De Alvervulde zei:
Tekst
1
Sattva, rajas, tamas - die drie
raken 't verstand en niet de ziel.
Door sattva dode men de rest
waarna door sattva sattva zelf.
Sattva
- goedheid of zuiverheid - is leiband doordat
hij altijd enigermate is omstrengeld door
rajas en tamas - hartstocht en dofheid.
Sattva moet zich uit eigen kracht van elk
spoor van de andere leibanden ontdoen.
Tekst
2
Groeit sattva, dan groeit dharma mee,
en wel als toewijding tot Mij.
Sattvisch gedrag brengt sattva voort
en daar ontspringt dan dharma aan.
Dharma
betekent hier zoveel als religieuze
gerichtheid.
Tekst
3
Wordt sattva, de allerbeste, 't sterkst
dan doodt dharma de mindere
en zijn die grondig weggevaagd,
dan is adharma gauw geveld.
Adharma
is het tegenovergestelde van dharma: de
antireligieuze gezindheid.
Tekst
4
Geschriften, water, al wat leeft,
plaats, tijd, geboorte, activiteit,
mantra's, reflectie, 't ritueel &endash;
die tien wekken de leibanden.
Tekst
5
Wat hiervan sattva is wordt door
de grote wijzen toegejuicht,
wat tamas is wordt afgekeurd,
wat rajas is wordt genegeerd.
Tekst
6
Wie sattva sterker maken wil
doet louter hetgeen sattvisch is,
met dharm' en kennis tot gevolg,
waarna 't verlossend licht opstraalt.
Tekst
7
Van 't eigen bamboewrijven brandt
het bamboebos en is niet meer:
zo branden door hun eigen vuur
ook geest en lijf, en wèg zijn zij.
De
brand in het bamboebos van de geest ontvonkt
aan onderlinge wrijving van de verschillende
geesteselementen onder invloed van de wind
van de drie leibanden. Wanneer de brand van
de geest volkomen is uitgewoed &endash; dat
wil zeggen: na beëindiging van alle
materiële verlangens - is de geest niet
meer en moet hij de ziel, die door hem in het
lijf gevangen is gehouden, in vrede laten
gaan.
Uddhava zei:
Tekst
8
Een mens weet over 't algemeen
dat zingenot tot rampspoed leidt
en toch, Krishna, jaagt hij 't maar na,
net als een ezel, geit of hond!
De Alvervulde zei:
Tekst
9
Een dwaas verwelkomt in zijn hart
het valse idee van 'Dit ben ik'
en felle rajas grijpt daardoor
zijn geest, hoewel die sattvisch is.
De
geest is sattvisch van 'substantie' maar
raakt door de lagere leibanden
beïnvloed.
Tekst
10
Door rajas zint de geest steeds op
genieten en de weg daartoe.
Terwijl hij daar verdwaasd op broedt
wordt zijn begeerte ondragelijk.
Tekst
11
Door rajas' woelen van de wijs
streeft iemand die zich niet beheerst
naar zingenot, al ziet hij goed
tot hoeveel narigheid dat leidt.
Tekst
12
Zelfs een wijs mens loopt soms weer vast
in de twee lagere leibanden;
maar schouwt hij 't kwaad van dien dan rukt
hij zich weer los en temt zijn geest.
Tekst
13
Zonder verwarring richte hij
zijn geest geleidelijk op Mij
waarbij hij zonder inzinking
adem en houding vast beheerst.
Tekst
14
Sanak' en medeleerlingen
leerden van Mij de weg als volgt:
'Leid zó de geest van alles af:
vervul hem helemaal van Mij.'
Uddhava zei:
Tekst
15
Wanneer en hoe hebt Gij de weg,
o rijkgelokte Heer, getoond
aan Sanaka en de anderen?
Ik ben daar hevig naar benieuwd.
Sanaka,
Sanâtana, Sanandana en
Sanatkumâra, de vier oudste zoons van
Heer Brahmâ, zijn zonder tussenkomst
van een moeder geboren, en wel uit
Brahmâ's geest.
De Alvervulde zei:
Tekst
16
Sanaka en de andere zoons
geboren uit Heer Brahmâ's geest
vroegen hun vader 't fijne van
het allerhoogste strevenspad.
Sanaka en de anderen zeiden:
Tekst
17
De geest omknelt de leibanden
en die omknellen weer de geest:
hoe komt hij die verlossing zoekt
uit die dubbele houdgreep vrij?
De Alvervulde zei:
Tekst
18
De grote schepper van 't heelal,
de zelfgeborene, dacht na,
doch steeds op werken maar gericht
drong hij niet tot het antwoord door.
Brahmâ's
opgaan in zijn ononderbroken scheppingswerk,
dat niets dan rajas is, verhinderde hem tot
zuivere sattva te komen, waarin men kennis
van alle dingen ontvangt. Hij heet
'zelfgeboren' omdat hij zonder tussenkomst
van een moeder verscheen in de lotus die bij
de schepping van de kosmische ruimte aan Heer
Vishnu's navel ontbloeide.
Tekst
19
Omdat hij 't zelf ook kennen wou
heugde de grote god zich Mij,
waarop Ik aan hem zichtbaar werd
in de gedaante van een Zwaan.
Tekst
20
Toen ze Me zagen bogen zich
de wijzen voor Mijn voeten neer
waarna ze, achter Brahmâ staand,
Me vroegen: 'Zeg ons, wie zijt Gij?'
Tekst
21
Hoor nu van Mij, o Uddhava,
wat Ik tot deze wijzenkring
begerig op de waarheid uit
in antwoord op die vraag toen zei.
Tekst
22
'Vraagt u Me dat met het idee
dat er geen veelheid is in 't Zelf,
wat heeft dan deze vraag voor zin?
Waar staat de vrager? Waar sta Ik?
Als
het Zelf geen veelheid zou kennen, geen
verscheidenheid aan individualiteiten, zoals
menige eenheidsfilosofie beweert, maar
slechts één ongedifferentieerde
eenheid, dan zou het stellen en beantwoorden
van vragen even zinledig zijn als een
spelletje schaak met zichzelf.
Tekst
23
'Vraagt u 't met het idee dat elk
louter vijf elementen is,
ook dan is uw "Wie zijt Gij?"-vraag
van zin ontbloot, loze inspanning.
De
vijf elementen: aarde, water, vuur, lucht,
ether.
Tekst
24
'Al wat door geest en tong en oog
en de andere zinnen wordt bevat
ben Ik. Er is niets buiten Mij.
Begrijp dat zonder omwegen.
Tekst
25
'De geest kleeft aan elk zinsobject,
elk zinsobject kleeft aan de geest
Zowel het een als 't ander is
omhulsel slechts van't Zelf, van Mij.
Zowel
dat wat de geest en de zinsobjecten bevatten
(vers 24) als de geest en de zinsobjecten
zelf zijn elementen van de materiële
wereld. Hoewel de hele materie niets dan
energie van de Alvervulde is, beneemt ze door
haar specifieke werking de zuivere ziel het
zicht op het Zelf, waarvan ze integraal deel
uitmaakt.
Tekst
26
'De geest heeft zich door zingenot
met zinsobjecten volgestouwd:
wie hen alsook de geest herkent
als één in Mij, laat beide
los.
Tekst
27
'De waak- en droom- en slaaptoestand
Zijn leibandstaten van de geest.
De ziel heeft er niets mee van doen:
Ze is er alleen getuige van.
De
ziel, ons eigenste zelf, is bewustzijn zo
ongerept als het helderste water. Alle
waarnemingen die we doen en alle gedachten en
gevoelens die we hebben met betrekking tot de
stoffelijke wereld zijn niets dan
vertroebelingen van het zuivere
zielebewustzijn.
Tekst
28
'Zolang de ziel hecht aan de geest
bewerken haar de leibanden,
'maar leeft ze in 't Zelf, als vierde staat,
dan wijken geest en zinsobject.
De
vierde staat is het niveau van
zelfverwerkelijking, ontstegen aan de drie
niveaus van gebondenheid: de slaap-, de
droom- en de gewone waaktoestand. In deze
vierde staat laat elk zinsobject zijn macht
over de geest en de hele geest zijn macht
over de ziel varen. De geest heeft slechts
macht zolang de ziel in hem opgaat. Zodra de
ziel haar vereenzelviging met de geest
beëindigt, wordt de geest haar gewillig
werktuig.
Tekst
29
'De ziel die ziet hoe de ego-geest
haar afhoudt van haar waar belang
gaat vrij op in de vierde staat
en laat samsâra achter zich.
Tekst
30
'Wie al maar rondholt als een dwaas
en zich niet welbewust vereent,
die droomt slechts dat hij wakker is:
hij gaat slechts rond als in een droom.
Tekst
31
'Toestanden die naar grond en zin
als los van 't Zelf worden gedacht
berusten op onwerkelijkheid:
ze zijn onecht, als droombeelden.
Tekst
32
'Wie, wakker, 't vluchtige bestaan door zijn
zinnen waarneemt
en dromend iets wat daarop lijkt in zijn hart
ziet leven
en zich in slaap van alles terugtrekt, is steeds
dezelfde,
de heer van 't lichaam, zegt zijn heugenis der
drie staten.
Tekst
33
'Wie aldus ziet dat de drie staten waarin de
geest leeft
in Mij verwekt zijn door de leibanden van Mijn
mâyâ,
snijdt met het kenniszwaard der rede en gewijde
teksten
heel de verwarring uit zijn hart, waarin hij Mij
eer brengt.
De
oorzaak van alle verwarring is het vals ego:
de vereenzelviging van de ziel met geest en
lichaam.
Tekst
34
'Men zie de wereld als illusie, een
geesteskronkel:
ze is even vluchtig als de vuurring bij 't
fakkel draaien.
't Ene bewustzijn openbaart zich in schijn
meervoudig.
Het hele leibandenheelal is een
droomverbeelding.
Tekst
35
'Men wende 't oog daarvan dan af en zij vrij van
streven;
zijn waar geluk ziend, zij men stil en van drang
verstoken;
móet men iets waarnemen, daarbuiten, dan
zonder hechting:
zo blijft men vrij, hoewel de heugenis nimmer
afsterft.
De
woorden 'móet men iets waarnemen' in
de uiterlijke wereld hebben betrekking op de
noodzaak tot het verrichten van zintuiglijke
handelingen in de stof ter wille van
het noodzakelijk onderhoud van het lichaam,
dat nu eenmaal tot de stof behoort.
Tekst
36
'Zoals een dronkaard die niet nagaat of hij
gekleed is
bemerkt de ziel niet in de vreugde van haar
volmaaktheid
of 't vege lijf nu overeind staat of is
gezeten,
of 't komt en gaat, overeenkomstig haar oude
karma.
Tekst
37
'Het lijf blijft ademen zolang 't hoger
leidingwezen
het karma waaruit het ontstond nog niet uitgeput
acht.
Een zelfverwerkelijkte op 't hoogste niveau van
eenheid
zal zich aan 't droomachtige lijf niet meer
overgeven.
Bedoeld
wordt hier het prarabdha-karma, het thans
gemanifesteerde karma, in de vorm van het
huidige lichaam en zijn begeleidende
eigenschappen en omstandigheden.
Tekst
38
'Zo schenk Ik u 't geheimenis
van kennis en 't verbindingspad.
Ik, Vishnu, ben hier neergedaald
ter openbaring van uw plicht.
Tekst
39
'Ik ben de Schrager en de Kracht
van kennis en vereniging,
van zelfbeheersing, rite en roem,
van waarheid, schoonheid, heerlijkheid.
Tekst
40
'Al wat verheven is eert Mij,
de Ontstegene, volmaakt onthecht,
de Vriend, de Dierbaarste, het Zelf,
alom, vrij, onafhankelijk.'
Tekst
41
Zo nam Ik alle twijfel weg
bij Sanaka en de anderen,
waarop ze Mij verheerlijkten
met liederen vol liefde en lof.
Tekst
42
Op deze wijze diep geëerd
door de allerhoogste wijzenkring
begaf Ik Me onder Brahmâ's blik
naar Mijn verheven Woning terug.
(Bron: S.B.
11.13)