hun neus. (28) Nog maar vijf jaar oud verliet je je moeder met droevenis in je hart over de woorden van je stiefmoeder en ging je naar het bos om de Heer met ontzeggingen te aanbidden. Aldus bereikte je de hoogste positie in al de drie werelden. (29) Wendt jezelf door Hem in gedachten te houden mijn beste, vrij van woede tot het ene onfeilbare, spirituele zelf [het Brahman] dat zich in het voorbije bevindt en probeer met de ziel voor ogen de onbesmette staat te ontdekken van waaruit al deze verdeeldheid er als onwaarheid uitziet. (30) Als je dan bovenzinnelijke dienst verleent aan de Ziel Vanbinnen van de Allerhoogste Heer die het onbegrensde reservoir van alle genoegen is behept met alle vermogens, zal je zeer spoedig de knoop der illusie van het 'ik' en 'mijn' ontwarren en aldus stevig verankerd zijn.

(31) Beheers enkel je woede - het is de vijand van alle goedheid - en al het goede fortuin zal je deelachtig zijn. Door consequent vast te houden aan deze les beste Koning, zal deze richtlijn werken als een medicinale behandeling voor een ziekte. (32) Een intelligent iemand die zijn ziel vrij van angst wil zien, moet zich nimmer door woede laten leiden, want iedereen hoedt zich voor degene die door woede wordt beheerst. (33) Door woedend de Yaksha's te doden van wie je dacht dat ze je broer hadden gedood, heb je Kuvera, de broeder van S'iva geminacht. (34) Beweeg hem nu direct tot vrede mijn zoon, door hem in vriendelijke bewoordingen respectvol je eerbetuigingen te brengen, vooraleer de wrake der groten onze familie zal verslaan.'

(35) Nadat Manu Svâyambhuva zijn kleinzoon had geïnstrueerd ontving hij van hem zijn eerbetuigingen en vertrok hij samen met de wijzen naar zijn verblijfplaats.'
 


Hoofdstuk 12: Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij gehoord had dat Dhruva die zijn woede had getemperd van het doden af had gezien, verscheen Kuvera, de meester-schatbewaarder die aanbeden wordt door de Cârana's, Kinnara's [zangers en bewoners van de hemel] en Yaksha's toen ter plekke en sprak tot Dhruva die met gevouwen handen voor hem stond. (2) De schatbewaarder zei: 'O zoon van de heerser, ik ben zeer blij met u o zondeloze, omdat u met de instructie van uw grootvader de vijandschap hebt opgegeven die zo moeilijk te vermijden is. (3) U hebt de Yaksha's niet gedood, noch hebben de Yaksha's uw broer gedood, want het is de Tijd die in werkelijkheid de meester der vernietiging en opwekking van alle levende wezens is. (4) Iemands intelligentie verkeert in onwetendheid met de misvattingen van 'ik' en 'jij'. Aan een persoon die het lichamelijk begrip aanhangt doet het leven zich voor als in een droom; het [lichamelijke uitgangspunt] is de oorzaak van gebondenheid en ongeluk. (5) Ik wens u alle geluk toe o Dhruva, leef met dat in gedachten voor de aanbidding van de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen van alle levende wezens en bezie Hem in Zijn vorm van de ene Superziel in al wat leeft. (6) Wees Hem toegewijd wiens lotusvoeten het waard zijn aanbeden te worden, want zij verlossen uit het materieel bestaan en snijden de knoop der materiële verstriktheid door. Hoewel Hij in Zijn vermogen om over de geaardheden te heersen met hen in verband staat, staat Hij er door Zijn ondoorgrondelijk vermogen niettemin los van. (7) O Koning, vraag alstublieft zonder aarzelen van me wat u ook maar wenst o zoon van Uttânapâda, want gezien uw standhouden aan de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot mijn beste, bent u die zegening waard.'

(8) Maitreya zei: 'Hij die van de schatbewaarder-koning aller koningen [de heerser der Yaksha's] een zegening kreeg aangeboden vroeg, als een eersteklas intelligente en bedachtzame toegewijde van de Heer, om de voortdurende heugenis waarmee men zonder moeite de onoverkomelijke oceaan der onwetendheid oversteekt. (9) Kuvera, de zoon van Idavidâ, die zeer ingenomen was met Dhruva's mentaliteit, verleende hem die heugenis en verdween daarna uit het oog, waarop ook Dhruva naar zijn hoofdstad terugkeerde. (10) Daarop aanbad hij met offerplechtigheden en grote liefdadigheid met alles wat hij had, kon bewerkstelligen en aan goddelijke ondersteuning kon vinden, de Heerser aller Offers, het doel [in het leven] dat alle resultaten waarborgt. (11) Onophoudelijk dienst verlenend aan de ene onfeilbare Ziel verheven boven alles, zag hij alle levende wezens als aanwezig in Hem en Hem Almachtig aanwezig als de ene in alle levende wezens. (12) Aldus toegerust met alle goddelijke eigenschappen werd hij, die als een goedgezinde beschermer van de beginselen der religie respect had voor de brahmanen en de armen, beschouwd als de vader van het volk. (13) Gedurende de zesendertigduizend jaar van zijn heerschappij over de planeet Aarde putte hij middels genietingen de verdienste van zijn goede daden uit en drong hij middels versoberingen zijn tegenslagen terug. (14) Aldus bracht de grote ziel zonder dat zijn zinnen van streek raakten [leven na leven] vele, vele jaren door met de gunstige beoefening van de drie soorten burgerlijke plichten [de regulatie der religie, economie en de zinsbevrediging], waarna hij de troon doorgaf aan zijn zoon. (15) Hij zag in dat dit universum dat bestaat uit Zijn uitwendige energie, er voor het levend wezen is als een waanvoorstelling die net als een droom door onwetendheid wordt teweeggebracht. (16) Hij beschouwde al het geschapene van zijn lichaam, zijn echtgenotes, kinderen, vrienden, zijn invloed, rijkdom, de lusthoven, de voorzieningen voor zijn vrouwen en het geheel van de schoonheid van de aarde met haar oceanen, als een tijdgebonden iets en om die reden vertrok hij naar Badarikâs'rama [de wouden van de Himalaya's]. (17) Aldaar zuiverde hij zijn lichaam, baadde hij in zuiver water en beheerste hij, gefixeerd in yogahoudingen, het proces van de ademhaling door zijn geest af te wenden van zijn fysieke zinnen. Zich concentrerend op de precieze vorm van de Heer die hij voortdurend in gedachten hield, raakte hij aldus mediterend volledig verzonken. (18) Voortdurend bezig met zijn toewijding voor Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid Gods, bevond hij zich in een eeuwigdurende verrukking en raakte hij telkens weer overweldigd door een stroom van tranen die zijn hart deed smelten en de haren van zijn lichaam overeind deed staan. Hij herinnerde zich niet langer dat hij in het bezit was van een lichaam en raakte zo bevrijd uit [eveneens] de [subtiele] materiële gebondenheid [mukta-linga].

(19)
Dhruva zag hoe een zeer mooi hemelvoertuig [een vimâna] uit de hemel nederdaalde dat hem en de tien windrichtingen verlichtte alsof de volle maan zelf ten tonele was verschenen. (20) Vanwaar hij stond zag hij daarin twee prachtige halfgoden met ieder vier armen, een donkere huid, een nogal jong voorkomen en ogen zo roze als een lotusbloem. Ze hadden strijdknotsen en waren aantrekkelijk gekleed en gesierd met helmen, armbanden, halssnoeren en oorhangers. (21) Begrijpend dat ze de twee dienaren van de Vermaarde Heer waren, stond hij op, maar in verwarring gebracht wist hij niet meer hij hoe hij hen naar behoren moest verwelkomen en bracht hij dus vol respect zijn handen bij elkaar om zijn eer te betuigen door de namen te zingen van de leider van deze metgezellen, de Vijand van Madhu. (22) Hij wiens hart altijd was verzonken in gedachten over de voeten van Heer Krishna, boog zeer nederig met het vouwen van zijn handen zijn hoofd terwijl Nanda en Sunanda, de twee vertrouwelijke dienaren van Hem met de Lotusnavel, glimlachend naderden en hem aanspraken. (23) Nanda en Sunanda zeiden: 'O beste der koningen! Alle geluk zij u toegewenst. Luister aandachtig naar onze woorden. U bent degene die, als vijfjarige, God enorm tevredenstelde door boete te doen. (24) Als de metgezellen van de schepper van dit ganse universum, van de Godheid die de boog genaamd S'ârnga draagt, hebben we u benaderd om u met ons mee te nemen naar de verblijfplaats van de Heer. (25) U hebt de overwinning behaald en de wereld van Vishnu bereikt die zo moeilijk te bereiken is dat zelfs de grootsten der verlichting het niet zover brengen. Kom en bezie het allerhoogste verblijf waar de maan, de zon, de andere planeten en de sterren rechts omheen draaien. (26) Dit werd nog nooit bereikt door uw voorvaderen en ook niet door anderen o allerbeste, kom en leef aldaar in die allerhoogste verblijfplaats van Heer Vishnu die zo aanbiddelijk is voor de bewoners van het universum. (27) O onsterfelijke ziel, u hebt het verdiend om aan boord te gaan van dit unieke hemelvoertuig dat u gezonden werd door Hem die in de Verzen wordt Geprezen, het hoofd van alle levende wezens.'

(28) De wijze Maitreya zei: 'Na het aanhoren van de woorden die als honing vloeiden van de belangrijkste metgezellen van de Heer, nam hij die Hem zo dierbaar was, nadat hij de wijzen zijn eerbetuigingen had geboden en hun zegeningen in ontvangst had genomen, een zuiverend bad en beantwoordde hij aan zijn dagelijkse verplichtingen. (29) Na in aanbidding dat excellente hemelvoertuig omlopen te hebben en tevens de twee metgezellen zijn eerbetuigingen gebracht te hebben, was hij met zijn gedaante die oplichtte met een gouden gloed, klaar om aan boord te gaan. (30) Toen kon de zoon van Uttânapâda de dood in eigen persoon op hem af zien komen. Hij plaatste zijn voet op zijn hoofd en besteeg dat wonder dat zo groot was als een huis. (31) Op dat moment klonken er pauken, mridanga's [trommels gebruikt voor de eredienst] en kleinere trommels en dergelijke, terwijl de belangrijkste zangers der bevrijding zongen en er een regen van bloemen neerdaalde. (32) Toen hij op het punt stond naar de hemel te vertrekken, moest Dhruva meteen aan Sunîti denken en zei tot zichzelf: 'Hoe kan ik naar de moeilijk te bereiken wereld boven al de werelden vertrekken en mijn moeder achterlaten?' (33) Begrijpend waar Dhruva zich zorgen over maakte, maakten de twee opperwezens der verlichting hem duidelijk dat zij in haar goddelijkheid hem al was voorgegaan. (34) Op zijn weg de ene na de andere hemelse sfeer doorkruisend, werd hij overladen met nog meer bloemen die hier en daar door de halfgoden vanuit hun hemelwagens over hem werden uitgestrooid. (35) In zijn vimâna uitstijgend boven de drie werelden en zelfs boven de grote wijzen, bereikte Dhruva die het eeuwige leven had verworven de toevlucht van Heer Vishnu. (36) Voorzeker bereiken enkel zij die zich voortdurend bezighouden met liefdadige activiteiten die plaats die stralend door zijn gloed al de drie werelden overal verlicht en doet stralen, niet zij die niet van genade waren voor andere levende wezens. (37) Vreedzaam, gelijkgezind, zuiver en alle levende wezens behagend bereiken ze in vriendschap met Zijn toegewijden met gemak het verblijf van de Onfeilbare. (38) Dhruva, de zoon van Uttânapâda, die aldus heengaand met Krishna zijn zuiverheid vond, werd het kroonjuweel van de drie werelden. (39) De sfeer der hemellichten [het sterrenstelsel] draait met grote kracht en snelheid verbonden onophoudelijk om die plaats heen o Kaurava [Vidura's familie naam], als een kudde stieren bewegend rondom een centrale as.

(40) Toen de wijze en grote heer Nârada de heerlijkheid had gezien van Dhruva, hief hij spelend op zijn besnaarde instrument in het offerperk van de Pracetâ's een gezang aan in [de volgende] verzen. (41) Nârada zong: 'We zijn ons bewust van de weg naar ons levensdoel dankzij de verzaking van deze zoon van de haar echtgenoot zo toegewijd dienende Sunîti. Met hen die men de volgelingen der Veda's noemt is men er nimmer zeker van zo uitverkoren te zijn, om nog maar te zwijgen van wat men bereikt met de normale hoeders der mensheid. (42) Hij die op vijfjarige leeftijd bedroefd over de harde woorden van de vrouw van zijn vader zo vol van pijn in zijn hart, indachtig mijn raadgevingen het woud inging, wist de onoverwinnelijke Allerhoogste Meester voor zich te winnen, het winnend met de kwaliteiten van Zijn toegewijden. (43) Na de Heer van Vaikunthha te hebben behaagd bereikte hij die nog maar vijf of zes jaar oud was binnen de kortste keren [in zes maanden] Zijn bescherming. Ieder ander kan zelfs nog niet na vele, vele van dat soort jaren [van verzaking] op aarde de verheven positie verwachten te bereiken die de kshatriya-zoon Dhruva bereikte.'

(44) Maitreya zei: 'Ik heb u alles verteld wat u me hier vroeg over het roemrijke grootse karakter van Dhruva die zozeer door velen [die toegewijd zijn] op prijs wordt gesteld. (45) Het brengt weelde en een goede naam, verlengt de levensduur en is zo heel heilig en goedgunstig dat men er zelfs Dhruva's hemel mee kan bereiken, aangenaam als het is voor de geest en zegerijk in het tegengaan van allerlei vormen van zonde. (46) Als men herhaaldelijk hiernaar met geloof luistert, ontwikkelt men toegewijde activiteiten die de Onfeilbare dierbaar zijn en daardoor zal er onherroepelijk de volkomen overwinning zijn op alle hindernissen. (47) Voor degene die dit verhaal hoort zijn er de kwaliteiten van goed gedrag en dergelijke, het vormt een krachtbron voor zij die ernaar uitzien en [een voedingsbodem voor] de eer van hen die nadenkend zijn. (48) Bezing in het gezelschap van bekeerlingen zorgvuldig in de ochtend en de avond de heilige roem en het grootse karakter van Dhruva. (49-50) Ten tijde van een volle of een nieuwe maan, op de dag na Ekâdas'î [de twaalfde dag van een maanmaand], als de S'ravana-ster verschijnt, aan het einde van een tithi [een dag t.o.v. de maan], op een dag genaamd Vyatîpâta, aan het einde van de maand of op een rustdag [t.o.v. de zon] moet u zonder er een vergoeding voor te verwachten het verhaal voor een ontvankelijke schare toehoorders navertellen en uw toevlucht zoeken bij de Lotusvoeten van Hem die de Beschutting der Zoekers is. Dan zal u uw geest door de ziel tot vrede gebracht zien en zal u aldus volmaakt worden. (51) Hij die deze kennis overdraagt aan hen die zich niet bewust zijn van de principes van de werkelijkheid, bevindt zich op het pad der waarheid en de onsterfelijkheid en zal gezegend worden door de goden omdat hij een welgezinde beschermer van de zoekers is. (52) O beste der Kuru's, aldus luidt mijn beschrijving van de activiteiten, de faam en het hoogst zuivere van Dhruva die als kind zijn speelgoed en zijn moeder verzakend van huis wegging en de beschutting van Heer Vishnu vond.' "



Hoofdstuk 13: Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

(1) Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van Maitreya's beschrijving van Dhruva's opklimmen naar Vaikunthha, wakkerde Vidura's liefde aan voor de Allerhoogste Heer in het voorbije en opnieuw begon hij Maitreya Muni vragen te stellen.

(2) Vidura vroeg: 'Wie waren zij die u de Pracetâ's noemde? Van welke familie waren ze bekend, wiens zonen waren zij o beste onder de gezworenen en waar brachten zij hun offer? (3) Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is, hij zag God in het gelaat en beschreef de gang van zaken van het toegewijd dienen van de Heer [in kriya-yoga of de pâñcarâtrika-methode]. (4) Toen deze mannen in aanbidding van de Allerhoogste Heer hun plichten vervulden, werd de Genieter van Alle Offers door Nârada vol van toewijding beschreven. (5) O brahmaan, wees zo goed aan mij die er zo naar uitziet al de verhalen te vertellen over de Heer zoals ze toen aldaar door de devarishi uit de doeken werden gedaan.'

(6) Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, niet de positie van de troon van de keizer, zijn vader, met al het land en de weelde die erbij hoort. (7) Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een hoogst tevreden, onthechte ziel, die evenwichtig de Superziel als alomtegenwoordig in de wereld waarnam en de hele wereld als rustend in de Superziel. (8-9) In de vasthoudendheid van zijn overtuiging omtrent de geest van het Absolute was aan de afgescheidenheid van de hemel een einde gekomen in de eenheid van het Zelf. Door een consequente yogapraktijk was zijn gelukzaligheid toegenomen die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand. Op die manier zijn eigenlijke positie inziend dacht hij aan niets anders meer dan aan de Ziel aller Zielen. (10) Op straat onder de mensen maakte hij bij de minder intelligenten de indruk een dwaas te zijn, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn. (11) Ervan uitgaand dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, aan als heerser over de wereld. (12) Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, bracht zes zonen ter wereld: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya. (13) Pushpârna had twee vrouwen Doshâ en Prabhâ. Van Prabhâ waren er de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam. (14) Pradosha, Nis'itha en Vyushtha waren de drie zoons van Doshâ. Vyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige]. (15-16) Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan een zoon genaamd Câkshusha die de [zesde] Manu was. Zijn koningin Nadvalâ, bracht voor hem [twaalf] zuivere zoons ter wereld:  Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (17) Ulmuka verwekte in Pushkarinî [die dezelfde naam had als haar voorgangster] zes uitmuntende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (18) De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was. Teleurgesteld over zijn slechte karakter verliet de wijze koning Anga de stad [om in het woud te gaan leven]. (19-20) Hij [Vena] werd vervloekt door de wijzen wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag. Daarop stierf hij. Verstoken van een koning hadden alle burgers in de wereld het te stellen met dieven en schurken. Ze karnden toen zijn rechter arm [zijn 'hand'], waarop een deelincarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde die de oorspronkelijke Heer van de Aarde werd.

(21) Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilig iemand, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok? (22) Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen der religie die Vena's fouten zagen, het verlangen om over hem de brahmaanse vloek uit te spreken, terwijl het de koning toch gegeven was de roede der kastijding te hanteren? (23) De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd hoe zondig hij ook is, omdat hij middels zijn persoonlijke invloed de macht in stand houdt van al de plaatselijke vertegenwoordigers. (24) Alstublieft beschrijf voor mij, uw trouwe dienaar o brahmaan, alles wat er maar te zeggen valt over de activiteiten van de zoon van Sunîthâ. U bent immers goed op de hoogte van [de zaken van] de hemel en de aarde.'

(25) Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha-offer, maar terwille van die grootse plechtigheid kwamen de goddelijken nooit opdagen, hoewel ze uitgenodigd waren door de brahmanen die de leiding hadden. (26) Daarover peinzend zeiden ze toen tot de initiatiefnemer van de offerplechtigheid: 'De goddelijken accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet. (27) O Koning, er is niets aan te merken op de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen. (28) In dit verband kunnen wij niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijken, waardoor de godsbewusten die de offerplechtigheid moeten bijwonen, niet hun deel zouden accepteren.'

(29) Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was er zeer over terneergeslagen toen hij hoorde wat de tweemaal geborenen te zeggen hadden. Hij richtte zich toen met hun permissie tot hen om nader te worden geïnformeerd: (30) 'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om [de offerplechtigheid bij te wonen en] hun deel van het geofferde in ontvangst te nemen. Mijn beste priesters, zeg me alstublieft welke overtreding ik heb begaan.'

(31) De priesters die de leiding hadden zeiden: 'O god der mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een zonde als gevolg waarvan u het in dit leven zonder een zoon moet stellen. (32) Derhalve zeggen wij u alle geluk toewensend: breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen o Koning, als u de Heer, de genieter van het offer, aanbidt met het verlangen een zoon te krijgen, zal Hij u er een schenken. (33) Daarop zullen alle mannen van God hun deel van de offergave aanvaarden, omdat voor het doel [van het krijgen] van een zoon de Hoogste Persoonlijkheid dan klaarblijkelijk is uitgenodigd. (34) Als de Heer aanbeden wordt zal Hij beantwoorden aan welke verlangens de persoon ook maar koestert; afhankelijk van de manier waarop de mensen de Heer respecteren plukken ze er ook de vruchten van.'
 
(35) Toen hij daartoe besloten had gingen de geleerden ertoe over rijstkoek te offeren in het vuur van Vishnu, de Heer der Vlammen, om de koning een zoon te bezorgen. (36) Uit het offervuur verscheen een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde. (37) Hij, de koning, verankerd in de geest der adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood, nadat hij met groot genoegen eraan gesnoven had, het aan zijn vrouw aan. (38) De kinderloze koningin die van het voedsel at dat haar een kind zou schenken, werd toen daadwerkelijk zwanger van haar echtgenoot en gaf na de nodige tijd geboorte aan een zoon. (39) Die jongen verscheen ten dele in navolging van de op de dood georiënteerde areligieuze grootvader van moeders kant. Hij groeide daardoor uit tot een schender van de heilige plicht. (40) Hij had de gewoonte de boog ter hand te nemen en als jager het bos in te gaan om onschuldige herten te doden. Daarom riepen alle mensen uit: 'Daar heb je die wrede Vena!' (41) Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed gewelddadig genadeloos ter dood alsof hij dieren afslachtte. (42) Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en zodoende raakte hij zeer bedroefd denkend: (43) 'Waarschijnlijk hebben zij die het zonder een zoon moeten stellen God aanbeden [in een vorig leven], zij hoeven niet te lijden onder dit ondraaglijke leed je huis te moeten delen met zo'n slechte zoon. (44) Vanwege de kwade roep en het onrecht begaan door een slechte zoon zal er grote onenigheid ontstaan onder de mensen en zullen ze voortdurend in angst leven. (45) Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Zonder twijfel houdt hij voor de ziel gebondenheid aan illusie in; welk intelligent mens hecht nu waarde aan iemand die je gezinsleven in de ellende stort? (46) Ik denk dat het beter is een slechte zoon te hebben dan een goede. Door het verdriet dat men van hem heeft raakt men onthecht van z'n huishouden dat de bron vormt van alle misère, want het verandert het leven van een sterfelijk man in een hoop ellende.'

(47) Aldus onverschillig geraakt stond de koning die de slaap niet kon vatten, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn huishouding op te geven die vanwege de zegeningen der grote zielen zo welvarend was. Zonder door ook maar iemand gezien te worden verliet hij Vena's moeder die diep in slaap was. (48) Toen ze doorkregen dat de koning zich niet langer om hen bekommerde en vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, in grote treurnis overal naar hem, precies als onervaren yogi's die op zoek zijn naar wat er allemaal binnenin de persoon verborgen ligt. (49) Niet ook maar een spoor van hun vader des vaderlands vindend o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de verzamelde wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'


Hoofdstuk 14: Het Verhaal van Koning Vena

(1) Maitreya zei: 'De wijzen met Bhrigu aan het hoofd die altijd uit waren op het welzijn van alle mensen begrepen dat met de afwezigheid van de koning de burgers gedoemd waren op het niveau van de dieren te leven. (2) De wijze mannen riepen Vena's moeder Sunîthâ bij zich en kroonden hem [Vena] toen tot de heerser over de wereld, ook al waren de ministers het er niet mee eens. (3) Toen ze hoorden dat koning Vena de troon had bestegen verborgen de dieven, die wisten dat hij een zeer strenge bestraffer was, zich meteen als ratten bang voor een slang. (4) Koning Vena die de hoogste zitplaats had ingenomen was zeer trots op de acht vormen van weelde [bhaga, zie 3.24: 32] en beschouwde zichzelf als de grootste. Minachtend begon hij de grote persoonlijkheden te beledigen. (5) Aldus verblind door de macht besteeg hij, trots als een niet beheerste olifant, een wagen en trok hij rond hemel en aarde schrik aanjagend. (6) Niet toestaand dat er enig offer werd gebracht, aan liefdadigheid werd gedaan of dat er ook maar één grammetje boter in het vuur werd geofferd o tweemaal geborene, maakte hij aldus met zijn paukengeroffel overal een einde aan de rituelen der religie. (7) Toen de wijzen die altijd de offers hadden uitgevoerd zagen wat de grote schurk Vena deed, beschouwden ze dat als een bedreiging voor de gewone man en raakten ze uit mededogen in gesprek. (8) 'Zoals een blok hout dat aan twee kanten in brand staat, verkeert de gewone man helaas van de beide zijden van zowel de koning als van de dieven en schurken in groot gevaar. (9) Omdat we bang waren zonder een koning te zitten werd Vena gekroond hoewel hij er niet voor geschikt was en nu dreigt er ook van zijn kant gevaar. Hoe kunnen de levende wezens nu gelukkig zijn? (10) Zoals een slang in leven gehouden met melk zelfs degene aanvalt die hem te eten geeft, heeft Vena, geboren uit de schoot van Sunîthâ, zich ontwikkeld tot een uiterst kwalijk karakter. (11) Met hem aangesteld als koning lijdt het geen twijfel dat hij eropuit is de burgers schade te berokkenen, maar om te voorkomen dat wij voor de gevolgen van zijn zonden moeten boeten zullen we proberen hem tot vrede te bewegen. (12) Ons bewust van Vena's ondeugd hebben we niettemin hem tot koning uitgeroepen. Als wij hem met onze woorden niet tot vrede kunnen bewegen, zal hij veroordeeld door het volk vanwege zijn kwaadaardig handelen moeten branden zo goed als hij ook zal branden op basis van onze inbreng.' (13) Aldus besloten benaderden de wijzen Vena, hun woede verbergend. Met vriendelijke woorden hem tot vrede bewegend spraken ze tot hem.

(14) De wijzen zeiden: 'O beste der edelen! Probeert u alstublieft dat te begrijpen o Koning, wat we u nu gaan zeggen en uw levensduur zal verlengen, uw kracht zal vergroten en uw reputatie ten goede zal komen o allerbeste. (15) Aan die personen, vrij van gehechtheid, die in woord, gedachte, lichaam en intelligentie handelen in overeenstemming met de religieuze beginselen, zullen de werelden zijn vergund die vrij zijn van ellende; ze zullen bevrijding en duurzaam geluk vinden. (16) Moge u dat geestelijk leven niet verliezen o held der mensen, de koning die dat mist wat de oorzaak der voorspoed is zal zijn overwicht verliezen. (17) O Koning, het adellijk bestuur dat de mensen beschermt tegen kwalijke regenten, dieven en schurken kan op grond daarvan belastingen innen en zowel deze wereld als de wereld erna genieten. (18) Het is in die koninkrijken waar in de steden de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers wordt aanbeden, dat de mensen het varnâs'rama systeem [van roepingen en leeftijdsgroepen] volgen en handelen in overeenstemming met hun eigen aard. (19) De Fortuinlijke, de oorspronkelijke oorzaak van de kosmische manifestatie, zal tevreden zijn met die koning o nobele ziel, die met het bekleden van zijn machtspositie van de Ziel is die de hele wereld bij elkaar houdt. (20) Als men Hem, de Heerser der Heersers, behaagt kan men het onmogelijke bereiken en daarom zetten de mensen zich overal op alle mogelijke manieren met het grootste genoegen in om met de leiding van hun voorkeur [hun goden, beeltenissen en/of koningen] offers te brengen voor Hem. (21) Het is Hij die met al de beeltenissen die men aanbidt de ontvanger is. Hij is de slotsom van de Veda's, de eigenaar van alle middelen van aanbidding en het doel van alle verzaking. Derhalve zou u o Koning, terwille van de meerdere eer en glorie van u en uw eigenbelang, uw landslieden moeten opdragen tot de dienst aan God over te gaan middels de verschillende vormen van offeren. (22) Als de brahmanen in het koninkrijk zich bezighouden met de eredienst, zijn alle verlichte zielen die deel uitmaken van de Heer, naar behoren gerespecteerd en zullen zij, zeer tevreden, u van het verlangde resultaat verzekeren. O held, u moet ze niet minachten.'

(23) Vena gaf ten antwoord: 'O hoe kinderachtig bent u allen met het voor religieus houden van irreligieuze beginselen. In feite verzaakt u de vader die u voedt en gaat u vreemd met een andere liefde. (24) Zij die onwetend zonder achting niet door hebben dat de Heer er is in de vorm van de koning, kunnen geen geluk vinden in deze wereld noch in het hiernamaals! (25) Wat is nu de naam van die genieter van het offer op wie u uw zo grote toewijding richt? Net als een slechte vrouw met haar geheime minnaar schiet u tekort in uw genegenheid voor uw [koning, uw] echtgenoot! (26-27) De schepper, de handhaver, de vernietiger, de koning van de hemel, de god van de wind en de god van de dood; de god van de zon, de god van de regens, de god van de schatkist en de god van maan; de god van de aarde, de god van het vuur en de de god van wateren; al dezen en ook andere machten in staat tot zegening en vervloeking houden zich op in het lichaam van de koning, de koning omvat al de goden. (28) Om die reden, mijn beste geleerden, behoort u mij te aanbidden in uw rituelen en niet jaloers te zijn. Zet al die middelen in ter wille van mij, er is niemand anders om te aanbidden als de hoogste genieter van het geofferde.'

(29) Maitreya zei: 'Met al het getoonde respect niet ingaand op het verzoek van de wijzen, raakte aldus hij wiens intelligentie was bedorven en zo heel zondig was afgedwaald van het rechte pad, verstoken van alle fortuin. (30) Op die manier waren al de brahmanen beledigd door hem die zichzelf zeer onderlegd achtte. Gefrustreerd met hun beleefde verzoek, o Vidura, werden ze zeer kwaad op hem: (31) 'Breng hem ter dood, ter dood, deze koning, deze zondaar, deze verschrikkelijke kerel die de hele wereld spoedig in de as legt als we hem z'n gang laten gaan. (32) Deze man, zo vol van ondeugd, verdient de verheven troon niet als de god der mensen. Schaamteloos beledigt hij Heer Vishnu, de meester aller offers! (33) Wie anders dan die ongelukkige Vena zou nu zo godslasterlijk zijn over Hem door wiens genade men alle fortuin geniet?' (34) Aldus ertoe besloten hem ter dood te brengen toonden ze hun woede en hielpen ze met het geluid van hun afwijzing ['Hum' zeggend] Vena de wereld uit, [de koning] die dood was in zijn belasteren van de Onfeilbare. (35) Nadat de wijzen waren teruggekeerd naar hun hermitages, behield Sunîthâ in haar treurnis het lichaam van haar zoon met behulp van het zingen van mantra's.

(36) Eens, toen de wijzen een bad namen in de wateren van de Sarasvatî en offergaven brachten in het vuur, begonnen ze zittend aan de oever van de rivier de kwestie van de waarheid te bespreken. (37) Ze vertelden elkaar toen dat ze hadden waargenomen dat er zich verstoringen ontwikkelden die de mensen angst inboezemden; zouden de burgers zonder een heerser niet lijden onder het ongeluk van een wereld vol van dieven en schurken? (38) En werkelijk, op het moment dat de wijzen dit in overweging namen kon men waar men ook keek de hemel verduisterd zien door stofwolken opgeworpen door het zich uit de voeten maken van plunderende criminelen. (39-40) Ze zagen toen hun fout in: de verstoringen waar de gewone man onder te lijden had met het plunderen van zijn rijkdom waren te wijten aan de dood van hem die hun beschermer was. Met het land vol dieven en moordenaars en het zonder een koning stellend, waren ze ondanks dat ze al die misdaad heel goed in de gaten hadden, niet in staat de boevenbende eronder te krijgen. (41) Een gelijkgezinde en vreedzame brahmaan die zij die het moeilijk hebben schromelijk verwaarloosd kan erop rekenen dat hij de geest verliest, precies zoals men water verliest uit een gebroken pot. (42) De familielijn van de heilige Koning Anga zou niet moeten worden gebroken, want het zaad van de koningen van deze familie was zo vruchtbaar dat ze de bescherming genoten van Kes'ava [Hij met de mooie krullen]. (43) Aldus besloten de wijze mannen ertoe met veel kracht de dijen van de dode koning te karnen. Daarop kwam er een persoon genaamd Bâhuka [de dwerg] ter wereld. (44) Hij was zo zwart als een kraai, in ieder opzicht zeer kort van stuk met zeer korte benen en armen, had grote kaken, een platte neus, rooddoorlopen ogen en haar zo rood als koper. (45) Onderworpen boog hij toen voor de wijzen en vroeg: 'Wat kan ik voor u betekenen?' 'Ga alstublieft zitten' gaven ze ten antwoord en zo mijn beste, stond hij sedertdien bekend als Nishâda. (46) Zijn nakomelingen werden daarop de Naishâda's genoemd. Ze bewoonden de heuvels en bossen omdat ze, geboren uit Vena en met Nishâda die al de zonden op zich nam, gevreesd waren.'



Hoofdstuk 15: Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

(1) Maitreya zei: 'Aldus karnden de brahmanen andermaal de armen van de koning die geen zoon had en daaruit kwam een paar ter wereld. (2) Over de geboorte van dat paar zeiden de wijzen die bekend waren met de Veda's, dat ze er zeer gelukkig mee waren, wetende dat het een ['âves'a'-]expansie van de Allerhoogste Heer betrof. (3) De wijzen zeiden: 'Deze man is een expansie van de Allerhoogste Heer, Vishnu, die de wereld in stand houdt en deze vrouw is Lakshmî, de Godin van het Geluk die een onafscheidelijk deel van het geheel van de Oorspronkelijke Persoon is. (4) Deze man zal de eerste onder de koningen zijn en, wijd en zijd geroemd als een Grote Koning, bekendstaan onder de naam Prithu ['die van de aarde']. (5) Dit vrouwelijke kind zal als een godin van alle goede kwaliteiten de schoonheid van haar sieraden verhogen met de pracht van haar tanden. Ze zal Arci worden genoemd en Prithu bekoren met haar schoonheid. (6) Hij, als een gedeeltelijke, rechtstreekse vertegenwoordiger van de Heer, kwam op aarde met het verlangen de ganse wereld te beschermen en zij nam geboorte als de onafscheidelijke godin die zich zeer tot hem voelt aangetrokken.'

(7) Maitreya zei: 'De geleerden prezen hem, de zangers van de hemel bezongen hem, de volmaakten strooiden bloemen en de hemelse maagden dansten. (8) De lucht vullend met de trillingen van hoornschelpen, trompetten, trommels en pauken en dergelijke, kwamen aldaar al de goddelijken, de wijzen en de ouderen uit alle delen van de samenleving bijeen. (9-10) Brahmâ, de meester van het universum, die tezamen met al de leiders van de verlichte wereld aankwam begeleid door de goddelijken, ontwaarden op de rechterhand van die zoon van Vena het merkteken van Vishnu met de strijdknots. Zijn twee voeten vertoonden ook de lotusbloem en aldus was hij er zeker van dat hij te maken had met een gedeeltelijke verschijning van de Heer die met [het kenmerk van] Zijn onoverwinnelijke werpschijf [in Zijn hand] als een volkomen deelaspect het Allerhoogste Belang vertegenwoordigt. (11) De brahmanen gehecht aan de rituelen bereidden zich voor op zijn kroning en dus brachten de mensen terwille van hem van overal de verschillende middelen bijeen om de ceremonie uit te voeren. (12) De rivieren, de zeeën, de bergen, de slangen, de koeien, de vogels en de beesten; de hemel, de aarde en alle levende wezens droegen bij met verschillende soorten giften. (13) Hij werd aldus tot Mahârâja gekroond. Verfijnd gekleed en volledig opgesierd zag hij er tezamen met zijn met juwelen behangen echtgenote Arci uit als een vuur zonder weerga. (14) De bewaarder der weelde Kuvera, bood hem een koninklijke troon gemaakt van goud o held en Varuna gaf hem een parasol zo schitterend als de maan die voortdurend een mist van waterdruppeltjes liet neerdalen. (15) Vâyu op zijn beurt gaf hem twee camâra's [wuifkwasten] gemaakt van haar, Dharma kwam met een bloemenkrans die bijdroeg tot zijn naam en faam, Indra schonk een zeer kostbare helm en Yama gaf hem een scepter om over de wereld te heersen. (16) Brahmâ wapende hem met geestelijke kennis, zijn vrouw Bhâratî, de Godin van het Leren [Sarasvatî] gaf een transcendentaal halssnoer, de Allerhoogste Persoonlijkheid [Hari, Vishnu] gaf hem een Sudars'ana-schijf en Zijn vrouw Lakshmî schonk hem onvergankelijke weelde. (17) Heer S'iva kwam met een zwaard versierd met tien manen en Durgâ gaf een soortgelijk schild dat een honderdtal manen vertoonde. De maangod schonk paarden van de beste soort en de halfgod Vis'vakarmâ schonk een zeer mooie wagen. (18) Agni gaf een boog gemaakt van hoorn, Sûrya gaf pijlen zo schitterend als het zonlicht, Bhûmi [de Godin van de Aarde] schonk slippers die hem begiftigden met de macht der mystieke eenheid en de goden van de hemelse planeten strooiden dag na dag bloemen over hem uit.  (19) De kunst van het toneel, het zingen van de fijnste liederen, het bespelen van muziekinstrumenten alsook het vermogen om dingen te laten verdwijnen en verschijnen, werd hem geschonken door de ruimtereizigers; de grote wijzen zegenden hem met onfeilbaarheid en de god van de oceaan bracht hem een schelphoorn. (20) De zeeën, bergen en rivieren verschaften hem doorgang voor zijn wagen en bekende hofzangers en voorgangers in het gebed en de lofprijzing presenteerden zichzelf voor hem, hem aanroepend in verzen. (21) Toen hij hen met hun offerandes zo bezig zag, sprak de hoogst machtige zoon van Vena glimlachend en met een stem gewichtig als de donder van wolken als volgt.

(22) Koning Prithu zei: 'O beste barden, mannen van gebed en lof, uw woorden jegens mij zijn misplaatst. Zoals ik hier nu in de wereld sta vertoon ik niet al deze mogelijke kwaliteiten. Dus waarom mij dan prijzen als zijnde de toevlucht? Met deze woorden zou men zich nooit tot mij moeten richten. (23) Breng daarom die gebeden maar ergens in de toekomst als er in mij afdoende sprake is van die kwaliteiten waarover u sprak mijn beste reciteerders. Mensen met eergevoel die naar behoren de kwaliteiten van de Allerhoogste die wordt verheerlijkt in de geschriften bespreken, brengen die gebeden nooit voor een verwerpelijk menselijk wezen. (24) Iemand die zich door volgelingen laat prijzen voor verheven talenten die hij als heer en meester zou kunnen hebben maar die hij niet werkelijk heeft, is misleidend bezig en is een dwaas die niet doorheeft dat mensen elkaar op die manier beledigen. (25) De machtigen houden er zeker niet van om geprezen te worden. Hoewel ze zeer beroemd zijn, zijn ze bescheiden: [ze weten] dat zo groots als ze zijn in hun heldendaden, ze evenzogoed abominabel zijn. (26) O u mensen die zich laten leiden door lofuitingen, als we dan momenteel geen faam genieten in de wereld of prijzenswaardig zijn in ons handelen, hoe zou ik u dan kunnen betrekken in het vereren van mijn persoon alsof u kinderen bent?'

 

Hoofdstuk 16: Koning Prithu Geprezen

(1) Maitreya zei: 'Met het aanhoren van de nectargelijke woorden van de zich aldus uitlatende koning, waren de voordrachtskunstenaars ingenomen en dus prezen ze hem overeenkomstig de instructies van de wijzen: (2) 'Woorden schieten ons tekort om de heerlijkheden van u te beschrijven die als de belangrijkste godheid uit eigen genade bent nedergedaald. Hoewel u verscheen uit het lichaam van Vena, verbijstert uw glorie de geesten van de meest vooraanstaande sprekers. (3) Niettemin zullen we proberen om in overeenstemming met wat de wijzen ons gezegd hebben, de naam van Koning Prithu, [van u] die men roemt als een gedeeltelijke incarnatie van Heer Vishnu, in de zoetste bewoordingen te vervatten. Aangemoedigd in onze aandacht door de vrijzinnigheid en het prijzenswaardige van uw handelingen zullen we ons best doen uw roem te verkondigen. (4) Deze koning zal als de beste verdediger van het geloof de hele wereld ertoe aanzetten plichtsgetrouw te volgen. Behalve dat hij de beschermer van de regulerende beginselen van de menselijke natuur is, is hij ook de bestraffer van allen die tegen hen ingaan. (5) Hij is zonder twijfel de enige ware die in zichzelf al de gedaanten draagt van al de lokaal aanbeden beeltenissen. Op basis van die rechtzinnigheid zal een ieder hoog en laag na de nodige tijd [met hem] zijn aandeel genieten en het navenant goed gaan. (6) Al de schatten die hij vergaart zal deze koning mettertijd gelijkelijk verdelen over alle levende wezens, precies zoals de almachtige zonnegod zijn stralen verdeelt [over de aarde]. (7) Hij zal als de koning de plicht op zich nemen van moeder aarde om goed te zijn voor de verdrietigen en verdraagzaam te zijn jegens de mensen die over haar oppervlak lopen. (8) Met hetzelfde gemak als waarmee Indra regen verschaft als er een tekort aan water is en de levende wezens te lijden hebben, zal die hemelse man van God, deze belichaming van de Heer, de burgers in bescherming nemen. (9) De hele wereld zal gedijen op de blikken en heldere glimlach van zijn prachtige, maangelijke aangezicht vol genegenheid. (10) De tactieken van de koning onttrekken zich aan het zicht, zijn handelingen zijn vertrouwelijk en geheim, wat hij bereikt is verborgen en zijn schatkist kent geen bodem. Zijn ziel, als het enige reservoir van alle goede eigenschappen, zal verhuld zijn net zoals dat is met [de positie van] Varuna, de koning der zeeën. (11) Uit Vena geboren zoals vuur uit brandhout is hij moeilijk te benaderen en niet te verdragen [voor zijn vijanden]. Als men hem heeft benaderd, blijft hij op een afstand. Niemand is hem de baas. (12) Als de neutrale getuige overschouwt hij zowel vanbinnen als vanbuiten het reilen en zeilen van al de levende wezens, net [zo onafscheidelijk] als de levensadem is van al de belichaamde wezens. (13) Het pad der rechtschapenheid bewandelend, zal hij er niet over peinzen de zoon van zijn vijand te bestraffen als die niet moet worden bestraft, maar zijn eigen zoon zal hij desalniettemin bestraffen als die dat verdient. (14) Zoals de zonnegod die zijn licht overal laat schijnen, zal Prithu's invloedssfeer ongehinderd de machtigste blijven tot aan de berg Mânasa [het poolgebied] toe. (15) De hele wereld behaagd door zijn persoonlijk handelen zal hem daarom 'de Koning Aangenaam voor de Geest der Burgerij' noemen. (16) Standvastig in zijn besluit en altijd waarheidsgetrouw is hij, van dienst zijnd ten gunste van het brahmaanse en de ouderen, degene die respectvol is en de zorgzame ouder voor hen die te lijden hebben bij wie al de levende wezens hun beschutting zoeken. (17) Hij is zo respectvol jegens andere vrouwen als hij is voor zijn moeder, voor zijn eigen vrouw is hij als de andere helft van zijn lichaam, jegens de burgers is hij gelijk een liefdevolle vader en hij is als een dienaar jegens hen die het woord van God verkondigen. (18) Een ieder die belichaamd is is hem zo dierbaar als hemzelf, hij draagt bij tot de vreugde van zijn vrienden en hij onderhoudt intieme betrekkingen met hen die vrij zijn van gehechtheid. Deze koning vormt de harde hand voor de verdorvenen. (19) Hij die onmiskenbaar de onveranderlijke Allerhoogste Heer boven de drie werelden is, daalde neder als een gedeeltelijke [s'aktyâves'a-]expansie van de Superziel. Hij beschouwt [de valse zekerheid van vertrouwen stellen in] de veelvormigheid van de materie als iets zonder betekenis, want die notie berust op onwetendheid. (20) Vanaf het vroegste daglicht over de heuvels zal hij als de Koning van de Wereld op unieke wijze heldhaftig de aarde beschermen als de meester van al de goden der mensen. Op zijn zegerijke wagen de boog vasthoudend zal hij van zuid [naar noord] overal aanwezig zijn net als de zon die [ieder jaar] van het zuiden [naar het noorden] door de hemel trekt. (21) De koningen zullen zich gegarandeerd van overal aan hem presenteren. Met de plaatselijk aanbeden beeltenissen zullen de echtgenotes van deze koningen hem zien als de Oorspronkelijke Koning die met het hooghouden van zijn [Zijn] reputatie het wapen van zijn werpschijf hanteert. (22) Hij zal de aarde in de gedaante van een koe melken, als een buitengewone koning en stamvader [de Prajâpati] zal hij voorzien in faciliteiten voor de bevolking en bij wijze van tijdverdrijf zal hij eenvoudigweg met de punten van zijn boog de bergen vereffenen door ze uiteen te rijten met het geschikt maken van de aarde [voor de landbouw], net zoals Indra, de koning van de hemel, dat deed [met het geselen van de bergen met zijn bliksemschicht]. (23) Als hij met het trillen van zijn hoornen boog als een leeuw die zijn staart omhooghoudt persoonlijk rondreist over de aarde, zal hij onverslaanbaar in de strijd alle oorlogszuchtigen overal tot de aftocht dwingen. (24) Op het moment dat deze koning een honderdtal as'vamedha [paard]offers heeft gebracht aan de bron van de rivier de Sarasvatî, zal zijn paard aldaar gedurende de laatste van de honderd offers worden weggestolen door Heer Indra. (25) Hij zal in de tuin van zijn paleis een treffen onder vier ogen hebben met de aanbiddelijke Sanat-kumâra en zal, in de toewijding van zijn aanbidding, de zuivere, transcendentale kennis bereiken waarmee men de geest van de Absolute Waarheid geniet. (26) Hij zal vernemen over de reputatie wijd en zijd van zijn ridderlijkheid als Prithu, de koning van de allerhoogste macht, vervat in vele woorden in de vorm van liederen en vertellingen. (27) Overal de overwinning behalend met niemand die hem de baas is zal hij, bij de genade van zijn eigen vermogen, aan alle ellende van de burgerij een einde maken. Hij zal door de leiders van de godsbewusten en de goddelozen worden verheerlijkt als zijnde de grootste ziel en de heer van de wereld worden.'


Hoofdstuk 17: Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

(1) Maitreya zei: 'Nadat de zoon van Koning Vena aldus vanwege zijn kwaliteiten en handelingen was verheerlijkt als een verschijning van de Allerhoogste Heer, behaagde hij degenen die hadden gesproken met giften en bewees hij hen met lofuitingen alle eer. (2) De leiders der brahmanen, de andere kasten, de dienaren, ministers, priesters, de burgers, al zijn onderdanen, de verschillende gemeenschappen en zijn vereerders respecteerde hij allen naar behoren.'

(3) Vidura zei: 'Waarom nam Moeder Aarde die zoveel gedaanten heeft, de gedaante van een koe aan? En wie was er met Koning Prithu die haar molk dan als het kalf en wat was de melkemmer? (4) Hoe vereffende hij haar [de godin] die van nature glooit en om welke reden stal de godheid [Indra] het offerpaard? (5) O brahmaan, welke staat bereikte de heilige koning nadat hij de praktische kennis had ontvangen van de machtige Sanat-kumâra* die zo goed thuis is in de Vedische wijsheid? (6-7) Alstublieft o goedheid, vertel deze zo heel aandachtige toegewijde al het overige betreffende de Heer die we kennen als Adhokshaja [Hij die voorbij de zinnen is] en die als de zoon van Vena de aarde in de gedaante van die koe molk. Het is ongetwijfeld een genoegen de verhalen aan te horen over hem die vanuit de deugdzaamheid van zijn voorgaande incarnatie kwam tot zulke machtige en glorieuze daden.'

(8) Sûta zei: "De heilige Maitreya zeer blij met Vidura die zo geïnspireerd was door de vertellingen over Vâsudeva, prees hem daarop en gaf antwoord. (9) Maitreya zei: 'Toen koning Prithu door de brahmanen op de troon werd gezet mijn beste en werd uitgeroepen tot de beschermer van de mensen, leden de burgers onder een voedseltekort. Ze benaderden hem toen met hun door de honger uitgemergelde lichamen om hem, de Beschermer van het Aardoppervlak, op de hoogte te stellen.

(10-11) 'O Koning, lijdend onder een honger die brandt gelijk een vuur in de holte van een boom, hebben we u vandaag benaderd om bij u onze toevlucht te zoeken. U bent immers de aangewezen persoon en de te raadplegen meester die de orders uitdeelt. Alstublieft o Majesteit, probeer daarom ons die geplaagd worden door de honger het voedsel te verschaffen, o meester over alle heersers der mensen. Als u niet optreedt als de beschermer van de mensen en de leider van de voedselverschaffing, zullen we omkomen!'

(12) Maitreya zei: 'Prithu die het beklag van de burgers over hun deerniswekkende toestand aanhoorde, bezon zich een lange tijd o beste der Kuru's, en ontdekte wat de oorzaak was. (13) Tot die slotsom gekomen nam hij met wijsheid zijn pijl en boog ter hand en legde, als was hij de woedende Heer der drie Steden [Heer S'iva die ooit drie forten doorboorde met één pijl], een pijl aan die hij richtte op de aarde. (14) Toen de aarde zag dat hij zijn pijl en boog had opgepakt, sloeg ze, veranderd zijnde in een koe, bevend op de vlucht zo angstig als een hert opgejaagd door een jager. (15) Met ogen rood doorlopen van de woede maakte de zoon van Vena er jacht op en legde een pijl aan op zijn boog waarheen ze ook maar vluchtte. (16) Ziend hoe de koning haar met zijn wapens geheven achtervolgde rende de godin willekeurig in alle vier de windrichtingen, her en der haar heil zoekend daar waar hemel en aarde elkaar ontmoeten. (17) Net zoals de mens niet in staat is te ontsnappen aan de dood, keerde ze tenslotte nergens op aarde in staat te ontsnappen aan de hand van de zoon van Vena, zeer bevreesd en droef van hart terug.

(18) Ze zei: 'Aangezien u nu de grootheid, de fortuinlijke bent o kenner der religie, o toevlucht van hen die te lijden hebben, redt me alstublieft! Uwe Majesteit bent er immers voor de bescherming van de levenden. (19) Waarom is het zo dat u nu juist die arme persoon wilt doden die zonder zonde is? Hoe kan het zijn dat u een vrouw als ik naar het leven staat, u die gezien wordt als een kenner der principes? (20) Als het zo is dat zeker niemand ooit een vrouw zou moeten slaan zelfs al is ze zondig, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor een persoonlijkheid als u o Koning, iemand die zo vol van genade en genegenheid is voor de armen? (21) Als u mij breekt, deze zo heel sterke boot die de ganse wereld draagt, hoe kan u uzelf en uw onderdanen dan boven water houden?'

(22) Koning Prithu antwoordde: 'O mijn beste bron der welvaart, als u zich niet houdt aan mijn regels zal ik u ter dood moeten brengen daar u, die wel uw aandeel van de offers aanvaardt, ons niet de agrarische producten verschaft. (23) U eet dagelijks het groenste gras, maar we zijn nooit zeker van de melk verschaft door uw uier. Moet een koe die aldus ongetwijfeld in overtreding is niet worden bestraft? (24) Minder intelligent mij niet gehoorzamend levert u voor ons niet de zaden voor de gewassen, de kruiden en het graan op die oorspronkelijk door de Schepper werden gevormd maar nu door u in uzelf verborgen worden gehouden. (25) Om aan de treurnis van al de getroffenen die honger lijden een einde te maken zal ik nu uw vlees aan stukken snijden met mijn pijlen. (26) Of het nu een man, een vrouw of een eunuch betreft, de koningen die hem doden die als de laagste van allen uit is op zijn eigenbelang zonder mededogen te hebben voor zijn medeschepselen, zijn niet werkelijk aan het doden. (27) U, zo dwaas en ingebeeld, laat zich kennen als een koe van illusie. Dus zal ik u met mijn pijlen aan stukken snijden zo klein als korreltjes graan. Door de macht van mijn yoga zal ik persoonlijk al deze burgers in stand houden.'

(28) Dermate kwaad had hij de gedaante aangenomen van de dood in eigen persoon. De overgegeven planeet aarde die over haar hele lijf moest trillen, sprak toen met gevouwen handen. (29) De aarde zei: 'Mijn respect voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke Persoon die met de materiële energie expandeerde tot de veelheid van vormen. Die bron der kwaliteiten biedt ik mijn eerbetuigingen, voor die ware gedaante van Hem die met al Zijn liefde en handelen als doener Zelf nooit is aangedaan omdat Hij niet verbijsterd is door de golven van de oceaan der materie. (30) Hij door wie ik als een toevluchtsoord voor alle levende wezens werd geschapen als een combinatie van de verschillende geaardheden en elementen, Hij die op basis van Zijn eigen inspanningen voor me staat met Zijn wapens klaar wil me nu doden, maar bij wie anders zou ik mijn toevlucht moeten zoeken dan bij Hem? (31) Als Degene die in den beginne al deze bewegende en niet bewegende bestaansvormen vanuit Zijn ondoorgrondelijke vermogen schiep en hen de bescherming bood van Zijn toevlucht, U die middels diezelfde mâyâ nu zich als hem, deze koning vertoont, hoe kan U, die bescherming wilt bieden als iemand die zich strikt aan de principes houdt, mij nu willen doden? (32) Vanwege Zijn onoverwinnelijk vermogen is zonder twijfel het plan van de Allerhoogste Meester nimmer duidelijk voor de menselijke wezens die altijd tekort schieten. Hij inderdaad die bij machte van Zijn ondoorgrondelijke vermogens en heerschappij de Schepper en zijn schepping in het leven riep, is de Ene in de veelheid. (33) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen die de oorzaak is van de schepping, het behoud en de vernietiging van deze wereld, die dankzij Zijn vermogens de oorzaak is van de stoffelijke elementen, de zinnen en de heersende halfgoden, de intelligentie en de vereenzelviging met de materie, Hem die deze energieën tentoonspreidt en inperkt en die de bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Oorzaak aller Oorzaken is. (34) U was het die feitelijk deze wereld schiep die bestaat uit de elementen, de zinnen, de geest en het hart o Almachtige. O Ongeborene, als het Oorspronkelijke Zwijn [Varâha] mij in stand houdend, tilde U mij vanuit de lagere regionen omhoog uit het water. (35) Mij bovenop het water geplaatst hebbend met de levende wezens bovenop mij staand als in een boot, bent U, die er werkelijk op uit bent bescherming te bieden, als een held de behoeder van de aarde geworden. En nu wilt U mij met scherpe pijlen doden vanwege de melk [die eraan ontbrak]! (36) De wegen en handelingen van Uw goddelijke incarnaties kunnen nimmer volledig worden doorgrond door levende wezens als ik of door gewone mensen wiens geesten als gevolg van Uw energie verbijsterd zijn door de geaardheden. Mijn eerbetuigingen voor alles van U,  U die de helden zelf de roem bezorgd.'

* Vandaag de dag zijn er vier belangrijke geestelijke erfopvolgingen in India: de Kumâra-, Brahmâ-, Lakshmî- en S'iva-sampradâya's. Deze onderhavige vertaling komt voort uit de Brahmâ-sampradâya.

Hoofdstuk 18: Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

(1) Maitreya zei: 'Nadat moeder aarde aldus gebeden had opgedragen aan Koning Prithu, trilden zijn lippen nog steeds van woede. Zij in angst slaagde erin tot bezinning te komen en begon opnieuw te spreken: (2) 'Alstublieft geef uw woede op o Koning, begrijp dat wat ik zei, ik heb gezegd als een intelligente persoon die, net als een hommel, de essentie overal vandaan haalt. (3) Door de grote wijzen die tot inzicht kwamen in de waarheid werden methoden gevonden en toegepast waarmee de gewone man zowel in dit als het volgende leven een beter bestaan zou hebben. (4) Voor een ieder die geheel leeft volgens de principes zoals die traditioneel worden onderricht aan hen die het aan de nodige ervaring ontbreekt en bij de genade van hun geloof leven, is het heel makkelijk om te genieten van wat men heeft nagestreefd. (5) Hij die met minachting [voor de tradities] zonder kennis van zaken tewerk gaat zal zich in het nastreven van zijn persoonlijke doelen keer op keer zien mislukken. (6) O Koning, al de kruiden en zaden die in het verleden door Heer Brahmâ werden geschapen en die door mij worden gekoesterd, treft men nu aan in handen van onverantwoordelijke lieden die geen respect hebben voor de spirituele praktijk. (7) Niet verzorgd en verwaarloosd door plaatselijke bestuurders als uwe goedheid, heb ik voor deze wereld die is vervallen in dieverij, al de kruiden en zaden verborgen die nodig zijn voor de offers.  (8) Omdat ze zo'n lange tijd in mij verborgen lagen hebben die kruiden en zaden hun kracht verloren en daarom moet uwe Majesteit ze op de voorgeschreven manier weer tevoorschijn halen. (9-10) O held, zorg voor een kalf van mij, uit mijn liefde ervoor zal ik, als u eveneens zorgt voor een melkemmer en een melker, al uw verlangens vervullen naar melk voor een ieder van u. Ook zal ik, o machtig gearmde, o beschermheer der levende wezens, voor het voedsel zorgen dat u voor uw levensonderhoud verlangde, als u dat zo wenst. (11) Ook zal u mij, de aarde, moeten vereffenen o Koning, zodat het water dat uit de hemel valt bij de genade van de godheid buiten het regenseizoen niet is weggelopen o machtige.' 

(12) Indachtig de bevredigende en goede woorden van de aarde, ging de koning wijs met een kalf aan de slag en verkreeg hij aldus melkend al het graan en de kruiden. (13) Zo ook deden alle anderen die met intelligentie begiftigd waren dat elders door op dezelfde manier zorg te dragen [voor een kalf], zodat ze naar behoefte Prithu's planeet de aarde konden uitmelken. (14) O goedheid, de wijzen die de godin molken met hun zinnen [als de melkemmer], leverden, met behulp van de wijze Brihaspati als het kalf, melk in de zuivere vorm der Vedische hymnen. (15) Productief met Indra, de koning van de hemel, als het kalf, molken de godsbewusten in een gouden emmer de nectar van de melk van de geestkracht en de kracht van het lichaam en de zinnen. (16) De zonen van Diti, de vijanden van God, produceerden met Prahlâda als het kalf, met de belangrijkste [toegewijde] onder de goddelozen, de melk van gefermenteerde en gedistilleerde drank in een ijzeren vat. (17) De zangers en bewoners van de hemel produceerden met hem die Vis'vâvasu werd genoemd als het kalf, in een emmer in de vorm van een lotus de melk van mooie muziek en schoonheid. (18) De zeer fortuinlijke halfgoden verantwoordelijk voor de begrafenisplechtigheden brachten met veel geloof met Aryamâ vanuit het bereik der voorvaderen de melk van de offerandes van voedsel voort in een vat van ongebakken aarde. (19) De volmaakten en de geleerden en dergelijke [Vidyâdhara's] kozen voor Kapila als het kalf en produceerden met de ether [als de melkemmer] de kennis van het handelen naar eigen inzicht met de mystieke verworvenheden van de yoga [de siddhi's]. (20) Anderen behept met magische en mystieke vermogens [de Kimpurusha's] produceerden met Maya [een demon] als het kalf en hun concentratie [ofwel dhârana als de emmer] de melk van het wonderbaarlijke vermogen het lichaam onzichtbaar te maken. (21) De nazaten van Kuvera, de demonen, geesten en heksen [respectievelijk de Yaksha's, Râkshasa's, Bhûta's en Pis'âca's] die allen gewoon waren vlees te eten, molken met de Rudra-incarnatie van Heer S'iva [Bhûtanâtha] als het kalf, een brouwsel bereid uit bloed in een vat gemaakt van schedels. (22) Zo ook brachten de slangen met en zonder een kraag, de schorpioenen en de wurgslangen met Takshaka, hun leider, als het kalf, in de emmer van de slangenkuil de melk voort van het vergif. (23-24) De vierbenige levende wezens brachten met de draagstier van Heer S'iva [Nandi] als het kalf, uit de groene grassen de melk voort in het vat van de wildernis. De andere beesten met scherpe tanden, de roofdieren, molken met de leeuw als het kalf het vlees uit van andere levende wezens en de vogels met Garuda als het kalf produceerden in de emmer van hun eigen lichaam de melk van de bewegende [insecten en wormen] en de niet-bewegende levende wezens [de grassen en de planten]. (25) Met de banyanboom als het kalf leverden de verschillende bomen melk in de vorm van sappen, terwijl de bergen en heuvels met de Himalaya's als het kalf de verschillende mineralen van hun pieken opleverden. (26) Zo werd uit de planeet aarde die door koning Prithu werd bestuurd, met de leiders als de kalveren en met ieder zijn eigen specifieke melkemmer, de melk gemolken van alles wat men maar nodig had.

(27) Aldus, o leider der Kuru's, de aarde melkend met de verschillende kalveren, emmers en melkers, werd door Prithu en de anderen die zijn voorbeeld volgden de melk verkregen van al de verschillende soorten voedsel nodig voor het levensonderhoud van de levende wezens. (28) Koning Prithu die zeer ingenomen was met al het verlangde dat als melk was geproduceerd, behandelde vol van liefde de planeet aarde alsof ze zijn eigen dochter was. (29) De keizer, de machtige zoon van Vena, had met de macht van zijn boog al de bergtoppen van de hele wereld opengebroken en haar aldus vrijwel geheel vereffend [in cultuur gebracht]. (30-31) En zo was de Opperheer die op deze aarde aanwezig was als de zoon van Vena als een vader voor de burgers met zijn werkverschaffing en zijn op verschillende locaties voorbereiden van tal van geschikte nederzettingen naar gelang de behoefte: allerlei soorten van dorpen, steden, nederzettingen en vestingen, alsook onderkomens voor de melkers, hokken voor de levende have, kampementen, mijnen, boerendorpen en gehuchten in de bergen. (32) Vóór Prithu's tijd bestond er op deze aarde zeker nimmer dit soort van planning van steden en dorpen; men was gewoon overal onbeperkt naar eigen goeddunken te leven.'
 


Hoofdstuk 19:  Koning Prithu's Honderd Paardoffers

(1) De wijze Maitreya zei: 'Daarna begon hij, de koning, in het land van Manu dat bekend staat als Brahmâvarta waar de Sarasvatî naar het oosten stroomt, toen met het uitvoeren van een honderdtal paardoffers. (2) Geconfronteerd met deze superieure uitnemendheid in het vruchtdragend handelen kon koning Indra, die zelf een honderd offers had gebracht, niet het groot ceremonieel vertoon verdragen van de offers van koning Prithu. (3) Het was daarin dat de genieter van alle offers, de Allerhoogste Heer Vishnu, de bovenzinnelijke beheerser, de eigenaar en de leraar van de gehele wereld en van ieders ziel zich rechtstreeks zou laten zien. (4) Samen met Brahmâ en S'iva en al de lokale grootheden met hun volgelingen, wordt Hij geprezen door de bewoners en zangers van de hemel en de wijzen. (5) De volmaakten en zij die zich verlaten op de geleerdheid, de nazaten van Diti, zij die voor het resultaat werken en de bewakers van de weelde, verschenen aldaar aangevoerd door Nanda en Sunanda, de meest eerbiedwaardige metgezellen van de Heer. (6) Al de grote toegewijden die steeds vol van ijver de Heer dienen kwamen er: de meesters van de yoga aangevoerd door Sanaka [de Kumâra's], Kapila, Nârada en Dattâtreya. (7) Beste zoon van Bharata, terwille van die bijeenkomst beantwoordde het land aan alle wensen door, als de koe die al de melk levert, ieder verlangd voorwerp voort te brengen dat de offeraar nodig had. (8) De rivieren leverden al het water dat er nodig was, er was melk, yoghurt en het voedsel van andere melkproducten, en de bomen met hun grote lichamen droegen vruchten en lieten de honing druipen. (9) De mensen van overal bijeenkomend met hun bestuurders presenteerden zich met een aanbod van de vier soorten voedsel [dat wat wordt gekauwd, gelikt, wordt opgezogen en gedronken] en bergen juwelen uit de heuvels en oceanen. (10) Zodoende was koning Prithu, die zwoer bij de Heer voorbij de Zinnen, degene met de meeste rijkdom, maar de grote Heer Indra die afgunstig was, vormde een obstakel. (11) Vol van afgunst stal hij ongezien het offerdier toen de zoon van Vena bezig was met het laatste paardoffer dat de Heer aller Offers moest behagen. (12) Indra die zich voordeed als een bevrijd iemand en aldus goddeloosheid op een verwarrende manier presenteerde als religiositeit, werd opgemerkt door Atri en vluchtte toen de hemel in. (13) De zoon van koning Prithu, een grote held, aangemoedigd door de wijze Atri om hem te doden, werd zeer kwaad en riep: 'Wacht, wachten jij!' (14) Maar toen hij zag dat hij de kleding droeg die men als religieus beschouwt, met zijn haar bijeengebonden en een lichaam dat geheel besmeurd was met as, was hij niet in staat een pijl op hem af te vuren. (15) Mijn beste, de zoon van Prithu die van het doden afzag werd door de wijze Atri aangespoord om er toch maar toe over te gaan aangezien de grote Indra zich tot zoiets ergs had verlaagd als het verhinderen van het uitvoeren van een yajña. (16) Met die opdracht begon de zoon van Prithu, die zo kwaad was als de koning der gieren op Râvana, Indra na te jagen die in de verte wegvluchtte. (17) Indra met hem achter zich aan verdween toen uit het zicht onder het achterlaten van het paard en zijn valse kledij. De grote held bracht daarop het dier van zijn vader terug naar het offerperk.

(18) O meester [Vidura], toen men zijn wonderbaarlijke handelingen zag vereerden de grote wijzen hem gepast met de naam Vijitâs'va [hij die het paard terugwon]. (19) Maar niet opgemerkt onder de dekking van een hechte duisternis die hij had geschapen, stal de machtige koning Indra opnieuw het paard weg van de offerplaats waar het in gouden ketenen was geslagen. (20) Toen Atri erop wees dat hij buiten wegsnelde kon de held, hem deze keer ziend met een staf in zijn hand waar bovenaan een schedel hing, er [wederom] niet toe komen hem te doden. (21) Door Atri ertoe aangespoord hem te achtervolgen had hij in woede ontstoken een pijl op zijn boog aangelegd, maar de onafhankelijke Indra die het paard en zijn uitdossing [nogmaals] opgaf, hield zich buiten schot. (22) De held die het paard zo te pakken kreeg ging toen weer terug naar het offerperk van zijn vader. Sedertdien presenteren zij die tekortschieten in de kennis zich met een vals vertoon als dat van de heer van de hemel. (23) De gedaanten die Indra aannam met het verlangen het paard te ontvreemden vormen allen taal en teken van zondige activiteiten. Hiervoor gebruikt men de term 'gebrekkig' [met khanda, wat stuk of gebroken is, heet het pâkhanda of pâshanda, ofwel valse prediker of ketter]. (24-25) Met Indra die in zijn verlangen het offer een halt toe te roepen het paard wegstal van de zoon van Vena en aldus de religieuze uitdossing oppakte en weer liet vallen, raakte de gewone man gek genoeg aangetrokken tot dit zich valselijk uitdossen wat betreft de geloofsovertuiging in rode gewaden, naakt erbij lopen etc. omdat het over het algemeen zeer bedreven wordt aangepakt met een goede taalbeheersing. (26) De incarnatie van de Heer, de als almachtig gevierde koning Prithu had dit door en pakte kwaad op Indra een pijl en hief zijn boog.

(27) De priesters die zagen dat Prithu zich aldus opmaakte om de koning van de hemel te doden, konden de gedachtesprong van dat schrikwekkend machtsvertoon niet tolereren en brachten er tegenin: 'O grote ziel, zoals het staat vermeld in de geschriften, heeft het geen pas anderen naar het leven te staan in dit soort aangelegenheden. (28) Indra, uw vijand die in feite reeds zijn macht kwijt is als de vernietiger van uw belang, zullen we aanroepen met nog nooit eerder gebruikte mantra's en hem dan uit alle macht terstond in het vuur offeren o Koning.'

(29) Na dit advies aan hem die de plechtigheid leidde o Vidura, stonden de priesters verbeten klaar met de offerlepel in hun hand om het offer te brengen, maar toen ze ermee wilden beginnen vroeg Heer Brahmâ hen te stoppen: (30) 'Indra moet niet door u worden gedood want hij die u uit het leven wilt helpen is ook de offerande zelf, hij vormt een integraal onderdeel van de Allerhoogste Heer. En ook zij die van God zijn die u met het offeren wenst te behagen, maken allen deel uit van Indra! (31) O tweemaal geborenen, hoedt u daarbij voor deze grote schending van de religie begaan door Indra in zijn verlangen om de handelingen van de koning in dezen te dwarsbomen. (32) Laat het zo zijn dat er van de alom bekende koning Prithu de negenennegentig offers zijn die hij heeft gebracht. Het is niet nodig [o Koning] om nog meer juist gebrachte offers uit te voeren want u kent het pad der bevrijding heel goed. (33) U zou niet uit woede tegen Heer Indra moeten handelen. Het lijdt geen twijfel dat het beter voor het welzijn en geluk van u beiden zou zijn om samen te staan voor de pluriformiteit van de Heer Gevierd in de Geschriften. (34) O grote Vorst, alstublieft, neem in overweging wat ik u met de grootste achting zeg: laat u niet zoals u deed, leiden door de geest van het kwade vanwege een wending van het lot, want met de koning die dat overweegt belandt men in de donkerste regionen. (35) Laat er een einde komen aan dit offeren, het was door wat Indra heeft verzonnen dat onder hen die van God zijn zo vele principes van de religie werden geschonden en slechte gewoonten konden postvatten. (36) Zie toch hoe Indra als degene die uw offerplechtigheid doorkruiste met het wegstelen van het paard, al deze misleiding werd geïntroduceerd die dermate verlokkelijk is voor de gewone man dat hij zich erdoor laat leiden. (37) O Majesteit u incarneerde overeenkomstig de tijd en omstandigheid in deze wereld ter wille van onze verlossing, ter wille van de geloofsovertuiging die door de misdaden van koning Vena bijna was verdwenen. En nu bent u er als een deel en geheel van het lichaam van Vishnu, o zoon van Vena. (38) Beantwoord derhalve uit overweging van het heil van de wereld o heer der mensen, aan de overtuiging van de stamvaders [u te respecteren als een expansie van de Allerhoogste] en steek een stokje voor de illusie die werd geschapen door Indra in de vorm van het gemoraliseer zonder dienstbaarheid [de pseudo-religie, de hypocrisie] dat de moeder vormt van het gevaarlijke pad der ketterij.'

(39) Maitreya vervolgde: 'Aldus van advies gediend door de leraar van iedereen handelde Prithu, de koning en meester, overeenkomstig wat hem gezegd was en sloot hij, tot sympathie bewogen, vrede met Indra. (40) Na dat gedaan te hebben nam hij volgens het gebruik een bad en ontving hij voor zijn roemrijke daden de zegeningen van de godsbewusten die hij had behaagd met de uitvoering van zijn offerplechtigheden. (41) Toen ze de oorspronkelijke koning hun zegen hadden gegeven, waren al de geleerden zeer ingenomen met het grote respect en de beloningen die ze van hem in ontvangst mochten nemen o edelman [en zeiden ze]: (42) 'O machtig gearmde, wij, de voorvaderen, de goden, de wijzen en ook gewone mensen, kwamen allen bijeen omdat u ons daartoe uitnodigde en we voelen ons zeer vereerd met de giften en eerbewijzen.'
 


Hoofdstuk 20: Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

(1) Maitreya zei: 'De Hoogste Persoonlijkheid, de Heer van Vaikunthha, tevreden over de offers gebracht voor Hem, de Heer Aller Offers, verscheen tezamen met de machtige Indra en sprak als de genieter van het offer tot koning Prithu. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze persoon [Heer Indra] die het honderdste paardoffer dat u bracht verstoorde, biedt u zijn excuses aan, u zou het hem moeten vergeven. (3) Die welwillende zielen die bereid zijn zich in te zetten ten gunste van anderen in deze wereld o god der mensen, behoren tot de beste mensen. Ze zullen ten opzichte van andere levende wezens nooit kwaad in de zin hebben omdat ze nimmer de ziel vergeten die aanwezig is in dit vehikel van de tijd. (4) Als mensen zoals u die standvastig zijn in hun dienstverlening aan de ouderen, verbijsterd raken door de uitwendige energie van God, is vermoeidheid het enige resultaat dat men boekt. (5) Daarom wordt hij die goed op de hoogte is en weet dat men dit lichaam te danken heeft aan zijn onwetendheid, verlangens en karma, er nimmer de slaaf van. (6) Met andere woorden, welke persoon met levenservaring zou nu onthecht zich de eigenaar noemen van de weelde, het huis en de kinderen die ontspruiten aan een dergelijk lichamelijk begrip? (7) Het ene, zuivere zelf dat verlicht is en vrij van materiële kenmerken vormt het reservoir van alle goede eigenschappen, het is de  onverdeelde getuige die alles doordringt en ontstegen aan het lichaam en de geest losstaat van de materie. (8) Een ieder die aldus op de hoogte is van de ziel die zich in dit lichaam ophoudt is, ondanks dat hij zich bevindt in de materiële natuur, als persoon nimmer aangedaan door de geaardheden ervan. Zo iemand bevindt zich in Mij. (9) Hij die vrij van nevenmotieven zijn plicht steeds nakomend Mij aanbidt met geloof en toewijding zal o Koning, ontdekken dat zijn geest stap voor stap de hoogste voldoening vindt. (10) Vrij van de geaardheden der natuur en met een gelijke blik voor alles, zal hij die innerlijk vrij van smetten in vrede verkeert de evenwichtigheid van Mijn geest van emancipatie bereiken. (11) Welke persoon ook die deze onveranderlijke ziel kent als zijnde eenvoudig de onbekommerde toezichthouder over de fysieke elementen, de kennende en werkende zintuigen en het denken, zal al het goede geluk vinden. (12) Zij die met Mij zijn verbonden in vriendschap en verlichting zullen nimmer verstoord raken met hun ervaringen van geluk of ongeluk in relatie tot de verschillende geaardheden en de voortdurende verandering van het materiële lichaam dat bestaat uit de fysieke elementen, de actieve zinnen, de motieven die hen beheersen en het denken. (13) Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, gelijk naar allen die groter zijn, lager zijn of zich daartussen bevinden en met de zinnen en het denken onder controle, wees zo, o held, samen met de door Mij voorbeschikte anderen [de andere bestuurders] de beschermer van alle burgers. (14) In goedheid de bevolking besturend staat het voor een koning vast dat hij in zijn volgende leven een zesde van de resultaten van al de vrome daden tegemoet kan zien. Pakt hij het anders aan dan zal hij, enkel maar belastingen innend, het zonder dat zesde deel moeten stellen en te maken krijgen met de zonden van de burgers die hij niet beschermde. (15) Aldus de beschermer van de aarde zijnd als iemand wiens hoofddoel het is onthecht te zijn in navolging van de principes zoals bevestigd en doorgegeven door de meest vooraanstaande tweemaal geborenen, zal u zich in korte tijd geliefd zien bij de burgerij en zullen de volmaakten u persoonlijk thuis komen opzoeken. (16) U kan Mij, omdat u Mij geheel voor zich gewonnen heeft door uw uitzonderlijke kwaliteiten*, gerust om welke zegen vragen die u ook maar van Mij verlangt o belangrijkste onder de mensen. Men kan Mij zeker niet eenvoudig voor zich winnen door enkel offers te brengen, van verzaking te zijn of alleen maar yoga te doen. Ik ben aanwezig in degene die evenwichtig van geest is.'

(17) Maitreya zei: 'De veroveraar van de wereld aldus geleid door de hoogste meester van allen, de Persoonlijkheid van Vishnu, boog zijn hoofd voor de instructies van de Heer. (18) Koning Indra beschaamd over zijn daden beroerde toen vol liefde de voeten van hem [Prithu] die vanzelfsprekend met een omhelzing zijn woede opgaf. (19) De Allerhoogste Heer, de Superziel, ontving vervolgens het eerbetoon met alles wat erbij hoort van Prithu wiens toewijding geleidelijk aan toenam nu hij zich eenmaal tot de lotusvoeten had gewend. (20) Hoewel Hij klaar was om te vertrekken kon de Heer met de lotusogen, de begunstiger aller toegewijden, door zijn genegenheid opgehouden er niet toe komen hem te verlaten. (21) Hij, de eerste der koningen, kon met zijn ogen vol tranen voor de Heer staand met samengevouwen handen, Hem niet aankijken of ook maar iets uitbrengen. Zijn stem stokte in zijn keel en in zijn hart Hem omhelzend bleef hij daar in die positie. (22) Er niet tevreden over Hem [enkel] voor zich te zien, sprak hij tot de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God die met Zijn hand rustend op de hoge schouder van Garuda de vijand der slangen, met Zijn lotusvoeten amper de grond beroerde.

(23) Prithu zei: 'O Almachtige, hoe kan een onderlegd man U, de meester van alle genade, nu om zegeningen vragen die er ook zijn voor al de belichaamde levende wezens die verbijsterd zijn door de geaardheden der natuur, zelfs als ze in de hel verkeren? Ook vraag ik niet om Uw verlichting [om eenwording met U] o Allerhoogste. (24) Zelfs daar zie ik niet naar uit o Meester omdat ik het dan zonder de nectar zou moeten stellen die voortkomt uit de monden van de grote toegewijden aan Uw lotusvoeten. Gun me enkel een miljoen oren voor dat wat opwelt [aan verhalen over U die voortkomen] uit het diepst van hun hart. Laat dat mijn zegening zijn. (25) Die verzachtende bries van de nectargelijke [saffraan-]deeltjes van Uw Lotusvoeten o Heer, U die wordt verheerlijkt in de geschriften zoals in mondelinge overlevering doorgegeven door de groten, herstelt van hen die afdwaalden van het pad der toegewijde dienst, de herinnering aan de vergeten waarheid en maakt andere zegeningen overbodig. (26) Als iemand op de een of andere manier, al is het maar één enkele keer, in het gezelschap van hen die gevorderd zijn luistert naar de alleszins gunstige verheerlijking van U o Vereerde, hoe kan iemand die Uw eigenschappen op prijs stelt, tenzij hij een beest is, dan ooit afzien van dat wat de Godin van het Geluk in haar verlangen over U te vernemen heeft aanvaard als zijnde Uw kwaliteit? (27) Daarom zal ik me bezighouden met de dienst aan U die de allesomvattende Allerhoogste, Oorspronkelijke Persoonlijkheid [Pûrushottama] en het reservoir van alle goede eigenschappen bent. Laat er met mij die zo bezorgd als de godin met de lotus in haar hand wedijvert in relatie tot de Meester, er tussen haar en mij geen strijd bestaan in de vastberaden gerichtheid van tewerk gaan in achting voor Uw voeten. (28) De moeder van het universum o Heerser der Kosmische Werkelijkheid, kan [jaloers] mijn verlangen om van haar bezigheid te zijn dwarsbomen.  Maar wat kan zij nu uitrichten met U, die altijd een arme ziel gunstig gezind zijnde, als gevolg van Uw welwillendheid zelfs de meest onbetekenende dienstverlening als heel bijzonder beschouwt? (29) Heilige personen aanbidden daarom liever U die de misvattingen uitbant die worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur.  O Allerhoogste Heer ik kan me geen ander doel [in het leven] van toegewijden voorstellen dan het zich herinneren van Uw lotusvoeten. (30) Ik beschouw dat wat U tegen [mij] Uw toegewijde zei met de woorden 'maak je keuze', als een zinsbegoochelende, op de materiële wereld betrokken gunst. Hoe kan dat [goed uitpakken] als gewone mensen [als ik] die niet aan de leiband lopen van wat U zegt in de Vedische literatuur, zich er telkens weer toe voelen aangetrokken om over te gaan tot karmische handelingen? (31) De mensen zijn over het algemeen o Heer, verdeeld over Uw begoochelende energie waardoor ze zonder werkelijk te weten verlangen naar alles behalve de ware zaak van de Ziel. Gun ons alstUblieft dat wat naar Uw idee wenselijk is, zoals een vader dat voor het welzijn van zijn kind zou doen.'

(32) Maitreya zei: 'Aldus aanbeden door de oorspronkelijke koning zei Hij, de ziener van het ganse universum, tot hem: 'Mijn beste Koning, laat er uw toewijding voor Mij zijn. Door het fortuinlijke van het intelligent hebben gehandeld terwille van Mij, zal u zeker Mijn begoochelende energie die zo moeilijk los te laten is, te boven komen. (33) Doe daarom zonder nalatigheid wat Ik u heb gezegd te doen o beschermer van de burgers, wie het ook is die handelt overeenkomstig wat Ik heb opgedragen zal alle voorspoed ten deel vallen ongeacht waar hij is.'

(34) Maitreya zei: 'Aldus blijk gevend van Zijn waardering voor de woorden van de wijze koning, de zoon van Vena, besloot Hij, de Onfeilbare, na hem afdoende gezegend te hebben en door hem aanbeden te zijn, van daar te vertrekken. (35-36) Nadat ze [door de koning] met een op de Heer gerichte intelligentie en met gevouwen handen, beleefde woorden en kostbaarheden naar behoren waren gerespecteerd in een geest van toegewijde dienst, verlieten al de volgelingen van de Heer van Vaikunthha die plek: de goddelijken, de wijzen, de voorvaderen, de kunstenaars, de volmaakten, de hemelse zangers, de slangachtigen, de bovenmenselijke wezens, de nimfen, de aardse mensen, de vogels en al de vele andere levende wezens [vergelijk 3.10: 28-29]. (37) Met het in beslag hebben genomen van de geesten van de heilige koning en al zijn priesters keerde ook de beschermer van de levende schepping, de onfeilbare Allerhoogste Heer, terug naar Zijn verblijf. (38) De koning die de Allerhoogste Ziel zijn eerbetuigingen had geboden ontving [aldus] de openbaring van de Ongemanifesteerde, van de God der Goden, en ging toen weer naar huis.'

*: De zesentwintig kwaliteiten van de toegewijde zijn: (1) Aardig voor iedereen, (2) ruziet met niemand, (3) gefixeerd in de Absolute Waarheid, (4) gelijk naar iedereen, (5) foutloos, (6) liefdadig, (7) mild, (8) rein, (9) eenvoudig, (10) goedgunstig, (11) vreedzaam, (12) volledig gehecht aan Krishna, (13) kent geen materiële hunkering, (14) deemoedig, (15) standvastig, (16) zelfbeheerst, (17) eet niet meer dan nodig, (18) bij zinnen, (19) vol van respect, (20) bescheiden, (21) ernstig, (22) mededogend, (23) vriendelijk, (24) poëtisch, (25) deskundig, (26) stil.


Hoofdstuk 21: Het Onderricht van Prithu Mahârâja

(1) Maitreya zei [over koning Prithu die terugkeerde naar zijn hoofdstad]: 'Bij de gouden poorten en overal elders [in de stad] waren er versieringen van parels, bloemenkransen en stoffen en er was ook sterk geurende wierook. (2) De straten, de parken en de lanen die waren besprenkeld met reukwater geparfumeerd met sandelhout en aguru [een geurig kruid] waren versierd met ongebroken rijst, bloemen, vruchten nog in hun schil, kostbare gesteenten, geroosterde granen en lampen. (3) Met alles schoongemaakt en volgehangen met slingers van verschillende boombladeren zoals verse mangobladeren en de bloemen en vruchten die neerhingen van staken van bananenbomen en betelnootbomen, zag het er allemaal heel fraai uit. (4) De burgers en vele stralende maagden versierd met rinkelende oorbellen kwamen hem ter verwelkoming tegemoet, uitgerust met lampen en talloze artikelen van aanbidding. (5) Hoewel de koning toen die zijn paleis binnenging werd vereerd met het geluid van paukengeroffel, schelphoorns en de Vedische gezangen van de priesters, vervulde hem dat niet met trots. (6) Met de grote eer om aldus van alle kanten te worden verheerlijkt en geprezen door de edelen en de gewone man, wenste hij ook hen al het beste. (7) Hij was van het begin af aan zo geweest: grootmoedig in al zijn handelingen en regelmatig grootse daden verrichtend. Hij was uitgegroeid tot de grootste der groten en aldus heersend met het succes van een vermaardheid die zich had verspreid over de ganse aarde, was hij [uiteindelijk] opgeklommen tot het Allerhoogste van de lotusvoeten'."

(8) Sûta zei: "O grootste der toegewijden, o leider der wijzen [S'aunaka], nadat Maitreya zo treffend had uitgeweid over de hoge roem van die ideale koning die zo geschikt was vanwege  zijn talrijke kwaliteiten, betoonde Vidura zijn grote respect en richtte hij zich tot hem. (9) Vidura zei: 'Toen hij, Prithu, op de troon was gezet door de groten der geleerdheid, verwierf hij zich de ondersteuning van de verlichte gemeenschap en kon hij zijn heerschappij uitbouwen bij de genade van Vishnu tot de kracht van een wet waarmee hij erin slaagde de aarde open te breken [en te exploiteren]. (10) Wie zou nu niet graag vernemen over zijn heerlijkheden, over zijn intelligentie en zijn ridderlijkheid naar het voorbeeld waarvan zo vele koningen en hun lokale autoriteiten tot op de dag van vandaag tewerk gaan met het vergaren van wat ze maar wensen voor hun levensonderhoud. Alstublieft, vertel me [meer] over die goede daden.'

(11) Maitreya vervolgde: 'Wonend in de landstreek tussen de Ganges en de Yamunâ, putte hij die ertoe was voorbestemd te genieten van het geluk van zijn goede daden zijn verdienste uit. (12) Met uitzondering van de brahmaanse cultuur en hen die in opeenvolging de Onfeilbare waren toegewijd [de vaishnava's], was een ieder in de zeven continenten onderworpen aan zijn onherroepelijk gezag als de ene leider die de scepter zwaaide. (13) Zo legde hij eens een eed af om met een grote offerplechtigheid te beginnen en daartoe vond er een grote bijeenkomst plaats van de gezagsdragers van God: de brahmaanse wijzen, de wijze koningen en de grootsten onder de toegewijden. (14) Bij die gelegenheid bood hij al die respectabele lieden zijn eerbetuigingen die het verdienden overeenkomstig de posities die ze bekleedden, in hun midden staand als de maan temidden van de sterren. (15-16) Hij was een rijzige man, goed gebouwd met sterke armen en een lotusgelijke blanke huid, ogen helder als een zonsopkomst, een rechte neus en een prachtig gezicht met een ernstige uitdrukking, hoekige schouders en tanden die blonken op de glimlach, een brede borst, een stevig middel met prachtige huidplooien in zijn buik gelijk het blad van een bananenboom, een diepe navel, dijen met een gouden glans en een hoge wreef. (17) Met fijn, krullend, glanzend zwart haar op zijn hoofd en een nek als een schelphoorn was hij gekleed in een zeer kostbare dhotî met over zijn bovenlichaam een omslagdoek die hij droeg als een heilige draad. (18) Hij met al de schoonheid van zijn voorkomen was de aangewezen persoon om overeenkomstig de reglementen zijn kleding op te geven. Fraai gestoken in een zwart hertenvel en met een ring van kus'agras om zijn vinger ging hij toen tewerk zoals vereist was. (19) Met glinsterende ogen vochtig als de dauw, overzag hij allen om zich heen en begon toen met het doel de vergadering te behagen de volgende verheffende toespraak. (20) Dat wat hij hen toen in herinnering bracht was van een groot gewicht en een enorme schoonheid, en werd bloemrijk, kristalhelder en zonder de geringste twijfel uitgesproken voor het welzijn van allen.

(21) De koning zei: 'Luister goed o grote zielen hier aanwezig naar hoe een man van onderzoek als ik zich verplicht voelt de conclusies aan u voor te leggen o edelen, aangaande de beginselen van het dharma. (22) Ik, die als de koning van alle burgers de scepter draag, ben bij deze wereld betrokken als de beschermer en werkgever van een ieder zoals die werd geboren in de context van zijn eigen [Vedisch] vastgelegde, afzonderlijke maatschappelijke groepering. (23) Door van Hem, de Ziener van ieders lotsbestemming, dat ten uitvoer te brengen waar de deskundigen in de Vedische kennis van spreken, verwacht ik tegemoet te kunnen komen aan al de doelen zoals die door een ieder waar dan ook worden nagestreefd. (24) Wie dan ook die als een koning belastingen van zijn burgers int zonder hen te herinneren aan hun afzonderlijke [varnâs'rama] verplichtingen, zal naar gelang de ondeugd van zijn burgers, tevens moeten afzien van het genot van zijn eigen fortuin. (25) Derhalve mijn beste onderdanen, lijdt het geen twijfel dat alles wat u zonder te morren doet in overeenstemming met [het varnâs'rama-systeem van] Hem die zich bevindt voorbij de zinnen, [niet alleen uw eigen belang dient, maar ook] een grote gunst jegens mij vormt. Daarmee dient u het belang van het welzijn van uw beschermheer. (26) U allen hier aanwezig als mensen trouw aan de voorvaderen, de goden, de wijzen en de zondelozen, neemt u dit alstublieft ter harte: in het hiernamaals wordt het resultaat van handelen gedeeld door degene die handelde, degene die er opdracht toe gaf en hij die ondersteuning verleende. (27) O eerbare lieden, in deze materiële wereld moet er wel iemand als Hij [God] bestaan die men [in de geschriften] wel eens de Heer der Offers noemt, want klaarblijkelijk komt men in deze wereld en in de wereld hierna soms te staan voor belichamingen van [grote] macht en schoonheid. (28-29) Manu, Uttânapâda [Dhruva's vader], Dhruva, en zonder twijfel de grote koning Priyavrata en mijn grootvader Anga, deze grote en heilige persoonlijkheden, alsook anderen die van de Ongeboren Ziel zijn zoals Prahlâda en Bali Mahârâja, leveren bewijs voor het bestaan van Hem die de Strijdknots hooghoudt. (30) Behalve dan bij afstammelingen als mijn vader die zich abominabel gedragend als de dood in eigen persoon, het spoor bijster was op het pad der religie, schrijft men zo goed als altijd het opstijgen naar hogere werelden en een hogere klasse toe aan het [in dharmisch handelen] bevrijd zijn van materiële motieven terwille van de Ene Allerhoogste Ziel. (31) Met de geneigdheid dienst te verlenen aan de lotusvoeten vernietigen boetvaardige personen onmiddellijk het vuil van de geest dat werd vergaard in talloze geboorten. Net als het [Ganges]water dat ontspringt aan Zijn tenen alle vuil wegwast zien zij dag na dag hun zuiverheid toenemen. (32) In met name het telkens weer opnieuw verzamelen van kracht door op systematische, wetenschappelijke wijze toevlucht te zoeken bij Zijn lotusvoeten zal de persoon die genoeg heeft van het eindeloze gepieker zich zuiveren. Maar als hij zich overgeeft aan een materieel gemotiveerd bestaan dat vol van hindernissen is, zal hem dat nimmer lukken. (33) Wees o burgers, teneinde tevreden te zijn, er zeker van toegewijd te zijn aan Zijn lotusvoeten overeenkomstig uw eigen plichtsopvatting. Wees Hem dienstbaar in uw gedachten, uw woorden en in lichamelijk opzicht naar gelang de bijzondere kwaliteiten van uw eigen soort van arbeid en beantwoordt met een open geest en in het volle van uw overtuiging aan al wat wenselijk is voorzover dat in uw vermogen ligt. (34) Hij die in deze wereld aanwezig is met Zijn verschillende kwaliteiten en bovenzinnelijkheid wordt in de wetenschap van het vrij zijn van smetten in relatie tot Zijn gedaante aanbeden met verschillende soorten van offers die men brengt met materiële hulpmiddelen en het praktiseren van mantra's, voor het doel waarvan er de vormen en namen zijn waarop men zich concentreert. (35) Net zoals vuur zich verschillend vertoont afhankelijk van de vorm en de kwaliteit van het brandhout, verschijnt de Almachtige uiteenlopend met een lichaam waarmee Hij een bewustzijn aanvaard en van activiteiten is die het resultaat zijn van een bepaalde combinatie van de ongedifferentieerde materie [zie ook 3.26: 10] de tijd, de geestelijke instelling en de plichtmatigheid. (36) O u allen die samen met mij vasthouden aan de Heer, u die de genade geniet toegekend door de Allerhoogste Geestelijke leermeester, en die bij genade van de goddelijken die offers brengen, de Allerhoogste Heerser Zelve en de beroepsmatige verplichtingen, zich op deze aardbol onophoudelijk en met een vaste overtuiging bezighouden met eerbetoon, u verhoudt zich met deze activiteiten tot mij. (37) Nooit en te nimmer moeten zij die vermogend zijn [de bestuurders] macht uitoefenen over die gezegenden die van toewijding zijn voor de Onoverwinnelijke [Vishnu], noch over hen die tolerantie beoefenen, boete doen en hoger opgeleid zijn, want zij vormen persoonlijk de heersende klasse der tweemaal geborenen in de samenleving. (38) De Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudste en eeuwige Heer en godheid van de brahmaanse cultuur verwierf de weelde van Zijn eeuwige, het ganse universum zuiverende roem als de grote verheven leider, door respect te oefenen voor hun lotusvoeten. (39) De onbegrensde, onafhankelijke Heer die zich ophoudt in ieders hart is zeer tevreden als men dienst wil leveren aan de voeten van de geschoolden die Hem zeer dierbaar zijn, als men bescheiden volgend in Zijn voetstappen in ieder opzicht probeert om steeds bezig te zijn met het dienen van de klasse der brahmanen. (40) Iemand bereikt automatisch direct de grootste vrede en de tevredenheid van  zijn ziel als hij zich regelmatig met hen in verbinding stelt door dienst te leveren, want wie vormt er nu een betere mond en hand voor de ghee die wordt geofferd? (41) Ananta, de Heer van het Slangenbed, is nimmer zo tevreden om te eten van offers die in het vuur met geloof worden gebracht door de kenners van het Absolute, als Hij is met de levenskracht [van de offers] die, middels de verschillende namen van de halfgoden, niet voorbijgaat aan de mond van een toegewijde, want Hij zal nimmer die bovenzinnelijke zwanen in de steek laten. (42) Alles wat de constante, zuivere en oorspronkelijke brahmaanse cultuur met geloof, verzaking, goedgunstige handelingen, stilte, een verzonken geest en zinsbeheersing weerspiegelt, wordt uitgedragen terwille van de ware betekenis en bedoeling van de Vedische visie waarin deze wereld zo helder verschijnt als in een spiegel. (43) O mensen van cultuur ik zal het stof van de lotusvoeten van hen allen op mijn helm houden tot aan het eind van mijn leven. Een ieder die steeds op die manier tewerk gaat zal zeer spoedig al zijn zonde overwinnen en gezegend worden met alle kwaliteiten. (44) Hij wiens weelde bestaat uit goed gedrag en dankbaarheid, hij die zijn toevlucht zoekt bij de geleerden en al de goede kwaliteiten verwierf, zal het geluk van God verwerven. Moge de Handhaver der drie werelden alsook Zijn toegewijden tevreden zijn over de klasse der brahmanen, de koeien en over mij.'

(45) Maitreya zei: 'De koning zich aldus uitlatend werd gefeliciteerd door al de heiligen aanwezig: de ouderen, de goddelijken en tweemaal geborenen die geestelijk voldaan en verheugd 'sâdhu, sâdhu!' uitriepen [goed gesproken, goed gedaan! Ze zeiden]: (46) 'De Vedische lering die stelt dat men de overwinning in al de werelden behaalt via zijn zoon wordt bewaarheid nu dat hij [Prithu] zijn hoogst zondige vader Vena op grootse wijze heeft gered uit de duisternis [waarin hij belandde] nadat hij vervloekt door de brahmanen zijn leven verloor.  (47) Ook Hiranyakas'ipu die bij herhaling de Allerhoogste Heer beledigde en zo in het diepste duister belandde, raakte bevrijd door wat zijn zoon Prahlâda deed. (48) Beste der strijders, beste vader van de aarde wiens overgave aan de Onfeilbare, de ene handhaver van al de werelden, zo voorbeeldig is, moge u eeuwig leven. (49) Vandaag, o Hoogste der Zuiverheid, verkeren we dankzij u onder het gezag van de Heer der Bevrijding Mukunda, van Hem, Vishnu die optredend in de verhalen van de geschriften wordt verheerlijkt als de aanbiddelijke Heer der brahmanen. (50) Het is iets heel gewoons o heer, om de kost te verdienen met het heersen over burgers. Wat zo groots is, is de aard van uw genegenheid en genade voor alle levende wezens. (51) Vandaag hebben wij, die vanwege onze daden in het verleden hun levensdoel uit het oog verloren en door het lot bepaald ronddolen, dankzij u kennis gemaakt met de andere kant van het duistere materiële bestaan. (52) Alle eer aan u die we vereren als een persoonlijkheid die wordt bewogen door de kwaliteit der goedheid, als iemand die op eigen kracht de brahmaanse cultuur inspireert en de [eer van de] bestuurlijke klasse handhaaft.'


Hoofdstuk 22: Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

(1) Maitreya zei: 'Terwijl de burgerij aldus tot de hoge en machtige koning Prithu aan het bidden was, arriveerden aldaar vier wijzen zo helder als de zon. (2) De koning en zijn gezelschap konden de meesters der volmaaktheid in de yoga die nederdaalden uit het etherische bereik herkennen aan hun heldere uitstraling die van een alomvattende zondeloosheid was [: ze waren de vier Kumâra's]. (3) Toen ze het zo hevig verlangde leven van een vreedzame gedragswijze recht voor zich zagen, sprongen koning Prithu en zijn volgelingen op alsof ze mensen waren wiens zinnen worden beheerst door de geaardheden der natuur. (4) Nadat ze [dat eerbetoon] in ontvangst hadden genomen en waren gaan zitten, boog de koning, nederig met de hoogste beschaving van hun volle glorie, zich voorover en bewees hij hun de eer met alles wat erbij hoort zoals dat is voorgeschreven. (5) Het water van het voeten wassen sprenkelde hij op zijn haardos en aldus gedroeg hij zich zoals men dat van een respectvol man mag verwachten. (6) Gezeten op de gouden troon waren de gebroeders die ouder waren dan S'iva [zie 3.12: 4-7] gelijk het vuur op het altaar en blij met hen, richtte hij zich ingetogen en vol respect tot hen. (7) Prithu zei: 'Waar heb ik de genade van uw aandacht aan verdiend, van het geluk in eigen persoon? Het is een ontmoeting die zelfs voor de grootste yogi's moeilijk te bereiken is. (8) Hij met wie de geleerden [de brahmanen en de vaishnava's] ingenomen zijn kan alles bereiken wat moeilijk te bereiken is in deze wereld of in de wereld hierna, met inbegrip van de in ieder opzicht genadevolle Heer S'iva en Heer Vishnu die hen bijstaan. (9) Hoewel u door al de werelden reist kunnen de mensen u niet waarnemen, net zo min als zij die aan de schepping ten grondslag liggen [S'iva en Brahmâ, vergelijk 1.1: 1] de Alwetende getuige kunnen zien die zich in een ieder bevindt. (10) Ondanks dat ze niet zo rijk zijn, kunnen die huishouders de glorie genieten van hoogst achtenswaardige heiligen [als u], die met hun huis water, een plek om te zitten, dienaren, land en de heer des huizes zelf te bieden hebben. (11) Niet meer dan een boom vol giftige slangen zijn zonder twijfel die woningen, die met een overdaad aan weelde niet [gezegend] zijn met het water dat wegspoelde van de voeten der grote heiligen. (12) Ik heet u welkom, o besten der tweemaal geborenen, u die zich rondbewegend als kinderen en door geloften beheerst, met een groot geloof gemotiveerd bent voor de bevrijding. (13) O meesters, kunnen personen die beland in dit materiële bestaan zijn getroffen door de ziekte te leven naar het gebod van hun zinnen, op eigen gelegenheid ook maar enig geluk vinden? (14) Het is niet nodig om u te vragen naar uw welzijn, aangezien uw geesten, o verheven zielen, niet in beslag worden genomen door zaken van voor- of tegenspoed. (15) Daarom ben ik ervan overtuigd dat u voor ons die lijden onder de pijnen van een materieel bestaan, de vriend bent om te vragen hoe we in deze wereld snel verlossing kunnen vinden. (16) Zich manifesterend als het hoogste levensdoel der transcendentalisten beweegt de Opperheer, de Ongeborene zich in de gedaante van de vervolmaakten rond over deze aarde om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen.'

(17)
Maitreya zei: 'Na die zo hoogst betekenisvolle, toepasselijke, bondige en innemende slotsom van Prithu te hebben aangehoord, gaf de Kumâra voldaan met een glimlach als volgt antwoord. (18) Sanat-kumâra zei: 'Wat een goede vraag is dat van u mijn beste Koning, o u die alle levende wezens het beste wenst. Goed onderlegt als u bent stelt u niettemin de vraag. [Dat pleit voor u] als iemand wiens intelligentie wortelt in de geest der heiligen. (19) Een gezelschap van toegewijden waarin gediscussieerd wordt, vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven, wordt op prijs gesteld door de beide partijen [van de heiligen en de brave zielen die hen volgen] en er zal waar geluk voor allen uit voortvloeien. (20) O Koning, kennelijk bent u aan de georganiseerde waardering voor de kwaliteiten van de Heer Zijn lotusvoeten gehecht. Zo moeilijk als dat is bevrijdt het, gegeven een standvastige praktijk, de inwonende ziel van het vuil van de emoties van de lust. (21) In de geschriften geldt dat alleen de afwezigheid van gehechtheid aan andere zaken dan de ziel in combinatie met een intense gehechtheid voor dat Ware Zelf dat verheven is boven de geaardheden, de volmaakte overtuiging voor de bevrijding van de mens vormt. (22) Dat [realiseert men] door als een plichtsgetrouwe toegewijde  met geloof en toewijding middels besprekingen en navraag doen, spiritueel verenigd te zijn in je overtuiging en met respect voor de Heer der Yoga regelmatig bijeen te komen en te luisteren naar de verhalen der godvruchtigen. (23) Terughoudend wat betreft het gezelschap van hen die uit zijn op geld en op zinsbevrediging, alsmede het vergaren van goederen waar ze voor zijn, bevrijdt men zich van de bijsmaak van het geluk dat het moet stellen zonder het drinken van de nectar van de kwaliteiten van het Zelf van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (24) Met geweldloosheid [als een vegetariër] volgend in de voetsporen van de leraren van het voorbeeld, door zich de Heer der Bevrijding te herinneren, door te getuigen van Zijn handelingen, door de nectar van het volgen van de yogaprincipes zonder een materieel motief [yama] en door het praktisch uitvoeren van de voorschriften [van niyama] zal men als men zo zonder overtredingen is een eenvoudig leven leiden en de materiële tegenstellingen kunnen verdragen. (25) Met steeds een oor naar de besprekingen met betrekking tot de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer kan het zo zijn dat men, groeiend in zijn toewijding en bewustzijn, zonder smetten aanwezig is in de wereld die haaks staat op een spirituele vorm van begrip, want als men dat soort van luisteren heeft gerealiseerd is het makkelijk om zich te hechten aan de Geest der Transcendentie. (26) Als de persoon met achting voor de leraar van het voorbeeld is gefixeerd in zijn gehechtheid aan het Allerhoogste Spirituele, zal door de kracht van de onthechting en de spirituele kennis de krachteloosheid van het hart [gekenmerkt door de vijf kles'a's of hindernissen: onwetendheid, egoïsme, gehechtheid, afkeer, angst voor de dood] dat zich bevindt in het omhulsel van de individuele ziel dat bestaat uit de vijf elementen, worden verbrand zoals brandstof door vuur wordt verteerd. (27) Met dat opbranden van de innerlijke zwakheid bevrijd zijnde van al de [ermee samenhangende] materiële kwaliteiten, bestaat er niet een verschil zoals dat voorheen het geval was tussen het vanbinnen bezig zijn met de Superziel en het vanbuiten bezig zijn met het zelf. Voor zo iemand is aan dat verschil een einde gekomen zoals een droom ophoudt als men wakker wordt. (28) De persoon ziet van zichzelf zowel de voorwerpen van zijn zintuigen als zijn transcendentie [als getuige]. In die positie kent hij verlangens en benamingen, maar zonder die twee [innerlijk niet verdeeld zijnde] is dat niet het geval. (29) De enige reden dat men verschillen waarneemt tussen zichzelf en andere zaken [of personen] is dat er overal verschillende oorzaken werkzaam zijn [voor iedere positie], net zoals men dat heeft met een weerspiegeling die verschillend is in water en in een ander medium [als een spiegel]. (30) Omdat het denken vanwege de zinneprikkelingen door de zinsobjecten in beroering is, gaat het [zuivere] bewustzijn [van de intelligentie] makkelijk verloren, zoals een meertje dat overwoekert raakt door waterplanten. (31) Kenners van de ziel stellen dat in de destructieve verstikking van je heugenis de constante aandacht van je bewustzijn teniet wordt gedaan en dat de ziel verstoken van ware kennis aldus tenondergaat [zie B.G. 2: 62-63]. (32) Er bestaat in deze wereld voor de levende wezens niets ergers dan de obstructie van dat eigenbelang, waarin andere zaken zoveel interessanter lijken dan de verwerkelijking van het eigen zelf die men blokkeert. (33) Als men steeds maar denkt terwille van de rijkdom en de zinsgenoegens vernietigt men al de [vier] deugden van de menselijke samenleving [de purushârtha's]. Daardoor verstoken van kennis en van toegewijde dienst, vervalt men in de traagheid der materie. (34) Zij die snel die oceaan willen oversteken, moeten nimmer vasthouden aan de traagheid der materie, want dat vormt het grote struikelblok voor de deugden van de religiositeit, de economische ontwikkeling, de regulatie van de zinsgenoegens en de bevrijding [dharma, artha, kâma, moksha]. (35) In dit opzicht is het de bevrijding die naar voren treedt als de belangrijkste deugd, aangezien men bezig in het belang van de andere drie wegen zich regelmatig gevangen ziet in de eindigheid der dingen en in angst. (36) Voor al die ideeën van een hoger en een lager leven bestaat er nimmer vrede want afhankelijk van de wisselwerking der materiële geaardheden worden ze allen bij de beschikking van de Heer [van de Tijd] vernietigd. (37) Wees daarom o beste der koningen, net zoals ik doordrongen van Hem, de Allerhoogste Heer die overal Zichzelf manifesteert door zich binnenin het hart op te werpen als de Heer van het Veld die straalt tot in ieder haarzakje en die er voor al de bewegende en niet bewegende levende wezens die overdekt zijn door een lichaam met zintuigen en een levensadem is ter overweging van de zelfrealisatie. (38) Geeft u zich over aan Hem de grondoorzaak die zich manifesteert als de waarheid binnenin het onware. Met die moedwillige overweging raakt men bevrijd van de illusies van een intelligentie die zich afvraagt of men te maken heeft met een slang of met een stuk touw. Aldus vestigt men zich in de eeuwige bevrijding van de onbezoedelde, zuivere waarheid van de oorspronkelijke natuur verheven boven alle onzuiverheden van uw karmisch [vruchtdragend] handelen. (39) Wees jegens Hem, Vâsudeva, van toewijding zoals de toegewijden dat zijn die Hem, wiens lotustenen hen vreugde verschaffen, geschikt achten om hun toevlucht te zoeken. Middels toegewijde dienst wordt de harde knoop van het karmisch verlangen vernietigd, maar dat is nimmer het geval met mensen die het aan dat respect ontbreekt, hoe hard ze ook proberen de golven van zingenot te stuiten. (40) Groot is de last die niet-toegewijden in deze materiële oceaan moeten dragen met de haaien der zes zintuigen. Niet zonder veel moeite kunnen zij die oceaan oversteken en daarom zou u om die onoverwinnelijke uitgestrektheid te overwinnen, de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God tot uw boot moeten maken.'

(41)
Maitreya zei: 'De koning aldus door de zoon van Brahmâ, de Kumâra die zo goed thuis was in de geestelijke kennis, volledig op de hoogte gesteld van wat geestelijke vooruitgang allemaal inhoudt, prees hem en richtte zich tot hem. (42) De koning zei: 'Ter bevestiging van wat de Heer beloofde [in 4.20: 15], Hij die uit Zijn grondeloze genade zo mededogend is voor hen die in nood verkeren, bent u allen o brahmanen, o machtigen, naar hier gekomen. (43) Met u eveneens doend wat men zou verwachten van de meest genadevolle vertegenwoordigers van de Heer, is alles wat ik te bieden heb, de resten van het voedsel geofferd aan de heiligen! Wat moet ik u van mijn kant geven? (44) Mijn leven, echtgenote en kinderen o brahmanen, mijn woning met alles wat erbij hoort, mijn koninkrijk, macht, land en schatten, biedt ik u daarom aan. (45) De post als opperbevelhebber en heerser over het koninkrijk, de scepter van gezag en de volledige heerschappij over de planeet is zonder twijfel enkel weggelegd voor hen die bekend zijn met de strekking van de Veda's. (46) De kshatriya's [de bestuurders] en de andere afdelingen van de samenleving eten allen bij de genade van de brahmanen die hun eigen kleding, hun eigen voedsel en hun eigen schenkingen in liefdadigheid genieten. (47) U hebt vanuit uw soort van spiritueel begrip van vorderen met de Fortuinlijke in uw mededogen voor ons de Vedische bewijzen verklaard zoals besproken. Moge u immer tevreden zijn over uw eigen genadige daden! Wie kan er nu ooit iets anders voor terugdoen dan u met samengevouwen handen water aan te bieden?'

(48)
Maitreya zei: 'Nadat de meesters der zelfverwerkelijking waren aanbeden door de oorspronkelijke koning prezen ze zijn karakter en stegen ze voor ogen van allen aanwezig, op naar de hemel. (49) De zoon van Vena, de eerste onder de grote persoonlijkheden die overeenkomstig de leringen verzonken in het zelf  tot  zelfverwerkelijking was gekomen, beschouwde zichzelf als iemand die had bereikt wat hij wilde. (50) In zijn handelingen zo goed mogelijk in overeenstemming verkerend met de tijd, de omstandigheid en zijn capaciteiten, deed hij voor de Absolute Waarheid wat hij maar kon doen voor zover zijn middelen dat toestonden. (51) Zich geheel wijdend aan de Allerhoogste Geest dacht hij vrij van gehechtheden in zijn verzaking steeds aan de opzichter van alle handelingen, de Superziel transcendentaal aan de materiële natuur. (52) Hoewel hij thuis leefde voelde hij zich nooit aangetrokken tot al de weelde van zijn grote koninkrijk of raakte hij in de ban van zinnelijk genot, net zoals de zon [ook niet reageert op wat hij beschijnt]. (53) Door aldus steeds yoga te beoefenen verwekte hij in zijn zelfverwerkelijking vijf zonen bij zijn echtgenote Atri die waren zoals hij ze gewenst had. (54) Ze heetten Vijitâs'va, Dhûmrakes'a, Haryaksha, Dravina en Vrika. Met hen slaagde Prithu erin om [met zijn gezag] alleen alle kwaliteiten te omvatten van al de plaatselijke godheden. (55) In zijn persoonlijke overgave aan de Onfeilbare behaagde hij in zijn tijd, voor het behoud van de geschapen wereld, de burgerij met de kwaliteiten van zijn zachtaardige woorden en handelingen. (56) De koning raakte aldus bekend onder de naam Koning van de Maan, terwijl hij anderzijds er was als de God van de Zon in zijn distribueren, innen en heersen over de rijkdommen van de wereld. (57) Hij was zo onoverwinnelijk als het vuur in zijn machtsuitoefening, hij was zo onovertroffen als de Koning van de Hemel, zo tolerant als de aarde zelve en gelijk de hemel in het vervullen van alle wensen in de menselijke samenleving. (58) Hij was het gewoon te behagen gelijk de regen die zoveel neerregent als men maar wenst, hij was zo ondoorgrondelijk als de zee en hij nam zijn positie in gelijk de Koning der Heuvels [de berg Meru]. (59) Hij was als de Koning der Gerechtigheid [Yamarâja] in zijn onderricht, hij was als de Himalaya's in zijn weelde [vanwege de mineralen en edelstenen], hij was gelijk Kuvera in het behouden van de welvaart en gelijk Varuna [de heerser der wateren] in zijn geheimhouding. (60) Hij was zo allesdoordringend als de lucht [de wind] en van een gelijksoortige kracht, moed en macht, en hij was zo onverbiddelijk als de allermachtigste halfgod Rudra [de Heer der Geesten, S'iva]. (61) Hij was van een schoonheid als die van Cupido, zijn consideratie was als die van een Leeuw, de Koning der Dieren, qua genegenheid was hij gelijk Svâyambhuva Manu en in het bespelen van de mensen evenaarde hij de Ongeboren Heer, Brahmâ. (62) Hij had een begrip voor spirituele zaken als Brihaspati, in zijn persoonlijke zelfbeheersing was hij gelijk de Hoogste Persoonlijkheid, in zijn toewijding voor de koeien, de geestelijk leraar en de brahmanen was hij als de vaishnava's, de volgelingen van Vishnu, in zijn verlegenheid was hij de vriendelijkste en in filantropische aangelegenheden was hij zo [zorgzaam] als hij voor zichzelf was. (63) In al de drie werelden verkondigde het volk luidkeels - en zeker kwam dat alle waarheidlievenden alsook de vrouwen van overal ter ore - dat zijn naam en faam zo groot was als die van Râmacandra [de Vishnu-avatâra].'


Hoofdstuk 23: Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

(1-3) Maitreya zei: 'Koning Prithu die bekend was met alles van de ziel had als de beschermer van de mensen eindeloos alles bevorderd wat hij tot stand had gebracht, maar op een dag zag hij dat hij in fysiek opzicht oud werd. Geheel in overeenstemming met de instructies van de Allerhoogste Heer had hij in deze wereld, zich houdend aan het dharma van toegewijden, voorzien in het levensonderhoud van al de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Hij liet de aarde aan zijn zoons over en met spijt jegens zijn bedroefde burgers, ging hij alleen samen met zijn vrouw het bos in terwille van zijn verzaking. (4) Zo goed als hij voorheen van begrip was geweest met het veroveren van de aarde, zag hij daar volmaakt in dat hij overeenkomstig de regels en voorschriften van een teruggetrokken bestaan ernst moest maken met een leven van gestrenge verzaking. (5) In het begin at hij zo nu en dan bollen, wortels, vruchten en dorre bladeren, daarna dronk hij een aantal [halve] maanden lang water en tenslotte ademde hij enkel nog lucht. (6) Zoals de grote wijzen dat doen verdroeg de held 's zomers de vijfvoudige hitte [van de zon aan de hemel en van vier vuren in iedere windrichting], in de herfst de stortvloed van regens, in de winter het tot zijn nek ondergedompeld zijn en sliep hij [het hele jaar door] op de kale grond. (7) Eenvoudig naar Heer Krishna verlangend verdroeg hij het om zonder woorden en zinnelijkheid te leven, niet zijn zaad te lozen en niet vrijuit te ademen, en daarmee hield hij van alle mogelijke praktijken er de beste verzaking op na. (8) Zonder onderbreking vasthoudend aan de Perfectie [van Krishna], ontdeed hij zich aldus geleidelijk van al het vuil en de verlangens van zijn werklast, zijn karma, en brak hij, terwijl hij met zijn adembeheersing volledig zijn denken en zinnen stillegde, met alles wat hem bond. (9) [Aldus was hij,] de beste van alle levende wezens, met de yoga waarover de fortuinlijke Sanat-kumâra had gesproken met betrekking tot het uiteindelijke doel van het zich verhouden tot de ziel, van aanbidding voor de Hoogste Persoonlijkheid Gods. (10) Met hem als een toegewijde ondernemend op het pad der toegewijde dienst aan de Hoogste Persoonlijkheid, werd de Heer die [de oorsprong van] de Geest van het Absolute is, zijn exclusieve voorwerp van aanbidding. (11)  Hij die volmaakt oplettend was in de voortdurende heugenis van een zuiver transcendentale geest bereikte middels deze devotionele activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Heer, de perfectie der wijsheid. Niet gehecht aan wat men dan ook zijn bezit zou kunnen noemen, raakte hij aldus bevrijd van twijfel en de materiële levensopvatting die de ziel verhult. (12) Zonder verlangens en vast overtuigd van het uiteindelijke doel van de ziel, had hij gebroken met alle overige levensopvattingen en bovenzinnelijke kennis, [want] zolang  een beoefenaar van het yogasysteem zich in zijn verzaking niet wijdt aan de verhalen over de oudere broer van Gada, Krishna [Gada was een andere zoon van Vasudeva jonger dan Krishna], zal hij [zo begreep hij] niet vrij zijn van illusies. (13) Hij, de beste der helden die zijn geest fixeerde op de Superziel, gaf aldus na de nodige tijd grondig spiritueel gezuiverd zijn voertuig van de tijd op. (14) Zijn anus blokkerend met zijn enkel stuwde hij zijn levensadem geleidelijk omhoog van de navel naar het hart en vandaar naar de keel om zich vervolgens tussen zijn wenkbrauwen te fixeren. (15) Aldus stap voor stap zijn levensadem vestigend in zijn hoofd, verenigde hij bevrijd van alle materiële verlangens zijn levensadem met het geheel van de [kosmische] adem, zijn lichaam met het geheel van de aarde en zijn innerlijk vuur met het vuur van de totaliteit [van het universum]. (16) Na de verschillende lichaamsopeningen verenigd te hebben met de lucht en zijn sappen met het water en zo alles met zijn bron te hebben verenigd, [verenigde hij vervolgens de afdelingen] zoals ze waren verdeeld: de aarde verenigde hij met het water, het water met het vuur, het vuur met de lucht en de lucht met de hemel [vergelijk 2.5: 25-29]. (17) Hij verenigde de geest met de zinnen en de zintuigen met hun voorwerpen en liet vervolgens de voorwerpen van de zinnen opgaan in de vijf elementen waaruit ze waren voortgekomen. Daarna gaf hij het materiële ego terug aan de mahat-tattva, het geheel van de materiële energie. (18) Op weg naar Hem, het reservoir van alle goede eigenschappen, bracht hij zijn individualiteit en de levens die erbij hoorden in het Reservoir van Alle Vermogens en keerde hij, het levend wezen en de genieter, aldus als de meester der zinnen terug naar huis, terug naar zijn oorspronkelijke positie op basis van zijn inzicht in de spirituele kennis der zelfverwerkelijking en verzaking.

(19) De koningin genaamd Arci, zijn echtgenote, volgde hem te voet het bos in, ook al had ze, met haar tere gestel, het niet verdiend dat haar voeten zo met de aarde in aanraking kwamen. (20) Alhoewel haar lichaam mager en dun zou worden had ze, uiterst vastbesloten in haar gelofte haar echtgenoot te dienen, er geen moeite mee te leven onder omstandigheden gelijk die van de grote heiligen en deed ze met plezier met hem mee, blij om met hem in contact te staan. (21) Toen ze zag dat het lichaam van haar man die zo vol van genade was voor de wereld en voor haar, geen levensteken meer gaf, cremeerde de deugdzame vrouw na een tijdje gehuild te hebben, hem boven op de top van een heuvel. (22) Na de begrafenisplechtigheden te hebben afgewikkeld nam ze een bad in de rivier en goot ze in aanbidding van de dertig miljoen halfgoden in de hemel water uit voor haar zo vrijzinnige echtgenoot. Toen drie keer om het vuur heenlopend ging ze denkend aan de voeten van haar echtgenoot zelf het vuur in.

(23) De genadige goden en hun echtgenotes die zagen hoe ze haar echtgenoot tot in de dood volgde, brachten bij duizenden tegelijk hun gebeden voor de kuise vrouw van de grote krijgsheer koning Prithu. (24) Vanaf de top van de Mandaraheuvel bloemen uitstrooiend spraken ze bij die gelegenheid onder het weerklinken van hun muziekinstrumenten als volgt onder elkaar. (25) De vrouwen zeiden: 'O hoe glorieus is deze echtgenote die net als de Godin voor de Heer van het Offer [Vishnu] met hart en ziel van aanbidding was voor haar echtgenoot, de koning aller koningen van de wereld. (26) Zie toch hoe ze haar deugdzame echtgenoot, de zoon van Vena, volgt in zijn gang naar de hemel en hoe zij, Arci genaamd, ons aldus voorbijstreeft in haar moeilijk te volgen handelen. (27) Onder al degenen die slechts een kort moment te leven hebben in de menselijke wereld, is er voor zij die op het pad der bevrijding hun best doen voor het Koninkrijk Gods niets dat te moeilijk is om te bereiken. (28) Hij die bij het bereiken van de menselijke levensvorm op het pad der bevrijding verwikkeld raakt in de grote moeilijkheden van alles wat men voor zijn zinsbevrediging doet in deze wereld, komt ingaand tegen zijn eigen ware zelf zonder twijfel [vanwege zijn illusies] bedrogen uit.'

(29) Maitreya zei: 'Terwijl ze aldus door de echtgenotes van de ingezetenen der hemel werd verheerlijkt, bereikte de vrouw de plaats waarnaar haar echtgenoot was vertrokken. Het was de allerhoogste positie der zelfgerealiseerden die de zoon van Vena onder de bescherming van de Onfeilbare had verworven. (30) Aldus heb ik u het karakter van Prithu, de eerste der heren die zo hoog en almachtig was, beschreven als zijnde het beste vanwege de volledigheid van zijn kwaliteiten. (31) Een ieder die met geloof en grote aandacht leest en uitleg verschaft of verneemt over die zo grote en godvruchtige persoon koning Prithu, zal reiken tot waar hij reikte. (32) De brahmaan die het leest zal spiritueel schitteren, de edelman zal de koning van de wereld zijn, de handelaar zal de specialist op zijn gebied worden en de arbeider zal voor Hem het beste bereiken. (33) Als iemand met groot respect hier drie keer naar luistert zal die persoon, of hij nu een man of een vrouw is, als hij kinderloos is worden gezegend met de beste kinderen en als hij berooid is de rijkste worden. (34) Niet erkend zal hij roem verwerven en ongeletterd zal hij geleerd worden. Dit zo zegenrijke verhaal zal al het ongeluk van de mens verdrijven. (35) Zij die uitzien naar welvaart, een goede naam, een langer leven, een betere wereld [de hemel], het tenietdoen van de invloed van het Tijdperk van de Redetwist en uit zijn op de hogere zaak van de perfectie van de vier [burgerdeugden] der religie, de economie, het zinsgenoegen en de bevrijding, moeten met het grootste respect naar deze vertelling luisteren. (36) De koning die hier naar luistert zal als hij op zijn strijdwagen campagne voert om de overwinning te behalen van andere koningen belastingen ontvangen zoals koning Prithu dat deed. (37) Als men vrij van alle overige betrokkenheid zuivere toegewijde dienst verricht voor de Allerhoogste Heer, moet men over het vrome karakter van de zoon van Vena vernemen, er anderen naar laten luisteren en er steeds over blijven lezen. (38) O zoon van Vicitravîrya [Vidura], ik legde u uit hoe men aldus betrokken in relatie tot deze uitzonderlijke tekst, tot de grootheid kan uitgroeien waarnaar men behoort te streven. (39) Hij die bevrijd in de omgang met de Allerhoogste Heer bij herhaling met de grootste eerbied verneemt over deze vertelling over Prithu en er ook verslag van doet, zal ten volle de gehechtheid realiseren aan Zijn voeten die de boot vormen voor [het oversteken van] de oceaan der onwetendheid.'




Hoofdstuk 24: Het Lied Gezongen door Heer S'iva

(1) Maitreya zei: 'De zoon van Prithu die vanwege zijn grote daden bekend raakte onder de naam Vijitâs'va [zie 4.19: 18), werd de keizer en gaf zijn jongere broers waar hij veel om gaf het bestuur over de verschillende windstreken van de wereld. (2) De meester bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en de noordelijke richting was voor Dravina. (3) Hij die vanwege [zijn handelingen in relatie tot] Indra [eveneens] vereerd was met de naam Antardhâna ['onzichtbaar aanwezig'], verwekte bij zijn vrouw S'ikhandinî drie kinderen die ieders goedkeuring konden wegdragen. (4) Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd. Ze waren in het verleden de goden van het vuur geweest, maar nu hadden ze vanwege een vloek van de wijze Vasishthha opnieuw hun geboorte genomen om met het vorderen in de yoga hun status te herwinnen. (5) Antardhâna die Indra niet doodde ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard had gestolen, verwekte in een [andere] echtgenote genaamd Nabhasvatî een zoon genaamd Havirdhâna ['de gewonnen offergave']. (6) Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets zeer gestrengs en daarom schafte hij ze af ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven. (7) Ondanks het feit dat hij zich gewijd had aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij die als een zelfverwerkelijkte ziel steeds aan zijn verzonkenheid vasthield, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met gemak Zijn verblijfplaats, het Allerhoogste van de Ziel. (8) Havirdhânî de vrouw van Havirdhâna o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (9) Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn offerhandelingen en yogarealisatie dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde o beste der Kuru's. (10) Met deze praktijk van het voortdurend over de gehele wereld verspreid behagen van de goden met offerplechtigheden, hield hij het kus'a gras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht. (11) Op het advies van de god der goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti. Tot haar jeugdige verschijning bekoorlijk in al haar leden voelde de vuurgod Agni, op het moment dat hij haar rijkelijk behangen met juwelen rond [zijn vuur] zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid, zich net zo sterk aangetrokken als [hij voorheen was] tot S'ukî. (12) Zij die geschoold waren, zij die van het verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de volmaakten, zij die van de aarde waren en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het tinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid dat men overal kon horen. (13) Van [Prâcîna]Barhi verschenen er tien zonen in de baarmoeder van S'atadruti die allen gezworen volgelingen waren van het dharma. Samen werden ze de Pracetâ's genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn]. (14) Door hun vader ertoe opgedragen kinderen te verwekken ontvluchtten ze terwille van hun boetedoening voor de tijd van tienduizend jaar hun woonplaats en aanbaden gevestigd bij een groot meer in hun tapas de Meester der Boetedoening [S'rî Hari]. (15) Dat pad volgend hadden ze een ontmoeting met Heer S'iva die heel erg tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en aanbidding, toen tot hen sprak.'

(16) Vidura vroeg: 'O brahmaan maak ons alstublieft duidelijk wat er gebeurde toen de Pracetâ's Heer S'iva op hun pad tegenkwamen alsmede wat de Godheid die zo tevreden over hen was heeft gezegd. (17) O beste onder de geleerden, in deze wereld gevangen zijnd in een lichaam komt het maar zelden voor dat men Heer S'iva tegenkomt. Zelfs de wijzen die met hem als het voorwerp van hun verlangen volledig onthecht bezig zijn [slagen er niet in].   (18) Hoewel hij in zichzelf tevreden is, gaat de grote Heer S'iva als hij zich in deze wereld manifesteert om aan haar wensen tegemoet te komen tewerk met de verschrikking van de haar beheersende krachten [als die van Kâlî, Durgâ en Vîrabhadra, zie 4: 5].'

(19) Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi die allen [in volle overgave] de woorden van hun vader gehoorzaam op hun hoofd aanvaardden waren, in hun hart ernstig besloten tot verzakingen, vertrokken in westelijke richting. (20) Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan met water dat, helder als de geest van een grote ziel, een vreugde vormde voor haar bewoners. (21) In dat water groeide een veelvoud aan rode en blauwe, kahlâra en indîvara [overdag  en 's avonds bloeiende] lotussen, en zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâka's] en andere vogels [zoals kârandava's] lieten er hun geluiden horen. (22) Doldwaze hommels zoemden er vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes. Het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen waarvan het stuifmeel door de wind in alle richtingen werd verspreid. (23) Al de prinsen stonden versteld over de prachtige hemelse muziek begeleid door trommels en pauken die men daar onophoudelijk kon horen.

(24-25) Op dat moment waren ze er getuige van hoe de belangrijkste van alle halfgoden [Heer S'iva] in het gezelschap van een schare grote zielen die hem verheerlijkten uit het water kwam. Met voor ogen zijn gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat, brachten ze allen opgewonden in verbazing hun eerbetuigingen. (26) Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager der religie sprak toen tot hen, tevreden als hij was over de principes die ze erop nahielden en hun vriendelijke gedrag en goede manieren. (27) Rudra zei: 'O zonen van koning Prâcînabarhi, bekend met jullie handelingen en verlangens wens ik jullie allemaal het grootste geluk toe en als blijk van mijn genade gun ik jullie daarom mijn gezelschap. (28) Ieder levend wezen, iedere individuele ziel zogezegd, die zich rechtstreeks overgeeft aan Vâsudeva de Allerhoogste Heer, de bovenzinnelijke heerser over de drie geaardheden, is mij zeer dierbaar. (29) Als iemand voor de duur van een duizendtal levens vasthoudt aan zijn plicht, verwerft hij de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als hij het bovendien niet af laat weten met [het dienen van] de Allerhoogste Heer, kan hij erop rekenen daarna mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu bereiken aan het einde der tijden een positie [Vaikunthhaloka] gelijk aan die van mij en de andere halfgoden. (30) Dat is de reden waarom jullie toegewijden mij net zo dierbaar zijn als de Allerhoogste Heer Zelf en daarom is er onder de toegewijden ook nooit iemand anders die net zo geliefd is als ik. (31) In het bijzonder moeten jullie steeds weer aandacht besteden aan en voor jezelf herhalen wat ik je nu ga vertellen, daar het zeer zuiver, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'

(32) Maitreya zei: 'Met een hart vol van mededogen sprak de Heer tot de prinsen die met gevouwen handen voor Heer S'iva stonden, de grootste toegewijde van Nârâyana. (33) S'rî Rudra zei [in aanbidding van Vâsudeva]: 'Alle eer aan U de beste der zelfgerealiseerden die de goedgunstigen het geluk verschaft. Moge er mijn eerbetoon zijn voor U, want U bent de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel. (34) Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot. U bent de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten en de onveranderlijke, zelfverlichte staat die van een eeuwige vrede is. (35) Ook breng ik mijn eerbetuigingen voor [U als] Sankarshana [de Heer van het ego en de integratie] die als de oorsprong van de subtiele, niet-manifeste materie de onoverkomelijke meester bent van de desintegratie [aan het einde der tijden], en voor [U als] de meester van alle ontwikkeling, de bovenzinnelijke ziel Pradyumna [de meester der intelligentie]. (36) U zij alle eer, mijn respect voor [U als] Aniruddha [de Heer van de geest, van wie de zonnegod een expansie is, zie ook 3.1: 34], de meester en bestuurder der zinnen. Ik biedt de Allerhoogste der volmaakte zuiverheid en volledigheid die buiten deze materiële schepping staat mijn eerbetuigingen*. (37) Ik biedt U als de hemelse verblijfplaats, het pad der bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige en de zuiverste van het zuivere mijn eerbetuigingen. Al mijn respect voor U, het gouden zaad, die de continuïteit bent van de Vedische offerplechtigheden [câtur-hotra]. (38) Alle lof voor U die kracht verleent aan de voorvaderen en de halfgoden, U de meester van de drie Veda's en de offers. U bent de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt. Al mijn respect voor U, de Superziel aanwezig in alle levende wezens. (39) De kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het  Bovenzinnelijke Zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth râpa] en de instandhouder van de drie werelden biedt ik mijn eerbetuigingen. (40) Alle eer aan U die als de ether alle betekenis openbaart, U het zelf vanbinnen en vanbuiten, de allerhoogste gloed. Mijn eerbetuigingen voor U transcendentaal aan de dood die de reden bent van alle deugdzame handelingen. (41) De toegenegen alsook de zich afzijdig houdende God der voorvaderen, U het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en de dood zelf, U de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect. (42) Omdat U de allerhoogste gunstverlener bent, het meesterbrein [van alle mantra's] en het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetuigingen. U zij alle glorie, U de grootste van alle religiositeit, U Krishna die de volmaaktheid van de intelligentie bent, U bent het oudste van het oudste, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga]. (43) Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18],  de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [het egotisme] genaamd Rudra en de belichaming van de kennis, de intentie en de stem van alle machten biedt ik mijn eerbetuigingen. (44) AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de gedaante die tot het genoegen van al de zintuigen van de toegewijden als de meest dierbare door hen wordt aanbeden. (45-46) Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen, bent U het toppunt van alle schoonheid. Prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige vorm, allermooist is Uw aangename gelaat, Uw ogen zijn zo fraai als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en de even zo fraaie oren. (47-48) De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw golvende haar en de kleding in de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de gordel, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de beste der paarlen, die U er zelfs nog mooier doen uitzien. (49) De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel [genaamd Kaustubha] dat schittert op Uw borst, verlenen U een nimmer aflatende schoonheid die [de schoonheid van] iedere [streep goud op een toetssteen of] norm overtreft. (50) Uw in- en uitademen brengt prachtig de plooien in Uw buik in beweging die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van Uw navel is als de spiraal van het sterrenstelsel. (51) De donkere kleur van de huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en de symmetrische gouden gordel als met de grote schoonheid, lager, van Uw lotusvoeten, kuiten en dijen. (52) Door de zo aangename lotusvoeten die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alle problemen die ons van streek brengen. Toon ons het pad van Uw lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de angst van het materiële bestaan terugdringen o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister.   (53) Zij die met het doen van hun [beroepsmatige] plicht zich willen zuiveren en zonder vrees door het leven willen gaan, moeten mediteren op deze gedaante [van U] in een yogapraktijk van toewijding [bhakti-yoga]. (54) Zo toegankelijk als U bent voor toegewijden zo heel moeilijk bent U te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning der hemel Indra of voor de zelfgerealiseerden voor wie het bereiken van eenwording met U het uiteindelijke doel vormt. (55) Wat zou men zich anders wensen dan Uw lotusvoeten, als men eenmaal door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is! (56) Voor een ziel van volkomen overgave vormt de onoverwinnelijke tijd waarmee U in Uw vermogen en majesteit met enkel het optrekken van Uw wenkbrauwen het hele universum vernietigt, geen bedreiging. (57) Het voordeel voor iemand die zelfs maar een kort moment omgang heeft met toegewijden van de Opperheer is onvergelijkelijk. Wat voor een belang zou zo iemand nu hebben bij de zegeningen van de halfgoden, het opgaan in het Allerhoogste of van een materieel geconditioneerd bestaan? (58) Laat er daarom voor ons, die om het gepieker van de zonde weg te wassen zich onderdompelen in de Ganges en er weer [gezuiverd] uitstappen, de genade en de gratie zijn van deze omgang ter verering van Uw Voeten der Overwinning op Alle Ongeluk die normale levende wezens zegent met de volste goedheid. (59) Hij wiens hart gezuiverd werd door de zegening ontleend aan die [associatie in] bhakti-yoga zal er zeer gelukkig mee zijn daarin de wijsheid van Uw weg te vinden en nimmer verbijsterd belanden in de duistere put der wereldse invloeden. (60) U bent de Absolute Geest [brahma], het bovenzinnelijk licht dat zich uitspreidt als de ether, in wie zich dit universum van de kosmische manifestatie vertoont. (61) U bent het die middels Zijn energie deze veelvormige manifestatie heeft geschapen, onderhoudt en ook weer vernietigt. Die eeuwige, onveranderlijke intelligentie van een toenemende gecompliceerdheid zo begrijp ik, zal de individuele ziel hoofdbrekens bezorgen in zijn relatie tot U als het essentiële [onafhankelijke] zelf o Allerhoogste Heer. (62) Deskundig op het gebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur zijn die transcendentalisten die voor hun vervolmaking met geloof en overtuiging middels een scala aan uiteenlopende handelingen van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die men kent aan de hand van het geschapene, de zintuigen en het hart. (63) U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon uit wiens sluimerende energie de diversiteit van het geheel van de materiële energie die wordt beheerst door [de drie geaardheden van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid is voortgekomen: het ego, de ether, de lucht, vuur, water en aarde, de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens. (64) Dat wat U schiep vanuit Uw eigen vermogen gaat U naderhand binnen in de vorm van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 37-40] en dan kent U vanbinnen bestaand, aan de hand van Uw eigen delen en gehelen, de persoon als een genieter van zijn zinnen, als iemand die zich laaft aan de zoete honing. (65) Men mag raden naar [het gezag en de orde van] Uw werkelijkheid [van de Tijd]. Wat we [slechts] zien is hoe U, net als de wind die de wolken uiteendrijft, met Uw zo heel grote kracht [van de Tijd] op den duur al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde ermee vinden door toedoen van anderen. (66) De gekken [van deze wereld] schreeuwen luid wat er allemaal zou moeten worden gedaan en door dat verlangen is hun begeerte naar zinnelijke zaken onstuitbaar. Maar in een oogwenk worden ze door U die waakt als de Vernietiger verzwolgen, zoals een muis gegrepen wordt door de begeertige tong van een hongerige slang. (67) Welke man van studie zou nu, wetende dat men zonder U te aanbidden zijn lichaam [enkel maar nutteloos] teloor ziet gaan, nu Uw lotusvoeten minachten, de voeten die door onze geestelijk leraar [Brahmâ] en door de veertien Manu's [na hem, zie Canto 2: 3: 9, 6: 30, 10: 4] zonder te twijfelen of verder argumenteren werden aanbeden? (68) Daarom bent U voor ons, wij die geleerd hebben, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming alwaar men in het geheel niet bang is voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'

(69) 'Als u zo bidt en u zich [gewetensvol] van uw taken kwijt, zal er voor u allen het geluk zijn o gezuiverde zonen van de koning die uw geesten hebt gericht op de Allerhoogste Heer. (70) Wees van aanbidding en zing altijd voor en mediteer steeds vol van lof op de Heer die zich als de Allerhoogste Ziel ophoudt in uw harten alsook in de harten van alle andere levende wezens. (71) Leest u allen telkens weer deze [Yogâdes'a] instructie in de yoga en sluit hem in uw hart. Houdt u aan de gelofte der wijzen van het altijd met intelligentie [in stilte] innerlijk verzonken zijn en ga hierin met het grootste respect tewerk. (72) Dit werd voor het eerst uitgesproken door de grote Heer [Brahmâ], de meester van de scheppers van het universum, van de grote wijzen aangevoerd door Bhrigu die, als zijn zonen belast met de verantwoordelijkheid voor de wereld, graag creatief wilden zijn [vergelijk 4.1: 12-15]. (73) Wij die als de heersers over de mens van hem de opdracht kregen ons voort te planten raakten door deze [instructie] bevrijd van alle onwetendheid en slaagden er aldus in de verschillende soorten van mensen in het leven te roepen. (74) De persoon die dit aldus regelmatig met grote aandacht voor zichzelf herhaalt, bereikt hierin verzonken onverwijld het betere leven van toewijding hebben voor Vâsudeva [Krishna als de Heer van het bewustzijn]. (75) Van alle zegeningen in deze wereld vormt spirituele kennis het allerhoogste, bovenzinnelijke voordeel van geluk voor iedere persoon, want met de boot der hogere kennis steekt men de onoverkomelijke oceaan van gevaar over. (76) Een ieder die devoot gehecht en met geloof regelmatig dit lied van mij bestudeert, dit gebed gericht op de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die zo moeilijk te respecteren is, is iemand die Hem zal kunnen aanbidden. (77) De persoon die gefixeerd is op het lied zoals dat door mij wordt gezongen kan door de Heer van Gene Zijde alles bereiken wat hij maar wil. De Heer die erdoor wordt behaagd vormt de dierbaarste van alle zegeningen. (78) De sterveling die vroeg in de ochtend met zijn handen gevouwen in geloof en toewijding verzonken is in dit gebed en aldus zelf ernaar luistert en anderen doet luisteren, zal bevrijd raken van alle soorten van karmische gebondenheid. (79) O zoons van de koning ['de god der mensen'], met de intelligentie van het volmaakt aandachtig bidden en zingen van dit door mij gezongen lied van de Allerhoogste Persoon die de Superziel van een ieder is, zullen jullie uiteindelijk de resultaten behalen die jullie verlangden, daar die praktijk gelijk staat aan de grootste verzakingen.'

* Heer Krishna, door zijn viervoudige expansie van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha, is de Heer van de psychische actie -- namelijk denken, voelen, willen en handelen.



Hoofdstuk 25: Over het Karakter van Koning Purañjana

(1) Maitreya zei: 'Na aldus onderricht te hebben verschaft verdween de Vernietiger onder aanbidding van de zoons van Barhishat vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Terwijl ze bij dat water voor de duur van een eindeloos aantal jaren ascese beoefenden, reciteerden al de Pracetâ's het gebed zoals dat door Heer S'iva werd gezongen. (3) O Vidura, ondertussen instrueerde Nârada als een kenner in de spirituele waarheid vol van mededogen koning Prâcînabarhi die een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen had: (4) 'O Koning, [zei hij,] wat voor  zieleheil verwacht u van het handelen terwille van de opbrengst? Op die manier bezig zal u het leed niet zien verdwijnen en zal de uiteindelijke zegen van het geluk buiten uw bereik liggen.'

(5)
De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten. Breng me alstublieft op de hoogte van de zuivere spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) In de oppervlakkige verplichtingen van een gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde ziet men de transcendentie niet als het doel van het leven, en zo komt men dan tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'

(7)
Nârada zei: 'O mijn beste Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u wijzen op al de duizenden dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Zich het leed herinnerend dat u hen hebt aangedaan, staan ze allen kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (9) In dat verband wil ik u het zeer oude verhaal vertellen over het karakter van [een koning genaamd] Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']. Begrijp goed wat ik u nu ga vertellen. (10) Er was er eens een koning van een grote vermaardheid die Purañjana heette o Heerser. Hij had een vriend genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Rusteloos reisde hij rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan [met een hoofdstad], maar toen hij [die plek voor] zichzelf op die manier niet kon vinden, raakte hij in de put. (12) Verlangend naar een hoofdstad die aan al zijn wensen beantwoordde vond hij van al de plaatsen die hij op deze aarde aantrof er geen enkele goed genoeg. (13) Toen hij zich eens ten zuiden van de Himalaya's bevond ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten die hem alle gemakken bood [vergelijk B.G. 5: 13]. (14) Volgepakt met huizen en omgeven door hoge muren waren er torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud, zilver en ijzer. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen die de stad een luister verleenden zo stralend als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (16) Er waren gemeenschapshuizen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) In de buitenwijken van die stad zag men de mooiste bomen en klimplanten en was er een meer waar de geluiden weerklonken van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) Van de waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol lotussen een lentemist aan waterdruppeltjes op zijn takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er welkom voelde. (20) Daar gebeurde het dat hij een zeer mooie vrouw op zich af zag komen omgeven door een tiental bedienden die ieder op hun beurt gevolgd werden door een honderdtal andere. (21) Jong als ze was met een welgevormd, begeerlijk lichaam keek ze uit naar een echtgenoot en werd aan alle kanten bewaakt door een vijfkoppige slang. (22) Met een fraaie neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en prachtig in harmonie met haar mooie gezicht geplaatste oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep. Ze zag eruit als een hemelbewoonster. (24) Zo statig schrijdend als een olifant probeerde ze met het uiteinde van haar sârî verlegen de gelijkmatig ronde en volle borsten te bedekken die voor haar jeugd spraken. (25) Getroffen door haar sexuele aantrekkingskracht, de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.

(26)
'
Wie ben jij met die mooie lotusblaadjes van ogen? Bij wie hoor je, waar kom je vandaan en wat doe je hier in de buurt van deze stad o kuise dame? Zeg me alsjeblieft wat je van plan bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen? O jij met je mooie ogen, wat is dat voor een slang die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ], of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter... de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]! Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, jij hier zo alleen als een wijze in het bos en je voortbewegend op voeten waarvan men alles mag verwachten wat men zich maar wensen kan? (29) En als jij - aangezien je voeten de grond beroeren - geen van deze [godinnen] bent, o fortuinlijke, dan verdien jij het als iemand die zoveel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de Genieter van Alle Offers om voor de meerdere pracht van deze stad op te trekken met deze grote held, ik die van de grootste glorie ben in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, sympathieke glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht. Door jou wordt ik geplaagd door de almachtige Cupido. Heb daarom genade met me, mijn liefste schoonheid. (31) Je gezicht met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens naar mij opgeheven om mij een blik te gunnen en je lieve woorden uit te spreken o dame met je lieflijke glimlach.'

(32)
Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige:  (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet o beste onder de mannen, noch uit welk geslacht de anderen afkomstig zijn of wat hun namen zijn. (34) Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn. Ik weet niet o held, wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (35) Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen o man van respect en als ik slaap blijft de slang wakker om de stad te beschermen. (36) Gelukkig bent u hier naartoe gekomen, moge u al het geluk vinden! Ik en mijn vrienden o doder van de vijand, zullen u voorzien in al het zinsgenoegen dat u zich wenst. (37) Wees enkel zo goed o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven om voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen van het leven te genieten die ik voor u geregeld heb. (38) Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten? Zonder de zekerheid van uw wijsheid en kennis in dezen zou dat zo dwaas zijn als het is voor dieren zonder kennis van wat komt, om uit te zien naar een leven in het hiernamaals. (39) Met religieuze ceremoniën, economische ontwikkeling en geregelde genoegens kan men hier genieten van een leven waar de transcendentalisten geen idee van hebben met het hebben van nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en [toegang tot hogere] werelden zonder treurnis en ziekte. (40) De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zullen altijd verdedigen dat een dergelijk bestaan als huishouder de [veilige en] gezegende toevlucht vormt [voor mensen] in de materiële wereld. (41) Wie mijn grote held, zou er nu niet zo een makkelijk te krijgen grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen als u? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou zich nu niet aangetrokken voelen tot uw gezonde lichaam met zijn sterke armen o machtige man, u die enkel maar rondreist om met de hoogste inzet en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'

(43)
Nârada vervolgde: 'O Koning, nadat ze het aldaar eens waren geworden over de voorwaarden van hun verbintenis met elkaar, gingen ze als man en vrouw de stad in om er voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44) Als het te heet was begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om zich er met hen te vermaken en de zangers zongen er hier en daar mooie liedjes over. (45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die waren gebouwd om de bestuurder of wie dan ook toegang te verschaffen tot verschillende plaatsen. (46) Vijf poorten lagen op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en twee bevonden zich aan de westelijke kant. Ik zal u hun namen beschrijven o Koning. (47) Op één plek aan de oostkant waren er twee poorten gemaakt die Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] werden genoemd. De koning gebruikte die om samen met zijn vriend Dyumân ['van de zon'] naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] te gaan. (48) Op een andere plaats aan de oostkant waren de poorten gemaakt genaamd Nalinî en Nâlinî ['mystieke benamingen voor de neusgaten'] en die werden gebruikt als hij met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats ging genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['van de mond'] werd door de koning van de stad samen met Rasajña ['de proever'] en Vipana ['het spraakorgaan'] gebruikt om twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt'] te bezoeken. (50) Gaand door de zuidelijke stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorvaderen aanroepen'] o Koning, bezocht Purañjana samen met zijn vriend S'rutadhara ['een goed geheugen hebben'] de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['de zuidelijke gebieden']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om samen met Durmada ['hij die er gek op is'] naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een klein plaatsje'] te gaan. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om begeleid door zijn vriend Lubdhaka ['de begeertige'] naar de plaats genaamd Vais'asa ['leed, slachting'] te gaan. (54) De koning die hoorde bij hen die konden zien ging door de [onderaardse poorten genaamd] Nirvâk ['sprakeloosheid'] en Pes'askrit ['de hand'] om dingen te doen samen met twee blinde burgers. (55) Als hij naar zijn privé vertrekken ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['je afzonderen'] en dan genoot hij in een staat van illusie tot zijn bevrediging en geluk van zijn vrouw en kinderen. (56) Aldus sterk gehecht aan handelen in lust en dwaasheid terwille van een bepaald resultaat, kwam hij bedrogen uit in zijn horigheid aan alles wat zijn koningin ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden moest huilen, huilde hij ook. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg, als zij stil stond stond hij stil en wanneer zij zich te ruste legde, ging hij haar navolgend ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er meestal ook aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij klaagde volgde hij haar net zo ellendig. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin, raakte hij het spoor van zijn eigen aard bijster en was hij, de dwaze koning die hulpeloos alles deed wat zij deed, zo zwak als een huisdier.'

   

Hoofdstuk 26: Koning Purañjana Gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

(1-3) Nârada zei: 'Op een dag ging hij [koning Purañjana] naar het woud genaamd Pañcha-prastha ['de vijf bestemmingen'] met zijn boog, gouden rusting en onuitputtelijke pijlenkoker. Hij bewoog zich op de twee wielen en de ene as van een snelle strijdwagen met gouden versieringen die getrokken werd door vijf paarden en één zitplaats had, drie vanen, zeven pantserplaten en twee haken voor zijn wapenrustingen. Hij voerde vijf wapens en twee speciale pijlen met zich mee. Samen met zijn elfde bevelhebber en zijn ene wagenmenner met één stel teugels in de hand, kende hij vijf oogmerken en vijf benaderingswijzen. (4) Met het ter hand nemen van zijn boog en pijlen was hij er zeer trots op dat hij zijn vrouw achter zich kon laten, want dat was iets dat bijna onmogelijk voor hem was. [Maar] geïnspireerd door de kwade gedachte van de jacht begaf hij zich daarheen om dieren te doden. (5) Met het demonisch duister van een gebrek aan verlichting in zijn hart was hij overgegaan tot de verschrikkelijke praktijk van het genadeloos met scherpgepunte pijlen doden van de dieren in de bossen. (6) Een koning mag in zijn begeerte [naar vlees], zoals dat is geregeld in de voorschriften van de Veda's, zoveel als nodig is de dieren in het bos doden die geschikt zijn voor de offerplechtigheden op heilige plaatsen en niet meer dan dat. (7) O Koning, welke man van scholing ook die zijn werk moet doen volgens de voorschriften zal dankzij [de kracht van] de geestelijke kennis nimmer door dergelijke activiteiten aangetast raken. (8) Of anders zal hij door zijn karmische handelingen verstrikt raken in een vals idee van prestige en zo, onder de invloed geraakt van de natuurlijke geaardheden, verstoken van alle kennis tenondergaan.

(9) Door de vernietiging van de dierenlijven die waren doorboord met de pijlen die voorzien waren van verschillende soorten veren, was er een grote droefenis, het was een leed onverdraaglijk voor meedogende zielen. (10) Van het doden van prooidieren als konijnen, buffels, bizons, zwarte herten, stekelvarkens en verschillende anderen raakte hij zeer vermoeid. (11) Als hij er klaar mee was keerde hij zeer dorstig en uitgeput terug naar huis om een bad te nemen, een goede maaltijd te genieten en uit te rusten zodat hij zijn vrede kon herwinnen. (12) Toen hij zich [op een dag] zoals het hoort had geparfumeerd en zijn lichaam had ingesmeerd met sandelhoutpasta, wilde hij, fraai omhangen met bloemen en in ieder opzicht prachtig versierd, aandacht besteden aan zijn koningin. (13) Voldaan, verheugd en ook heel trots was hij vol van Cupido en taalde hij niet naar een hoger bewustzijn met zijn echtgenote die hem met haar hofhouding onderhield. (14) O mijn beste Koning, de dienstmaagden van de huishouding vroeg hij ietwat bezorgd: 'O mijn schoonheden, is alles in orde met jullie en jullie vrouwe? (15) De zaken thuis komen me op het moment niet zo aantrekkelijk voor als voorheen. Om geen moeder of echtgenote thuis te hebben die haar echtgenoot toegewijd verwelkomt is als een strijdwagen hebben zonder wielen. Welke man van scholing zou nu in zo'n armzalig ding gaan zitten? (16) Welnu, waar is ze dan, die intelligente vrouw die me redt als ik verdrink in een oceaan van zorgen en me inspireert bij iedere stap die ik zet?'

(17) D
e vrouwen gaven ten antwoord: 'O Koning ga maar kijken hoe uw geliefde op de kale vloer ligt o doder der vijanden. We hebben er geen idee van waarom ze zich aan zo'n manier van doen heeft overgegeven!'

(18) N
ârada zei: 'Toen hij zijn vrouw als een bedelares op de grond zag liggen, was Purañjana die zijn hersens pijnigde over de scène, totaal verbijsterd. (19) Haar geruststellend met lieve woorden en een hart vol van spijt, kon hij geen enkel teken van woede opmerken als bewijs van de liefde van zijn lieveling. (20) Geleidelijk aan eerst haar beide voeten beroerend en toen haar omhelzend op zijn schoot begon de held bedreven in de vleierij haar verzoenend toe te spreken. (21) Purañjana zei: 'Meesters jegens hun dienaren die over de schreef gingen met een overtreding o mijn liefste geluk, zijn niet van instructie voor degenen die ze als de hunnen aanvaardden als ze hen niet terecht wijzen. (22) De straf door de meester aan de dienaren uitgedeeld is de grootste gunst die hij kan verlenen. Een dwaas beseft niet o slanke dame, dat boos zijn de plicht van een vriend is! (23) Dat gezicht van je met die mooie tanden en wenkbrauwen, dat me vervult van aanhankelijkheid en dat je nu zo mistroostig laat hangen, zou je samen met je lieve stem als een bij naar me op moeten heffen, stralend, lachend en oogluikend van onder het blauw glanzende haar zo prachtig bij je rechte neus. Alsjeblieft o bedachtzame, ik ben helemaal de jouwe. (24) Tenzij hij behoort tot de leerschool der verlichte zielen op deze aarde, ben ik bereid hem af te straffen die jou kwaad heeft gedaan, o vrouw van deze held. Als het aan mij ligt zal hij niet zonder angst en vrees in de drie werelden of waar dan ook kunnen bestaan, als hij iemand anders dan een dienaar van Vishnu ['de vijand van Mura'] is! (25) Nimmer was je gelaat zonder sieraden en heb ik je zo vuil, neerslachtig, van streek en zonder je luister en genegenheid gezien. Noch zag ik ooit je fraaie borsten nat van de tranen of je lippen zonder het rood van de kunkum. (26) Mijn intiemste vriendin, wees aardig voor deze man die er verkeerd aan deed om op eigen gelegenheid te gaan jagen. Welke vrouw die met haar grote schoonheid greep heeft op de lustige verlangens van haar echtgenoot zou nu niet plichtsgetrouw hem omhelzen die verloren in ongeduld getroffen is door de pijlen van Cupido?'



Hoofdstuk 27: Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

(1) Nârada zei: 'De echtgenote van Purañjana kreeg met dat soort liefdesspelletjes haar man volledig in haar greep o Koning, en genoot aldus van alle bevrediging die zij haar echtgenoot schonk. (2) O Koning, de koningin verwelkomde volmaakt tevreden de koning die haar fijn gebaad en volledig uitgedost benaderde met zijn aantrekkelijke gezicht. (3) Intieme grapjes makend omhelsde zij hem terwijl hij haar in zijn armen hield. Aldus in beslag genomen door zijn vrouw verloor zijn geest zijn scherpte en was hij zich niet meer zo bewust van het dag en nacht verstrijken van de onoverkomelijke tijd. (4) Liggend op het kostbare bed van de koningin raakte de held, ook al was hij van nog zo'n hoog gehalte, met de armen van zijn vrouw als hoofdkussen in toenemende mate in de greep der illusie en zag hij, omdat hij overmand door onwetendheid dat voor de grootste prestatie hield, niet in wat zelfrealisatie en het Allerhoogste nu werkelijk inhouden. (5) O beste der Koningen, op deze wijze wellustig genietend met een onzuiver hart, verstreek zijn nieuw gewonnen leven in een oogwenk. (6) Purañjana die zijn halve leven op die manier doorbracht o Koning, verwekte bij zijn vrouw elf zoons en honderden [kleinzoons]. (7) Hij had eveneens meer dan tien dochters en een honderdtal [kleindochters], en al die dochters van Purañjana, o stamvader, waren net zo vermaard als hun ouders vanwege hun goede gedrag, grootmoedigheid en [andere] kwaliteiten. (8) Hij [Purañjana], de koning van Pañcâla, verbond voor het voortzetten van zijn familielijn zijn zoons in de echt met de beste echtgenotes die er waren en schonk zijn dochters weg aan evenzo geschikte echtgenoten. (9) Ook de honderden zonen van de [klein]zonen brachten allen weer honderden en honderden andere nakomelingen voort, waardoor in Pañcâla Purañjana's familie enorm in omvang toenam. (10) Vanwege zijn diepgewortelde gehechtheid aan materiële genoegens werd zijn leven geheel bepaald door zijn nazaten die zijn huis en schatkist leegplunderden. (11) Hij, zo vol van verlangens, hield net als u offerplechtigheden uit respect voor de voorvaderen, de goden en de groten der samenleving. Maar die offers waren allen even weerzinwekkend geïnspireerd op het doden van arme dieren. (12) Aldus lichtzinnig in het leven staand met een hart aan banden gelegd door familie en verwanten, brak op een goede dag de tijd [van de oude dag] aan die niet erg op prijs wordt gesteld door hen die gek zijn op vrouwen.

(13) O Koning, er is een koning behorend tot het hemelrijk [Gandharvaloka] die Candavega ['de onstuimig stromende tijd'] wordt genoemd. Hij heeft driehonderdzestig zeer machtige andere Gandharva's onder zich [de dagen in een jaar]. (14) Zo zijn er ook van Candavega een gelijk aantal zwarte en witte vrouwelijke hemelbewoners [de lichte en donkere perioden van de maand, zie 3.11: 10]. Allen omsingelden ze de stad  om  de voorzieningen voor het zingenot te plunderen. (15) Toen ze de stad van Purañjana begonnen te plunderen kwamen al die volgelingen van Candavega voor de grote slang te staan die er was om haar te verdedigen [de vijf koppen van de slang staan voor de vijf soorten levensadem: prâna, apâna, vyâna, udâna en samâna; zie 4.25: 35 en lijst]. (16) In zijn eentje leverde hij honderd jaar lang als de bewaker van Purañjana's stad heldhaftig strijd met de zevenhonderdtwintig Gandharva's. (17) Verzwakkend omdat hij helemaal alleen vocht tegen zovele  strijders raakten zijn intieme vriend[, de bestuurder] van de stadstaat samen met al zijn vrienden en verwanten, zeer bezorgd en bedroefd. (18) Hij die in de stad [der vijf zinnen] Pañcâla van de zoete liefde genoot en met zijn metgezellen de middelen daartoe inzamelde begreep echter als pantoffelheld niet met welke angst hij nu werkelijk te maken had [de angst voor de dood].

(19) [Dit alles speelde in de tijd dat] de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd Kâlakanyâ, verwijzend naar Jarâ of de ouderdom] rondreisde door de drie werelden op zoek naar iemand die haar echtgenoot wilde zijn o Koning Prâcînabarhi, maar er was niemand die op haar aanzoek inging. (20) Daarover ongelukkig stond ze in de wereld bekend als Durbhagâ ['slecht getroffen'], maar nadat ze ooit een wijze koning behaagd had [genaamd Jayâti die door S'ukrâcârya was vervloekt tot een vroegtijdige ouderdom] en door hem geaccepteerd was, had ze Pûru [de zoon die vader Jayâti trouw bleef] een gunst verleend [hij zou het koninkrijk beërven. Zie ook 9.18]. (21) Toen ik ooit zelf eens rondreisde daalde ze uit haar hemelverblijf [Brahmaloka] neer naar de aarde en deed ze begoocheld door de lust mij een aanzoek, terwijl ik een gezworen celibatair was. (22) [Nadat ik haar afwees] vervloekte ze zeer kwaad op mij geworden, mij in staat van illusie, zeggend: 'Nu u mijn aanzoek hebt afgewezen gij wijze, zult u er nimmer in slagen om op één plek te blijven.' (23) Na die frustratie van haar plannen benaderde Kâlakanyâ op mijn aanwijzing de heerser der Yavana's [de onaanraakbaren of ookwel de mleccha's of vleeseters genoemd] genaamd Bhaya ['vrees'] om hem als haar echtgenoot te aanvaarden. (24) Ze zei tegen hem: 'O grote held, u als de beste der onaanraakbaren aanvaard ik als de man van mijn dromen. Niemand zal de plannen die met u werden gemaakt ooit gedwarsboomd zien. (25) De volgende twee soorten mensen gaan gebukt onder verdriet: de onwetenden die niet het pad volgen van de liefdadigheid en de dwazen die het nimmer wensen om te aanvaarden wat overeenkomstig de gebruiken en de geschriften bij God's genade tot stand werd gebracht. (26) Aanvaard mij daarom o goede heer, ik ben bereid om te dienen. Wees me genadig, het is voor iedere man een kwestie van principe om begaan te zijn met mensen in nood.'

(27) Toen de koning der Yavana's de dochter van de Tijd zich in deze woorden hoorde uitdrukken, sprak hij, bereid overeenkomstig de wil van God zijn plicht te doen op dit privégebied, haar glimlachend toe: (28) 'Je bent bij weldenkende zielen nimmer welkom omdat je door het ongeluk waar je voor staat voor hen niet aanvaardbaar bent. Ik heb dat in overweging genomen en vastgesteld dat je een echtgenoot moet hebben. (29) O jij wiens bewegingen niet kunnen worden waargenomen, geniet van deze wereld die uit karma, uit vruchtdragende bezigheden is opgebouwd. Verzekerd van de hulp van mijn soldaten, zal je ongehinderd de mensen naar hun dood kunnen begeleiden. (30) Ik schenk je mijn broer Prajvâra ['de koorts van Vishnu'] en zo wordt je dan mijn zuster. Samen met jullie twee en mijn vervaarlijke soldaten zal ik onopgemerkt in deze wereld rondwaren.'



Hoofdstuk 28: Purañjana wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven 

(1) Nârada zei: 'O Koning Prâcînabarhi, al de strijdkrachten van Bhaya, de vertegenwoordigers van de dood [die zijn als de moeilijkheden der ouderdom], trokken samen met Prajvâra en Kâlakanyâ rond over deze aarde. (2) Maar toen ze op een dag vol van woede de stad van Purañjana belegerden die zo vol van zinnelijk genot was o Koning, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang. (3) De dochter van Kâla nam vervolgens ook deel aan het geweld om Purañjana's stad in bezit te nemen. Door haar overmeesterd ontdekt iemand meteen hoe onbeduidend hij is. (4) Met haar aanval stroomden de Yavana's van alle kanten door de poorten naar binnen en plaatsten de gehele stad voor grote problemen. (5) Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was aan zijn gezin, werd in de stad die in moeilijkheden verkeerde daarop getroffen door allerlei soorten van ellende. (6) Omarmd door de Dochter van de Tijd verloor hij zijn schoonheid en omdat hij in zijn verslaving aan zinsgenoegens een ellendeling was geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij door de Gandharva's en Yavana's [de vleeseters] gewelddadig van zijn weelde beroofd. (7) Hij zag dat zijn stad uiteenviel in strijdende partijen, dat zijn zoons en kleinzoons, bedienden en ministers geen respect meer voor hem hadden en dat zijn vrouw onverschillig was geworden. (8) Met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden raakte hij zeer bevreesd, maar omdat hij zelf in de greep van Kâlakanyâ verkeerde kon hij geen tegenmaatregelen nemen. (9) In de emotionele voorkeur voor zijn zoons en vrouw was hij de ware zin van het leven kwijt geraakt en was vanwege Kâlakanyâ alles wat voor de arme man zijn lust en leven was geweest verschraald. (10) De stad die onder de voet werd gelopen door de Gandharva's en Yavana's en geteisterd werd door de Dochter van de Tijd moest de koning tegen zijn zin gaan verlaten. (11) Enkel om zijn oudere broer Bhaya [genaamd 'de angst'] te behagen, stak Prajvâra [als 'de koorts'], ter plekke aanwezig, de stad in brand. (12) Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond hadden Purañjana, het hoofd van de grote familie en zijn vrouw en nakomelingen te lijden onder de hitte.

(13) Met de stad aangevallen door de Yavana's en ingenomen door Kâlakanyâ en de problemen veroorzaakt door Prajvâra, raakte ook de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd. (14) Hij kon de stad niet verdedigen [tegen het vuur] en had er grote moeite mee om eraan te ontkomen. Het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen was geworpen. (15) Door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslagen in zijn lichaamskracht o Koning, schreeuwde hij het verzwakt in al zijn leden gefrustreerd uit. (16) Welk een lot was de dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters, schoonzoons en metgezellen beschoren? Wat zou er nu terecht komen van het rijk en het paleis met al de rijkdom en goederen?

(17) Bij zijn afscheid richtte de huishouder zijn aandacht op het 'ik' en 'mijn' van zijn woning en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het er betreffende zijn vrouw zwaar mee had: (18) 'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe moet deze vrouw zich dan redden, verstoken van een echtgenoot en in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen? (19) Ik at nooit als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam. Zij was me altijd toegewijd en hield zich angstvallig stil als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees. (20) Ze gaf me goede raad als ik dwaas deed en ze was bedroefd en teneergeslagen als ik weg was. Zal ze, ondanks dat ze de moeder is van zulke grote helden, er toe in staat zijn vast te houden aan het pad der huishoudelijke verplichtingen? (21) Hoe moeten mijn arme zoons en dochters die niemand anders hebben om op te vertrouwen, nu leven als ik als een kapotte boot midden op zee uit deze wereld verdwenen ben?'

(22) Terwijl hij aldus vanuit zijn droeve intelligentie jammerde over wat men niet moet betreuren, kwam hij die van plan was om hem te vernederen genaamd Angst op hem af om hem in te rekenen. (23) Vastgebonden als een dier werd Purañjana door de Yavana's naar hun wereld meegevoerd, gevolgd door de stroom van zijn getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren. (24) Zo gauw de slang, die de stad had moeten prijsgeven was ingerekend en direct achter hem aan vertrok, verviel de stad tot stof. (25) Gewelddadig meegevoerd door de machtige Yavana kon Purañjana, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, zich niet zijn vriend en weldoener [de Superziel vanbinnen] herinneren die van het begin af aan bij hem was geweest. (26) Al de offerdieren die door hem zo alleronvriendelijkst waren gedood met bijlen en vervolgens aan stukken waren gesneden, herinnerden zich vol woede die zondige handelingen van hem. (27) Voor een oneindig aantal jaren was hij in het voorbije verzonken in duisternis en moest hij beroofd van alle intelligentie vrijwel eindeloos de ellende ervaren van een onzuiver leven gericht op vrouwen. (28) Omdat hij [tot op het laatst] haar voor de geest had gehad werd hij na zijn dood [herboren als] een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha [zie ook B.G. 8: 5]. (29) Als die dochter van Vidarbha werd zij [hij] als beloning voor getoonde moed uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste der geschoolden [een Pândya heerser] in het gevecht vele prinsen had verslagen en de veroveraar was van alle andere steden. (30) In haar verwekte hij een dochter met donkere ogen alsook zeven jongere machtige zoons* die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida]. (31) Ieder van hen o Koning, zorgde voor miljoenen en miljoenen nazaten die over de wereld heersten voor de duur van een manvantara en langer [zie 3.11: 24]. (32) Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de eerste dochter die haar leven aan de Heer had beloofd en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.

(33) Nadat hij de ganse wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de vrome koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala in een verlangen Heer Krishna te aanbidden. (34) Haar thuis, kinderen en materiële geluk achterlatend volgde de dochter van Vidarbha met haar bekoorlijke ogen haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezelt. (35-36) Daar reinigde hij zich dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren van de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ. Hij voedde zich met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, en zo vermagerde zijn lichaam geleidelijk aan met het beoefenen van zijn verzaking. (37) Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed. (38) Met de geloften [yama] en door regulatie [niyama] zich fixerend in zijn geestelijke [yoga]realisatie onderwierp hij zijn zinnen, leven en bewustzijn en verbrandden aldus middels de wetenschap van zijn verzaking al zijn onzuiverheden [in het vuur van zijn toewijding, vergelijk 4.22: 24, 3.29: 17]. (39) Zo onbeweeglijk op één plaats zittend dat het leek of er een honderd godenjaren [zie 3.11: 12] verstreken, wist hij stabiel in zijn relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, van niets dan die aantrekking. (40) Alsof hij in een droomtoestand verkeerde kon hij met de alles doordringende Superziel zichzelf volmaakt bewust onderscheiden: als de zelfbewuste getuige zeker in zijn [goddelijke] onverschilligheid ['de verheugde held']. (41) Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen] o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht [zie ook de zes darshana's]. (42) Hij die aldus in het bovenzinnelijk Absolute zichzelf zag en het Absolute Zelf in zichzelf, gaf met dit voor ogen zijn overwegingen op en trok zich [uit het leven] terug.

(43) Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, die haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding diende, accepteerde haar echtgenoot als haar godheid, als de allerhoogste kenner der principes, en gaf haar zinsgenoegens op. (44) In oude vodden, mager, dun vanwege haar geloften en met haar haar samengeklit, straalde ze naast haar echtgenoot zo vredig als de vlam van een vuur. (45) Zoals ze dat gewend was ging de vrouw door met het dienen van hem die daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, totdat ze na zijn heengaan niet langer nog enig levensteken van haar geliefde echtgenoot kon bespeuren. (46) Toen ze hem dienend niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hinde gescheiden van haar partner. (47) Voor zichzelf weeklagend over hoe wreed het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze verscheurd in haar hart hardop te huilen, haar borsten met haar tranen nat makend. (48) 'Sta op, alsjeblieft, sta op!, o wijze Koning. Deze wereld midden in de oceaan gelegen is zo heel bang vol van schurken en heersers die erg gehecht zijn, je zou haar moeten beschermen!' (49) Aldus treurend viel de onschuldige vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot en liet haar tranen de vrije loop. (50) Voor het lichaam van haar man bouwde ze toen een brandstapel van hout en nadat ze hem daarop had gelegd en het vuur had aangestoken, concentreerde ze al treurend zich om samen met hem [saha-marana] te sterven.

(51) Kort daarvoor bracht een vriend van haar, een brahmaan, een zeer geleerd iemand, met troostende woorden op haar inpratend over haar meester, haar heel vriendelijk tot rust toen ze aan het huilen was.  (52) De brahmaan zei: 'Wie ben jij? Bij wie hoor je en wie is deze man die daar ligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd? (53) O vriend, weet je nog hoe je, niet bekend zijnde met de Superziel, je Mij als je vriend hebt opgegeven? Je verkeerde toen in een positie van gehecht zijn aan verlangens naar materieel plezier. (54) Jij en Ik o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die voor duizenden jaren aan één stuk dezelfde weg van de geest [der toewijding] bewandelden en toen gescheiden raakten van hun veilige haven [dat Mânasa meer van de zuivere geest]. (55) Jij die me als die zwaan verliet o vriend, trok daarop rond over de aarde als iemand met een materieel bewustzijn. Je zag toen een stad die de liefde was van een bepaalde vrouw. (56) [In die verblijfplaats had je] vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie voorraadkamers, zes [handels]families, vijf marktplaatsen, vijf materiële elementen en één vrouw die er de baas was. (57) De tuinen zijn de vijf zinsobjecten, de poorten beste vriend, zijn de negen openingen van de zintuigen, de drie voorraadkamers zijn het vuur, het water en het voedsel en de families zijn de vijf zintuigen. (58) De vijf marktplaatsen vertegenwoordigen het vermogen tot handelen [de vijf zintuigen van handelen] en de vijf elementen vormen de basiselementen van de materiële natuur. De mens is een eeuwige beheerser van de krachten, maar als hij eenmaal die stad heeft betreden, staat hij niet meer in contact met de [oorspronkelijke] intelligentie. (59) In die situatie in contact staand met de uiterlijke pracht moest je, in haar gezelschap ervan genietend, het dan stellen zonder de herinnering aan de onuitputtelijke bron [van je geestelijk bestaan]. En zo heb je toen een staat bereikt die vol van zonde was, mijn beste. (60) In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je echtgenoot en weldoener. Ook was je niet de echtgenoot van Purañjanî door wie je opgesloten raakte in het lichaam met zijn negen poorten. (61) In werkelijkheid is het zo dat je door deze begoochelende energie die Ik schiep jezelf hield voor een man, een vrouw of een aseksueel wezen, maar je vergat daarbij ons tweeën als zijnde [verenigd in de zuivere geest van] de zwanen. (62) Jij en Ik verschillen niet van elkaar [in kwaliteit]. Kijk eens naar jezelf, je bent net zoals Ik Mijn vriend. Het denkbeeldige verschil tussen ons tweeën wordt door geen enkele geleerde ook maar in de geringste mate onderkend. (63) Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld dat je van jezelf ziet in een spiegel of in de ogen van een ander, verschilt van je eigen lichaam [vergelijk 3.28: 40]. (64) Een individuele ziel die aldus als een zwaan samenleeft in het hart, verkeert onderricht door de andere zwaan in zelfverwerkelijking, omdat hij dan de herinnering heeft hervonden die verloren was gegaan in die [materialistische] afgescheidenheid.'

(65)  'O Prâcînabarhi, ik droeg deze spirituele kennis aan u over in beeldspraak, omdat de Allerhoogste Heer, onze God, de Oorzaak Aller Oorzaken, ervan houdt om mysterieus te zijn.'

*: Deze zeven zoons zouden staan voor de in de aanvang zeven processen van de vidhi marga toegewijde dienst van horen, zingen, heugen, aanbidden, bidden, liefdevolle toegewijde dienst leveren en dienen van de voeten van de Heer. Later werd daar aan toegevoegd de raga marga processen van de evenwicht-vriendschap en het overgeven van alles.:


Hoofdstuk 29: De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

(1) Koning Prâcînabarhi zei: 'O grote wijze, we hadden nooit goed door wat uw woorden betekenden. De wijzen mogen doorgronden wat ze werkelijk inhouden, maar wij die gefascineerd zijn door vruchtdragende bezigheden zullen ze nooit helemaal begrijpen.'

(2)
Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet men zien als de schepper van zijn eigen situatie van het zich ophouden in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of een vierbenig lichaam dan wel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen. (3) De eeuwige vriend en meester van de persoon is Hij die ik beschreef als zijnde onbekend [Avijñâta, 4.25: 10] omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen aan de hand van namen, handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja]. (4) Als het levende wezen wenst te genieten van het geheel van de geaardheden der natuur, denkt hij dat [de menselijke gedaante van] het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen iets is dat hem heel goed uitkomt. (5) De jonge vrouw [pramadâ of Purañjanî] moet men dan zien als de intelligentie die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van het toevlucht nemen tot het lichaam, waarmee dit levend wezen, sensibel met de geaardheden der natuur, lijdt en geniet. (6) Haar vrienden vertegenwoordigen de zintuigen die tot waarnemen en handelen leiden, de vriendinnen staan voor de bezigheden van de zintuigen, terwijl de slang betrekking heeft op de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)]. (7) De geest moet men zien als de o zo machtige [elfde] leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken  [of voorwerpen] van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen. (8) De twee ogen, twee neusgaten, twee oren en de geslachtsorganen en het rectum zijn dienovereenkomstig de paarsgewijze poorten samen met de mond [als de negende] waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat als men zich naar buiten beweegt. (9) De twee ogen, de neusgaten en de mond begrijpt men als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen zich de twee poorten bevinden die men het rectum en het geslachtsdeel noemt. (10) Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47]. (11) Zij die Nalinî en Nâlinî worden genoemd vertegenwoordigen de twee neusgaten met [de stad] Saurabha vernoemd naar het aroma. De [metgezel genaamd] Avadhûta is de reukzin, Mukhyâ staat voor de mond, met [als de vrienden] het spraakvermogen genaamd Vipana en de smaakzin die Rasajña werd genoemd [zie 4.25: 48-49]. (12) Âpana heeft betrekking op het gebied van de tong en Bahûdana op het bereik van de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met [als de poorten] het rechter oor genaamd Pitrihû en het linker oor dat Devahû genoemd werd [zie 4.25: 49-51]. (13) Als men samen met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara de weg volgt naar [het zuidelijk en noordelijk deel van] Pañcâla kan men middels de processen van het genieten der zinnen en de onthechting zoals beschreven in de geschriften [respectievelijk] Pitriloka en Devaloka bereiken.  (14) Naast de poort van het rectum genaamd Nirriti is er aan de onderkant het geslachtsdeel genaamd Âsurî, dat de poort vormt voor de seksualiteit van de gewone man [die in het gebied Grâmaka] zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad die [de vriend] Durmada wordt genoemd [zie 4.25: 52-53]. (15) Vais'asa is [het gebied van] de hel en [de vriend] Lubdhaka is het uitscheidingsorgaan. De blinden waar je toen ook van mij over vernam, zijn de benen en de handen waarmee de mensen aan hun werk beginnen [zie 4.25: 53-54]. (16) De privévertrekken worden gevormd door het hart en de dienaar genaamd Vishûcîna is het denken waarvan de materiële kwaliteit naar verluid in illusie, bevrediging of uitbundigheid resulteert. (17) Op het moment dat het denken wordt geprikkeld en in actie komt in verband met de natuurlijke geaardheden, laat de individuele ziel die [eigenlijk] de waarnemer is, zich door die activiteiten meeslepen [zoals Purañjana door zijn koningin werd meegesleept, zie 4.25: 56].

(18-20) Het lichaam is de strijdwagen die, met de zintuigen als de paarden, in feite niet vooruit komt in de loop der jaren. De twee wielen vormen de activiteiten van het baatzuchtig handelen en de vroomheid, de vanen zijn de drie geaardheden der natuur en de bindingen staan voor de vijf soorten adem. De teugel is de geest, de wagenmenner is de  intelligentie, de zitplaats is het hart, de twee haken voor de harnassen vormen de dualiteit, de vijf wapens zijn de zinsobjecten en de zeven pantserplaten zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De vijf oogmerken en benaderingswijzen vormen met [de elfde commandant van de] valse aspiratie der uiterlijkheid de militaire macht van de elf processen der vijf zinnen [de geest en de vijf zinnen van handelen en waarnemen] waar men terwille van het zinsgenoegen in afgunst mee bezig is [zie nogmaals 4.26: 1-3]. (21) Het jaar dat [het verstrijken van] de tijd symboliseert werd Candavega genoemd, in verband waarmee de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel moeten worden begrepen als de dagen en de nachten die met hun voetstappen de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. (22) De dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aanvaard als zijn schoonzus, staat voor jarâ, de oude dag [zie 4.27: 19-30]. (23-25) Zijn volgelingen, de Yavana soldaten, vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die als de levende wezens in nood verkeren snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen veroorzaakt door de natuur, andere levende wezens en hemzelf. Daarin vasthoudend aan de fragmentarische aard der zinsgenoegens mediteert hij op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als zijnde degene die handelt en schrijft hij ondanks zijn bovenzinnelijke natuur aldus foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toe aan de ziel. (26-27) Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich vervolgens over aan de geaardheden der natuur om daarin zijn geluk te vinden. Dan geeft hij, voortgedreven door die geaardheden, zich over aan levens passend bij zijn karma. Daarin wordt hij dan hulpeloos beheerst door het verrichten van vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], een zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of een rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17]. (28) Afgaand op het licht van de goedheid bereikt men de ene keer betere werelden, dan belandt men met zijn hartstocht voor het werk in de ellende en dan weer zich te buiten gaand in duisternis ziet men zich in treurnis eindigen [zie B.G. 18a: 37-39]. (29) Soms is men een man en soms een vrouw en soms is men geen van beide. Dan weer is men zijn verstand kwijt, dan ben je weer een menselijk wezen dan weer een dier en dan weer een god. Men neemt zijn geboorte overeenkomstig zijn karma met de geaardheden der natuur. (30-31) Als een zielige hond die geplaagd door de honger van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer gestraft te worden, reikt het levend wezen op dezelfde manier met zijn najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens, tot het hoge en lage, of bewandelt hij een middenweg en bereikt zo door zijn lot bepaald dat wat aangenaam is of niet zo aangenaam [de 'hemel' of de 'hel']. (32) Hoewel hij, geconfronteerd met de verschillende soorten van misère zoals veroorzaakt door de natuur, door anderen of door hemzelf, zijn tegenmaatregelen neemt, is het voor het levend wezen niet mogelijk de ellende een halt toe te roepen. (33-34) Hij doet in werkelijkheid niet meer dan wat een man doet die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst. Alles wat hij o zondeloze, in staat van illusie denkt te kunnen doen is een droom tegengaan met een andere droom. Het bestrijden van de ene [karmische] handeling met de andere vormt geen definitieve oplossing, alleen als je beiden tegenwicht biedt is daar sprake van. (35) Net zo goed als er geen eind komt aan de subtiele vorm van de reflectie die in de geest wordt geschapen als in een droom, komt er ook geen einde aan het ronddolen in de materiële wereld die in waarheid niet een gefixeerde werkelijkheid vormt. (36-37) Om een einde te maken aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken in het materiële leven is het daarom van essentieel belang voor de ziel om van een zuivere toewijding te zijn voor dat waar de geestelijk leraar [de Heer] voor staat: het beoefenen van de bhakti yoga in relatie tot de Allerhoogste Persoonlijkheid van God Vâsudeva waarmee het resultaat wordt gevonden van de volkomenheid der kennis en onthechting. (38) Dat o beste der koningen, zal spoedig tot stand komen naar gelang de cultivering van iemands constante en gewetensvolle luisteren naar de vertellingen over de Onfeilbare.

(39-40)
Vanaf de plaats waar men de grote toegewijden aantreft, de zuivere zielen breed van opvattingen wiens bewustzijn gericht is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer o Koning, vloeien uit de monden van de grote [voorbeelden] in alle richtingen de talrijke stromen van nectar over de handelingen van de doder van Madhu. Zij die zich daar gretig aan laven krijgen er nooit genoeg van. Honger, dorst, angst, weeklagen of illusie krijgen nimmer vat op hen die één en al oor zijn [vergelijk 3.25: 25]. (41) Maar de individuele ziel die door zijn wereldse gewoonten het altijd moeilijk heeft, voelt zich niet aangetrokken tot de nectar-oceaan van verhalen over de Heer. (42-44) De vader der stamvaderen Brahmâ, heerschappen als S'iva, Manu, de bestuurders der mensheid onder leiding van Daksha, gestrenge celibatairen als Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, en ikzelf tenslotte, zijn allen goed ingevoerde, gezaghebbende brahmaanse sprekers. Hoewel we inzicht hebben dankzij onze meditatie, kennis van zaken en verzakingen, kunnen we de Ziener Zelve, de Beheerser in het voorbije, niet doorgronden. (45) Bezig met het luisteren naar de onbegrensde geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van de enorm uitgebreide deelvermogens [de halfgoden], kent men nog niet het Allerhoogste. (1a, 2a) [zie voetnoot 1] Wat zou nu het verschil zijn tussen mensen en dieren als de intelligentie van allen berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten alhier een menselijk leven te hebben bereikt zal de individuele geestelijke ziel op de voorgrond staan als men het pad der spiritualiteit volgend heeft gebroken met die lichamelijkheid, als men het onjuiste idee heeft opgegeven dat men een grofstoffelijk of subtiel lichaam zou zijn. (46) Als Hij die zo vol van genade is, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd geeft zo iemand zijn wereldse gezichtspunten op alsmede zijn gehechtheid aan Vedische rituelen [zie ook B.G. 18: 66].

(47)
O mijn beste Prâcînabarhi, beschouw daarom nooit onwetend de schone schijn van het vruchtdragend handelen als je levensdoel. Ook al klinkt het [vergaren] nog zo mooi in je oren, het ware belang is er niet mee gediend [vergelijk B.G. 2: 42-43]. (48) Zij die minder intelligent zijn spreken van de [vier] Veda's in het belang van rituelen en plechtigheden, maar zulke mensen weten niet [wat de ware strekking van de Veda's is], ze hebben er geen idee van waar ze de wereld van Heer Janârdana moeten zoeken [van Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde]. (49) U die [met uw zonen, de Pracetâ's] de ganse aarde bedekt hebt met het kus'a gras dat wijst naar het oosten [zie 4.24: 10], ontleent grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt van uzelf dat u zeer belangrijk bent. Maar u weet niet welk werk u te doen staat, met welke arbeid u de Allerhoogste Persoonlijkheid van God tevreden zou moeten stellen die de leidraad voor het gezond verstand vormt. (50) De Allerhoogste Heer Zelf is de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aanvaard; Hij is de Beheerser van de materiële natuur. Zijn voeten vormen de toevlucht waarmee alle mensen in deze wereld hun geluk vinden. (51) Hij is inderdaad degene die het meest geliefd is, de Subtiele Persoon van wiens kant er niets te vrezen valt. Alleen hij verkeert volkomen in kennis, alleen hij die dit geleerd heeft, is de geestelijk leraar die niet verschilt van de Heer.'

(52)
Nârada zei: 'Na tot dusverre al uw vragen te hebben beantwoord o man van wijsheid, luister naar de gevestigde mening [der wijsheid] die ik u nu ga toevertrouwen. (53) [Stelt u zich] een hert [voor] dat veilig zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Ongestoord zijn gang gaand met in zijn oren de bekoring van het lied der hommels, is hij zich er niet goed van bewust dat zich voor hem tijgers bevinden die snel willen toeslaan en dat er zich achter hem een jager ophoudt die op zoek is naar een kans om hem met zijn pijlen te doorboren. (54) De bloemen werken precies als een vrouw die met haar zoete bloemengeur de veiligheid van het huishoudelijk leven suggereert als resultaat van een onschuldig verlangen naar het zinsgenoegen van zoiets als het plukken van bloemen. Zo vervult men [zoals het hert] met de echtgenote steeds verzonken zijnd in gedachten aan seksuele bevrediging en het strelen van de tong zijn verlangens. Het geluid van de verschillende hommels dat zo aangenaam in de oren klinkt kan je vergelijken met al die o zo aantrekkelijke praatjes waarmee je vrouw allereerst en ook je kinderen je geest volledig in beslag nemen. De tijgers samen voor hem staan voor al de momenten van de dagen en de nachten die onopgemerkt met het genieten van het huishoudelijk bestaan iemands levensduur bekorten. En achter hem zich ervan verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager als de opzichter van de dood door wiens pijl iemands hart in deze wereld wordt doorboord. Stelt u zichzelf nu voor als degene wiens hart wordt doorboord o Koning. (55) Verplaats u in het bewustzijn van dat grazende hert en geef de fixatie op met dat wat u in uw hart zo zeer koestert. Geef dat idee en die verhalen van het huishoudelijk bestaan op dat zo abominabel vol is van seksuele beslommeringen en wees, geleidelijk aan onthecht rakend, enkel uit op de toevlucht der bevrijde zielen.'

(56)
De koning zei: 'O brahmaan, gehoord hebbend wat u zei, kan ik u mededelen dat ik daar geen weet van had. Waarom is het zo dat de hoge heren [mijn leraren], als ze dat wisten, me dat niet uitgelegd hebben? (57) Maar mijn twijfels hierover o brahmaan hebt u al pratend weggenomen. Zelfs zij die ervaring hebben zijn inderdaad begoocheld over alles wat niet de activiteiten van de zinnen aangaat. (58) Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander lichaam in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van het karma dat hij in dit leven heeft opgebouwd. (59) Zo kent men de bewering van de Vedische geleerden die luidt: van alles wat men in het leven wil doen ziet men niet direct de gevolgen in.'

(60) Nârada zei: 'Van het karma waar een persoon zich aan waagt moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat [gestorven zijnd] er [in zijn onbelichaamde staat] niets veranderde aan dat wat bij hem hoort: zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest daaromtrent. (61) Zoals een persoon in bed liggend en ademhalend, met het loslaten [van het grofstoffelijke] in zijn geest [dromend] de handelingen ondergaat waar hij zich [wakend] mee inliet, zo vergaat het hem ook in een gelijksoortig of ander [dierlijk] lichaam of een andere wereld. (62) Wat dit 'mijn' van de geest ook allemaal moge inhouden in de aanname van een 'ik', neemt het levend wezen met zich mee als de werklast die hij verwierf en met dat karma begint hij opnieuw aan een materieel bestaan. (63) Zoals iemands geestesstaat het gevolg is van wat hij zintuiglijk ervaart en wat hij in reactie doet, wordt men op dezelfde manier geestelijk gekenmerkt door geneigdheden die het resultaat zijn van fysieke handelingen verricht in een voorgaand leven. (64) Soms doemen willekeurige beelden op voor je geestesoog, zonder dat je die beelden ooit eerder hebt gehoord, gezien of ervaren. (65) O koning geloof me daarbij als ik u zeg dat voor een levend wezen dat geplaatst wordt voor een levenskenmerk dat zich zo opwerpt in het lichaam, zich geen enkel ding in de geest kan voordoen dat niet al eens eerder werd geprobeerd, ervaren of begrepen. (66) De geest die een mens heeft vormt een aanduiding voor welke gedaanten hij heeft aanvaard in het verleden evenals - ik wens u al het beste toe - welke geboorte hij vervolgens zal nemen of dat hij niet opnieuw zal worden geboren. (67) Wat iemand gedaan heeft in een andere tijd of op een andere plaats kan [dus] worden afgeleid van de beelden die men soms heeft in de geest van dingen die men in dit leven nog nooit eerder heeft gehoord of gezien. (68) Alles wat middels de zinnen wordt waargenomen kan zich op verschillende manieren in opeenvolging ordenend [of in diverse soorten van logica of individuele gezichtspunten] opwerpen in en weer verdwijnen uit het hart; ieder mens is begiftigd met een geest [vol van indrukken uit het verleden]. (69) Met de Fortuinlijke steeds aan je zijde verkerend in een geest van zuivere goedheid [vrij van hartstocht en onwetendheid], zal de wereld om je heen, [het z.g.  'hier en nu'] die [met al die indrukken] zo duister kan zijn als de [nieuwe] maan, aldus verbonden zich glashelder aan je openbaren. (70) Van dit bewustzijn aldus vrij van 'ik' en 'mijn' is een persoon gescheiden zolang de eeuwige inwoner [in de vorm van het subtiele lichaam der levenskenmerken, de linga] een afzonderlijke structuur van materiële kwaliteiten vormt bestaande uit intelligentie, geest, zinnen en zinsobjecten. (71) Diep in slaap, als men flauw valt of als men met het stilvallen van de ademhaling in een shocktoestand verkeert, denkt men niet aan een 'ik', en men denkt ook niet zo als men hoge koorts heeft of als men dood gaat. (72) Precies zoals de maan niet wordt gezien als die nieuw is, kan men ook niet het zelf der levenskenmerken [het subtiele lichaam of ego] van een jong iemand in de baarmoeder en in de vroege jeugd waarnemen vanwege de onvolgroeidheid van de elf [der zinnen en de geest]. (73) Net zoals ongewenste zaken in een droom hun beloop moeten hebben [totdat men ontwaakt], komt er voor een ziel - ondanks dat hij er niet is voor de zinsobjecten - ook geen einde aan zijn materieel bestaan als hij steeds het genot van zijn zinnen overweegt [***]. (74) De individuele ziel [de jîva] begrijpt men als een combinatie van de levenskracht met het door de drie geaardheden bestuurde en in zestien geëxpandeerde [subtiele] lichaam der levenskenmerken, de linga [geëxpandeerd in de zestien van de vijf zinsobjecten de vijf werkende en kennende zinnen en de geest]. (75) Door middel hiervan [door deze linga] verwerft de persoon materiële lichamen en geeft hij ze ook weer op en omdat hij daardoor lichamelijk omhuld is komt hij tot plezier, weeklagen, angst, misère en geluk [vergelijk B.G. 2: 13]. (76-77) Net zoals een rups niet verdwijnt als hij zijn lichaam moet opgeven [om een vlinder te worden], verdwijnt ook een materieel geïdentificeerd mens niet aan het einde van zijn karmisch bestaan, daar de geest [meegevoerd door de linga] heerst over de mens, hij is de oorzaak van het materiële bestaan van al de geschapen belichamingen. (78) Als men denkend aan succes steeds [tot de dood erop volgt] overgaat tot handelingen, raakt men door die daden gebonden aan een [ander] fysiek lichaam zolang als men tewerk gaat in onwetendheid [zie B.G. 3: 9]. (79) Hou u om dat tegen te gaan daarom met hart en ziel bezig met toegewijde dienst aan de Heer en beschouw daarbij de kosmische manifestatie als bestaande uit het Zijne waardoor er handhaving, schepping en vernietiging is [zie voetnoot 2]. (1b) Als men van toewijding is voor Krishna, van genade is voor anderen en in volmaakte kennis verkeert van het Ware Zelf, zal  bevrijding uit de gebondenheid aan een materieel leven het gevolg zijn. (2b) Het grote geheim van dit alles is dat het materiële bestaan oplost in wat we nog niet zien en wat we in het verleden gezien hebben, net als wanneer we slapen; met andere woorden, dat wat zich heeft afgespeeld, zich nu afspeelt of zich nog zal afspelen is maar een droom.'

(80)
Maitreya zei: 'Nadat Nârada, de machtigste, zuiverste en belangrijkste toegewijde hem uitleg had verschaft over de positie van de twee zwanen [van de individuele ziel en de Opperste Ziel die de Heer is], nam hij afscheid en vertrok hij naar de wereld van de vervolmaakten [Siddhaloka]. (81) Prâcînabarhi, de wijze koning vertrok toen, na instructies te hebben achtergelaten voor zijn zoons om de zorg voor de gewone man op zich te nemen, terwille van zijn verzakingen naar de geestelijke verblijfplaats van Kapila [te Gangâ-sâgara, daar waar de Ganges uitmondt in de baai van Bengalen, zie voor Kapila Canto 3.24-33]. (82) Aldaar met een eenpuntige geest sober levend aan de lotusvoeten van Govinda, slaagde hij onophoudelijk zingend erin zich te bevrijden van zijn gehechtheden en middels zijn toewijding op te gaan in de Ene Werkelijkheid. (83) O smetteloze, een ieder die luistert naar of een beschrijving geeft van deze gezaghebbende, geestelijke lering zoals uiteengezet door Nârada, zal verlossing vinden van het lichamelijk begrip van het leven. (84) Ontvangen uit de mond van de belangrijkste godheid der wijsheid, zal eenmaal uitgesproken deze vertelling ieders hart zuiveren, omdat ze deze wereld heiligt met de roem van de Heer der Bevrijding Mukunda. Hij die het zingt zal terugkeren naar de geestelijke wereld en bevrijd van alle gebondenheid als bevrijde ziel niet langer rondwaren in deze materiële wereld. (85) Dit wonderbaarlijke spirituele mysterie [deze allegorie] waarover u van mij vernam betreffende een persoon [Purañjana] die bij zijn vrouw zijn toevlucht zocht, maakt een einde aan alle twijfels over [de kwestie van het hebben van een] leven na de dood.'

* Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya, behoren de twee volgende verzen te verschijnen na vers 45 van dit hoofdstuk.

** Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya verschijnen de twee volgende verzen na vers 79.

*** De eerste twee regels van dit vers vormen in het Sanskriet een herhaling van de eerste twee regels van vers 35; contextueel resulteert dit in deze alternatieve vertaling.


Hoofdstuk 30: De Activiteiten van de Pracetâ's

(1) Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden met het lied van Heer S'iva [zie 4: 24]. Wat bereikten ze daarmee? (2) O discipel van Brihaspati, wat vonden de Pracetâ's op hun weg nadat ze de god van de berg Kailâsa [S'iva] hadden ontmoet die de Heer der Emancipatie en Zaligheid zo dierbaar is? Ze zullen zeker de bovenzinnelijke positie wel bereikt hebben, maar wat voor een leven verwierven ze daar ongewild mee in deze wereld of in een volgend bestaan?'

(3) Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer deden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hem tevreden die zich in het hart ophoudt [de Allerhoogste Heer]. (4) Na de tienduizend jaren van hun gestrenge verzaking [zie ook 4.24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon der Eeuwige Werkelijkheid voor hen, ze geruststellend en belonend met Zijn schoonheid. (5) Zittend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda] zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru en verdreef Hij, gehuld in een geel gewaad en met het juweel om Zijn nek, alle duisternis in de omtrek. (6) Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op Zijn hoofd, Zijn verbijsterend mooie gelaat en Zijn acht wapens, terwijl een gevolg van wijzen en halfgoden Hem tot in de puntjes verzorgden en Garuda Zijn Heerlijkheden bezong als was Hij een supermenselijk wezen [een Kinnara]. (7) Met temidden van Zijn acht stoere armen een bloemenslinger die bijna zo mooi was als de Godin van het Geluk, richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zich met een genadevolle blik tot de overgegeven zoons van Prâcînabarhi met een stem zo diep als de donder. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over jullie onderlinge vriendschap, over jullie bezigheid als vrienden in dezelfde plichtsopvatting o zoons van de koning. Daarom mogen jullie Me tot je grote geluk om een gunst vragen. (9) Die persoon die zich consequent iedere avond jullie herinnert zal vriendschap vinden met zijn broeders en gelijkheid van ziel met alle levende wezens. (10) Die personen die Mij 's ochtends en 's avonds aandachtig loven met het lied van Heer S'iva, zal Ik belonen met de vervulling van al hun verlangens en een zuiver intellect. (11) Jullie stralende heerlijkheid zal over de hele wereld bekend zijn omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard. (12) Er zal een beroemde zoon zijn [van jullie genaamd Vis'ruta] die in zijn kwaliteiten geenszins onderdoet voor Heer Brahmâ en de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen. (13) De lotusogige dochter die de wijze Kandu werd geschonken door [het meisje uit de hemel genaamd] Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid der] bomen o zoons van Prâcînabarhi.  (14) Toen zij geplaagd door honger moest huilen, goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger genadig de nectar in haar mond. (15) Verwek, op Mijn gezag, nageslacht in navolging van wat door uw vader werd opgedragen en trouw onverwijld met haar, die dochter met de vele kwaliteiten en grote schoonheid. (16) Moge dit goedgemanierde, volslanke meisje voor jullie allen een volkomen toegewijde echtgenote zijn en met hetzelfde karakter en hetzelfde plichtsbesef dezelfde rechtschapen weg achten als jullie. (17) Bij Mijn genade zal jullie macht miljoenen hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] zonder onderbreking voortbestaan en zullen jullie alle aardse en hemelse geneugten genieten. (18) Weest derhalve standvastig met Mij in toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet der geaardheden, zullen jullie niet gehecht zijnde aan een materieel bestaan Mijn hemel bereiken. (19) Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd wordt een dergelijk familieleven niet gezien als een oorzaak van gebondenheid, als men ieder moment van zijn tijd besteed aan [het verrichten van] goede werken en [het luisteren naar en vertellen van] de verhalen over Mij. (20)  Als men deze altijd nieuwe Kenner heeft bereikt die aanwezig is in het hart als de Hoogste Geest van God waar de kenners van de Absolute Waarheid het over hebben, staat men niet te juichen of te jammeren en is men ook niet verbijsterd.'

 
(21) Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, raakten de Pracetâ's in Zijn aanwezigheid verlost van de duisternis van de besmetting der hartstocht en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden. (22) De Pracetâ's zeiden: 'Onze eerbetuigingen, keer op keer voor de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid der kwaliteiten die de snelste geest en rapste tong nog te boven gaat; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van de zinnen niet te doorgronden zijn. (23) De Meest Vreedzame en Zuivere betuigen wij ons respect. Als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is verliest de wereld der dualiteiten zijn betekenis. Wij brengen Hem onze eerbetuigingen die in overeenstemming met de geaardheden der natuur de gedaanten aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum. (24) Wij buigen voor U, de volmaakte zuiverheid der goedheid, voor U o Heer Hari wiens intelligentie bevrijdt. U bent de alles doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de beschermer van alle toegewijden. (25) Ons eerbetoon voor U als degene met de lotusnavel, de lotus-slinger, de lotusvoeten en de lotusogen. (26) We brengen Hem, de Allerhoogste Getuige, de toevlucht van alle levende wezens, onze eerbetuigingen wiens gewaad, met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, smetteloos is. (27) De gedaante die U ons die onder de materie te lijden hebben onthulde, o Heer, maakt aan talloze problemen een einde; wat kunnen we nog meer van U verlangen? (28) U die in Uw mededogen via Uw expansies [en leraren] zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, wordt - met het nodige respect voor de tijd - steeds slechts als zodanig [- als zo fraai belichaamd en niet in duizenden mantra's -] herinnerd middels iemands toegewijde dienst o vernietiger van alle onheil. (29) Daarmee [met die gedaante] komen alle verlangens van de levende wezens tot rust, hoe diep ze ook gevallen mogen zijn in hun verlangen naar zovele zaken; waarom zou U, verborgen in onze harten, ook geen weet hebben van al [die materiële vormen] waar wij naar verlangen? (30) Dat U o Vader van het Universum, U als de Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad der bevrijding het uiteindelijke doel bereikt, met ons tevreden bent is de zegen die we zoeken. (31) Niettemin bidden we om een gunst van U o Heer van de transcendentie boven al het overige. Uw grootheid is onafzienbaar en daarom wordt U bezongen als zijnde Ananta [de Onbegrensde]. (32) Een bij geheel tevreden met het bereiken van de Pârijâta-boom [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vriksha] zoekt zijn heil niet bij een andere boom; dus, om wat, o om wat, zouden wij met het bereiken van Uw lotusvoeten, met die grondslag van alles recht voor onze ogen, nog meer moeten vragen? (33) [Het gaat om het volgende:] zolang we besmet zijn door Uw begoochelende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma]. Vergun ons [daarom] zolang dat nog het geval is het gezelschap van Uw liefdevolle toegewijden, wat voor een leven we ook mogen hebben. (34) Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren worden en al helemaal niet met de [zogenaamde] zegeningen van de sterfelijk zielen. (35) In dat gezelschap worden de prachtige verhalen besproken waardoor alle materiële hunkering tot vrede komt en er onder de aanwezigen geen sprake is van ook maar de geringste afgunst of vrees. (36) Daar waar Heer Nârâyana, het uiteindelijke doel der verzakers, wordt aanbeden, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig middels de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid van hen die zich wisten te bevrijden van hun gehechtheden. (37) Hoe kan het ontmoeten van die toegewijden die zich te voet begeven naar de heilige plaatsen met de wens er de zuiverheid te brengen, nu niet een genoegen vormen voor hen die in angst leven?  (38) Wij die voor een ogenblik persoonlijk in het gezelschap van Heer S'iva, Uw beminde vriend verkeerden o Heer, hebben vandaag [daarmee] de bestemming bereikt die U bent, U de bedreven arts om ons middels Uw omgang te genezen van de dood, de moeilijkst te genezen ziekte van het materieel bestaan. (39-40) Wij die de geschriften bestudeerden en de leraren, de brahmanen en de ouderen behaagden; wij die goed waren voor spiritueel gevorderde mensen [de beschaafden, de âryans] en zonder enige afgunst hun vrienden, broeders en alle levende wezens eerden; wij die van al die zware boetedoening waren o Heer en zo lang bij het water ons onthielden van voedsel, deden dat enkel voor de gunst U, de meest verheven Persoonlijkheid Gods, tevreden te zien. (41) Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen die met verzaking en kennis hun bestaan zuiverden konden uiteindelijk niet de volle omvang van Uw glorie zien. Niettemin hebben we zo goed als we konden onze gebeden voor U gedaan. (42) Onze eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon die gelijk is voor iedereen en altijd zuiver is, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer der eeuwige goedheid.' 

(43) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's gaf de Heer, de beschermer der overgegeven zielen, behaagd ten antwoord: 'Zo zij het [mogen uw gebeden in vervulling gaan'], en vertrok naar Zijn hemelse woning, maar ze wilden niet dat Hij vertrok, want ze hadden nog niet genoeg gezien van Hem wiens vermogen nimmer overtroffen wordt. (44) Daarna lieten de Pracetâ's het water van het meer achter zich, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren alsof ze de weg naar de hemel wilden versperren, gingen ze verwoed te keer. (45) Als met het vuur aan het Einde der Tijden begonnen ze toen in hun verbittering o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], geholpen door de wind een brand teneinde de aarde vrij te maken van bomen. (46) Toen Hij zag dat ze [vrijwel] alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhishmân middels de rede tot vrede te bewegen. (47) De resterende bomen die zeer bevreesd waren schonken toen, op advies van Brahmâ, hun dochter aan de Pracetâ's [zie tekst 13]. (48) Ertoe opgedragen door Brahmâ, trouwden ze  vervolgens allen met haar, genaamd Mârishâ, uit wie de zoon der Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom zijn geboorte nam omdat hij de Grootheid [S'iva zie 4: 2] niet had gerespecteerd(49) Hij was niemand anders dan Daksha, hij die geïnspireerd door God gedurende de voorgaande manvantara [periode van Manu] genaamd Câkshusha [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd] zoveel mensen op de wereld had gezet als hij wilde en na verloop van tijd ten onder was gegaan(50-51) Hij die iemand was die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van ieder ander overtrof, werd vanwege zijn bedrevenheid in de vruchtdragende arbeid [van het offers brengen] Daksha genoemd ['de bedrevene']. Aangesteld door het eerste levende wezen Brahmâ om al de mensen voort te brengen en in stand te houden, verzekerde hij er zich ook van al de andere stamvaders bij het proces te betrekken.'


* De verschillende Manu's die bestaan gedurende één dag van Heer Brahmâ zijn de volgende: (1) Svâyambhuva, (2) Svârocisha, (3) Uttama, (4) Tâmasa, (5) Raivata, (6) Câkshusha, (7) Vaivasvata, (8) Sâvarni, (9) Daksha-sâvarni, (10) Brahma-sâvarni, ( 11) Dharma-sâvarni, (12) Rudra-sâvarni, (13) Deva-sâvarni en (14) Indra-sâvarni [zie ook 3: 11].



Hoofdstuk 31: Nârada Onderricht de Pracetâ's

(1) Maitreya zei: '[De Praceta's] ontwikkelden daarop [volgend op hun huwelijk met Mârishâ] een gerijpte visie. Met in gedachten wat de Heer in het Voorbije had gezegd [over de waarde der onthechting] droegen ze snel de zorg voor hun echtgenote over aan hun zoon en vertrokken ze van huis. (2) Zich in westelijke richting begevend naar de kust waar de wijze Jâjali verbleef, kwamen ze als zijn leerlingen verenigd in de geest van het Absolute tot de volmaaktheid van het inzicht in de ziel [die in een ieder aanwezig is]. (3) Zich de zithoudingen eigen makend, bereikten ze allen de volledige beheersing over hun ademhaling, geest, woorden en visie. Met het rechtop houden van hun lichamen waren hun geesten in hun betrokkenheid op het bovenzinnelijke bevrijd van onzuiverheden tot vrede gekomen en zagen ze toen Nârada verschijnen die [van oudsher] door zowel de verlichten als de onverlichten wordt aanbeden. (4) Toen hij verscheen kwamen ze allen overeind, brachten ter verwelkoming hun eerbetuigingen en richtten zich met het voorgeschreven eerbetoon tot hem nadat ze hem een comfortabele zitplaats hadden geboden. (5) De Pracetâ's zeiden: 'Welkom, o wijze der verlichten! Wat een geluk om u vandaag hier aanwezig te mogen zien; uw komst is als de beweging van de zon o grote brahmaan, ze verdrijft alle angst. (6) Bovenmate gehecht aan familieaangelegenheden waren we bijna vergeten o meester, wat Heer S'iva en de Heer in het Voorbije [Vishnu] ons voorhielden. (7) Maar met u nu voor ons aanwezig, wees zo goed om in ons de bovenzinnelijke kennis van de Absolute Waarheid [weer] tot leven te wekken waarmee we met gemak de enorme oceaan der onwetendheid kunnen oversteken.'

(8) Maitreya zei: 'Aldus verzocht door de Pracetâ's kregen de koningen antwoord van de grote Nârada die met zijn geest altijd verzonken in gedachten over de Allerhoogste Heer van de grootste wijsheid was. (9)
Nârada zei: 'De Hoogste Persoonlijkheid is de Heerser over die geboorte, dat leven, die vruchtdragende arbeid, die geest en die woorden van de mensen waarmee  de Ziel van Alle Werelden gediend is. (10) Of men nu handelt in overeenstemming met wat menselijk is of met wat de Veda's zeggen of dat men nu zo lang leeft als een halfgod, wat voor nut hebben de drie geboorten in deze wereld van geboren worden uit zaad, door inwijding of door de arbeid van het offeren? (11) Wat heeft een Vedische opvoeding voor zin, wat heeft men aan verzakingen of welbespraaktheid, wat heeft men nu aan mentaal speculeren, een scherp intellect, fysieke kracht en zinsbeheersing? (12) Wat heeft men aan het beoefenen van yoga, de analytische studie, het aanvaarden van de wereldverzakende orde, het lezen van de geschriften of al de andere gunstige activiteiten, als er nimmer de tevredenheid is van het Allerhoogste Zelf van de Heer? (13) Het lijdt geen twijfel dat het Allerhoogste Zelf feitelijk het doel vormt van alle goedgunstige activiteiten en dat de Heer de Superziel is die aan de wieg staat van de door ons gekoesterde oorspronkelijke identiteit [onze zelfverwerkelijking]. (14) Zoals met het bewateren van de wortels van een boom de stam, takken en twijgen gediend zijn en men middels de voeding het leven in stand houdt van het [gehele] zinsapparaat, eert men evenzo een ieder [de medemens, de halfgoden] als men van aanbidding is voor de Onfeilbare. (15) Zoals de zon het water dat neerregende geleidelijk aan weer doet verdampen en alle levende, bewegende en niet bewegende wezens weer opgaan in de aarde ['tot stof vergaan'], zo vergaat het onmiskenbaar ook de voortgebrachte materiële natuur [die uiteindelijk weer opgaat] in de Heer. (16) Zoals het zonlicht hoort bij de zon, het beeld dat de zinnen bieden in de slaap hoort bij de werkzame krachten van de zinsobjecten en de geestelijke kennis die zich voordoet hoort bij het terugwijken van de geschillen van het wanbegrip, hoort deze schepping waar wij ons in bevinden bij de bovenzinnelijke Ziel van het Universum waar ze ooit uit verscheen. (17) Net zoals er het opeenvolgende bestaan en afwezig zijn van de wolken is alsook het afwisselen van duisternis en het oplichten van de hemel o Koningen, is er ook sprake van het steeds afwisselend verschijnen en weer verdwijnen van de energieën van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid [de guna's] in het Allerhoogste Absolute [van Brahman]. (18) Houdt u daarom allen vereend in Zijn kwaliteit bezig met het toegewijd dienen van rechtstreeks de Bovenzinnelijke Heer die de eigenlijke oorzaak [pradhâna] van de Tijd is, de oorspronkelijke Persoon en de Ene Allerhoogste Ziel van het onbeperkte aantal individuele zielen*, Hij die op basis van Zijn spirituele vermogen losstaat van alles wat voortkomt uit het zelf. (19) Als men van genade is voor alle levende wezens, op deze of gene manier vrede heeft en men al zijn zinnen in bedwang heeft zal Janârdana, de kwelling der atheïsten [een naam van Heer Krishna], snel tevreden zijn gesteld. (20) In het hart geroepen van Zijn mensen die met alle verlangens overwonnen en een ziel vrij van smetten steeds groeien in hun toewijding, wijkt de Onvergankelijke [Vishnu] in Zijn ontvankelijkheid voor de waarheidlievenden net zo min als de ruimte [zal wijken van de werkelijkheid van de materie en de tijd]. (21) Nimmer aanvaardt Hij dat wat personen met een onzuiver hart te bieden hebben, terwijl zij die in vertrouwen op de ziel en met gevoelens voor Hem offers brengen zonder uit te zijn op bezittingen Hem dierbaar zijn. Een ieder die prat gaat op scholing, afkomst, rijkdom en vruchtdragende arbeid maakt zich [in feite] schuldig tegenover de toegewijden die er geen materiële belangen [voorbij de noodzaak] op nahouden. (22) Hij maakt zich nooit zorgen over de godin van het geluk die Hem volgt, noch over de heersers der mensen en de halfgoden die om haar gunst dingen, want Hij is er voor Zijn eigen heil. Hoe kan een dankbaar iemand Hem [dan] opgeven wiens hoofdbelang eruit bestaat aan de kant te staan van de dienaren op Zijn pad?'

(23) Maitreya zei: 'O Koning [Vidura], nadat de wijze, de zoon van Brahmâ, aldus de Pracetâ's had geïnformeerd over de onderwerpen betreffende de Heer, keerde hij terug naar zijn geestelijke verblijfplaats [Brahmaloka]. (24) Nu ze uit de mond van Nârada hadden vernomen over de verheerlijking van de Heer die de zonden der wereld vernietigt, bereikten ook zij mediterend op de voeten van Hari Zijn hemelverblijf. (25) I
n reactie op uw vragen o Vidura, gaf ik deze beschrijvingen van de heerlijkheden van de Allerhoogste Persoon. Dit is alles wat ik u te zeggen had over het gesprek van Nârada met de Pracetâ's.'

(26-27) S'
rî S'ukadeva zei: 'O beste der koningen [Parîkchit], verneem nu na deze getrouwe beschrijving van de dynastie van de zoon van Svâyambhuva Manu, Uttânapâda, van mij ook over de dynastie van Priyavrata [de andere zoon van Svâyambhuva, zie 3.12: 56, 4.1 en 4.8: 7] die als iemand die van Nârada vernam over de kennis van de ziel, na keer op keer [zijn rechtschapen bestuur] te hebben genoten, de aarde onder zijn zoons verdeelde en [op zijn beurt] de bovenzinnelijke positie bereikte. (28) Toen dit alles werd beschreven door Maitreya en Vidura aldus de transcendentale boodschap vernam van de verhalen over de Onoverwinnelijke, verhevigde zich zijn extase zodanig dat hij er de tranen van in de ogen kreeg. Overweldigd met de Heer in zijn hart plaatste hij de voeten van de wijze op zijn hoofd.'

(29)
Vidura zei: 'Met dat wat u mij vandaag zo genadig hebt laten zien van het bereiken van het einde van de duisternis o grote yogi, kunnen zij die vrij zijn van materiële motieven de Heer bereiken.'

(30) S'
uka zei: 'Hem aldus eerbiedigend vroeg Vidura die graag zijn familie wilde zien permissie om te vertrekken naar de stad Hastinâpura, waarop hij met zijn geest in vrede toen vandaar vertrok. (31) O Koning, hij die luistert naar dit verhaal over koningen die hun ziel en zaligheid aan de Heer geven, zullen het goede geluk van een lang leven, weelde, materieel vermogen en een goede naam bereiken alsook het uiteindelijke levensdoel.'

* De Tijd, het ingrediënt en de Schepper worden samen tritayâtmaka genoemd, de drie oorzaken van deze materiële schepping.

** Er zijn vier orden van de schepping: hemel, aarde, de levende wezens en hun maatschappelijke orde.


Aldus eindigt het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Schepping van de Vierde Orde
**.




CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1: De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata

(1) De Koning [Parîkchit] zei: 'Waarom o wijze was Priyavrata, de grote toegewijde tevreden met de ziel, er zo gelukkig mee thuis te verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid aan karma en de minachting [voor de wereldverzakende orde]? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden o wijste der tweemaal geborenen, is toch zeker niet weggelegd voor personen die vrij zijn van gehechtheden? (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen zijn voldoening vindt in de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen en niet zo zeer in de geest van gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit is waar ik hevig aan twijfel o brahmaan: hoe kan er op basis van de krachten van iemands huwelijkspartner, huis, kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna tot stand komen?'

(5)
S'rî S'uka zei: 'Het is volkomen juist wat u zei over de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden die zijn verzonken in  de nectargelijke honing van de verhalen aan de lotusvoeten van hun geliefde Heer geprezen in de geschriften. Ondanks de tegenslagen die ze soms ondervinden geven ze vrijwel nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Het staat alom bekend o Koning, dat prins Priyavrata inderdaad een allerverhevenste toegewijde was die in zijn dienst aan Nârada's voeten zeer snel doordrongen raakte van de volledige waarheid omtrent de spirituele bedoeling die hij in toegewijd enthousiasme onophoudelijk besprak. Hoewel zijn vader hem verzocht over de aarde te heersen omdat hij zo veel van de allerbeste kwaliteiten in zich had, kon hij er niet blij mee zijn. Hij wilde zich niet laten afleiden in zijn grote voorliefde voor het met al zijn zinnen in al zijn handelen in yoga verzonken zijn in de Allerhoogste Heer van de Ziel van het Universum, maar om geen enkele reden kon hij van het aanvaarden van die post afzien omdat, als hij op enige andere wijze in het geweer zou komen tegen het onware, dat zeker tot verval zou leiden. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn hemelverblijf, hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping bestaande uit de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel waaruit hij zelf voortkwam. (8) Als de maan tussen de sterren aan de hemel werd hij op zijn weg hier en daar aanbeden door de leiders van de halfgoden vanaf hun hemelse voertuigen. En zo deden dat ook de één na de ander groepjes vervolmaakten, hemelbewoners, verfijnden, zangers en wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's] toen hij aldus als het stralend middelpunt in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was]. (9) Toen de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg herkende, stond hij samen met Priyavrata en zijn vader [Svâyambhuva Manu] daar aanwezig onmiddellijk met gevouwen handen op om hem de eer te bewijzen met alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, de Heer, de oorspronkelijke persoon van het universum die aldus uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdaling zoals dat gebruikelijk was werd geconfronteerd met de hulpmiddelen ter aanbidding en de lof in verheven taal voor zijn kwaliteiten, wendde zich toen tot Priyavrata terwijl hij hem met een mededogende glimlach aankeek.

(11)
De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat. Wij, Heer S'iva, uw vader en deze grote Rishi [Nârada] voeren allen Zijn opdracht uit en kunnen daar niet van afwijken. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam tornen aan de orde van Zijn schepping; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde die werd verworven, de deugd der plichtsbetrachting, met de inzet van anderen of door welk persoonlijk ijveren ook.  (13) Gestuurd door de Ongeziene, zijn de levende wezens met het aanvaard hebben van een materieel lichaam altijd gebonden aan geboorte en dood, illusie en verdriet, angst, geluk, leed en aan alles wat ze moeten doen overeenkomstig hun karma. (14)  Mijn zoon, in onze onvermijdelijke gebondenheid aan guna en karma zijn wij, net als de vierbenige [stier] die met een touw door zijn neus gebonden is aan de tweebenige [voerman], aangelijnd aan het lange touw van de Vedische instructie en aldus allen [binnen het varnâs'rama-systeem] bezig met het leveren van onze bijdrage om de Heer te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand die kan zien moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk [onderworpen aan Zijn Vedische touw] dan het leed of geluk onder ogen zien dat hoort bij de kwaliteiten en het werk in samenhang met de situatie waarin we ons bevinden met het lichaam dat de Heer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet zijn leven lang zijn lichaam in stand houden dat hij verwierf als gevolg van zijn verleden. Zonder loze passie en trots moet hij als iemand die uit zijn slaap is ontwaakt aanvaarden wat werd meegemaakt, maar wat betreft een ander materieel lichaam [een nieuwe geboorte] zal hij zich nooit meer laten bepalen door de materiële kwaliteiten. (17) Iemand die daar niet voor waakt [iemand die zijn zinnen niet wil beheersen] heeft zelfs als hij in de bossen verblijft te vrezen vanwege de zes bijvrouwen [van de vijf zinnen en de geest], maar wat voor schade zou [anderzijds] een huishoudelijk leven iemand berokkenen die een in zichzelf tevreden en geleerd man is die zijn zinnen de baas is? (18) Aan een huishoudelijk bestaan begonnen moet een ieder die die zes tegenstanders wil overwinnen ze eerst vanuit die stevige vesting proberen de baas te worden, [want pas] als de ongereguleerde verlangens van die hevige vijanden hun kracht hebben verloren kan men zich door de wol geverfd vrij rondbewegen. (19) Als u, beschermd in dit fort door de veilige haven van de lotusvoeten van Hem met de lotusgelijke navel, de zes tegenstanders hebt overwonnen en bevrijd bent van gehechtheden middels deze bijzondere instructies van de Oorsponkelijke Persoon, kan u al het aangename van het leven genieten en aldus uw weg vinden.'

(20)
S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van [Brahmâ] de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig op de hoogte gesteld, boog als een nederige ziel met het aanvaarden van zijn opdracht zijn hoofd en zei: 'Ja dat zal ik' en bracht het met alle respect ten uitvoer. (21) Terwijl Priyavrata en Nârada in vrede er notie van namen, werd de grote Heer eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd. Daarop vertrok hij om terug te keren naar zijn hemelverblijf, die hoog boven alles verheven plaats die alle beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu die eveneens door hem ondersteund zijn plan ten uitvoer bracht en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon zorgde voor de handhaving en bescherming van al de werelden in het universum, raakte [daarmee] persoonlijk verlost van zijn verlangens in de zo hoogst gevaarlijke, giftige oceaan van de materiële wereld. (23) [Priyavrata, de zoon van Manu die als] de keizer van het universum naar de opdracht van de Heer aldus volledig begaan [was] met materiële aangelegenheden, raakte door steeds te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat zo uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde de materiële wereld met als enige wens de groten eer aan te doen. (24) Daarna trouwde hij met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders, en verwekte in haar behalve een dochter die als de jongste van zijn kinderen de naam Ûrjasvatî droeg, ook tien zoons die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, handelingen, schoonheid en moed. (25) Al zijn zoons gaf hij de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren [celibatairen die] vanbinnenuit gemotiveerd meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden voor de bovenzinnelijke kennis op basis waarvan ze, zeer goed op de hoogte van de hoogste geestelijke volmaaktheid, zich aansloten bij de wereldverzakende orde [de paramahamsa-âs'rama]. (27) De bovenzinnelijke wijzen leven in de vrede van de kwaliteiten van die gevierde orde (*) ten gunste van het geheel van alle levende wezens die in angst en vrees om hun materiële bestaan hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva die de enige toevlucht vormt. In hun voortdurende heugenis nemen ze, bij genade van de hoogste yoga der toewijding gezuiverd, vrij van smetten de Allerhoogste Heer van alle schepselen waar in hun harten. Ze zien Hem dan rechtstreeks als zich bevindend in henzelf en realiseren zichzelf daarmee als zijnde gelijk in kwaliteit, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. (28) Bij een andere vrouw verwekte hij nog drie zoons die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten. Ze werden de bestuurders van het Manutijdperk [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Nadat zijn zoons getraind waren in de wereldverzakende orde werd hij [Priyavrata] aldus de heerser over het universum alwaar hij toegerust met machtige armen van gezag samen met hen de snaar van de boog spande die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen het dharma opstonden. Zonder onderbreking was er voor de duur van 110 miljoen jaar de heerschappij van de grote ziel die met de dagelijks groeiende beminnelijkheid, vrouwelijkheid, bedeesdheid, lachen, blikken en wederkerigheid in de liefde van zijn vrouw  Barhishmatî [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had, maar erdoor in de war gebracht en verslagen verloor hij zijn onderscheidingsvermogen. (30) Omdat hij het niet kon waarderen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovennatuurlijke macht was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed alsof hij een tweede zon was. (31) Aldus tewerkgaand met de wielen van zijn wagen die groeven maakten met hun loopvlak, werden de zeven oceanen voortgebracht die de aarde [Bhû-mandala] verdeelden in de zeven dvîpa's [de continenten of 'eilanden']. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara is ieder van hen twee keer zo groot als de voorgaande oceaan waarachter ze aan alle kanten er omheen ligt. (33) Die zeven oceanen bestaande uit zout water, suikerrietsap, sterke drank, geklaarde boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water zijn van dezelfde grootte als de zeven continenten die ze als de groeven [van zijn wagen] de een na de ander opeenvolgend geheel omsluiten. Voor ieder van de dvîpa's afzonderlijk stelde de echtgenoot van Barhishmatî beginnende bij Jambûdvîpa een van zijn trouwe zoons die Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi en Vîtihotra heetten aan als hun koning.
 
(34)
Verder huwelijkte hij de dochter die Ûrjasvatî heette uit aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya die ook wel Kavi of Kavya werd genoemd]. Uit haar werd een dochter genaamd Devayânî geboren. (35) Voor de toegewijden van de Heer der Grote Schreden [Urukrama, zie 1.3: 19] die door hun toevlucht te zoeken tot het stof van Zijn voeten in staat zijn de zes kwaliteiten te overwinnen [van het materiële bestaan: honger, dorst, weeklagen, illusie, ouderdom en de dood **], is een dergelijke [realisatie van] persoonlijke macht in het geheel niet zo verbazingwekkend, want zelfs een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] zal terstond zijn materiële gehechtheid opgeven als hij slechts één keer Zijn naam uitspreekt. (36) Hij [Priyavrata] die aldus ongeëvenaard was in zijn kracht en invloed, zag op een dag in dat hij ondanks zijn overgave aan de voeten van de devarishi [Nârada] niettemin daarna ten val was gekomen vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der natuur waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1.5: 17]. Hij zei toen in een geest van verzaking voor zichzelf: (37) 'Oh, wat ben ik fout bezig geweest, zo volledig in beslag genomen als ik was door het onbenul van een leven gericht op zinsgenot. De duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en maakte een dansende aap van me, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw. Ik ben werkelijk verdoemd en verloren!' Aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Met zijn zelfverwerkelijking gerealiseerd bij de genade van de godheid in de hemel, met het aan zijn trouw volgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap, met het opgeven van zijn koningin waarvan hij zo genoten had, met het afzien van het doodse lichaam van de grote weelde en met zijn hart in volkomen onderwerping overgegaan tot de verzaking, was hij er zeker van weer op het goede spoor te zitten van de grote heilige Nârada en de verhalen over de Heer. (39) Op hem zijn de volgende uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, met uitzondering van de Allerhoogste Heer, door niemand anders worden gedaan', 'Hij verdreef de duisternis en schiep met de sporen van de wielen van zijn wagen de zeven zeeën.' (40) 'Om de strijd van de naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die de situatie in het leven riep van de grenzen in de wereld in de vorm van rivieren, bergketens en wouden en dergelijke [vergelijk 4.14: 45-46].' (41) 'Als de meest geliefde volgeling van de Oorspronkelijke Persoon stond wat hem betreft alle weelde van de lagere werelden, de hemelen en de aarde, alsook dat wat verworven wordt door vruchtdragende arbeid of door yoga [de siddhi's], gelijk aan de hel.'

*: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis. 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis; in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen. 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen. 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  

**: Deze 'zes kwaliteiten' kunnen ook worden begrepen als de vijf zinnen en de geest volgens Sâstrî Goswami.  

 

Hoofdstuk 2: De Activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus het pad der bevrijding had verkozen en Âgnîdhra overeenkomstig zijn opdracht zijn plaats innam, beschermde hij met het strikt in acht nemen van het dharma de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Op een dag zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend ging hij over tot verzakingen aan de voet van de bergen waar ze zich vermaken. Nadat hij in overeenstemming met de regels van zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen had gebracht, was hij vol aandacht boetvaardig van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht der schepping in het universum [Heer Brahmâ]. (3) Met begrip [voor zijn wens] zond de machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn bereik een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar in die plaats van meditatie te vinden die zeer mooi vol stond met allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen zong ze mee met de klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5)
De zoon van de god der mensen hoorde toen in de vervoering van zijn yoga de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap die ze deed met haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen. Opkijkend met zijn half open ogen die de vorm hadden van lotusknoppen, ontdekte hij haar. (6) Dichtbij hem als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en ledematen een lust voor het oog en de geest zijnd van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin verbijsterde met het genoegen de zoete nectar van haar stem te horen die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. De enkele aanblik van de godin bracht hem volledig in de greep van de almachtige Cupido zodat hij de kans aangreep haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en wat ben je van plan op deze berghelling o keuze der muni's. Ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije? Lieve vriendin heb je die twee bogen zonder pezen [je wenkbrauwen] bij je voor je eigen bescherming of maak je jacht op de onoplettende beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou o fortuinlijke dame, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vredig en zeer mooi. Wie wil je hier rondhangend, met hun scherpe punten doorboren? Moge jouw macht het welzijn van ons allen dienen die maar traag van begrip zijnde dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâma Veda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittirivogeltjes horen o brahmaan[s meisje], zonder dat ik ze kan zien. Kijkend naar je prachtige ronde heupen met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen, vraag ik me af waar je [ascetische] berkenbastkleding zou zijn. (11) En wat o tweemaal geborene, vult die twee hoorns o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee jij o boodschapper van het geluk, mijn geestelijk oord parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont o liefste vriendin. Waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van lijf en leden als jij geboren? Voor iemand als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En wat voor voedsel heb je in je mond? Ik ruik de zuivere ingrediënten van wat je kauwt mijn liefste. Je moet wel een expansie zijn van Heer Vishnu, met je twee wijd open ogen en rusteloze, schitterende haaivormige hangers aan je oren, je rijen blinkend witte tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen krijgen geen rust met de bal die je lotusvormige handpalm in alle richtingen doet bewegen. Kan het je niets schelen dat je krullende haar loshangt? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, o schat der wijzen, op grond van welke verzaking slaagde je erin op deze manier [met dit lichaam] zo feilloos de boetedoening te ontregelen van een ieder die teruggetrokken leeft? Je zou de verzaking met mij moeten beoefenen o vriendin. Misschien ben je wel voor mij weggelegd omdat de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij is. (16) Ik zal jou niet opgeven mijn liefste schat die me geschonken werd door de god der geestelijke wedergeboorte. Ik heb mijn geest en ogen op jouw gevestigd, ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden o schoonheid met je mooie borsten. Ik ben je volgeling, leid me waarheen je maar wilt en laten je beste vriendinnen maar volgen.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen slaagde hij intelligent als de goden erin met zijn woordkeus de gunst van het hemelse meisje te winnen. (18) Zij die zich ook van haar kant aangetrokken voelde tot de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, rijkdom en de edelmoedigheid van die meester onder de helden, genoot toen voor een oneindig, talloos aantal jaren de tijd doorbrengend in gehechtheid aan hem als de koning van Jambûdvîpa, van alle aardse en hemelse geneugten. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar voor jaar het leven had geschonken aan haar zoons, vertrok Pûrvacitti van huis om weer terug te keren naar de ongeboren godheid [Brahmâ]. (21) De zonen van Âgnîdhra die dankzij de zorg van hun moeder sterke, goed gebouwde lichamen hadden, kregen door hun vader de verschillende en met hun eigen namen aangeduide delen van Jambûdvîpa toebedeeld om over te regeren [waarschijnlijk het Euraziatische continent]. (22) Koning Âgnîdhra, onbevredigd in zijn verlangens dacht iedere dag meer en meer aan de hemelse vrouw en bereikte zoals de geschriften het [in bv. B.G. 8: 6] beschrijven [daarmee] haar plaats in de hemel, [Pitriloka] waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.'

 

Hoofdstuk 3: Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra die ernaar verlangde zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht samen met haar met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Terwijl hij met groot geloof, toegewijd en met een zuivere geest met de aanbidding bezig was manifesteerde de Allerhoogste Heer zich vanuit Zijn liefde om aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen. Hij toonde zich in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante waarin Hij met Zijn betoverend fraaie ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, ook al kon dat [normaal gesproken] niet worden gerealiseerd met de onderdelen van de inleidende pravargya ceremonie waar hij mee bezig was: de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters en de regulerende beginselen. (3) Toen Hij zich in Zijn vierhandige gedaante zeer helder als de bovenste beste van alle levende wezens manifesteerde met een geel zijden gewaad aan en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken op Zijn borst, Zijn schelphoorn, lotusbloem, werpschijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel, Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, wekte Hij schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, bij koning Nâbhi, de priesters en de anderen aanwezig een gevoel op van arme mensen die een grote schat verworven hebben waarop ze toen met grote achting en alle artikelen van aanbidding eerbiedig hun hoofden bogen. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard o Meest Verhevene, de herhaaldelijke respectbetuigingen van onze aanbidding. Door die aanbidding zijn wij, Uw dienaren, tot handelen in staat, mits we ons houden aan de instructies van hen die boven ons staan. Wie ook die zijn geest niet in bedwang heeft omdat die geheel in beslag wordt genomen door de veranderlijkheid van de natuurlijke verschijningsvormen [de guna's], zou er toe in staat zijn om kennis te hebben van [al] de namen, gedaanten en kwaliteiten die horen bij de positie die U inneemt in deze wereld o Allerhoogste Heer verheven boven de zeggenschap van de materiële natuur! We kunnen U slechts ten dele kennen middels het zo goedgunstig in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten die alle zondig handelen van de mensheid wegvagen. (6) U raakt gunstig gestemd door Uw toegewijden die in een staat van hevige vervoering hun gebeden doen met haperende stemmen en zich in hun aanbidding bedienen van water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten. (7) Wat voor nut zou het anders hebben ons terwille van U o Heer te belasten met het brengen van offers en het ons bedienen van de hulpmiddelen voor de aanbidding? (8) U als de rechtstreekse belichaming van de burgerdeugden [de purushârtha's] bent van een eindeloze en onbegrensde constante toename, maar o Heer, onze hunkering in dezen naar de zegening van het zinsgenoegen, kan er alleen maar zijn met de bedoeling Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U het persoonlijk wenst om met Uw grondeloze en onuitputtelijke genade en heerlijkheid het pad der bevrijding [genaamd apavarga] voor ons open te leggen en om die reden naar hier bent gekomen en zodanig aanwezig bent dat ieder gewoon mens U kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon voor U. Wij o Heer der Heerscharen, zijn immers maar dwazen die geen weet hebben van Uw uiteindelijke welzijn. (10) Dit voor ogen van Uw toegewijden verschijnen van U hier in deze offerplechtigheid van koning Nâbhi, vormt o Beste der Begunstigers, werkelijk de grootste zegen o meest aanbiddelijke. (11) Voor die wijzen van wie in onthechting aan kracht gewonnen talloze onzuiverheden werden weggenomen door het vuur van de kennis, voor die wijzen vanbinnen tevreden die Uw kwaliteiten realiseerden door onophoudelijk Uw verhalen te herhalen en Uw vele eigenschappen te bespreken, bent U [met Uw persoonlijk aanwezig zijn] de hoogste zegen die men kan bereiken.  (12) Als we dan onverhoopt mogen struikelen en ten val komen, honger lijden, ons vervelen, in een ongemakkelijke positie verkeren en dergelijke of als we koorts hebben of op sterven liggen en dan niet in staat zijn ons U te herinneren, laat het dan zo zijn dat Uw namen, handelingen en eigenschappen ter sprake worden gebracht die het vermogen hebben alle zonde te verdrijven. (13) Daarnaast wil deze vrome koning [Nâbhi] niettemin graag door U gezegend worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies is als U: een allerhoogste beheerser van de zegeningen der hemel en het pad dat daarnaar leidt. Hij die met het idee van kinderen als het hoogste levensdoel dit in aanbidding van U vraagt, gedraagt zich aldus als een arme man die een rijk iemand die bereid is tot liefdadigheid slechts om een greintje vraagt! (14) Wie zonder achting voor de voeten van de groten in deze wereld is nu niet onderworpen aan de onoverkomelijke, begoochelende energie waardoor men de weg kwijt is? Wiens intelligentie is nu niet verbijsterd door het materiële genoegen dat werkt als een vergif? Wiens aard wordt nu niet overschaduwd door die stroom [die keten van gevolgen]? (15) AlstUblieft, vergeef het ons in Uw [goddelijke onverschilligheid van] gelijkheid tegenover alles en iedereen, dat we U hebben uitgenodigd om weer te verschijnen als de verrichter van vele wonderen, tolereer alstUblieft ons onwetende zielen die, minder intelligent van minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materieel resultaat op het oog hebben.'

(16)
S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen wiens voeten aldus anders dan in de gebruikelijke verzen voorover gebogen waren verheerlijkt door hen die [zelfs] aanbeden werden door [Nâbhi] de keizer van Bhâratavarsha [India], sprak toen vriendelijk tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allemaal waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik -  moeilijk te verwezenlijken. Daar Ik mijn gelijke niet ken kan er buiten Mij niemand zijn die aan Mij gelijk is. Maar de woorden van jullie brahmanen mogen zich [ook] niet als onwaar bewijzen, omdat de klasse der tweemaal geboren godsbewusten Mijn mond [vertegenwoordigt]. (18) Aangezien er niemand te bekennen is die gelijk aan MIj is, zal ik daarom persoonlijk expanderend in een volkomen deel van Mijzelf, nederdalen in [Merudevî,] de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij aldus, duidelijk voor haar te horen, gesproken had tot de echtgenoot van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer die in dit offerperk gunstig was gestemd door de besten der wijzen, in Zijn oorspronkelijke avatâra gedaante van zuivere goedheid in zijn echtgenote Merudevî met de wens om de wijzen der verzaking - die zich amper kleden, een ascetisch leven leiden en zich doorlopend aan het celibaat houden - de manier te tonen waarop men het dharma [de rechtschapenheid, de religie, de ware natuur] ten uitvoer brengt.'


Hoofdstuk 4: De Eigenschappen van Rishabhadeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Omdat Hij [de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] vanaf de aanvang van Zijn verschijnen zich iedere dag in toenemende mate onderscheidde met de autoriteit van al de eigenschappen van de Opperheer, zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle invloed en vermogens, zagen de ministers, burgers, de brahmanen en de goden vol verlangen uit naar de dag dat Hij over de aarde zou heersen. (2) In overweging van de in grootse verzen [door de poëten] bezongen verheven staat van Zijn kundigheid, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, gaf zijn vader Hem de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die jaloers was op Zijn verheven status liet het niet regenen in Bhârata-varsha, maar de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die als de Heer der yoga wist [hoe dat kwam], glimlachte daarover en liet toen vanuit zijn inwendig [yogamâyâ-]vermogen de wateren uit de hemel regenen boven Zijn woonplaats genaamd Ajanâbha. (4) Koning Nâbhi die zoals hij wilde de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, verkeerde in staat van begoocheling jegens Hem, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon die zich naar zijn idee gedroeg als een normaal menselijk wezen. Hem als zodanig aanvaardend zei hij overweldigd door een overmaat aan grote vreugde met een haperende stem in extase dingen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling' en bereikte zo een bovenzinnelijke verrukking terwijl hij Hem opvoedde. (5) Wetend hoe populair Rishabha was in Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat zette koning Nâbhi, die de burgerij strikt volgens de principes wilde beschermen, zijn zoon op de troon. Hem toevertrouwend aan de brahmanen volbracht hij toen met Merudevî in Badarikâs'rama volledig opgegaan in de yoga met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen in aanbidding van Nara-Nârâyana, [een volkomen deelaspect van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva, en bereikte aldus na verloop van tijd Zijn roemrijke verblijf [Vaikunthha].

(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke persoon ook die het voorbeeld van de vrome koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en kan door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon krijgen?' en: (7) 'Bestaat er behalve Nâbhi een betere toegewijde van de brahmanen? Zij door hem tevreden gesteld en geëerd waren ertoe in staat om hem in het offerperk de Allerhoogste Genieter van alle offers te laten zien.'

 
(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde na het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein een voorbeeld door te verblijven bij Zijn geestelijk leraren en hen schenkingen te doen na het afronden van Zijn studie. Ertoe opgedragen de plichten van een huishouder op zich te nemen trouwde Hij met Jayantî die Hem door Indra was geschonken en onderrichtte middels Zijn gedrag hoe men de twee verschillende activiteiten moet volbrengen zoals die worden vermeld in de geschriften [van het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht]. Hij verwekte een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] die net zoals Hij waren. (9) Bharata, de oudste van hen, was een groot yogabeoefenaar; hij had de beste kwaliteiten en het was aan hem te danken dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemen. (10) Van de negenennegentig andere zoons heetten de oudsten die na Bharata ter wereld kwamen, Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha. (11-12) Van de rest waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden. Van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijke beschrijving geven als ik het gesprek tussen Vâsudeva en Nârada bespreek dat de geest de hoogste voldoening schenkt. (13) De eenentachtig jongste zoons van Jayantî waren, trouw aan wat hun vader hen had opgedragen, van een goede ontwikkeling, een uitstekende beheersing van de heilige schrift en zeer vaardig in het brengen van offers. Zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.

(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijke Heer vol van bovenzinnelijke verrukking, iemand die altijd ver boven de ellende stond van het materiële bestaan [geboorte, ziekte, ouderdom en dood]. Door strikt in overeenstemming met de tradities tewerk te gaan voedde Hij [door Zijn voorbeeldigheid], gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, de onwetenden op door wiens nalatigheid in het naleven van het dharma er in de loop van de tijd enkel tegendraadse karmische handelingen zijn en regelde voor de gewone man de religie en de economie zodat een goede naam, nageslacht, geluk in het huishoudelijk bestaan en het eeuwige leven binnen hun bereik lag [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Alles wat door leidende persoonlijkheden wordt gedaan wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij alles wist over de plichten in samenhang met de vertrouwelijke Vedische instructies, volgde Hij niettemin [als een kshatriya] het pad der brahmanen en heerste Hij over de mensen met gelijkberechtiging en dergelijke. (17) Hij van aanbidding voor [Vishnu], voerde, met het [eveneens] respecteren van de verschillende goden en doeleinden en zoals voorgeschreven alles verschaffen wat nodig was, naar gelang plaats en tijd allerlei soorten van offerplechtigheden een honderdtal keren uit met priesters van gepaste leeftijd en overtuiging. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enig verlangen naar wat dan ook, wanneer dan ook, voor zichzelf of van een ander, net zo min als men ook niet verlangt naar luchtkastelen. Men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote liefde voor degene die de last droeg. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta aandeed [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten noordwesten van Hastinâpura] zei Hij voor een gehoor van burgers in een bijeenkomst van vooraanstaande brahmanen het volgende tegen Zijn oplettende en welgemanierde zoons. Hij preekte tot hen ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.'

 

Hoofdstuk 5: Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons, dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld, verdient het niet om de ellende te ondergaan van een zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen. Het verdient eerder de goddelijke boetvaardigheid die het hart zuivert en waardoor men een oneindig spiritueel geluk vindt. (2) Grote zielen van dienst zijn, zo zegt men, vormt het pad der bevrijding en het gezelschap zoeken van hen die aan vrouwen gehecht zijn is de poort tot duisternis. Werkelijk gevorderd zijn zij die [vanuit het spirituele] allen gelijkgezind zijn, vreedzaam zijn, geen aanstoot nemen, allen het beste wensen en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die graag met Mij in een liefdevolle relatie willen verkeren* en die niet zo gehecht zijn aan het fysieke aspect van het leven van een huis, een partner, kinderen, weelde, vrienden en geld verdienen, houden zich slechts met de wereld bezig voor zover dat nodig is. (4) Het in verbijstering opgaan in ongewenste activiteiten in verband met die materiële bevrediging acht ik voor de ziel niet gepast die op basis daarvan tot dit tijdelijke lichaam kwam in weerwil van de ellende die dat met zich meebrengt. (5) Zolang men niet wenst te weten wat de ziel inhoudt, zolang als de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men feitelijk het slachtoffer van zijn eigen onwetendheid, want verstrikt in zijn karma is men gebonden aan dit materiële lichaam. (6) Zolang als er voor Mij, Vâsudeva, geen liefde bestaat, zal een ziel aldus beheerst door onwetendheid de leiband volgen der vruchtdragende bezigheden, en zolang dat het geval is zal men niet vrij zijn van [de ellende van] het lichaam waar men mee geïdentificeerd is. (7) Als men zelfs goed geschoold zijnde niet inziet hoe ondoelmatig [en ongepast] de onderneming van het [ongereguleerde] bevredigen van de zinnen is, zal men niet goed nadenkend over zijn eigenbelang er heel gauw dol op zijn en als een dwaas niets anders ontdekken dan materiële narigheden in een huiselijk bestaan dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Door de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar aanleiding daarvan roepen ze om een huis, een territorium, kinderen, welvaart en verwanten. Dit is nu de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Op het moment dat die hechte mentale knoop in het hart ontward raakt van zo iemand die gebonden is aan de gevolgen van zijn karma, komt de geconditioneerde ziel terug van dat [valse idee van] 'ons' en keert hij, met het loslaten van die oorzaak [van het egoïsme], bevrijd terug naar de bovenzinnelijke wereld. (10-13) Men kan met het gebruik maken van zijn intelligentie de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven door een spiritueel gevorderde persoon te volgen, een goeroe; middels toegewijde dienst aan Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door onderzoekingen; door de waarheid in te zien van de ellende van de levende wezens overal; door verzakingen en boetvaardigheid en door zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij en ook door steeds vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten, door geen vijandschap te koesteren, door allen gelijkgezind te bejegenen, door je emoties te beteugelen o zonen; door te proberen de vereenzelviging met je huis en je lichaam op te geven, door de yogageschriften te bestuderen; door in afzondering te leven, door de ademhaling, de zinnen en de geest geheel te beheersen, door geloof te ontwikkelen, door voortdurend het celibaat in acht te nemen, door steeds waakzaam te zijn, door je spraak te beperken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen, door kennis te ontwikkelen, middels de wijsheid in de verlichting van de yogapraktijk en door zich vastbesloten op te stellen en er geduld, enthousiasme en goedheid op na te houden. (14) Als men door middel van deze yogapraktijk volledig bevrijd raakt van de hang naar resultaten en aldus, zoals Ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die voortkwam uit onwetendheid weet te ontwarren, moet men [uiteindelijk ook] afzien van deze methode van onthechten [deze yoga] zelf. (15) De koning of goeroe die Mijn hemelverblijf wil bereiken en Mij als het levensdoel beschouwt, moet op deze manier zich verhoudend tot zijn zoons of leerlingen, hen instrueren niet over te gaan tot vruchtdragende handelingen en dan niet kwaad worden op ze als ze met een gebrek aan spiritueel inzicht dat toch willen. Want wat kan men [spiritueel] nu bereiken als men iemand eenvoudig aan het werk zet ter wille van de opbrengst? In feite zou zo'n koning of goeroe er dan de oorzaak van zijn dat zij wiens visie beneveld is [door materiële motieven] ten val komen in de put [der valsheid. Vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die geobsedeerd in hun verlangen naar materiële goederen hun werkelijke welzijn uit het oog verloren hebben, staan met het zich inspannen voor tijdelijk geluk vijandig tegenover elkaar en belanden dwaas als ze zijn, zonder dat ze er erg in hebben, in talloze vormen van lijden [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie met genade en verstand van zaken op spiritueel gebied zou geplaatst voor iemand met zo'n belabberde intelligentie hem dan weer tot die onwetendheid aanzetten? Dat zou gelijk staan aan een blinde man de verkeerde kant op leiden. (18) Iemand die er niet toe in staat is de zijnen te verlossen uit het rad van wedergeboorte moet zich niet ontwikkelen tot een vader, een moeder, een huwelijkspartner, een geestelijk leraar of een te aanbidden godheid. (19) Ik die niet te doorgronden ben heb een hart van zuivere goedheid dat vervuld is van dharma [het devotionele]. Omdat ik het adharma [het niet-devotionele] ver achter me laat noemen de getrouwen mij waarheidlievend de beste ofwel Rishabha. (20) Jullie zijn allen geboren uit Mijn hart, probeer daarom met een zuivere intelligentie jullie broeder Bharata van dienst te zijn, hij die als de meest verhevene over de mensen regeert.

(21-22) Van de gemanifesteerde vormen van bestaan zijn de levende superieur aan de niet-levende en onder hen zijn de wezens die zich rondbewegen ver verheven boven de planten. Van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens. Onder hen zijn de geestelijke wezens [de mediteerders van S'iva] de besten. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's] boven wie de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] zijn geplaatst. Beter dan de onverlichte zielen [de Asura's die de eerstgenoemden de baas kunnen zijn] zijn de goden onder leiding van Indra, en daar weer boven staan de  zonen van Brahmâ zoals Daksha. Van hen is Heer S'iva de beste en boven hem staat Heer Brahmâ aan wie hij ontsprong. Hij op zijn beurt is weer de toegewijde van Mij, Ik [Vishnu] die de god van de goden der [geestelijke] wedergeboorte ben [de brahmanen]. (23) Geen enkele bestaansvorm kan de vergelijking doorstaan met de brahmaan. Ik o beste geleerden ken niemand die boven hem staat. Met hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde in gepast eerbetoon werd geofferd [aan de mond van Mij en de mijnen], dan dat Ik geniet van het voedsel dat [zonder hen] in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Het is de brahmaan die Mijn eeuwig en stralend lichaam [in de vorm van de Veda's] in deze wereld in stand houdt. In hem treft men het geloof en gezag aan van de [acht brahmaanse] kwaliteiten van de opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing van de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ]. (25) Van Mij onbegrensd in vermogen en hoger dan de hoogste die in staat is te verlossen en al het hemelse geluk te verschaffen verlangen zij niets. Aan wie anders zouden zij die hun toegewijde dienst voor Mij verrichten zonder werelds bezit te claimen dan nog behoefte hebben? (26) Mijn beste zoons, wees met jullie blik opgehelderd te allen tijde van respect voor alle levende wezens die bewegen en niet bewegen, want Ik verblijf in hen allen. Dat is de manier waarop je Mij moet respecteren.  (27) Wees met je hele geest, al je woorden en de waarneming van al je werkzame en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks van aanbidding voor Mij, want zonder dat te doen zal een mens niet in staat zijn zich te bevrijden van de grote illusie die Yama's dodelijke val is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensheid in eigen persoon aldus Zijn zoons te hebben geïnstrueerd ondanks dat ze al hoog ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van een ieder die bekend stond als De Beste ofwel Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en grootste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Deze instructie beschrijft het dharma van hen die vrij van materiële verlangens zich niet langer voor het profijt inspannen en zich als grote wijzen, als de beste der mensen [paramahamsa's], kenmerken door toegewijde dienst, geestelijk inzicht en onthechting. Terwijl Rishabha [eerst] nog thuis verbleef, aanvaardde Hij [na verloop van tijd om een voorbeeld van Zijn lering te vormen] als een halve gek met Zijn haar in de war niets anders dan de lucht als Zijn kleed [de naaktheid dus] en verliet toen, met het Vedisch vuur dat Hij in zichzelf brandende hield, Brahmâvarta om rond te zwerven. (29) Hoewel Hij in de ogen van de mensen zo ledig, blind, doof en stom bezig was als een geest of als een waanzinnige, weerhield Hij, die als iemand die zich niet bekommerende om de wereld [als een avadhûta] de gelofte van stilte had afgelegd, zich ervan te spreken. (30) Trekkend door steden, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden enzovoorts, werd Hij hier en daar omringd door slechte mensen als vliegen en werd Hij, net als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, met zand, stenen en ontlasting bekogeld en weggescheten en uitgescholden. Maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam vormt en die men voor echt houdt, niet meer dan een illusoir omhulsel was. In plaats daarvan verwijlde Hij, in ontkenning van het "ik' en "mijn", in Zijn persoonlijke glorie en zwierf Hij onverstoorbaar moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc., met de fraaie lijn van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn rooddoorlopen, wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waardoor Zijn gezicht als een feest voor al de huisvrouwen alom Cupido in hun harten zou hebben opgewekt, zorgde Hij, met Zijn overvloed aan krullend bruin haar dat was samengeklit, smerig en wanordelijk, ervoor dat Zijn lichaam eruitzag als van iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen rechtstreeks tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat soort negativiteit [dat karma] tegen te gaan, ertoe over zich op de grond liggend abominabel te gedragen als een python. Daarbij besmeurde Hij zich met het voedsel dat Hij kauwde en het drinken dat Hij dronk en wentelde Hij zich in Zijn urine en Zijn uitwerpselen. (33) Hij rook zo prettig naar Zijn ontlasting dat door de lucht ervan de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangename geur. (34) Aldus met wat Hij deed rondbewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten, at, dronk en urineerde Hij net zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Op die manier de verschillende wegen bewandelend van de mystieke yoga genoot Rishabha, de Opperheer, de Meester der Verlichting, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Hij onderging de symptomen van de liefdevolle emoties voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens en bereikte door Zijn fundamentele onverschilligheid de volkomen perfectie in het Hoogste Zelf. Maar o Koning Parîkchit, de volheid van de mystieke vermogens van de yoga die Hij aldus terloops bereikte - zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [ofwel de siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] -, kon Hij in Zijn hart nimmer volkomen aanvaarden.'

*: De vijf belangrijkste liefdevolle relaties of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (sringâra).

 

Hoofdstuk 6: Heer Rishabhadeva's Activiteiten

(1) De koning zei: 'O Allerhoogste, in zichzelf tevreden zielen van wie het zaad van baatzuchtig handelen werd verbrand door de spirituele kennis die werd verkregen door yogabeoefening, verwerven automatisch mystieke vermogens; hoe kunnen die vermogens nu een belemmering vormen?'

(2) De wijze zei: 'U hebt volkomen gelijk [als u beweert dat yoga leidt tot zekere vermogens], maar in deze wereld stelt men, net als een slimme jager, ook niet zomaar vertrouwen in de geest die [net als wild] er steeds vandoor gaat. (3) Daarom zegt men dat men nooit en te nimmer vriendschap moet sluiten met de onrustige geest. Zelfs de grootsten [zoals Heer S'iva of de wijze Saubhari] raakten er door verstoord nadat ze een tijd lang op de verzakingspraktijk hadden vertrouwd. (4) Zo goed als een man met een overspelige vrouw steeds op zijn hoede moet zijn voor kapers op de kust, zullen ook yogabeoefenaars ervoor moeten waken vertrouwen te stellen in het denken dat steeds openstaat voor lustmotieven.  (5) Welk verstandig mens vertrouwt nu op het [ongestuurde] denken dat ten grondslag ligt aan de lust, de woede, de trots, de hebzucht, het weeklagen, de illusie en de angst die samen de gebondenheid aan het karma vormen? (6) Hoewel Hij [Rishabha] de leider was van alle koningen en bestuurders van dit universum, deed Hij met die overtuiging uitgedost, zich uitlatend en zich gedragend als een avadhûta [5.5: 29] alsof Hij dom was. Hij verhulde Zijn allerhoogste heerlijkheid om de yogi's middels het voorbeeld van Zijn eigen persoonlijke voertuig van de tijd duidelijk te maken hoe ze het hiernamaals kunnen bereiken. Alsof Hij een normale sterveling was die het fysieke lichaam probeert te verzaken, behield Hij voor zichzelf overeenkomstig het allerhoogste gebod van de Ziel, niet gehinderd door het illusoire der materie, altijd de visie vanbinnenuit van de liefde verheven boven alle ondeugd en maakte Hij een einde aan Zijn materiële bestaan. (7) Met Hem de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die vrij was van ieder eigenbelang in het vitale waren we aldus getuige van Zijn ogenschijnlijk fysieke aanwezigheid, het gedreven optreden van Zijn lichaam in deze illusoire wereld. Hij trok geheel alleen door de landen van Zuid-India: Konka, Venka en Kuthaka in de provincie Karnâtha, en bereikte een bos in die omgeving genaamd Kuthakâcala. Aldaar met een handvol stenen in Zijn mond, zwierf Hij met verwarde haren naakt rond als was Hij een waanzinnige. (8) Bij een felle, van alle kanten oplaaiende bosbrand als gevolg van de door de wind veroorzaakte onderlinge wrijving van bamboestaken, verbrandde Zijn lichaam toen in dat bos tot as.

(9) Vernemend over Zijn wederwaardigheden en vrijheid van alle ritueel en gebruik, ging de koning van Konka, Venka en Kuthaka genaamd Arhat [de Jain, de eerbiedwaardige] ertoe over Hem te imiteren. Verbijsterd als gevolg van een toename van goddeloosheid die de komst van het Kali-yuga Tijdperk van de Redetwist aankondigde, gaf hij het veilige pad van de religie op dat alle vrees uitbant en nam hij een non-conformistisch verkeerd, ketters standpunt in door hoogst dwaas een eigen bedenksel te introduceren. (10) De laagsten onder de mensen in dit Kali-tijdperk die, verstoken van karakter, reinheid en plichtsbesef met de regels en voorschriften verbijsterd zijn door de uitwendige energie van God, zullen door een praktijk als deze met minachting voor de goddelijkheid, eigenwillig en met verkeerde principes vasthouden aan vreemde regels zoals zich niet wassen, de mond niet reinigen, vuil zijn en het haar uitplukken. Met hun bewustzijn bedorven door een overmaat aan moderne-tijd adharma [ofwel plichtsverzaking] zullen ze vervallen in het belasteren van de Veda's, de brahmanen, rituelen zoals het brengen van offers en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God Zelf en Zijn toegewijden. (11) Zij die onder aanmoediging van blinde voorgangers met een afwijkende praktijk een eigen wereldje [of sekte] opbouwden zullen zelf erdoor verblind geraakt in het duister belanden [vergelijk B.G. 16: 16, 16: 23]. (12) Deze avatâra van de Heer was er om hen die overweldigd zijn door de hartstocht te instrueren wat betreft de emancipatie ofwel hoe men het eeuwige geluk moet bereiken [de uiteindelijke zaligheid, kaivalya]. (13) Over Hem zingen de mensen in overeenstemming met deze leringen de volgende verzen: 'Oh, van al de landen op de continenten van deze aarde met haar zeven zeeën is dit land [Bhârata-varsha, India] het meest verdienstelijk, want hun bevolking bezingt de gunstige handelingen van Murâri in Zijn vele incarnaties [Hij als de vijand van de verdwaasde, van Mura].' (14) 'Oh wat kan men zeggen over de dynastie van koning Priyavrata waarin de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid nederdaalde als een incarnatie? Hij, de Ongeëvenaarde, vervulde de religieuze plicht die een einde maakt aan de baatzuchtige arbeid [het dharma dat leidt tot akarma].' (15) 'Is er een andere vasthoudende en overtuigde yogi te vinden die, de perfecties verlangend die Rishabha afwees als zijnde onwerkelijk, zelfs maar in de geest het voorbeeld kan volgen van deze ongeboren Godheid?'

(16) Aldus heb ik uitleg verschaft over de zuivere handelingen van de Opperheer genaamd Rishabha, de voor de gewone man, de godsbewusten, de brahmanen en de koeien meest aanbiddelijke meester van alle Vedische kennis. Hij die in navolging van de groten [de paramparâ], met een groeiend geloof en toewijding aandachtig luistert naar, voor anderen spreekt over of aandacht besteed aan deze toevlucht van Zijn grote en opperste heilzaamheid die alle zonden van ieder levend wezen tenietdoet, zal Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, terwille zijn met een onwankelbare toewijding in zowel de vorm van het luisteren als het spreken. (17) Maar in die toewijding onophoudelijk zich badend om bevrijd te zijn van het lijden onder de verschillende lastige condities van het materieel bestaan, talen zij die wijsheid hebben ontwikkeld [onder hen] niet naar die zaligheid van het zich terugtrekken, dat opperste en eeuwige doel van alle mensen, omdat met het hebben aangegaan van een relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid al hun materiële behoeften hun voltooiing vonden. (18) Mijn beste Koning [Parîkchit], Hij was zonder twijfel de handhaver en leraar, de aanbiddelijke godheid, de vriend en meester van uw Yadu-lijn en soms trad Hij zelfs op als een dienaar. Aldus mijn beste was hij voor allen die Hem ten dienst stonden daadwerkelijk Mukunda, de Allerhoogste Heer die bevrijding [mukti] schenkt, maar iemand [vertrouwelijk] betrekken in Zijn toegewijde dienst [zoals Arjuna op het slagveld] deed [en doet] Hij niet zomaar. (19) Alle eer aan Hem de Allerhoogste Heer Rishabhadeva, Hij die steeds gericht op Zijn ware identiteit, in zichzelf volkomen en zonder verlangens, zo genadig was ter wille van de ware welvaart Zijn activiteiten op het materiële vlak ten toon te spreiden en in die hoedanigheid voor de materieel geïdentificeerde mens wiens intelligentie lang heeft gesluimerd instructies te verschaffen aangaande het ware zelf dat vrij is van angst.'


Hoofdstuk 7: De Activiteiten van Koning Bharata

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Bharata ['in stand worden gehouden'] die een hoog ontwikkelde toegewijde was, het besluit had genomen om zoals zijn vader hem had opgedragen over de aarde te heersen, trouwde hij met het aanvaarden van die hoge positie met de dochter van Vis'varûpa, Pañcajanî. (2) Zoals men geïdentificeerd met de materie te maken krijgt met de vijf zinsobjecten [van geluid, smaak enz.] verwekte Bharata in haar ook vijf zoons die net als hij waren: Sumati, Râshthrabhrita, Sudars'ana, Âvarana en Dhûmraketu. (3) Dit deel van de wereld genaamd Ajanâbha [slaand op koning Nâbhi, zie 5:3] wordt sedert de heerschappij van Bharata Bhârata-varsha genoemd [het land van Bharata, nu India]. (4) Hij die zeer geleerd was, was een heerser zo groot als zijn vader en grootvader die regerend met een zorgzaam hart zich samen met zijn burgers hield aan de verplichtingen. (5) Hij aanbad daarnaast de Allerhoogste Heer met grote en kleine offerplechtigheden met en zonder offerdieren. Met veel geloof werden volledig of ten dele agni-hotra-, dars'a-, pûrnamâsa-, câturmâsya-, pas'u- en soma-rasa-yajña's uitgevoerd, die zoals dat was voorgeschreven vrijwel altijd onder leiding stonden van vier priesters (*). (6) Als de ter zake kundige priesters met alle bijkomende riten bezig waren met het uitvoeren van de verschillende offers, zag hij die steeds denkend aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, in de geest van de Vedische hymnen bevrijd was van lust en woede, in dat al de verschillende halfgoden, zij die de resultaten in ontvangst namen, de toebehoren van de offerplechtigheden en hijzelf de offeraar, allen deel uitmaakten van het lichaam van de Ene Oorspronkelijke Persoon. Onafhankelijk van het resultaat van de offerplechtigheid in kwestie die werd volbracht ter wille van het dharma, was Hij de genieter van al die offers, was Hij hun heerser, degene die handelde en hun oorsprong; Hij was degene die verantwoordelijk was voor het geheel van alle goden. (7) Hij [Bharata] was zodoende in de zuiverheid van zijn dienstverlening van de zuiverste goedheid jegens de Superziel in het hart van het etherisch lichaam, jegens de onpersoonlijke geest van het Brahman en jegens Bhagavân, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoon wiens gedaante men herkent aan het S'rîvatsa teken op de borst, het Kaustubha juweel, de bloemenkrans, de werpschijf, de schelphoorn, de knots en andere symbolen. Als Hij eenmaal als een onuitwisbaar beeld in het hart van de toegewijde is verschenen heeft Hij, die men op het hoogste niveau kent aan de hand van Zijn stralende persoonlijke gedaante, de macht dag na dag je toewijding te doen toenemen. (8) Aldus voor de duur van talloze millennia [middels deze voorbeeldige praktijk] de welvaart te hebben veiliggesteld die hij had ontvangen van zijn voorvaderen, verdeelde hij, toen het moment was aangebroken om afscheid te nemen van zijn aardse verplichtingen, op een eerlijke manier zijn koninkrijk onder zijn zonen en liet hij zijn voorouderlijk huis achter zich om te vertrekken naar het meditatieoord van Pulaha in Hardwar. (9) Het is op die plaats dat tot op de dag van vandaag Heer Hari zich vanuit Zijn vaderlijke liefde aan de aldaar verblijvende toegewijden toont in de gedaante van hun voorkeur. (10) Op verschillende plaatsen wordt dat meditatieoord voorzien van water door de hoofdrivier genaamd de Cakra-nadî [de Gandakî]. In die rivier treft men de [ronde] stenen aan met de concentrische cirkels aan de boven en de onderkant [de zwarte kiezelstenen die dienen als voorwerp van aanbidding, de zogenaamde S'âlagrâma-s'ilâ's]. (11) Daar in de velden van Pulaha's meditatieoord aanbad hij middels offergaven van wortelen, bollen en vruchten in combinatie met water, twijgen, tulasî-blaadjes en allerhande bloemen, de Allerhoogste Heer en raakte hij, bevrijd van alle materiële verlangens, aldus gezuiverd in een gestage toename van bovenzinnelijke vrede die hem bevrediging schonk. (12) Door die constante praktijk van dienst aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer, verdween met het gewicht van de zonder ophouden toenemende gehechtheid aan Hem, de zwakheid uit zijn hart. Als gevolg van de kracht van zijn bovenzinnelijke verrukking stonden de haren van zijn lichaam toen overeind en sprongen door het intense verlangen tranen van liefde in zijn ogen die zijn blik vertroebelden. Aldus op de roze voeten van de Heer mediterend was er dankzij zijn bhakti-yoga, een toename van de hoogste en diepste spirituele gelukzaligheid die zich door zijn hele lichaam verspreidde. Het was een gelukzaligheid van het hart waarin hij als in een meer was verzonken en waardoor hij, niettegenstaande zijn intelligentie, niet langer met zijn inspanningen voor de Heer in staat was zich het geregelde dienstbetoon te herinneren. (13) Gekleed in een hertenvel en met zijn massa prachtig bruin, krullend en samengeklit haar nat van het drie maal daags baden, was hij, aldus ertoe gezworen de Opperheer te aanbidden, van eerbetoon voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid in Zijn gouden verschijning als de zonneschijf (**). Daartoe bewees hij zijn respect voor [Hem als] de Zonnegod met het reciteren van de volgende Vedische lofzang: (14) 'Voorbij de hartstocht [in goedheid] denkend aan dit geschapen universum, is er de eigen gloed die verlicht, de genade van God die vervult met gezegende kennis. Telkens weer hier binnengaand [met Uw stralende zonneschijf of als een Vishnu avatâra] waakt U over het levende wezen dat hunkert naar materiële bevrediging. Alle eer aan de Ene die onder ons verblijft en allen in beweging zet!' 

*: Dergelijke offers zijn in dit tijdvak onmogelijk als gevolg van een gebrek aan ter zake kundige brahmanen of ritvijah die in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen. In de afwezigheid hiervan, wordt de sankîrtana-yajña van het zingen van de heilige namen aanbevolen. 

**: De godheid van de zon wordt door de gewone Hindoe heden ten dage aanbeden met behulp van de Gâyatrî mantra, één van de belangrijkste mantra's van zuivering en bevrijding soortgelijk aan die zoals uitgedrukt door Bharata Mahârâj in dit hoofdstuk: om bhûr bhuvah svah, tat savitur varenyam, bhargo devasya dhîmahi, dhyo yonah prachodayat -, een gebed dat betekent:

De oorspronkelijke vorm van het lichaam,
de levenskracht en de allerhoogste verblijfplaats;
die levensbron zo hoogst uitnemend,
op die goddelijke luister mediteren wij -
moge dit licht ons intellect verlichten.


 
Hoofdstuk 8: De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij [Bharata] op een dag een bad had genomen in de grote Gandakî en zijn dagelijkse rituelen had volbracht, ging hij voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten om de bovenzinnelijke lettergreep [AUM] te herhalen. (2) O Koning, daar zag hij toen een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het gretig van het water dronk, weerklonk van dichtbij het luide gebrul van een leeuw dat alle levende wezens schrik aanjaagt. (4) Toen de hinde dat luide rumoer hoorde, schoot ze schichtig om zich heenkijkend terstond zonder dat ze haar dorst had weten te lessen verschrikt uit angst voor de leeuw met een grote sprong over de rivier. (5) Vanwege de kracht van die sprong in grote angst verloor ze, zwanger als ze was, haar baby die uit haar schoot gegleden in het water viel. (6) Uitgeput door de miskraam als gevolg van de angst en het springen, viel het zwarte hert gescheiden van de kudde ergens in een spelonk en stierf. (7) Toen hij zag hoe dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de stroom, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het genadig als een vriend mee naar zijn âs'rama. (8) Het adopterend als zijn kind gaf hij het iedere dag te eten, beschermde hij het, voedde het op en koesterde het en raakte aldus zeer aan dit hertje gehecht. Binnen een paar dagen ging zo, met het hebben opgegeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en zijn gebeden voor de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting verloren. (9)  'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], raakte door de Heer die het rad van de tijd beweegt, dit schepsel verstoken van zijn familie, vrienden en verwanten. Het  heeft alleen maar mij als zijn toevlucht, als zijn vader, moeder, broeder en lid van de kudde. Omdat het niemand anders heeft stelt het vanzelfsprekend een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden. Ik  moet dan ook toegeven dat het verkeerd is om iemand te verwaarlozen die je bescherming geniet en moet ernaar handelen zonder er spijt van te hebben. (10) Ongetwijfeld zullen alle achtenswaardige en deugdzame zielen, ook al zijn ze nog zo onthecht, hun belangrijkste eigenbelang nog aan de kant schuiven om als vrienden van de armen dergelijke principes na te leven.'

(11) Zodoende gehecht geraakt al zittend, rustend, liggend, lopend, badend en dergelijke met het jonge dier, raakte zijn hart geheel door genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor het verzamelen van bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten, wortels en water, nam hij, ongerust over wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vol van liefde, het zo nu en dan op zijn schouders mee, en hield hij, gesteld als hij was op het kleintje, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep en ontleende daar een groot genoegen aan. (14) Tijdens het gebed stond de keizer, ook al was hij nog niet klaar, soms op om te zien hoe het met het hertenjong ging, en was er dan gelukkig mee het te zegenen met de woorden: 'O mijn lieve jong, ik wens je al het beste toe.' (15) Soms was hij zo bezorgd dat hij als hij gescheiden was van het hertenjong met een angstig hart geëmotioneerd zo van streek raakte als een zielige, vrekkige man die zijn rijkdom kwijt is. Dan bevond hij zich in een toestand waarin hij constant nergens anders meer aan kon denken. Zo verkeerde hij in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren. Het zal wel weer naar me terugkeren en geloof in mij stellen als zijnde een volmaakt zachtaardig iemand van zijn eigen soort. Het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n kwaadwillige barbaar. (17) Zal ik dat schepsel onder de hoede der goden weer terugzien en onbekommerd zien rondlopen en gras eten in de tuin van mijn âs'rama? (18) Of zou het arme ding door een van de vele troepen wolven of honden zijn verslonden of anders door een eenzaam rondzwervende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de Heer der drie Veda's die er is voor het heil van een ieder, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij echt weer terugkeren en mij plezier verschaffen, ik die zijn verschillende vrome oefeningen opgaf? Het was zo schattig om te zien. Het te behagen op een manier gepast voor zijn soort, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met de toppen van zijn hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het berispte omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had verontreinigd, hield het doodsbenauwd direct op met spelen om te gaan zitten in het geheel inperken van zijn zinnen, net zoals de zoon van een heilige dat zou doen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel verdrietig over wat het kwijtraakte! Voor mij wijzen ze de weg om de weelde tot stand te brengen van het lichaam van haar landen die, aan alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd tot plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan[god] die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen met het jong dat zijn moeder bevreesd voor het machtige roofdier verloor, nu dit hertenkind beschermt dat wegdwaalde van mijn beschuttende âs'rama? (25) Of zou hij uit liefde middels zijn stralen, die zo vredig en koel van zijn gezicht stromen als nectargelijk water, mijn hart vertroosten, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich als mijn zoon had overgegeven en die nu in het vuur der gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand?'

(26) Hij wiens hart bedroefd was met een geest die berustte op slecht karma, verkeerde aldus in de ban van het onmogelijke verlangen een zoon te hebben die er als een hertje uitzag en mislukte bijgevolg in zijn yoga-oefeningen, boetedoeningen en de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer. Hoe kon hij zo gehecht als hij was aan het lichaam van een andere soort, het lichaam van een hertenkalfje, met een dergelijke hindernis nu zijn levensdoel bereiken? En dat terwijl hij voorheen de zoons die hij met liefde op de wereld had gezet en zo moeilijk op te geven waren achter zich had gelaten. Koning Bharata die in beslag werd genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, en door dat obstakel werd belemmerd in de beoefening van zijn yoga, verwaarloosde aldus [het belang van] zijn ziel terwijl met schrikwekkend rasse schreden onvermijdelijk zijn tijd naderde alsof het een slang betrof die een muizenholletje binnendringt. (27) Op het moment dat hij daarop deze wereld verliet trof hij aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje aan waaraan hij steeds had gedacht. Met zijn lichaam stervend in de aanwezigheid van het hertje, kreeg hij daarna zelf het lichaam van een hert [zie ook B.G. 8: 6]. Toen hij met zijn sterven een ander lichaam kreeg ging [echter] de heugenis aan zijn vorige bestaan niet verloren. (28) In die wedergeboorte als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het  hebben gekregen van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, ondanks het feit dat ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand die volmaakt in overeenstemming met de ziel zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en ik steeds luisterde naar en dacht aan Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, al mijn uren doorbrengend verzonken in het zingen, aanbidden en mij heugen. Mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest die volledig verankerd is in het eeuwige, maar gevallen uit genegenheid voor een hertenjong, ben ik daarentegen weer een grote dwaas!'

(30) Aldus stilzwijgend zich afkerend van de wereld gaf [hij als] het hert zijn hertenmoeder op en keerde hij van de berg Kâlañjara waar hij ter wereld kwam, weer terug naar de plaats waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden, de âs'rama van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leven zo dierbaar is. (31) In dat oord etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij in het eeuwige gezelschap van de Superziel zijn tijd af en leefde hij, voortdurend wakend voor slecht gezelschap, er alleen maar voor om een einde te maken aan de oorzaak van zijn hertenlichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.'



Hoofdstuk 9: Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verwierf Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, in zijn laatste belichaming de brahmanenstatus. Hij was de mannelijke helft van een tweelingbroer en -zus zo wordt beweerd, die werden geboren uit de tweede echtgenote van een hoogstaande brahmaan in de lijn van de heilige Angirâ. Deze brahmaan begiftigd met al de kwaliteiten was van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, van boetvaardigheid, Vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel. Bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die hem evenaarden qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid. (3) Ook in die geboorte zich dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht voor niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij op het pad van de toegewijde dienst zou worden gehinderd en hield hij zijn geest steeds strak gericht op zijn ziel. Voor dat doel dacht hij door te luisteren naar en zich de beschrijvingen te herinneren van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen, altijd aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer. Maar voor de mensen in zijn omgeving deed hij zich voor als iemand met het karakter van een gek, een dwaas, iemand die blind is voor de werkelijkheid [de reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, hoewel hij er geen oren naar had, dat de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij tot het einde van zijn schooljaren opnieuw als iemand van de heilige draad de plichten der reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook in de aanwezigheid van zijn vader deed hij alsof hij niets begreep van wat er werd onderwezen. Bij de aanvang van het regenseizoen wilde de vader hem de Vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra bijbrengen, maar ondanks zijn gedegen instructie, slaagde hij er niet in gedurende de vier zomermaanden hem de volledige beheersing ervan te leren. (6) Er aldus vanuitgaand dat zijn zoon, hoewel die er geen zin in had, door hem van A tot Z zou moeten worden onderricht in al de reinheid, de Vedische studie, geloften, principes, offers en dienstverlening aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya âs'rama], was de brahmaan die zijn zoon als zijn ziel en zaligheid zag, in werkelijkheid hierin zwaar gehecht aan zijn huishouding bezig zodat hij, toen hij werd [gehaald] door de dood die niet zo vergeetachtig was [als hij], stierf als een man vol van frustratie over het koppige veinzen van zijn zoon. (7) De jongste vrouw uit wiens schoot de tweeling ter wereld kwam, vertrouwde daarop de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde haar man toen naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) De stiefbroers van Jada Bharata, die met het zich vastgelegd hebben op de rituele cultuur van de drie Veda's geen begrip hadden voor de ware kennis van het Zelf, stopten er na de dood van de vader mee om hun halfbroer iets bij te brengen die ze, zich niet bewust van zijn capaciteiten, voor dom hielden. (9-10) Als hij door de materialistische, tweebenige beesten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, gaf hij ook steeds in die termen antwoord. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook maar kreeg door te bedelen, door verdienste of zonder zich in te spannen. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen omdat hij er voor altijd mee was gestopt om te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke, gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware Zelf die met de tweeledige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Stevig gebouwd als hij was, bedekte hij sterk als een stier nooit zichzelf. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij nooit zijn lichaam. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een door vuil zwart geworden heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, een brahmaan van geboorte, enkel een brahmanenvriend noemde ['brahma-bandhu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil van anderen voedsel te krijgen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem in de velden aan het werk met boerenarbeid - een karwei waarmee hij er geen idee van had wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, beschouwde hij het niettemin allemaal als nectar.

(12) Toen dook er op een zeker moment de leider van een roversbende op die op zoek was naar een mensenzoon die niet beter was dan een dier en die hij kon gebruiken voor een offerplechtigheid voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beestmens dat hij eerder had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden in het holst van de nacht in het donker het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze toen op de brahmanenzoon uit de lijn van Angirâ die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze vervolgens met stralende gezichten begrijpend dat hij van nut was voor het werk van hun meester, hem stevig met touwen vastgebonden opgetogen met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, om overeenkomstig hun gebruiken hem als de beestmens klaar te maken voor het offer, hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, lieten ze hem volledig uitgedost en naar behoren gevoed plaatsnemen voor de godin Kâlî met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) De priester van die leider van het boeventuig, pakte toen ter voorbereiding van het offeren van een stroom van diermensenbloed voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend, vlijmscherp zwaard dat hij inzegende met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Deze verwerpelijke types die, van een hartstochtelijke en onwetende aard, in hun materialistische verbijstering zich lieten leiden door geesten vol van verbeelding en aldus naar hun eigen idee bezig zijnd zich op het verkeerde pad bevonden, waren in overtreding met de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen een expansie van de Heer Zelve, iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Maar op het laatste moment brak de godin Bhadra Kâlî, die zag wat er tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmate felle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Vol van verontwaardiging ging ze enorm op in de kracht van haar woede met geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een afgrijselijke lach en een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen. Door haar grote razernij vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal dat ze wilden gebruiken [voor hun offer] de hoofden eraf van al de zondige overtreders en dronk toen samen met haar metgezellen van het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al dat bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar als waren het ballen.

(19) Als men in relatie tot grote zielen te ver is gegaan zoals op deze manier, zal men bijgevolg voor zichzelf er altijd de duiveluitdrijving van onder ogen moeten zien. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], voor hen die niet verbijsterd zijn is dit niet zo'n groot wonder. Zij die zonder vijandschap in goedheid jegens allen verkeren worden door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke Tijd die de beste van alle wapens bij zich draagt [de Sudars'ana schijf] persoonlijk geheel bevrijd van de zeer sterke en vaste knoop in het hart [die er is als gevolg] van een lichamelijke levensopvatting. Zelfs als ze bedreigd worden met onthoofding [of met een ander levensgevaar], zijn die verloste zielen en toegewijden die geheel overgegeven als ze zijn beschermd worden door Zijn lotusvoeten, nimmer van slag door dit soort van emotionele toestanden; ze hebben niets te vrezen.'



Hoofdstuk 10: Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo gebeurde het dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij reisde langs de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en toen de leider van zijn dragers eropuit stuurde om te zoeken naar een geschikt iemand. Zijn zoektocht leidde toevallig naar de excellente brahmaan [Jada Bharata] die, omdat hij zo'n stoere jongeman was ferm van leden en zo sterk als een ezel, door hem die dacht dat hij de last wel kon dragen werd uitgekozen. Er toe gedwongen zijnde droeg de grote ziel de draagstoel hoewel hij niet geschikt was voor het karwei. (2) Toen hij daarmee bezig was keek de gezegende brahmaan steeds drie stappen voor zich uit [om niet op de mieren te trappen]. Daardoor liep hij steeds uit de pas met de anderen en schudde de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit opmerkte zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem er angstvallig van op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet zo o god der mensen, dat wij die altijd trouw uw orders uitvoeren het zouden laten afweten. We doen echt wel ons best, maar het is deze nieuwe man die recentelijk werd aangetrokken om met ons mee te werken door wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen. Hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het probleem zich voordeed als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana die de angstige woorden van zijn dienaren hoorde, in weerwil van zijn politieke ervaring vanuit zijn kshatriya aard toch een beetje toe aan het geweld der woede. Tot hem van wie men de spirituele gloed van zijn aangeboren intelligentie niet duidelijk kon onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Och wat een moeite is het ook mijn broeder! Helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker erg vermoeid geraakt. En je hebt ook al niet veel aan die collega's van je! Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk. Je moet wel last hebben van de ouderdom mijn vriend!'

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar er kwam geen protest vanuit een valse 'ik' en 'mijn'-overtuiging over de lippen van hem die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel. Als iemand op het spirituele vlak had hij die bijzondere instelling wat betreft de fysieke aangelegenheden van het hebben van een uit onwetendheid voortgekomen eindig vehikel van de tijd, een lichaam dat bestaat uit een combinatie van de natuurlijke geaardheden, de werklast en materiële intenties. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'Dwaas! Wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen, je slaat ze gewoon in de wind! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja dat doet met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je ontdekt wat je plaats is hier!'

(8) Ondanks dat hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg van de kant van hem die woedend uit hartstocht en onwetendheid verwijten makend dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, als een geleerde wijze en bij talloze toegewijden geliefde voorvechter van de Heer, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes zonder trots en sprak hij met een houding van een meester in de yoga, van een vriend van alle levende wezens, als volgt tot die niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde o grote held, is niet in strijd [met wat ik in feite ben]. Dat zou wel het geval zijn geweest als ik [werkelijk] dit lichaam van mij, die drager van de last zou zijn. Als het verwerven van een goed doorvoed, krachtig lichaam de weg zou zijn, kan ik u zeggen dat dat geen onderwerp van belang is voor een persoon van zelfverwerkelijking die aanwezig is in het lichaam. (10) Sterk en stoer te zijn, mager en zwak, lichamelijke of psychische pijn ondervinden of hongerig zijn, dorstig, angstig, tegendraads, begeertig, bejaard, slaperig of zinnelijk gemotiveerd, van het kwade te zijn of van de valsheid, de illusie en het weeklagen, zijn met dit lichaam zaken die horen bij degene die geboren werd, maar ze vormen niet de werkelijkheid van wat ik [oorspronkelijk] ben [zie ook B.G. 2: 20]. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat door de natuur wordt geregeld o Koning, [het heeft net zo goed betrekking op u, want] alles heeft een begin en een eind. Maar, o hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet dat zich bevindt in de dingen die voorbijgaan - en in relatie waarmee er [zoals u dat hooghoudt] sprake is van meesters en dienaren - dan spreekt men van het juiste handelen in de yoga. (12) Onderscheid te maken tussen personen [zoals u dat doet als u de baas speelt] getuigt van een vernauwde blik en zie ik niet in wat dat, de conventies daargelaten, voor nut zou hebben. Wie is [in deze gearrangeerde orde nu] de meester en wie is degene over wie moet worden geheerst? Niettemin o Koning, wat kan ik [met u als mijn 'meester'] voor u betekenen? (13) Uit mijn staat van zelfverwerkelijking o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek, stuk onbenul zou zijn. [Als dat zo zou zijn], wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft? Hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon nu iets bijbrengen? Het is alsof je meel probeert te vermalen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent aldus ingaand op ieder woord dat was gevallen, hield de grote wijze het kalm en vredig voor gezien - wat betreft de zaak van dingen vreemd aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij in het verleden genoten had, en zo ging hij, om zijn karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de koning zijn draagstoel zoals hij dat eerder deed. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was feitelijk ook van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid. Aldus ter zake kundig vernemend wat de brahmaan zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alle yogapraktijk en literatuur, klom hij haastig uit [zijn voertuig] en wierp hij zich met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Aldus zijn valse claim opgevend dat hij als de koning moest worden gerespecteerd zei hij: (16) 'Wie bent u onder de tweemaal geborenen, zich zo verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Waarvandaan en met welke bedoeling bent u naar hier gekomen? Bent u, als iemand die van zuivere goedheid is, hier terwille van ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht, S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van de schatbewaarder van de hemel [Kuvera]. Mijn grootste vrees is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Kan u daarom als een volledig onthechte persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich zonder zich ergens om te bekommeren rondbeweegt, alstublieft het woord tot ons richten, want niemand van ons o heilige, is in staat ook maar enigermate te achterhalen wat de betekenisvolle yogawoorden die u bezigde inhouden. (19) Ik was juist op weg om de rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [Kapiladeva], de meester van de yoga en allerbeste leraar van de heilige geleerden betreffende de werkelijkheid van de ziel, te vragen wat in deze wereld nu de beste bezigheid is, wat nu de veiligste toevlucht vormt [zie 3.25]. (20) Bent u in uw goedheid misschien Hem in eigen persoon die zonder uw ware identiteit prijs te geven rondtrekt over de aarde om u te verdiepen in de motieven van de mensen hier? Hoe kan iemand die gebonden is aan familiezaken en de intelligentie moet missen nu kennis hebben van de eindbestemming van de meesters der yoga? (21) Ziend dat men - zoals u zich bewegend als een drager - vermoeid raakt als men lichamelijk op een bepaalde manier bezig is, veronderstel ik [met mijn berispingen] dat ook de gerespecteerde gedragswijze [als een materieel fenomeen] ergens uit voortkomt, net zo goed als het zich verbeelden van water of iets anders wordt voortgebracht door de afwezigheid ervan [als men het nodig heeft]. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk die men erin deed heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt. Zo ook is er voor de persoon - die zich [als een rijstkorrel] moet schikken naar [de hitte van] de materie - de gebondenheid aan de zintuigelijke ervaring van het materiële bestaan. (23) De bestuurder die als een menselijk heerser over de burgers zijn onderdanen het beste toewenst moet een dienaar zijn en niet de bloem vermalen die reeds vermalen is [door zinloos zijn wil op te leggen aan minderen], maar met het vervullen van zijn beroepsmatige plichten de Onfeilbare aanbidden voor wie zich inzettend men verlost raakt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees daarom vanuit de waarachtigheid en goedheid van uw boetvaardige zelf, zo goed mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, uw grondeloze genade te tonen als een vriend van alle mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het minachten van een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U als een vriend van de Vriend van Allen raakt als iemand ver verwijderd van de lichamelijke levensopvatting in het geheel niet van uw stuk; maar zelfs zo machtig zijnde als Heer S'iva [S'ûlapâni] zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hoogmoed in relatie tot de groten, zeer zeker spoedig ten ondergaan.'


Hoofdstuk 11: Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(1) De brahmaan [Jada Bharata] zei: 'Met een gebrek aan ervaring gebruik makend van de termen van hen die ervaring hebben, maakt u nog niet beter dan hen die ervaren zijn! Deze zaken van werelds en sociaal gedrag worden door de intelligenten niet besproken in combinatie met beschouwingen over de Absolute Waarheid. (2) Om deze reden o Koning, wordt onder hen die met name in combinatie met de Veda's [veda-vâdî] belang stellen in de eindeloos toenemende zorg voor de rituelen van een materiële huishouding, zo goed als nooit de eigenlijke spirituele wetenschap [tattva-vâda] aangetroffen die zichzelf zo duidelijk openbaart bij hen die gevorderd zijn in de zuiverheid. (3) Hoewel men [materialistisch/moralistisch] afdoende op de hoogte is van de woorden, is de zeer verheven kijk op de ware bedoeling van de Veda niet direct de hunne, daar het geluk van een werelds leven te vergelijken is met een droom waarvan men persoonljk [slechts] later inziet dat men die achter zich moet laten. (4) Zolang als iemands geest onder de controle staat van de geaardheid hartstocht, goedheid of onwetendheid, zijn handelingen - gunstig of anderszins - door het [dwingend] gezag van de zinnen van waarnemen en handelen, automatisch het gevolg, net zoals dat is met een  zich vrij rondbewegende olifant. (5) Die geest begaan met zovele verlangens [vâsanâ's] is, voortgedreven door de geaardheden der natuur, gehecht aan materieel geluk. Als de belangrijkste van de zestien kenmerken typerend voor een materieel bestaan [de materiële, de handelende en de waarnemende plus de geest] doolt de geest losgeslagen rond met vele namen zich manifesterend in verschillende fysieke verschijningen van een hogere en lagere kwaliteit [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Voortgebracht door de begoocheling der materie die het oorspronkelijke levende wezen omhult, schept de geest voor zichzelf de vicieuze cirkel [de valse orde] van materiële acties en reacties [karma] zodat in de loop van de tijd het geluk, het ongeluk en het andere zeer ernstige resultaat wordt behaald dat verschilt van deze twee [namelijk onmatigheid]. (7) Zolang de geest er is manifesteren zich ook steeds de uiterlijke kenmerken - van bijvoorbeeld gezet of slank zijn - die getuigen van [de kwaliteit van] de kenner van het veld [de individuele ziel]. Om die reden spreken de geleerden van het denken als zijnde de oorzaak van het in hogere dan wel in lagere levensomstandigheden verwikkeld zijn in de guna's, de geaardheden van de materiële natuur, of hun tegendeel. (8) Gebonden aan de guna's raakt het levende wezen geconditioneerd, maar vrij van de geaardheden is er het hoogste voordeel [der zaligheid]. Net als de pit van een lamp brandend rook produceert of anders juist geplaatst de geklaarde boter geniet [en helder brandt], neemt de geest gebonden aan de geaardhedend zijn toevlucht tot uiteenlopende materiële handelingen of verkeert anders [helder functionerend] in zijn ware positie [van gericht zijn op de ziel].

(9) Er zijn elf bezigheden van de geest in samenhang met de vijf zinnen van het handelen, de vijf zintuigen van het waarnemen en de hoogmoed. De geleerden, o held, spreken van de velden van handelen van die elf praktijken als zijnde de verschillende plichten, de verschillende zinsobjecten en de verschillende plaatsen [te weten de privésfeer, openbare gelegenheden, de werkplek en de favoriete vereniging of club, zie B.G. 13: 1-4]. (10) De reuk, de vorm, de tast, de smaak, en het gehoor [de kennende zinnen]; de uitscheiding, de geslachtsgemeenschap, het zich bewegen, de spraak en de handigheid [de zinnen van handelen] met het elfde element van het aanvaarden van het idee van 'mijn', kent aldus het 'ik' [of egobewustzijn] aan dit lichaam toe waarvan sommigen beweerden dat dat het twaalfde element is. (11) Al deze elf bezigheden van de geest worden door de elementen, door de natuur zelf, door de cultuur, door het karma en door de tijd omgevormd tot vele honderden, duizenden en miljoenen [overwegingen] die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar [worden veroorzaakt door] de kenner van het veld. (12) De zuivere kenner van het veld neemt al deze verschillende activiteiten van de geest waar die, dan weer manifest [tijdens het waken] en dan weer afwezig [tijdens de slaap], zich voordoen in de overmaat [het eindeloze stromen] van de onzuivere geest van het aan karma gebonden levende wezen, een rusteloosheid die al sedert de vroegste tijden wordt gecreëerd door de [vanwege de Tijd eeuwig veranderlijke] uitwendige energie. (13-14) Deze kenner van het veld is [oorspronkelijk] de alles doordringende, alomtegenwoordige, authentieke persoon, de Oudste die men ziet en over wie men verneemt als bestaande bij de gratie van Zijn eigen licht. Hij is de nimmer geboren, bovenzinnelijke Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva. Hij is, zoals de lucht aanwezig is in het lichaam, op basis van Zijn eigen vermogen aanwezig in de ziel als de heerser van de bewegende en niet-bewegende wezens. Hij is de Superziel der expansie die binnenging en dus heerst als de Fortuinlijke in het voorbije. Hij is de toevlucht en kenner van iedereen in ieder bereik. Hij is de vitaliteit zelve die in deze materiële wereld verscheen [zie ook B.G. 9: 10 & 15: 15].

(15) Zolang de belichaamde ziel o Koning, niet vrij is van deze invloed van de materiële wereld door in vrijheid van gehechtheden de spirituele orde te vestigen en de zes vijanden [het denken en de waarnemende zinnen] te overwinnen, zal hij moeten rondwaren in deze materiële wereld. (16) Zolang men deze geest heeft die, als het symptoom van de gefixeerdheid van de ziel, voor het levend wezen de ontstaansgrond vormt van al de wereldse misère van het weeklagen, de illusie, de ziekte, de gehechtheid, de hebzucht en de vijandigheid, heeft men te kampen met het 'ik' en 'mijn' [het egoïsme] dat er het gevolg van is. (17) Deze geest, die formidabele vijand die zich ontwikkelt door nalatigheid, is zeer machtig. Hij die vrij van illusie het wapen inzet van het eerbetoon aan de voeten van de geestelijk leraar en de Heer, overwint de valsheid van het persoonlijke die de ziel heeft overdekt.'



Hoofdstuk 12: Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) Rahûgana zei: 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor u die voortkwam uit de belichaming van de Oorspronkelijke Oorzaak [Rishabhadeva, zie 5.4], voor u die vanuit uw zelfrealisatie een afkeer heeft van alle strijd en ruzie, voor u die als een verzaker van de wereld in de gedaante van een  brahmanenvriend, zijn realisatie van de eeuwige waarheid heeft verhuld. (2) U bent als het medicijn voor een door koorts geteisterde zieke, u bent als het koele water voor iemand die geplaagd wordt door de zon en voor iemand als ik, wiens zienswijze in dit banale lichaam werd vergiftigd door de slang van de trots o brahmaan, bent u de wonderdrank der goden. (3) Alstublieft, leg nogmaals aan mij brandend van nieuwsgierigheid [in eenvoudige bewoordingen] uw kernachtige betoog over de yoga der zelfrealisatie uit, zodat ik er een helder beeld van kan krijgen. Dingen die me persoonlijk niet duidelijk zijn zal ik later aan u voorleggen. (4) U zei o Meester van de Yoga, dat een duidelijk te herkennen resultaat van handelen [de 'vermoeidheid', zie 5.10: 21] gebaseerd is op iemands gedrag en zich niet leent voor een onderzoek naar de uiteindelijke werkelijkheid [5.11: 1]. Met die verklaring heeft uwe goedheid mijn geest in de war gebracht.'

(5-6) De brahmaan zei: 'Rondbewegend over de aarde met wat een omvorming is van die aarde herkent u o Koning, die zelf ook een aards lichaam heeft, in mij een aardse persoon. Waarom zou uwe genade, met deze [dragers]voeten en daarboven deze enkels, kuiten, knieën, dijen, middel, nek, schouders en op die schouders de houten draagstoel waarop hij dan zit die men aldus erkent als de koning van Sauvîra, nu op deze manier uit de hoogte doend uw wil moeten opleggen met 'ik, de koning van Sindhu' en aldus een gevangene van valse trots moeten zijn? (7) Zoals u zich boven deze arme, hulpeloze mensen plaatst door ze genadeloos met geweld van hun vrijheid te beroven en [dan ook nog eens] hoogmoedig uitroept 'Ik ben jullie beschermheer', slaat u met uw schaamteloosheid een modderfiguur in het gezelschap van de ouden en wijzen! (8) Omdat we als bewegende en niet-bewegende levensvormen bestaan uit aarde, zijn we ook bekend met de eeuwigdurende verschijning en verdwijning [van onze aardse vormen]. We verschillen slechts in naam van elkaar als we spreken van feitelijke gedragingen. Laten we eens zien hoe we het echt goed beredeneren. (9) Als we het op deze manier bekijken wordt door de woorden die we gebruiken voor de aardse kwestie [zoals voor verschillen tussen rassen en naties] het bestaande niet waarachtig beschreven. Wat men zich in zijn denken voorstelt van de bijzondere eigenschappen, van de samenvoeging en van het zich weer oplossen in de samenstellende atomaire deeltjes [het tot 'stof' vergaan], dekt enkel maar een mindere intelligentie van het bestaan [zie B.G. 13: 23]. (10) Aldus is mager zijn, dik, klein of groot, bestaan als een individuele levensvorm, als levenloze materie of als wat voor ander natuurverschijnsel dat nog meer van belang zou zijn, allemaal onbestendigheid in naam van een zekere plaats, tijd en activiteit, een onbestendigheid die u moet begrijpen als [eigen aan] de werking van de dualiteit der natuur. (11) Het hogere weten, de intelligentie in zijn zuivere bestaan die het uiteindelijke doel vormt, is de Eenheid zonder een binnen- of een buitenkant,  de Absolute Waarheid van het Allerhoogste [Brahman], de innerlijke vrede [van de mediteerder] die in een hogere [persoonlijke] zin wordt gekend als Bhagavân, de Allerhoogste Heer [van alle fortuin] die door de geleerden Vâsudeva wordt genoemd [Onze Lieve Heer, de genadige God [Vishnu], of Heer Krishna als de zoon van Vasudeva].

(12) Beste koning Rahûgana, men kan niet tot deze realisatie komen door [enkel] boetedoening, door het vereren van beeltenissen of door een punt te zetten achter je materiële activiteiten, noch [alleen] door iemands huishoudelijk leven, door celibatair te zijn en door studie of door boetedoening in relatie tot het water, het vuur of de zon, dit wordt je niet geopenbaard tenzij je je van top tot teen inwrijft met het stof van de lotusvoeten van de groten! (13) Daar waar men de kwaliteiten van Hem die geprezen wordt in de geschriften ter sprake brengt komt aan de wereldse zorgen een einde. Als men dag na dag in alle ernst luistert naar hen die de bevrijding [in toegewijde dienst] als hun doel hebben, zal de meditatie zuiver gericht raken op Vâsudeva. (14) In een voorgaand leven stond ik bekend als een koning genaamd Bharata die door persoonlijk inzicht en omgang in aanbidding van de Allerhoogste Heer bevrijding vond. Daar altijd mee bezig, werd ik [niettemin herboren als] een hert omdat ik, intiem samenlevend met zo'n dier, mijn plichten verwaarloosde. (15) Ondanks dat ik een hert was o grote held, verloor ik niet de herinnering aan mijn activiteiten van eerbetoon voor Krishna [de Heer zoals die bekend staat om Zijn donkere huid]. Om die reden houd ik mij uit angst verre van de omgang met het gewone volk en trek ik onopgemerkt rond. (16) Daarom is het zo dat als een mens met behulp van het zwaard der kennis heeft gebroken met wereldse omgang, hij zelfs nog in deze wereld zich geheel los kan maken van de begoochelde staat. Door zowel te luisteren naar als te spreken over de verhalen van de handelingen van de Heer, wordt het verloren bewustzijn herwonnen en bereikt men het uiteindelijke doel van de weg [terug naar God].'


Hoofdstuk 13: Vervolg van het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) De brahmaan zei: 'Met een karmische [baatzuchtige] visie verdeeld zijnde [afwisselend handelend] in hartstocht, goedheid en onwetendheid, doolt de geconditioneerde ziel, die zich begaf op het moeilijke en uitzichtloze pad van een materieel leven, rond in dat woud dat hij betrad met het oog op het verwerven van een hogere positie en kan [zo] geen [duurzaam] geluk vinden. (2) O god der mensen, aldaar wordt hij die met het volgen van de verkeerde leidraad het valse najaagt, geteisterd door de zes struikrovers. Als vossen dringen ze binnen en nemen ze de verdwaasde streber te pakken, precies zoals tijgers lammeren pakken. (3) In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas waar hij zich somtijds verbeeldt dat hij tussen de Gandharva's is beland en dan weer in een mum van tijd bezeten raakt, wordt hij wreed verstoord door stekende muggen. (4) Op dat wereldse pad zich van hot naar haar reppend om een of andere verblijfplaats, water en weelde de zijne te noemen o Koning, is hij het spoor bijster zijnde zo nu en dan verblind vanwege het rokerige stof  dat werd opgeworpen door een wervelstorm. (5) Geplaagd door het rumoer van onzichtbare krekels in zijn oor, van streek in zijn geest en hart door de geluiden van uilen, en honger lijdend met het vertrouwen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na. (6) De ene keer afgaand op drooggevallen rivieren [niets verdienend] en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, is hij wanhopig over de bosbrand van het materieel bestaan en over wat er terechtkwam van de weelde die door de boeven werd ingepikt (7) Bij tijden ervaart hij, belast door zijn besturende bovengeschikten [de 'halfgoden'], droefenis in zijn hart en raakt hij verbijsterd buiten zinnen in zijn klagen en dan weer geniet hij met het betreden van een [aards] hemelrijk een korte tijd alsof hij het ware geluk zou hebben gevonden. (8) Soms worden rondzwervend zijn voeten door doornen en steentjes gepijnigd als hij de heuvels wil beklimmen en wordt hij neerslachtig   met iedere stap die hij doet; en soms ziet hij met een hongerige maag het in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden. (9) Bij tijden op zichzelf aangewezen in het woud wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, laat hij soms, gevallen in een ongeziene put, zijn hoofd hangen blind geraakt in diepe duisternis. (10) Dan weer eens uitziend naar wat lekkers wordt hij door de verontruste bijenkorf in kwestie teleurgesteld; of juist als hij zich veel moeite getroost om aan zijn trekken te komen, wordt vervolgens ruw het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door een concurrent. (11) Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, voelt hij zich machteloos en ellendig; en dan weer met anderen zich inspannend voor een beetje handel haalt hij zich zoals bekend de vijandigheid op de hals vanwege de misleiding terwille van het voordeel. (12) Nu en dan berooid moet hij het stellen zonder beddengoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan. Niet krijgend wat hij nodig heeft begeert hij vervolgens het bezit van anderen en vervalt hij in schandelijk gedrag. (13) Als hij probeert er materieel op vooruit te gaan door te trouwen is een hoogst problematisch leven het gevolg waarin vijandschap groeit als gevolg van de financiële verwikkelingen met elkaar. Op het pad van het materieel bestaan raakt hij dan volledig geruïneerd door tegenslagen en geldnood. (14) Aldus mislukkend [in zijn zelfverwerkelijking] moet hij dan in die omstandigheid al de kinderen die hij ter wereld bracht loslaten. Tot op de dag van vandaag is niemand die, getrouwd voor zijn eigenbelang, ronddolend in dit woud deze materiële weg volgt o held, erin geslaagd om het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst en de zaligheid] te bereiken.

(15) Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden de grootste helden [de 'olifanten'] die er zijn te overwinnen, raken aldus in deze wereld bevangen door het idee van 'mijn' en delven in de slag met de [daardoor] in het leven geroepen vijandschap allen [uiteindelijk] het onderspit. Ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking [de vrijwillige boete, sannyâsa] die, vrij van vijandigheid, wèl leidt tot vervolmaking. (16) Vasthoudend aan de toevlucht van de armen van de echtgenote, de klimplant, zingt men soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel van die toevlucht; en als men dan eenmaal het gebrul van de leeuw hoort zoekt men vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren. (17) Door hen bedrogen zoekt men dan contact met de zwanen maar ontevreden met hun gedragswijze zoekt men zijn heil bij de apen in de omgang waarmee men bevredigd in zijn zinnelijkheid elkaar in het gezicht staart zonder te beseffen dat men op de dood afstevent. (18) Genietend in de boom is men, seksueel kleinzielig gehecht aan vrouw en kinders, niet in staat om los te laten gebonden als men is aan de gevolgen van de eigen handelingen, en beland men soms, vol van angst voor de olifant van de dood zich vastklampend aan de klimop, in een grot in de bergen waar men opgesloten raakt . (19) Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend o doder der vijanden, pakt men opnieuw het oude leventje weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel bewandelt onder de invloed van mâyâ en waarin men tot de dood erop volgt geen snars snapt. (20) Koning Rahûgana, ook u bewandelt zeker dit [bos]pad van het materiële bestaan, maar als u eenmaal uw politieke macht hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle levende wezens, zult u zich niet langer aangetrokken voelen tot het onware en zal u het door middel van dienst aan de Heer gewette zwaard der kennis ter hand nemen om de oversteek te maken naar de allerhoogste werkelijkheid van gene zijde!'

(21)
De koning zei: 'Oh, een menselijke geboorte is de beste van alle geboorten! Wat voor zin heeft het om van een hogere geboorte [onder de goden] te zijn? Daar is niets superieurs aan als men in een nieuw leven niet in overvloed kan genieten van de omgang met werkelijk grote zielen [zoals u] wiens harten gezuiverd zijn door de heerlijkheid van Hrishîkes'a [de Heer en meester der zinnen]. (22) Is het niet wonderlijk om volledig bevrijd te raken van alle smetten door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding voor Adhokshaja [de Heer in het Voorbije]? In de omgang met u werd in een oogwenk de wortel van de onwetendheid van mijn verkeerde denktrant volledig teniet gedaan. (23) Mijn eerbetuigingen voor al de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers. Laat er dankzij deze zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die de aarde bewandelen in verschillende gedaanten het geluk zijn voor al de dynastieën!'

(24)
S'rî S'uka zei: 'Dankzij de kwaliteit van zijn grote zachtmoedigheid en de verhevenheid van zijn spirituele realisatie o zoon van Uttarâ [Parîkchit], was deze zoon der brahmaanse wijsheid, ondanks dat hij beledigd was, aldus van instructie voor de heerser van Sindhu over de werkelijkheid van de ziel. Hij wiens lotusvoeten door Rahûgana zo vol van spijt werden aanbeden en die van een hart was waarin, zoals in volle zee, al de golven van [de informatie van] de zinnen volledig tot rust werden gebracht, trok [daarna verder in vrijheid] rond over deze aarde [vergelijk 3.25: 21]. (25) O Koning, de koning van Sauvîra die dankzij [de instructies van] een verheven persoonlijkheid tot een volledig begrip kwam van de waarheid van de opperziel, slaagde er aldus volledig in het begrip op te geven van het lichamelijke zelf dat hij in zijn onwetendheid voor zijn persoon had gehouden, en volgde trouw het pad van de geestelijke erfopvolging die zijn aanvang nam bij de Heer.'

(26)
De koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u o grootste der wijsheid hier zo ter zake kundig beeldend beschreef van het pad van de individuele ziel in het materieel bestaan, is vervat in woorden die begrijpelijk zijn voor hen die hun geest ontwikkelden, en niet zo zeer rechtstreeks voor de gewone man die minder ervaring heeft. Zou u  daarom, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, ons alstublieft in andere woorden willen vertellen wat het precies inhoudt?'

 

Hoofdstuk 14: De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan verschillend bezig met de geaardheid goedheid en zo, uit van het verkeerde standpunt. Zich baserend op de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze afwisselend gunstig, ongunstig of half om half tewerk gaand, te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing door verschillende reeksen lichamelijke omhulsels heen die ze telkens weer opnieuw moeten opgeven en weer oppakken. In relatie tot Vishnu, de Transcendentale Persoonlijkheid die de Heer is, is de gebonden ziel, die handelend onder invloed van de begoocheling der materie mâyâ zich beweegt op dat zware pad door het moeilijk door te komen woud van het materiële bestaan, bezig als een koopman die geld wil verdienen met dingen die mensen graag willen. Hij die zijn lichaam inzet terwille van het profijt, ervaart de materiële wereld waarin hij terechtkwam als een begraafplaats [een doodlopende weg voor zijn zelfverwerkelijking] alwaar hij veel weerstand ondervindt zolang hij er niet in slaagt te vorderen met het volgen van het voorbeeld van de hommels, de toegewijden aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers, die aan de ellende van het bereiken van Zijn juweel [Zijn glorie] een einde maken. (2) In dat bos krijgt hij gegarandeerd te maken met de zes zinnen en de geest die men door hun activiteiten zijn plunderaars mag noemen. Ze beroven de begeertige ziel die als iemand zonder zelfbeheersing op het verkeerde pad is geraakt van ieder beetje met plichtsgetrouwe inspanning verworven weelde dat zich zo goed leent voor het brengen van offers. De verworven weelde die men thuis uit op het bevredigen van zijn zinnen koestert in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken, leidt, zo zeggen de wijzen, alleen maar tot een beter leven in het hiernamaals als men die rechtstreeks inzet voor de religieuze [varnâs'rama] praktijk der principes die zich kenmerkt door het aanbidden van de Hoogste Persoonlijkheid. (3) In dezen zijn de leden van zijn familie, beginnend bij degenen die voor zijn vrouw en kinderen doorgaan, tijgers en jakhalzen in hun handelingen; ze beroven hem ondanks zijn verweer ertegen van de weelde die hij vrekkig niet wil delen, net zoals een lam temidden van de kudde wordt weggestolen [door roofdieren] voor ogen van de herder. (4) Net zoals in een akker die ieder jaar omgeploegd wordt de zaden van de bosjes, het gras en de klimplanten die niet verbrandden worden behouden en weer opschieten met de ingezaaide planten zoals in iedere tuin, verdwijnen ook in het veld van de handelingen van iemands gezinsleven de vruchtdragende handelingen niet. Daarom noemt men deze wereld een bewaarplaats van verlangens. (5) Verloren in dat bestaan zich soms op deze materiële weg door het bestaan bewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven [gelijk aan] ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend bezig in zijn baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij die soms bezig is een fata morgana na te jagen in zijn ijver te eten en te drinken en seks te hebben en dergelijke, bijgevolg een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (7) Soms als hij op zoek is naar goud, is hij, geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een onuitputtelijke bron van het kwaad vormt, net als iemand die [in het donker] op weg naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (8) Een persoon wordt aldus in dit materiële woud bij tijden geheel in beslag genomen door het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (9) Soms copuleert hij ook, in het holst van de nacht gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, met een verleidelijke vrouw. In een totaal veronachtzamen van de regels [een hogere kijk] verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid [van de zon en de maan], iedere notie omdat hij overmand raakt door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan ontwaakt hij voor een ogenblik en ziet hij de betekenisloosheid in van de lichamelijke opvatting van zichzelf die zijn geheugen bederft en waardoor hij de voorwerpen van zijn zinnen najaagt als betrof het het water van een luchtspiegeling. (11) Soms is er, precies als met de typische doordringende, herhaalde geluiden van uilen en krekels, er direct of indirect de irritatie die wordt opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart pijnigen. (12) Als de geconditioneerde ziel de [verdienste van] zijn goede daden in zijn voorgaande leven heeft uitgeput en op dat moment [voor financiële ondersteuning] de rijken  met hun dode zielen benadert, is hij zelf vanbinnen net zo dood, omdat ze zijn als de kâraskara, kâkatunda en meer van dat soort [niet-vruchtdragende] bomen. Net als bedorven putten zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Bij gelegenheid omgaand met onwaarachtige lieden met een beperkt bevattingsvermogen, is het alsof hij in een ondiepe rivier duikt [en zijn nek breekt]; het maakt hem in beide opzichten [zowel geestelijk als lichamelijk] erg ongelukkig als hij atheïsten opzoekt. (14) Als het hem niet lukt met [het vergaren van] de weelde van anderen, bezorgt hij vervolgens zijn vader of zijn zoon moeilijkheden door hen als zijnde een vader dan wel een zoon te 'vereren'. (15) Afgebrand met de vlammen van verdriet hoogst teleurgesteld rakend, ervaart hij nu en dan zijn leven thuis als een bosbrand die niets goeds oplevert doch slechts almaar droeviger maakt. (16) Soms wordt, door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, de door hem gekoesterde weelde weggekaapt zodat hij, verstoken van heel zijn goede leventje, als een lijk achterblijft dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Dan weer denkend dat zijn vader, grootvader en anderen die allang overleden zijn er weer echt zijn [in de vorm van een incarnatie], ervaart de geconditioneerde ziel een geluk van het soort dat men in dromen voelt. (18) Een andere keer wil hij als een huishouder met een geest die fanatiek materiële zaken najaagt de berg van voorschriften voor het [brengen van offers terwille van het] vruchtdragend handelen beklimmen en treurt dan vervolgens [gefrustreerd rakend over alle vereisten] alsof hij een veld vol stenen en doornen heeft betreden. (19) Nu en dan [religieus vastend maar] niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, verliest hij zijn geduld en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Hij, herhaaldelijk verzwolgen door de python van de slaap, is, in de greep van de onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat eenzaam in het woud achtergelaten daar maar ligt zonder nog langer bij kennis te zijn [zie ook B.G. 6: 16 & 14: 8]. (21) Zo nu en dan met de tanden van zijn eer gebroken door [de afgunst van] zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de overwoekerde put der illusie met een bewustzijn dat steeds meer verzwakt als gevolg van een [door uitputtend gepieker] verstoord hart. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete [honing]druppels der begeerte van de vrouw en rijkdom van een ander, hij zich die toe-eigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en hij aldus  in een onvergelijkelijk hels bestaan beland. (23) Dit is er nu de reden van dat de Vedische autoriteit stelt dat de vruchtdragende bezigheid [het karma] de oorzaak vormt voor dit leven en een volgend bestaan in deze oceaan der materie. (24) Als hij erin slaagt niet te worden bestraft, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] hem op zijn beurt weer dat geld afhandig en aldus verandert de rijkdom [als onderdeel van de volheid des Heren] steeds van eigenaar. (25) Ook komt het voor dat men door de verschillende natuurlijke oorzaken zoals hitte en kou, door andere levende wezens en door de werking van zijn eigen lichaam en geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8], niet in staat is de levensomstandigheden de baas te worden, zodat men zwaar bedrukt raakt opgezadeld met angsten en depressies. (26) Soms, als men handel drijft met elkaar, ontstaat er om het kleinste beetje geld of kleinigheidje dat men zich toe-eigent, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege oneerlijkheid.

 (27) Op het pad van het materieel bestaan krijgt men te maken met deze vormen van ellende gepaard aan [materieel] geluk en ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood enzovoorts. (28) Ergens, onder de invloed van de begoochelende energie mâyâ, raakt men, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgang van alle intelligentie en wijsheid. In het verlangen om haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft het hart in die zorg en raakt het bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoontjes en dochtertjes onder de hoede van moeder de vrouw. Met de regie over zichzelf kwijt wordt men dan in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.

(29)
Zo gebeurt het dat als gevolg van de cakra van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van zijn roteren waarmee na de nodige tijd snel voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der levende wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Rechtstreeks voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men angstig te moede. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt men voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zelfverzonnen goden die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien en die door de geschriften der beschaving worden ontkend. (30) Als men als een geconditioneerde ziel door de atheïsten - die zelf bedrogen zijn - zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt men zijn heil bij de leerschool der brahmanen. Maar met hen [als moeilijke, neurotische mensen] geen bevrediging vindend in het goede karakter van het tewerk gaan met de heilige draad overeenkomstig de principes en de Schrift, noch het vindend in de vertrouwde cultuur van het plichtsgetrouw aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt men zich tot het gezelschap van karmi's [karma gemotiveerde mensen of s'ûdra's] die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de Vedische voorschriften. En met hen, in een materialistisch seksleven de familie instandhoudend, treft men zichzelf dan aan in het gezelschap van lieden die denken dat ze van de apen afstammen [in plaats van geestelijk leraren]. (31) In die toestand zonder een spoor van twijfel op eigen gezag genietend [als de apen] met een ernstig tekort aan kennis en inzicht, vergeet men hoe kortstondig het bestaan is met het naar elkaars mismoedige gezicht starende smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Soms, net als de apen in hun boom, in zijn nopjes met zijn huis waarin men steeds naar een groter gemak uitziet, brengt men zijn tijd door met het zorgen voor en plezier maken met de vrouw en kinders. (33) Men is als een geconditioneerde ziel beperkt tot het pad der zinnelijkheid en schikt zich aldus, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis die zo diep is als die van een berggrot. (34-35) In relatie tot de zinsobjecten raakt men soms [zoals gezegd] in zijn onvermogen om de onoverkomelijke ellende tegen te gaan van de hitte en de kou van de natuur, andere levende wezens en het eigen bestaan, gevangen in droefenis vanwege [de vijandschap naar aanleiding van] welke kleine hoeveelheid weelde men ook in wederzijdse transacties toevallig wist te vergaren door middel van bedrog. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken zijnd van voorzieningen om te slapen, te zitten en te eten, moet men de minachting en zo meer verduren van de mensen die ontstond als gevolg van wat men bij gebrek aan succes in zijn verlangen besloot om op een oneerlijke manier te verwerven. (37) Hoewel men zich vanwege financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die, op basis van dit verlangen [er materieel op vooruit te gaan], consequent weer in scheidingen eindigen. (38) Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de verschillende vormen van ellende van het materieel bestaan waarbij een ieder zelf - dan wel iemand anders - soms denkt het gewonnen te hebben en dan weer denkt het verloren te hebben. Daarbij ervaart men met het afscheid nemen van [overleden] verwanten en het verwelkomen van nieuw geborenen in zijn gebondenheid soms een hoop verdriet, illusie en vrees waarover men dan hardop huilt terwijl men een andere keer weer zo verheugd is dat men ervan aan het zingen raakt. Met uitzondering van de heilige zielen is tot op de dag van vandaag niemand van die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang teruggekeerd naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn aanvang nam en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Materieel gemotiveerde mensen volgen niet de instructies op van de yoga noch bereiken ze dit [hoogste verblijf] dat met gemak wordt bereikt door de wijzen die natuurlijk levend en in vrede verkerend steeds hun geest en zinnen onder controle hebben. (40) Zelfs al behoort men tot de heiligste der koningen, zegerijk in ieder opzicht en deskundig in het brengen van al de offers, men is slechts een aardse persoon die het leven weer moet verlaten, de strijd moet opgeven, het onderspit moet delven vanwege de zelf opgeroepen vijandigheid met anderen en er mee moet ophouden om 'mijn' te zeggen tegen de dingen [vergelijk 1.2: 13]. (41) Als men zijn heil zoekt bij de klimplant van het karma [met het nemen van tegenmaatregelen] kan men op deze of gene manier bevrijd raken van het ongeluk van zijn helse positie [van verstrikt zijn in de materiële wereld], maar tot welke hogere wereld men dan ook bevorderd raakt, men betreedt op die manier weer opnieuw het wereldse pad van het handelen uit eigenbelang.

(42)
Er is niet één koning in staat om zelfs maar in gedachten het pad te volgen dat we hier bezongen als de weg van de grote ziel Jada Bharata, de zoon van de grote heilige koning Rishabhadeva, net zo min als een vlieg er toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de zo moeilijk te verloochenen weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf. Met veel liefde voor Uttamas'loka, de Heer geprezen in de verzen, verzaakte hij die nog maar jong was dat wat hij in zijn hart had als betrof het ontlasting. (44) Voor hen die zich in hun geest aangetrokken voelen tot de liefdevolle dienstverlening aan de doder van Madhu [Krishna] verricht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op is te geven, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de Heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad met een glimlach, zelfs toen hij zich ophield in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal lang leven, fortuinlijk zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken dan wel het pad van de bevrijding vinden. Het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal iemand alle mogelijke zegen brengen en hem niets meer te verlangen overlaten in relatie tot anderen.'

 

Hoofdstuk 15: De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, genaamd Sumati die het pad van Rishabha volgde, zal in dit Kalitijdperk door sommige ketters die het ontbreekt aan de nodige beschaving, als een godheid worden beschouwd overeenkomstig een eigengereid, ongegrond idee dat niet in de Veda's is terug te vinden [zie ook 5.6: 9]. (2) Uit de schoot van Sumati's vrouw Vriddhasenâ kwam een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (3) Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren genaamd Devadyumna. Uit de schoot van Devadyumna's vrouw Dhenumatî kwam de zoon Parameshthhî ter wereld uit wiens vrouw Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (4) Hij die persoonlijk de wetenschap der zelfverwerkelijking verkondigde, was een zuivere ziel van een volmaakt begrip die zich steeds de Oorspronkelijke Persoon herinnerde. (5) Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ werden drie zoons geboren genaamd Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ die allen bedreven waren in de Vedische rituelen. Pratihartâ verwekte in Stutî twee zoons genaamd Aja en Bhûmâ. (6) Bhûmâ's vrouw Rishikulyâ bracht Udgîtha ter wereld, door hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en Prastâva verwekte in zijn vrouw Niyutsâ de zoon Vibhu. Uit Vibhu's echtgenote Ratî werd verder Prithushena geboren die in Âkûti de zoon Nakta verwekte. Van Nakta was er een zoon uit de schoot van Druti: Gaya. Hij, als een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn vroomheid, werd vanwege zijn kwaliteiten herkend als zijnde een rechtstreekse expansie [kalâ] van de Allerhoogste Ziel, Heer Vishnu die zijn geboorte nam met het doel de ganse wereld te beschermen. Hij gedreven door zuivere goedheid, ontwikkelde zich tot de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] in de samenleving (7) In zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen door ze te onderhouden [poshana], hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana], behandelde ze als waren ze zijn kinderen [upalâlana] en wees ze als hun koning soms terecht [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze plechtigheden uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en bron van alle levende wezens die het Allerhoogste Brahman is [in eigen persoon]. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten en door het dienen van de lotusvoeten der zelfgerealiseerden, slaagde hij erin de Opperheer toegewijd te dienen omdat hij, die in het zuiverste bewustzijn voortdurend in de ziel verzonken was, in zichzelf de beëindiging tot stand had gebracht van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid van zijn spirituele positie bewust was, heerste hij, zich verre houdend van valse trots [machtsvertoon], strikt volgens de Vedische beginselen over de gehele wereld.

(8) O zoon van Pându, om Gaya te loven zingen zij die thuis zijn in de waarheid van de Purâna de volgende poëtische verzen: (9) 'Het was koning Gaya die middels het uitvoeren van de rituelen de weg terug wees naar alle offers. Door de gehele wereld gerespecteerd vanwege zijn Vedische kennis is hij, als de verdediger der rechtschapenheid met alle vormen van weelde, het hoofd van de vergadering der waarheidlievenden die, behalve dat hij integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer, de dienaar is van de toegewijden en alle andere mensen. (10) Alle kuise en toegewijde vrouwen besprenkelden met grote voldoening hem met gewijd water [bij zijn kroning], als  zijnde de ware die de zegeningen van de dochters van Daksha verdient en met moeder aarde als een koe die spontaan melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig al de wensen van de mensen op deze planeet. (11) [Met al de riten] van respect zijnde voor ieder onderdeel van de Veda's bezorgde hem, hoewel hij zelf geen verlangens koesterde, alles wat men zich maar wensen kon en vanwege de oppositie die hij bood op het slagveld bewezen al de koningen hem de eer, zoals ook de brahmanen dat deden met een zesde van de zegeningen der overledenen. (12) Koning Indra raakte zwaar onder invloed omdat hij al de soma opdronk van [Gaya] zijn offerplechtigheden ten gunste van de Allerhoogste Heer, het zelf van alle offers, waarvan Hij [Vishnu] het resultaat persoonlijk aanvaardde vanwege de zuiverheid van zijn toewijding en de standvastigheid van zijn toegewijde dienst. (13) Als men de Heer in het offerperk tevredenstelt stemt men direct al de goden met Heer Brahmâ voorop gunstig alsmede het geheel van de menselijke samenleving, de lagere schepselen en de planten en de grassen. Ondanks dat Hij de tevredenheid in de natuur Zelve is, ontleende de Heer [aldus] grote voldoening aan Gaya!'

(14-15) Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha's vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem werd Marîci geboren uit Utkalâ. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu [of Bindumân] en van Bindu's  vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop volgend er van Madhu's vrouw Sumanâ er een zoon ter wereld kwam die Vîravrata heette. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ kwam Bhauvana ter wereld. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon geboren genaamd Tvashthâ en Tvashthâ's vrouw Virocanâ gaf geboorte aan een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja's echtgenote Vishûcî namen een honderdtal zonen en één dochter hun geboorte met S'atajit als de eerste.

(16) Over Viraja bestaat er het volgende vers: 'Koning Viraja, die een honderdtal zoons verwekte, vormt met zijn reputatie een juweel voor deze dynastie die stamt van Priyavrata [zie 5.1] dat zo groots is als Heer Vishnu onder de halfgoden.'

 

Hoofdstuk 16: Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan
(1) De koning [Parîkchit] zei: 'U had [in 5.1: 31-33] het over het bereik van de aarde [Bhû-mandala] en zei dat die zich uitstrekt zo ver als de hitte van de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren te zien zijn. (2) Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31] werden door de zeven groeven [van de wielen] de oceanen geschapen die de zeven verschillende dvîpa's scheidden. Dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste. Wat betreft dit onderwerp van studie wil ik graag alles weten over de afmetingen en kenmerken in kwestie. (3) Met voor ogen de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer die - ondanks dat Hij Zelf vrij is van de geaardheden - de stoffelijke gedaante aannam [van het universum], is de geest er klaar voor zich te concentreren op Zijn meer subtiele gedaante in de vorm van het licht van de ziel [die staat voor] de allerhoogste geestelijke bestaansvorm. O beste leraar, zou u zo vriendelijk willen zijn te vertellen hoe Hij die bekend staat als de Grote Heer Vâsudeva, als iets aanwijsbaars [tat] kan worden verstaan.'

(4) De rishi zei: 'O grote Koning, er zijn eindeloos veel transformaties van de materiële kwaliteiten [de guna's] van de Allerhoogste Heer. Hoewel zelfs niet een persoon die zo lang leeft als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of geheel te begrijpen, zal ik niettemin proberen om dat wat vanuit het ongemanifesteerde zich manifesteerde [als Bhûloka, onze aardse leefwereld] te verwoorden in termen van namen, vormen en verhoudingen. (5) De breedte van dit gebied rondom de aarde [ons materiële 'eiland'], deze binnenruimtelijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem [van het sterrenstelsel] die net zo rond is als een lotusblad, bedraagt een schrikwekk