Parikshit zei:
Tekst
1
Hij die de schepselen behoedt,
In 't huis van Yadu neergedaald,
De welvervulde Wereldziel -
Vertel, wat deed Hij allemaal?
Tekst
2
Welk mens wendt zich af van het kleurrijk
verhaal
Van d' Alomvermaarde, genezend van smart,
Het lied der verlosten, dat oor streelt en
geest?
Ja wie? Alleen iemand die dieren vermoordt.
Het
doden van dieren en het eten van hun vlees
getuigt niet van de zachtmoedigheid, nodig om
door de even lieflijke als verheven
geschiedenis van het Spel van Krishna tot
ontroering te kunnen worden bewogen. In feite
staan alle grovere vormen van zinsbevrediging
de bevrijdende werking die van het lezen van
deze geschiedenis uitgaat in de weg.
Tekst 3
Mijn oudooms en grootvader, goden te erg,
Verkleinden op 't slagveld de Kuru-oceaan
Vol monsters als Bhishma - blindvarend op Hem
-
Tot plasje waar nauw'lijks een hoefj' in kan
staan.
Parikshits
grootvader was Arjuna, tot wie Krishna de
Bhagavad-gitâ uitsprak, vlak voordat de
strijd zou losbarsten tussen de
Pândava's enerzijds - Arjuna en zijn
vier broers - en de Kuru's anderzijds. De
Kuru's waren met miljoenen en werden
aangevoerd door Bhishma, de onoverwinnelijke
stamvader van zowel Kuru's als
Pândava's.
Tekst 4
Toen ik, allerlaatste van 't Kuru-geslacht,
Als vrucht in de moederschoot haast werd
verbrand
Door Drauni's straal vuur, verscheen Hij daar,
mijn Heil,
Een werpschijf van bliksemend licht in Zijn
hand.
Toen
aan het eind van de strijd tussen de
Pândava's en de Kuru's de enige levende
Pândava-nazaat Parikshit bleek te zijn,
die zich nog in de moederbuik bevond,
lanceerde Drauni, wiens vader door de
Pândava's gedood was, uit wraak een
astraal wapen naar de moederbuik, dat de
moeder niet zou deren, maar de vrucht doden.
Krishna plaatste Zich in de weg van Drauni's
wapen en maakte het met Zijn lichtende
werpschijf (sudarshana-chakra), het wiel der
Wet, onschadelijk.
Tekst 5
Beschrijf, gij die weet, nu de daden van Hem
Wiens mensengedaante niets stoffelijks kent;
Die binnen en buiten de lichamen woont;
Als Tijd zowel dood als onsterf'lijkheid
schenkt.
Tekst 6
Hoe kwam Mukunda er toch toe
Dat Hij naar Vraja's woud uitweek?
Waar bleef de Heer der Yadu's daar
Bij Zijn familie in die streek?
Tekst 7
Wat heeft Heer Keshava daarginds
En in Mathurâ uitgevoerd?
En waarom doodde zo onheus
Hijzelf Kamsa, Zijn moeders broer?
Tekst 8
Als mens onder de mensen kwam
Hij bij de Vrishni's: hoeveel jaar
Verbleef Hij ginds in Dvârakâ?
En hoeveel vrouwen had Hij daar?
Tekst 9
Verklaar me dit en wat al niet,
O muni, gij die alles weet.
In Krishna heb ik mijn geloof -
Verzwijg me niets van wat Hij deed.
Tekst 10
Al is mijn vasten nog zo zwaar -
Ik drink niet eens - het deert me niet:
Want ik drink uit uw lotusmond
De nectar-woorden van Hari.
Parikshit
vast om zich onwankelbaar te kunnen
concentreren op het verhaal van Krishna, dat
hem veilig door zijn snel naderende dood heen
zal loodsen naar het eeuwige leven in
Krishna's paradijs Goloka.
Suta
zei:
Tekst 11
O Rishi Shaunaka, nadat hij zijn vrome
vragen
Vernomen had, bracht Shukadeva, de
welvervulde,
Parikshit eer, waarna hij, eerste der
toegewijden,
't Verhaal van Krishna, dat heel Kali verlicht,
onthulde.
De
grote ziener Suta vertelt aan een kring van
wijzen hoe Parikshit zijn vragen over Krishna
stelde aan de jonge heilige Shukadeva, die nu
antwoord geeft.
Shukadeva zei:
Tekst 12
O heiligste der vorstenschaar,
Uw geest kent louter evenwicht
Doordat u zo op het verhaal
Van Vâsudeva bent gericht.
Volmaakt
evenwicht gaat uit van het Hart van alle
dingen, Vâsudeva, Krishna.
Tekst 13
Het is een loutering voor drie -
Voor spreker, vrager, luisteraar -
Dit vragen over Vâsudev',
Als 't water van Zijn voetenpaar.
Als
het louterend water van Krishna's voeten
worden beschouwd: 1. De heilige Ganges, die
eraan ontspringt; 2. Het water waarmee de
lotusvoeten van Krishna's Murti (Altaarbeeld)
gewassen zijn.
Tekst 14
De aarde, krom onder de last
Van menig duivels legioen,
Geleid door menig quasi-vorst,
Kwam Brahmâ vragen: "Wat te doen?"
Tekst 15
Met deerniswekkend droef geloei
Verscheen z' als koe, vervuld van smart,
In tranen voor de schepper-heer
En luchtte haar benauwde hart.
Tekst 16
Toen Brahmâ haar verdriet begreep
Begaf hij zich met haar en elk
Der hemelingen, Shiva ook,
Naar d' oever van de Zee van Melk.
In de Zee van Melk woont Vishnu, de
Opperheer.
Tekst 17
Daar bad hij het Purusha-sukt',
Zijn geest volmaakt in evenwicht,
Tot Vishnu, Heer van het heelal,
God Zelf, die alle goden richt.
Tekst 18
Toen hoorde Heer Brahmâ in trance de stem
van God
En zei tot de goden die bij hem waren:
"Hoor!
O eeuwigen, luister naar wat de Heer
beveelt.
Gehoorzaam terstond. Geen seconde ga teloor.
Tekst 19
"Vanzelf kende Vishnu het leed der aarde
reeds.
Daal af nu als zoons van de Yadu's - ga al
vast,
En blijf in de wereld tot ook de Heer
verschijnt
En d' aard' als de Tijd zal verlossen van haar
last.
Tekst 20
"In 't huis van Vasudeva komt
Hijzelf, de welvervulde Heer.
Voor Zijn genoegen dalen ook
De godenvrouwen allen neer.
Tekst 21
"Zijn eerste Godsdeel, Heer Anant',
Met duizend hoofden vrij en fier,
Zal vòòr Hem naar de wereld
gaan
Ter wille van Hari's plezier.
Vishnu
kent evenveel Expansies of Godsdelen als er
golven zijn in de oceaan. Zijn eerste
Expansie is Ananta Shesha, de duizendkoppige
goddelijke Slang, op wie Hij in de Zee van
Melk genietend neerligt. Ananta verschijnt in
Krishna's Spel als Zijn "oudere Broer"
Balarâma.
Tekst 22
"Vishnu's begoochelende macht
Die 't gans' heelal bekoort en boeit,
Komt op Zijn wil afzonderlijk
Om Hem te helpen onvermoeid."
Shukadeva vervolgde:
Tekst 23
Na dit gebod aan 't godenvolk
En troost aan Moeder Aarde toog
De meester der prajâpati's
Weer naar zijn woning ver omhoog.
De
prajâpati's zijn de aartsverwekkers der
levenssoorten in het heelal.
Tekst 24
De vorst der Yadu's, Shurasen',
Regeerd' in lang vervlogen tijd
Het land naar zijn persoon genoemd
Alsook Mâthura, wijd en zijd.
Tekst 25
De hoofdstad van het Yadu-rijk
Was sinds die dagen Mathurâ,
Waar d' Onvolprezen' eeuwig woont,
Zoals voorheen, zo ook hierna.
In
het Indiase stadje Mathurâ, ten zuiden
van Delhi, woont Krishna nog steeds, ook al
toont Hij Zich niet aan het oog van de gewone
wereldling. Wie door liefde tot Krishna tot
geestelijk schouwen komt ziet Hem in dit
stadje in de volle glorie die Hij in de
geestelijke wereld tentoonspreidt.
Tekst 26
Daar nu geviel het op een dag
Dat Vasudev' als bruidegom
Om na 't festijn naar huis te gaan
Met Dev'ki op zijn wagen klom.
Tekst 27
Daarop nam Kamsa, 's konings zoon,
Uit broederliefde voor de bruid
De teugel over, aan het hoofd
Van vele wagens van puur goud.
Tekst 28
Vorst Devaka schonk uit zijn hart
Zijn dochter bij hun afscheid daar
Een olifantenstoet bekranst
Met goud, vierhonderd bij elkaar...
Tekst 29
Karossen, achttienhonderd stuks,
Tienduizend paarden, fraai getoomd -
Haar bruidsschat - alsook, rijk getooid,
Tweehonderd maagden jong en schoon.
Tekst 30
Tot slot weerklonk er de muziek
Van kinkhoorn, pauk, trompet en trom,
Toen alles eindelijk vertrok,
Tot heil van bruid en bruidegom.
Tekst 31
Tijdens de rit sprak plotseling
Een stem tot Kamsa uit het zwerk:
"Hoord! D' achtste zoon van deze vrouw
Beneemt jou 't leven, dwaze schurk!"
Het
was wegens de schurkachtigheid van Kamsa en
zijn trawanten dat de aarde om de verlossende
komst van de Opperheer had gevraagd.
Tekst 32
In één ruk trok d'
afgunsteling,
De vloek van 't Bhoja-huis, zijn zwaard,
Van moordlust plotseling bezield,
En greep zijn zuster bij het haar.
Tekst 33
Tot hem die menig kwaad bedreef,
Een en al wreedheid, onbeschaamd,
Sprak Vasudeva zoetgevooisd,
Zoals 't een grote ziel betaamt:
Vasudeva zei:
Tekst 34
Helden verheerlijken je roem,
O eer van Bhoja's fier geslacht:
Waarom je zùster dan gedood?
Een vrouw? En op haar bruiloftsdag?
Tekst 35
O held, de dood van iedereen
Wordt meegeboren met zijn lijf:
D' één sterft vandaag, d' ander na
'n eeuw,
Doch d?t men sterft staat buiten kijf.
Tekst 36
Wanneer het lichaam weer vervalt
Tot stof, in vijven, krijgt de ziel
Vanzelf op grond van haar gedrag
Voor 't oude lijf een nieuw in ruil.
In vijven: aarde, water, vuur, lucht, ether.
Tekst 37
Zijn ene voet verplaatst men pas,
Zodra d' andere stevig staat:
Zo gaat de rups van blad tot blad;
Zo volgt de ziel haar eigen daad.
Tekst 38
Zoals men een voorstelling zien kan in een
droom,
Een beeld van hetgeen het bewustzijn
binnenviel
Van al wat men hoord' en van alles wat men
zag,
En 't lichaam vergeet daarbij - zo verhuist de
ziel.
Tekst 39
Zoals onze geest naar gelang het Lot hem
leidt
Door wikken en wegen verandert van natuur
Verwerft zich de ziel uit de vijf van
Mâyâ 'n lijf
Dienovereenkomstig in haar geboorteuur.
De
vijf van Mâyâ zijn de
grofstoffelijke elementen van de
begoochelende materiÎle natuur: aarde,
water enz..
Tekst 40
't Gesternt' in het water bewogen door de
wind
Verandert voor 't oog steeds begoochelend van
vorm:
Zo raakt nu de ziel, aan haar nieuwe lijf
gehecht,
Door wat z' erin ziet door verbijstering
bestormd.
Tekst 41
Daarom moet ieder die dit hoort
En 't beste voor zichzelf verlangt
Ophouden and'ren leed te doen,
Of men krijgt gauw voor ?nd'ren angst.
Leed
doen in dit leven betekent volgens de
karma-wet leed ondergaan in een volgend
leven; de anderen die men leed berokkent in
dit leven worden de oorzaak van angst in een
volgend.
Tekst 42
Dit meisje hier, jonger dan jij,
Is hulpeloos - bijna je kind ...
Het past jou, die barmhartig bent,
Dat je 'r niet doodt maar juist bemint.
Shukadeva zei:
Tekst 43
O koning, deze wreedaard nu,
Ja râkshasa zelfs, liet niet af,
Hoe Vasudev' ook tot hem sprak,
Hetzij kalmerend, hetzij straf.
Tekst 44
Kamsa zo vastbesloten ziend
Bedacht de jeugdig' echtgenoot
Wat hij nog meer zou kunnen doen
Tegen de dreiging van de dood.
Vasudeva overwoog:
Tekst 45
Een wakker en verstandig mens
Ontwijkt de dood zolang hij kan,
Maar kan hij 'r echt niet meer omheen
Dan krijgt hij daar geen t'rugslag van.
Tekst 46
'k Beloof hem, deze dood, mijn zoons
En red mijn arme vrouw daarmee ...
Misschien krijgt ze die zoons niet eens
Of gaat hij eerder dood dan zij.
Tekst 47
Misschien komt de voorspelling uit ...
Onpeilbaar is het lotsbestel:
Wat dreigt, dreigt even later niet
En dan opeens dreigt het weer wel.
Tekst 48
Zoals d' ene woudreus bij 'n bosbrand snel
vergaat
En d' and're blijft staan, terwijl niemand d'
oorzaak ziet:
Zo is het bij 'n schepsel ook moeilijk na te
gaan
Waarom het wel dàt lichaam krijgt en d?t
weer niet.
Tekst 49
Nadat hij voor zover dat ging
Had overdacht wat hij kon doen
Bracht Vasudeva Kamsa eer
En sprak de schurk wellevend toe.
Tekst 50
Hen aanziend als een lotus zoet,
Maar innerlijk verscheurd van smart,
Zei Vasudeva met een lach
Tot Kamsa, schaamteloos en hard:
Vasudeva
zei:
Tekst 51
Van haar dreigt geen gevaar, mijn vriend,
Die stem van boven zei maar wat.
Ik breng je later al haar zoons,
Voor wie je vrees hebt opgevat.
Shukadeva zei:
Tekst 52
Wetend dat hij zijn woord steeds hield,
Liet Kamsa Devaki toen vrij,
Verder gesust door Vasudev',
Die zijn paleis in ging, zielsblij.
Tekst 53
Devaki nu, de moeder van
Het godenrijk, schonk na elkaar
Acht flinke zoons het levenslicht
En ook één dochter, jaar na
jaar.
Devaki
was in een vorig bestaan Aditi, de moeder der
goden.
Tekst 54
De eerste jongen, Kirtimân,
Gaf Vasudev' met grote pijn
Aan Kams', omdat hij voor geen goud
Een woordbreker zou willen zijn.
Tekst 55
Wat wenst een wijze voor zichzelf?
Wat is een heilige te veel?
Wat gaat een onmens echt te ver?
Wat eist een ziener als zijn deel?
Tekst 56
Toen Kamsa zag dat Vasudev'
Zijn woord getrouw bleef, onverstoord,
O koning, was hij hoogst voldaan
En stelde met een glimlach voor:
Kamsa zei:
Tekst
57
Neem deze jongen maar weer t'rug.
Mijn vrees voor hem is niet terecht:
Mij is mijn dood immers voorspeld
Van d'achste zoon uit jullie echt?
Shukadeva zei:
Tekst 58
Met een "zo zij't" nam Vasudev'
Zijn kind en keerde t'rug naar huis,
Niet overmatig blij want Kams'
Was onbetrouwbaar, onbesuisd.
Tekst 59
Nanda, de koeherders van Vraj'
En heel hun vrouwenschaar erbij,
De Vrishni's onder Vasudev',
Dev'ki, de Yadu-vrouwenrij...
Tekst 60
Het was een en al hemeling,
O vorst, en dat gold evenzeer
Voor elke bloedverwant en vriend
Die Kams' van dienst was als zijn heer.
Het
lijkt verwonderlijk dat hemelingen de schurk
Kamsa dienen, maar zij doen dat in opdracht
van de Heer in het kader van Zijn
Spel.
Tekst 61
De welvervulde Nârada
Kwam Kamsa nu onthullen hoe
De dood der zijnen was beraamd:
De aarde was hen grondig moe.
Tekst 62
Toen Nârada vertrokken was
Zag Kams' in elke Yadu 'n god
En elke zoon van Devaki
Als Vishnu, op zijn dood verzot.
Tekst 63
Hij zette Dev'ki en haar man
Gevangen en doodd' ieder kind
Zodra 't geboren was, uit vrees
Voor Hem die geen geboorte kent.
Tekst 64
Begeerte drijft in 't leven vaak
Een vorst door jaloezie verblind
Tot moord op moeder, vader, broers
En d' ene vriend na d' and're vriend.
Tekst 65
Kams' was, op aarde weergekeerd,
De demon Kâlanemi ooit,
Ook tóen door Vishnu al gedood...
Nu was het Yadu-huis zijn prooi.
Tekst 66
Zijn eigen vader, Ugrasen',
De vorst der Bhoja's, Andhaka's
En Yadu's, zette hij zelfs vast:
Zo was hij iedereen de baas.
(bron: S.B. 10.1)