|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Terwijl hij goddelijk verwend
Door Krishna' en Râm' daar zalig zat
Raakt' elke wens vervuld die hij
Tijdens zijn reis gekoesterd had.
Tekst
2
Wat krijgt men niet als men de Heer,
In wie Sri leeft, voldoening schenkt?
Maar Hem speciaal iets vragen dan -
Geen bhakta die daar ooit aan denkt!
Tekst
3
Toen 't avondmaal genuttigd was
Vroeg Dev'ki's alvervulde Zoon
Wat Kams' met Zijn familie deed
En wat hij verder dacht te doen.
De Alvervulde zei:
Tekst
4
Ach bovenbeste oom, bent u
Wat bijgekomen van de rit?
Is iedereen daarginds gezond?
Niemand die met ellende zit?
Tekst
5
Maar wàt vraag Ik naar 't welzijn van
Al d' onzen terwijl Kams', die dood
Van ons geslacht - 'K noem hem nog "Oom"! -
Zijn wrede macht steeds meer vergroot?
Tekst
6
Dat Mijn onschuldig' ouders - ach! -
Zo moeten lijden komt door Mij:
Om Mij werden hun zoons gedood
En zijn zijzelf nu niet meer vrij.
Tekst
7
Wat een geluk dat wij u, oom,
Nu mogen zien: Ik heb altijd
Naar u verlangd
Maar waarom bent
U toch gekomen? Leg eens uit.
Shukadeva zei:
Tekst
8
Op dit verzoek van Keshava
Verteld' Akrur' de Heer hoe vals
Kamsa de Yadu's haatt' en hoe
Hij Vasudev' haast had onthalsd
Tekst
9
En met welk' opdracht Kamsa 'm naar
Gokula had gestuurd nadat
Hij had gehoord van Nârada
Dat Vasudev' zijn Zoon al had.
Tekst
10
Toen Krishn' en Bal', helden te sterk,
Akrura's nieuws hadden gehoord
Lichtten Ze Nanda lachend in
Over de plannen van de vorst.
Tekst 11
Waarop Nand' tot de herders zei:
"Breng alle zuivel bij elkaar,
Zoek passende geschenken uit
En maak dan d' ossewagens klaar.
Tekst
12
"We rijden morgen naar de vorst
Met onze yoghurt, melk en al.
Daar gaan we met de rest van 't volk
Naar 't grote worstelfestival."
En tot de dorpswachter zei hij:
"Bazuin dit rond in kraal en stal."
Tekst
13
Van 't nieuws dat Oom Akrur' naar Vraj'
Gekomen was om Krishn' en Râm'
Mee t'rug te nemen naar de stad
Raakten de gopi's hoogst ontdaan.
Tekst
14
Sommige trokken lijkbleek weg
Van 't hete steunen uit hun borst.
Bij and're vlogen mèt hun tooi
Hun linten en hun vlechten los.
Tekst
15
Weer and're, vol van Mâdhava,
Begrepen niet meer wat of hoe
En raakten los van 't uiterlijk'
Alsof ze 't Zelf hadden ontmoet.
Tekst
16
Sommige gopi's vielen flauw
Van de gedacht' aan Shauri's praat
Zo zoet en Zijn verliefd gelach
Waarvan het hart steeds sneller slaat
Tekst
17
Zijn lichte loop en fijn gebaar,
Zijn liefdesblikken wonderzacht,
Zijn smart verdrijvende gescherts,
Zijn daden van verheven macht.
Tekst
18
Met d' and're gopi's saamgedromd
Praatt' elke bange herdersvrouw
Er huilend al maar over dat
Mukunda van hen scheiden zou.
De gopi's zeiden:
Tekst
19
Ach schepper, zeg niet dat jij mededogen kent!
Je laat al je maaksels in liefde samengaan,
Maar eer z' elkaar vinden verliezen z' elkaar weer
Je bent net een peuter - je rommelt maar wat
aan.
Tekst
20
Eerst toon j' ons Mukunda's betoverend gezicht
Getooid met dat lachje dat alle smart verjaagt,
Zijn neus en Zijn wangen door golvend haar omkranst
-
En dan haal je 't plotseling weg
Is dat niet
laag?
Krishna
is er zo goed in geslaagd de gopi's van Zijn
menselijkheid te overtuigen dat ze denken dat
Brahmâ enige zeggenschap over Hem heeft en
dat ze de schepper nu verwijten dat hij zijn
vermeende schepsel kwalijk bestuurt.
Tekst
21
O wreedaard! J' ontnam door "d' On-wrede", die
Akrur',
Uit domheid ons 't oog dat j' ons ingeschapen
had,
Waarmee w' in één wenkbrauw of wimper
van Govind'
Al 't scheppingsvernuft van je zagen saamgevat.
Tekst
22
Hoe los is de vriendschap van Nanda's mooie
Zoon!
Hij heeft ons betoverd, we zijn nu Zijn slavin,
Voor Hem werd door ons man en kind aan kant
gezet,
Maar Hij zoekt al weer naar een nieuwe
lieveling.
Tekst
23
Hoe schoon zal voor 't hunkerend vrouwvolk in de
stad
De dag zijn die aanbreekt na deze droeve nacht:
De Heer van Gokul' toont Mathurâ Zijn
gezicht,
Zijn ooghoeken vol van de nectar van Zijn lach.
Tekst
24
Al is Hij beheerst en al hoort Hij thuis in
Vraj',
Hoe vindt Hij, bekoord door de schuchter'
oogopslag
En 't zoete gebabbel der dames in de stad,
Naar ons, die maar dorpsmeisjes zijn, de weg ooit
t'rug?
Tekst
25
Bij Bhoja's en Vrishni's, Sâtvat's en
Andhaka's
Zal ieders blik glanzen wanneer Hij Zich
vertoont,
Door Lakshmi aanbeden, de Zoon van Devaki,
In wie niets dan deugd en karakterschoonheid
woont.
Door
Krishna de Zoon van Devaki te noemen benadrukken
de gopi's Zijn steedse afkomst. In hun opmerking
over Zijn schoonheid van karakter valt de nodige
ironie te beluisteren.
Tekst
26
Een man die zo gruwelijk wreed is als Akrur' -
d' "On-wrede" - geef hem maar meteen een and're
naam!
Geen woordje van troost zegt hij ons in ons
verdriet -
En vèr leidt hij onz' Allerliefste hier
vandaan!
Tekst
27
En wat een gevóel - Hij zit Zelf al op de
kar!
En kijk eens - wat hebben de herders toch een
haast!
En d' oudjes, die blijven, doen net of ze niets
zien
Het Lot is ons nu toch wel vreselijk de baas!
Tekst
28
Kom mee naar Hem toe, dan bepraten we Gopâl'
Hoe kan de familie ons dieper kwetsen dan
De vlijmende pijn van de scheiding van Hari,
Die niemand van ons ook een tèl maar missen
kan.
In
de Vedische samenleving met haar streng
gereguleerde omgangsvormen is het uitgesloten
dat een vrouw om persoonlijke redenen een man
aanspreekt die niet tot haar familie behoort -
en andersom. Doet ze het toch, dan wachten haar
van haar familieleden die hoger op de familiale
ladder staan ernstige berispingen. Hoewel heel
Vraja uiteraard van Krishna's omgang met de
vrouwen op de hoogte was en daardoor steeds in
een toestand van boos-lacherige opwinding
verkeerde, probeerde men steeds de kwestie min
of meer te laten rusten. Zouden de gopi's nu
echter recht op Krishna afstappen en voor het
front van het dorp hun relatie met Hem
manifesteren, dan konden ze op de nodige
uitbranders rekenen.
Tekst
29
Ondraaglijk, gopi's, lijkt de scheiding van onze
Krishna,
Die in Zijn liefd' ons overstelpte met zoete
blikken,
Verrukt gefluister, teer' omhelzingen, speelse
lachjes,
In al die râsa-nachten vluchtig als
ogenblikken.
Tekst
30
Hoe kunnen wij nog zonder Krishna, zoals Hij 's
avonds
Gokul' in wandelt met de herders en Baladeva,
Zijn haar en krans onder het stof van de
koeiehoeven,
En ons met fluit- en ogenspel eind'lijk op laat
leven?
Shukadeva zei:
Tekst
31
Gemarteld door d' angst voor de scheiding van
Hari
Vergaten de vrouwen, volmaakt aan Hem gehecht,
De regels der preutsheid en riepen nu
luidkeels:
"Govinda! Gopâla! Mukunda! Ga niet weg!"
Tekst
32
Al huilde 't vrouwvolk nog zo hard,
Zodra de zon was opgegaan
En hij zijn mantra's had gezegd
Dreef Oom Akrur' de paarden aan.
Akrura
was in wezen de zachtmoedigheid zelf. Maar
wetend dat de gopi's Krishna nooit van hun leven
zouden willen laten gaan, besloot hij het
onvermijdelijke afscheid geen ogenblik uit te
stellen: dat was de meest wijze oplossing.
Bovendien had hij niet veel tijd, want hij moest
de Broers naar de worstelwedstrijd brengen,
waarvan Kamsa uur en plaats had
vastgesteld.
Tekst
33
De herders reden hem met Nand'
Voorzien van d' allerbeste waar
En emmers tjokvol zuivel na,
Gezeten op hun ossekar.
Tekst
34
De gopi's liepen hoopvol nog
Achter hun lieve Krishna aan
Stond Zijn besluit nu echt wel vast?
Zo bleven ze in spanning staan.
Tekst
35
Toen Krishna hen bij Zijn vertrek
Zo angstig zag zond Hij hun vlug
Een boodschap vol van liefdestroost:
"Ik kom zo gauw Ik kan weer t'rug."
Tekst
36
Zolang de wagenvlag in 't stof
Te zien was stond de gopi-rij,
Wier hart Hem achterna bleef gaan,
Er doodstil - als geschilderd - bij.
Tekst 37
Toen keerden z' om
Zou Mâdhava
Ooit t'rugkeren? Ze wisten 't niet.
Voortdurend zingend van Zijn Spel
Verdrongen ze hun groot verdriet.
Tekst
38
Snel kwam de wagen als de wind
Met Râm' en Keshav' en Hun oom
Bij de Yamunâ aan, o vorst,
Die iedereen van kwaad verschoont.
Tekst
39
Daar louterde Govinda Zich
En dronk van 't zoet en helder nat,
Waarna Hij aan de bomenrand
Met Bal' weer op de wagen zat.
Een
beschaafd mens plonst niet zomaar in een heilige
rivier maar besprenkelt zich met wat druppels en
slurpt er eerbiedig een paar van op bij het
uitspreken van gepaste mantra's. Krishna's
eerbied voor de Yamunâ is van een
bovenzinnelijke speelsheid, omdat ze haar
heiligheid aan Zijn aanraking dankt.
Tekst
40
Akrur' maakte 't Hun naar de zin
En nam daarop met Hun verlof
Zijn bad in de Yamunâ-stroom
Volgens de regels van 't geloof.
In
dit gedeelte van de Yamunâ, Brahmâ's
poel genaamd, openbaarde Krishna Zijn vader en
de herders in een visioen Zijn goddelijke
grootheid (zie 28.10 e.v.).
Tekst
41
Terwijl hij in het water stond
En prevelend zijn mantra's zei
Zag hij recht voor zich in de poel
Govind' en Râma allebei
Tekst
42
Hij dacht: "Hoe kunnen nu die Zoons
Van Vasudev' hier zitten - kom!
Dan kunnen ze niet ginder zijn
"
Opduikend keek hij achterom.
Tekst
43
Maar de twee Broers zaten er nog
Zoals hij Hen daar had gezien
Akrura dook opnieuw en dacht:
"Was dat gezicht dan louter schijn?"
Tekst
44
Ditmaal zag hij de Grote Heer,
Door siddha's met gebogen hoofd,
Gandharva's en asura's ook
En chârana's alom geloofd
Tekst 45
De duizendkoppige Heer Shesh'
Met duizend kronen, blauw-gekleed,
Als lotuswit zo blank en als
De goudgepiekte berg zo breed.
Zoals
Krishna begeleid wordt door Balarâma wordt
Heer Vishnu begeleid door Heer Shesha, de
bovenzinnelijke Slang, op wie Hij in serene
gepeinzen neerligt. Krishna en
Balarâma doen Zich weliswaar voor als
gewone dorpsjongens, maar Hun positie is
verhevener dan de goddelijke majesteit die
Vishnu en Shesha openbaren. Hoewel Krishna in
Vishnu-gedaante in de wereld komt (zie 3.8-10)
en daarom door velen als een Godsdeel van Vishnu
wordt beschouwd, is Hij volgens shloka 1.2.28
(geciteerd in de inleiding; zie hiervoor:
http://vahini.org/Discourses/d6-krishnasspel.html]
als Krishna de Oorsprong van alle
Godsdelen, onder wie Zich ontelbare Vishnu's
bevinden.
De blanke
huidskleur en de blauwe kledij van Shesha
corresponderen met de blanke huid en de blauwe
kleren van Balarâma, beschreven in
38.28-29. De goudgepiekte berg is Kailâsa,
het oord van Heer Shiva, waar de dronken zoons
van Kuvera achter de naakte devi's aan wankelden
(zie Canto 10, hoofdstuk 10
e.v.)
Tekst
46
Stil op Zijn buik zat wolkenblauw
In gele zij Heer Vishnu Zelf,
Vierarmig, met Zijn oogwit roz'
Als blaadjes van een lotuskelk
Tekst
47
Met zalig vreugdevol gelaat,
Zijn lieflijk' ogen louter lach,
Zijn oren, voorhoofd, wangen, neus
En rode lippen pure pracht
Tekst
48
Zijn schouders recht, Zijn armen rond,
In kalme rust, Zijn borst Sri's schat,
Zijn hals geschulpt, Zijn navel diep,
Zijn plooibuik een gaaf vijgeblad
Tekst
49
Gewelfd als bij een olifant
Zijn zijden en Zijn heup en dij,
Zijn welgevormde knieën en
Zijn ranke schenen wonderfraai
Tekst
50
Zijn enkels gloeiend van het licht
Dat aan de teennagels ontsproot
Van lotusvoeten even zacht
Als een pas uitgelopen loot.
Tekst
51
Hoofdtooi en armbanden verlucht
Met flonk' rende juwelenvracht,
Voorzien van gordel, heil'ge draad,
Halsketting, enkelbellenpracht
Tekst
52
Droeg Vishnu in Zijn handen vier
Zijn lotus, werpschijf, schelp en knots,
Kaustubh' en bloemen om Zijn hals,
Sri's gouden teken op Zijn borst.
De
toelichting bij vers 3.10 geeft uitleg over Sri
Vishnu's attributen.
Tekst
53
Hij werd geëerd door Nand', Sunand',
De vier Kumâra's aan Zijn zij,
De negen grote wijzen en
De schepper, Shiv', de godenrij
De
hier genoemde Nanda is niet Krishna's pleegvader
maar een van Vishnu's beide eerste dienaars;
Sunanda is de andere. (De negen grote wijzen,
uit Brahmâ geboren, geven goden en mensen
hun raad.)
Tekst
54
Door Nârad' en ook door Prahlâd',
De Vasu's en elk rein gemoed
Met woorden naar gelang 't gevoel
Waarmee hun bhakti werd gevoed
Tekst
55
Alsook door de godinnenkring
Van schoonheid, groei, genot en macht,
Spraak, kennis en onwetendheid,
Begoocheling en liefdeskracht.
Tekst
56
Van deez' aanschouwing zielsverrukt,
Met steil te berge rijzend haar,
Van klare toewijding vervuld
En met gevouwen handenpaar
Tekst
57
Zijn hart alleen aan Hem gewijd,
Prees met gebogen hoofd Akrur'
Heer Vishnu met verstikte stem,
Zijn ogen van geluk omfloerst.
(bron: S.B. 10.39)
|