|
Parikshit zei:
Tekst
1
O alvervulde, zeg me toch,
Waarom vervloekte hij die twee?
Als Nârada zo woedend was -
Wat voor ontzettends deden zij?
Shukadeva zei:
Tekst
2
Als metgezellen van Heer Shiv
'Waren Kuvera's zoons verwaand.
Eens op de groene berg Kailâs'
Langs d' oever van het water gaand
Tekst
3
Beschonken van de vâruni,
Met rollend' ogen, vuur'ge blos,
Dwaalden ze met een vrouwenschaar,
Die voor hen zong, door 't bloemenbos.
Tekst
4
In 't water der Mandâkini -
Het stond van lotusbloemen stijf -
Dolden ze met de devi's rond
Als olifanten met hun wijf.
Tekst
5
Het lot wilde dat Nârada,
O vorst, juist langskwam op die dag
En daar de beide godenzoons
Stomdronken in het water zag.
Tekst
6
Bij zijn verschijnen schoot gejaagd
De naakte devi-rij, schaamrood,
Bang voor zijn vloek, haar kleren aan -
De goden echter bleven bloot.
Tekst
7
Toen hij hen zo beschonken zag,
Verblind door hoogmoed en fortuin,
Bedacht hij voor die twee een vloek
Die allebei tot heil zou zijn.
Nârada zei:
Tekst
8
Een wereldse genieter raakt
Door niets zo zijn bezinning kwijt
Als door de trots van zijn bezit -
Door drank, spel en lichtzinnigheid.
Tekst
9
Genadeloos en onbeheerst
Brengt zo'n verdwaasde dieren om,
Van mening dat zijn sterf'lijk lijf
Aan ouderdom en dood ontkomt.
Wie
niet sterft, wil Nârada zeggen, hoeft zich
niet om zijn daden te bekommeren en heeft geen
volgend bestaan te duchten waarin hij kan moeten
boeten voor kwaad bedreven in het
huidige.
Tekst
10
Tot wurmen, as of drek vergaat
Het lichaam dat men hemels acht.
Een diereneter, van de wijs,
Beseft niet dat de hel hem wacht.
Het
is uit gebrek aan geestelijke kennis dat men
vlees eet, terwijl vlees eten van zijn kant het
aannemen van geestelijke kennis bemoeilijkt. Zie
vers 1.2.
Tekst
11
Is 't lichaam van degeen die 't baart?
Of van haar vader? Van wie 't voedt?
Van wie 't verwekt? Of van de vorst?
Van koper, vuur of hondentroep?
De
zinsnede "Of van haar vader?" duidt op de
omstandigheid dat in de Vedische samenleving een
vader, wanneer hij geen zoon had, zijn dochter
kon uithuwelijken op voorwaarde dat zijn
schoonzoon hem de eerstgeboren zoon, dus zijn
kleinzoon, tot 'zoon' zou geven. Zo zou er dan,
wanneer de vader van huis zou weggaan om een
geestelijk leven te gaan leiden ter
beëindiging van zijn aardse existentie, in
zijn huis een verzorger achterblijven voor zijn
echtgenote, mocht zij hem op zijn laatste
pelgrimsreis niet willen of kunnen
vergezellen.
Tekst
12
Uit de natuur en erin t'rug
Is 't lichaam ieders eigendom:
Daarmee bekend doodt men geen dier -
Of men is schurkachtig of dom.
Tekst
13
Voor 'n dwaas, door rijkdom stekeblind,
Is armoe de best' ogenzalf:
Een arme, meer dan wie dan ook,
Ziet ieder wezen als zichzelf.
Tekst
14
Wie in een doren heeft getrapt
En weet dat ieder eender lijdt
Gunt niet één schepsel zulke
pijn.
De onervaar'ne kent dat niet.
Tekst
15
Wie niets bezit leeft zonder trots
En is van eigenwaan ontbloot:
Wat hij te lijden krijgt werpt hem
De hoogste zelftucht in de schoot.
Tekst
16
D' arme, door honger afgemat,
Voortdurend maar op eten uit,
Voelt hoe elk zintuig zwakker wordt -
Zo ook zijn gewelddadigheid.
Tekst
17
Sâdhu's, ieder gelijkgezind,
Gaan om slechts met het arme soort,
Dat daardoor vrij raakt van begeert'
En snel geheel gelouterd wordt.
Tekst
18
Wat moet een sâdhu, kalm van hart,
Die steeds Mukunda's voeten dient,
Met trotse rijken, die met vuil
Omgaan? Hij wil hen niet eens zien!
Tekst
19
Daarom neem ik die twee zo trots,
Verdwaasd door weelde, week en laf
Achter de jonge vrouwen aan,
Hun blinde eigenwijsheid af.
Tekst
20
Het zijn Kuvera's zoons, dat wel,
Maar in hun trots en eigenwaan
Zo dom dat ze niet eens meer zien
Dat ze spiernaakt hier vòòr me
staan.
Tekst
21
Ik maak hen roerloos als een boom
Maar met herinn'ring aan vandaag,
Opdat ze zoiets nooit meer doen:
Zo zegen ik hun wangedrag.
Een
boom wordt in zijn uitgerekte naaktheid gezien
als het symbool van wellust. Wedergeboorte in
boomvorm is het loon van de rokkenjager.
Nârada's boosheid op de dronken
versierders mag niet worden opgevat als benepen
geschoolmeester. Nârada is de leraar der
goden, en als zodanig bewijst hij, zoals blijken
zal, de zinnelijke godenzoons de hoogste
genade.
Tekst
22
Na 'n tijd van honderd hemeljaar
Zullen ze Vâsudeva zien:
Dan gaan ze t'rug naar 't godenrijk
En zullen daar Zijn bhakta's zijn.
Het
godenrijk is een hogere sfeer in de stoffelijke
wereld, een etherisch gebied, waarin de deva's
en devi's die er wonen weliswaar onvoorstelbaar
lang, maar niet eeuwig leven. Ook zij moeten de
Allerhoogste toegewijd leren dienen eer ze tot
Zijn onvergankelijke liefdewereld zullen worden
toegelaten. De weg van de godenwereld naar de
geestelijke wereld is in de regel langer dan die
van de mensenwereld naar de geestelijke wereld
doordat het voor de deva's moeilijk is bhakti te
beoefenen: de daarvoor nodige eenvoud druist in
tegen hun godentrots. Als mens maakt een ziel
zich makkelijker klein, doordat ze haar
feitelijke kleinheid dan makkelijker kan
beseffen.
Shukadeva zei:
Tekst
23
Zo sprak de devarshi en ging
Naar Nârâyanâshram' vandaar
Terwijl het tweetal onverwijld
Veranderd' in een bomenpaar.
Tekst
24
Om 't woord van Zijn doorluchte bhakt',
De devarshi, gestand te doen
Kroop Krishna langzaam naar de plek
Met beide roerloze arjun's.
Krishna
zei:
Tekst
25
Zo dierbaar is Mij Nârada
Dat Ik dit godenzonenpaar
Precies verlossen zal zoals
Door deze grote ziel verklaard.
Shukadeva
zei:
Tekst
26
Na deze woorden koerste Hij
Recht op d' arjun's af, Vâsudev',
En kroop tussen de stammen door,
Waarachter 't stampblok steken bleef.
Tekst
27
Toen Dâmodar', het kleine Kereltje, 't
stampblok meetrok,
Uit alle macht, raakten de bomen ineens
ontworteld:
Door Zijn onmenselijke kracht stortten zij al
schokkend
Met tronk en kruin over het erf onder luid
gedonder.
Tekst 28
Toen rezen er uit beide bomen, het erf
verlichtend,
Als vuur zo stralend twee gedaanten op, hoog
herboren.
Verlost van trots, het hoofd gebogen, in diepste
deemoed
Aanbaden beiden d' Allerhoogste met deze
woorden:
De goden zeiden:
Tekst
29
O Krishna, Yoga-heer, Gij zijt
De Eerst' en Hoogste Godspersoon.
Brahmanen weten: "Dit heelal -
Getoond of niet - is door U schoon."
Het
heelal wordt met tussenpozen getoond of
geopenbaard. Tussen de openbaringen verstrijken
era's waarin alle levensvormen volledig
uiteenvallen, ook de sterren en planeten, zodat
er een kosmisch duister heerst. Dan gloeit met
een nieuwe schepping het heelal weer aan.
Tekst
30
Gij zijt het die van iedereen
Geest, lichaam alsook zinnen leidt;
Gij slechts zijt Vishnu, zonder eind,
De welvervulde Heer, de Tijd.
Tekst
31
Gij, Heer, zijt d' ijlere natuur
Die achter de drie guna's schuilt;
Gij zijt Degeen die ziet en weet
Hoe ieder lichaam reilt en zeilt.
Tekst
32
Wie wordt omvat door de natuur -
En haar verand'ring - vat U niet:
U kennen, die de Oerheer zijt,
Mag geen die in de guna's zit.
Tekst
33
Daarom zij U, o Vâsudev',
Oorsprong van al, o Opperheer,
Brahman, wiens luister Zich verbergt
Achter Uw eigen Licht, all' eer.
Het
eeuwige geestelijk Licht, Brahman, straalt te
voorschijn uit Krishna, en wel zo verblindend
dat Krishna erin verborgen blijft voor ieder die
onbekend is met de weg naar Hem, namelijk die
van zelfvergeten, liefdevolle gehoorzaamheid aan
Zijn aanwijzingen (bhakti).
Tekst
34
Hoewel omhulselloos toont Gij
Gedaanten in Uw Avatâr's -
Maar wat Zij doen is nooit vertoond:
Omhulden doen het Hun niet na.
Zowel
Krishna Zelf als Zijn Avatâra's zijn
omhulselloos. De gedaanten die Ze in de
stoffelijke wereld laten zien, bestaan niet uit
een stoffelijk omhulsel maar zijn Hun
onvergankelijke geestelijke Vorm. De daden die
Ze verrichten voltrekken zich door transcendente
energie en kunnen dus niet worden nagedaan door
"omhulden", de gevallen zielen, wier geestelijke
energie door hun omhulsel gevangen wordt
gehouden.
Tekst
35
Thans zijt Gij, Heer van alle heil,
Hier neergedaald geheel en al
Tot welzijn en verlossing van
Elk wezen in het gans' heelal.
Tekst
36
O Zegenrijke, U all' eer!
All' eer, all' eer aan U, algoed!
O Heer der Yadu's, Vâsudev',
Zo mededogend van gemoed!
Tekst
37
U vragen wij, Algrote Heer,
Die dienaars van Uw dienaar zijn
En U door Nârada's gena
Hebben aanschouwd: laat ons nu vrij.
Tekst
38
Dat onze mond het Uwe love, ons oor het hore,
Onz' arm U diene, onze geest zich Uw voeten
heuge,
Ons oog de heilige aanschouwe, die U
belichaamt,
En dat ons hoofd zich voor de wereld, Uw woning,
buige.
Shukadeva
zei:
Tekst
39
Gokula's Meester, d' Alvervuld',
Aldus op eerbetoon vergast,
Sprak lachend tot de godenzoons
Nog steeds zat Hij aan 't stampblok vast:
De Alvervulde zei:
Tekst
40
Al lang wist Ik dat Nârada
Uit zijn genade jullie saam,
Door jullie rijkdom blind en trots,
Naar d' aard' omlaag had laten gaan.
Tekst
41
Aanschouwing van een heilige,
Wiens hart slechts Mij is toegewijd,
Leidt tot verlossing van de mens
Zoals de zon de blik bevrijdt.
Tekst
42
Nu jullie volop zijn vervuld
Van toewijding tot Mij - vertrek!
De ware liefde, zo begeerd,
Is nu in jullie opgewekt.
De
godenzoons hebben nu gekregen wat ze met hun
dronken nastrompelen van de naakte devi's zo
onoordeelkundig najaagden: volkomen
geluk.
Shukadeva
zei:
Tekst
43
Toen schreed het tweetal rond de Heer
Zoals Hij vastzat aan het blok,
Bewees Hem eer, ja keer op keer,
Waarna 't met Zijn verlof vertrok.
(bron: S.B.
10.10)
|