Uddhava zei:
Tekst
1
Verklaart U me alstublieft, o Heer
der toegewijden, hoe U door
Uw dienaars wordt vereerd. Op wat
voor wijze aanbidden ze U daarbij?
Tekst
2
Want wijzen zoals Nârada,
de welvervulde Vyâsa en ook
mijn âcârya, Brihaspati,
zien dat als 't beste voor de mens.
Tekst
3
Gij die Uw toegewijden eert,
die kennis, uit Uw lotusmond,
gaf Brahmâ door aan al zijn zoons
en S'iv' aan vrouwe Pârvatî
Tekst
4
'k Beschouw haar als de beste weg
naar 't hoogst geluk van iedereen
in elke levensfase en stand,
sûdra's en vrouwen meegeteld.
De
weg van liefdevolle toewijding tot de
Alvervulde kan door letterlijk iedereen
worden begaan. Kaste noch geslacht doet iets
ter zake. Daarom is bhakti aan de andere
Vedische paden ontstegen, universeel.
Tekst
5
O Lotusoog, Meester van al,
schenk toch die kennis die verlost
van onze karma-binding aan
Uw toegewijde, aan U gehecht.
De Alvervulde zei:
Tekst
6
O Uddhava, de voorschriften
op dit gebied zijn zonder tal.
Ik zeg het je allemaal in kort,
maar wel precies en stap voor stap.
Tekst
7
Van de drie wijzen waarop men
Mij eren kan - de Vedische,
de Tantrische, de tussenvorm -
kiest men de meest aansprekende.
'Tantrische'
heeft hier betrekking op teksten als van de
Pan'carâtra-canon, die in ouderdom niet
voor de Veda's onderdoen. Ze bevatten onder
meer tal van precieze praktische aanwijzingen
over de aanbidding van de Hoogste Godspersoon
in Zijn mûrti- of
altaarbeeld-gedaante.
Tekst
8
Hoor nu van Mij hoe iemand die
zoals de Veda 't aanbeveelt
zijn geestelijke geboorte ontvangt
Me vol geloof en liefde aanbidt.
Met
de term 'geestelijke geboorte' wordt hier
dvijatâ vertaald, dat letterlijk
tweede-geboorte-staat (dvi-ja-tâ)
betekent. De eerste - lichamelijke - geboorte
is die uit de moederschoot, de tweede - de
geestelijke - die uit de mantra's van de
geestelijk leraar. Bij die gelegenheid krijgt
een jonge brahmaan de heilige draad
omgehangen.
Tekst
9
Met al het nodige eert hij Mij,
zijn Heer, vol liefde en klaar van geest
als Altaarbeeld, als Offergrond,
als Vuur, Zon, Water en in 't hart.
Tekst
10
Hij loutert zich lichamelijk
door reiniging van mond en bad
waarbij hij mantra-prevelend
zich siert met klei en dergelijke.
Het
hoofd, de armen en het verdere bovenlichaam
worden volgens vast patroon getooid met een
teken van heilige klei, dat veelal een
lotusvoet van de Alvervulde representeert.
Bij het aanbrengen van elk teken afzonderlijk
wordt een mantra gepreveld, zoals bij
voorbeeld bij het aanbrengen van het teken op
het voorhoofd om kes'avâya namah (eer
aan de bovenzinnelijke Rijkgelokte (Krishna).
Het lichaam kan tevens worden ingewreven met
zand of stof van grond aangeraakt door de
lotusvoeten van een avatâra of zuivere
toegewijde of met as van het heilig
offervuur.
Tekst
11
Zoals Mijn Veda 't onderricht
brengt hij Me op de drie tijdspunten
vol aandacht eer en doet wat moet,
waardoor zijn karma het begeeft.
De
drie 'tijdspunten' of sandhyâ's zijn de
overgang van nacht naar dag (rond zeven uur
's ochtends), het middaguur en de
overgang van dag naar nacht (rond zeven uur
's avonds). Tijdens deze sandhyâ's
prevelt de tweemaal-geborene in uiterste
concentratie de gâyatrî-mantra,
die zijn guru hem gegeven heeft.
Tekst
12
Het Beeld waarin men Mij aanbidt
is er steeds één van acht:
mentaal,
van steen, metaal, hout, edelsteen,
van zand, geschilderd of gekneed.
Tekst
13
Zo'n Beeld, waarin de Heer verblijft,
is òf verplaatsbaar òf staat
vast.
Als 't vaste eenmaal verwelkomd is
zegt de vereerder 't nooit vaarwel.
De
Heer verblijft in al wat is, dus ook - en met
bijzonder verlangen naar de liefde van Zijn
dienaars die Hem daarin zoeken - in Zijn
Beeld of mûrti, die door een toegewijde
kunstenaar is vervaardigd volgens het in de
geschriften vastgelegde getuigenis van grote
zielen die de Alvervulde in levenden lijve
hebben aanschouwd. Is de mûrti eenmaal
op gepaste wijze op een vaste plaats, meestal
een tempel- of huisaltaar,
geïnstalleerd, dan is dat voortaan Zijn
plek, waar de toegewijden Hem komen dienen.
Vele zijn de verhalen van de beantwoording
van de mûrti van de liefde van Zijn
dienaars - door tot ze te spreken, voor ze te
dansen of anderszins persoonlijk met ze om te
gaan.
Tekst
14
Een Beeld geschetst in zand, soms ook
een los, zegt men steeds weer vaarwel.
Men baadt alle - níet die van klei:
die worden netjes schoongemaakt.
Een
in zand getekende mûrti van de
Alvervulde moet na gedane verering met de
nodige afscheidsgebeden worden uitgewist om
te voorkomen dat mens en dier er overheen
zullen lopen.
Tekst
15
Mijn dienaar zal Me in ieder Beeld
van mâyâ vrij vereren met
het beste dat hij krijgen kan;
in 't Beeld-in-'t-hart met liefde slechts.
Tekst
16
Voor 't Altaarbeeld, o Uddhava,
zijn bad en sier Me altijd het liefst,
tattva-vinyâs' voor 't
Beeld-in-'t-zand
en graan en boter voor het Vuur
Tattva-vinyâsa:
aanbrenging van de tekening van het te
vereren Godsprincipe.
Tekst
17
De Zon schenkt men gebeden liefst
en 't Water biedt men water aan.
De bhakta geeft liefst met geloof,
al is 't een beetje water maar.
Tekst
18
Gaven waarmee 'k word overstelpt,
doch zonder liefde, doen Me niets,
maar wierook of het lichtje van
een toegewijde maakt Me al blij.
Tekst
19
Rein en van 't nodige voorzien,
op kus'a-gras, dat oostwaarts ligt,
eert men Mij oost- of noordwaarts of
recht naar Mijn Beeld, als 't anders staat.
Kus'a
is heilig gras, waarvan matjes worden
gevlochten, die de toegewijde bij de verering
van de mûrti tot zitplaats dienen. Bij
mentale verering, zoals tijdens meditatie op
de gâyatrî-mantra, zit hij
tijdens de ochtend- en middag-sandhyâ
naar het oosten en tijdens de
avond-sandhyâ naar het noorden. Bij
directe verering van een vaste mûrti
wiens rug niet naar het oosten of noorden is
gericht, zit de toegewijde recht voor de
mûrti.
Tekst
20
Na nyâs' en nyâsâ reinigt
men
mijn Beeldgedaante met de hand
en maakt de sprenkelpot gereed
zoals dat altijd wordt gedaan.
Nyâsa
en nyâsâ zijn
louteringshandelingen waarbij aan (de
verschillende lettergrepen van) de mantra's
die bij de verering worden gebruikt hun vaste
plaats op de hand en andere delen van het
lichaam wordt toegekend, zodat de toegewijde
als het ware door heilige klank raakt
ingesponnen. Zulke mantra's ontvangt de
toegewijde bij zijn initiatie.
Tekst
21
Daarmee besprenkelt men 't altaar
en de offeranden en zichzelf.
Men maakt drie waterpotten klaar
met dit en dat ingrediënt.
De
drie waterpotten bevatten voetwaswater
(pâdya), begroetingswater (arghya) en
mondwaswater (âcamanîya), elk met
hun geëigende toevoegingen.
Tekst
22
Met hart- en hoofd- en kruin-mantra
loutert men na elkaar voetwas-,
verwelkomings- en mondwas-pot
en alle met de gâyatrî.
De
hart-mantra: hridayâya namah; de
hoofd-mantra: s'irase svâhâ; de
kruin-mantra: s'ikhâyai vashat.
Tekst
23
In 't lichaam rein door lucht en vuur
stelt men Me als 't lichtste in 't hart zich
voor -
als een verloste ziel aan 't eind
van 't OM - als Bron van al wat leeft.
Het
'lichtste' of subtielste 'in 't hart'
is Krishna als Paramâtmâ of
Opperziel, op wie de bhakta mediteert.
Tekst
24
Vol van dat lichtste als 't eigenste in
zichzelf eert men de Heer, waarna
men Hem met mantra's nodend in
het Beeld doet opgaan en aanbidt.
Tekst
25
Men kent Me 'n troon toe, welversierd
met dharma's en de s'akti's ook,
waarop een achtblad-lotus prijkt
met oplichtend saffraangeel hart
De
dharma's: deugd, kennis, onthechting en
majesteit en hun tegendelen ondeugd,
onwetendheid, gehechtheid en geknechtheid; de
sakti's of vermogens: zuiverheid,
verhevenheid, wijsheid, daadkracht,
bovennatuurlijk vermogen, nederigheid,
eerlijkheid, macht en gratie.
Tekst
26
Waarna men Mij 't drievoudig nat
en de andere offergaven schenkt,
Vedisch of Tantrisch, waardoor men
verlossing en geluk ontvangt.
Tekst
27
Achtereenvolgens eert men dan
Mijn werpschijf, kinkhoorn, scepter, zwaard,
Mijn pijlen, boog, ploegijzer, knots,
kaustubha, bloemenkrans, s'rîvats'.
Het
ploegijzer is het machtsteken van
Krishna-Nârâyana's Expansie
Sankarshana; de kaustubha is het
bovenzinnelijk juweel aan
Nârâyana's halsketen en de
s'rîvatsa is de gouden krul op Zijn
borst, waarop S'rî of Lakshmî, de
Geluksgodin, Haar wondermooie hoofdje mag
laten rusten.
Tekst
28
Nanda, Sunanda, Garuda,
Pracanda, Canda eert men ook,
Mahâbal', Bal' en bovendien
Kumud' en Kumudekshana.
Deze
persoonlijkheden zijn directe metgezellen van
Nârâyana.
Tekst
29
Met water enzovoort eert men,
elk op zijn plek, Mij toegewend,
Durgâ, Ganesha alsook Vyâs',
Vis'vakshena, leraar en god.
De
zinsnede 'Mij toegewend' geeft aan dat deze
grote persoonlijkheden zich ten opzichte van
Krishna-Nârâyana in
ondergeschikte positie bevinden.
Tekst
30
Met mantra's overgiet men 't Beeld
iedere dag naar draagkracht met
water waarin sandel, us'îr',
kamfer, kunkuma, aloë
Al
deze substanties zijn geurig, kleurig of
beide.
Tekst
31
En zingt er Veda-zangen bij
als Svarna-gharm', Purusha-sûkt',
Mahâpurusha-vidyâ en
de Râjan' uit de Sâma Ved'.
Al
deze gezangen loven de Hoogste
Godspersoon.
Tekst
32
Vol liefde tooit Mijn dienaar Mij
gepast met kleren, heilige draad,
sieraden, tilak', bloemenkrans
en wrijft Me met reukolie in.
Tilaka
is een heilig teken dat met klei of kleurige
balsem op de huid wordt aangebracht.
Tekst
33
Gelovig biedt hij Mij dan aan:
voetwas- en mondwaswater en
ook reukwaar, bloemen, breukvrij graan,
wierook en lichtjes en zo meer.
Tekst
34
En naar vermogen offert hij
Me rijstebrij en suikerwerk,
rijstekoekjes en fijn gebak,
yoghurtspijzen en groentensoep.
Tekst
35
Op feestdagen of dagelijks
houdt hij Me een spiegel voor, zalft Me,
reinigt Mijn tanden, geeft Me een bad
en voedt Me en danst en zingt voor Me.
Tekst
36
Een richel en een geul rondom
vervaardigend, ontsteekt hij in
een holte een offervuur, dat hij
dan eigenhandig aanwakkert.
Tekst
37
Hij spreidt er kus'a-gras omheen,
besprenkelt het, doet hout in 't vuur,
besprenkelt de offerwaar, waarna
hij Me in de geest aldus aanschouwt:
Tekst
38
Mijn huid zo licht als vloeibaar goud;
in Mijn vier handen heel gracieus
wiel, kinkhoorn, lotus, knots; sereen;
Mijn kleed geel als een lotushart
Tekst
39
Met hoofdtooi even stralend als
boven- en onderarmbanden
en gordel; s'rîvats' op Mijn borst
met kaustubha en bloemenkrans.
Tekst
40
Na deze meditatie en eer
voedt de intelligente offeraar
met houtspaanders gedrenkt in ghî
het vuur voor beide âghara's
Âghara's
zijn boterolie-sprenkelingen, de ene van
noord naar zuid en de andere van zuid naar
noord.
Tekst
41
En homa's met Purusha-sûkt'
en basis-mantra's waardoor hij
de zestien goden na elkaar
met boterplengingen gedenkt.
De
homa's, âjyabhâga's genaamd,
bestaan in volle ghî-plengingen in het
vuur. Het Purusha-sûkta bestaat uit
zestien delen, elk ter ere van een der goden
in dienst van Krishna-Nârâyana,
die ieder met een basis-mantra verbonden
zijn.
Tekst
42
Na al deze eer vergast hij voorts
Mijn metgezellen op een maal
en zegt de hoofd-mantra waarbij
hij Brahman als Nârâyan' ziet.
De
hoofd-mantra is hier om
nârâyanâya namah (eer aan
de boven-zinnelijke
Nârâyana).
Tekst
43
Hij schenkt Me mondspoelwater en
geeft Vis'vakshena de offerrest
waarna hij Me iets wat kruidig ruikt
om op te knabbelen aanbiedt.
Vis'vakshena,
naaste metgezel van de Heer, ontvangt Zijn
prasâda of genade, namelijk datgene wat
Hij van het offermaal overlaat.
Tekst
44
Hij zingt het uit en danst erbij
en voert Mijn daden op als spel
en spreekt van Mij en hoort van Mij
en blijft daar tijden van verrukt.
Tekst
45
Na allerlei gebed en zang
uit de geschriften oud en nieuw
smeekt hij neervallend als een stok:
'O Alvervulde, schenk me Uw gunst!'
Tekst
46
Zijn hoofd vlak voor Mijn voetenpaar,
dat hij met beide handen grijpt,
bidt hij: 'Heer, red Uw dienaar uit
de angstwekkende oceaan des doods!'
Tekst
47
Eerbiedig plaatst hij de offerrest
door Mij geschonken op zijn hoofd
en haalt, als 't moet, het licht dat hij
in 't Beeld liet gaan terug in zichzelf.
'Als
't moet': namelijk in geval van bepaalde
verplaatsbare mûrti's (zie vers
13).
Tekst
48
Hij kiest de Vorm waarin hij Mij
aanbidden wil naar zijn geloof:
Ik, Ziel van al, verwijl in al
't geschapene alsook in hemzelf.
Tekst
49
Wie Me eert volgens de regels van
het Vedisch of het Tantrisch pad
bereikt èn nu alsook hierna
de vervolmaking die hij zoekt.
Tekst
50
Hij bouwt een sterke tempel voor
Mijn Beeld en daaromheen legt hij
lieflijke bloementuinen aan
voor eredienst en heilig feest.
Tekst
51
Om te allen tijde de eredienst
voortgang te laten vinden schenkt
hij gul grond, nering, dorp en stad
en wordt zo even rijk als Ik.
Tekst
52
Al wie Mijn Beeld opstelt ontvangt
de hele wereld; het heelal
wie 'n tempel bouwt; en Brahmâ's
oord
wie daaglijks de eredienst verricht -
en wie dit àlles doet ontvangt
een staat gelijk aan die van Mij.
De
belofte van 'een staat gelijk aan die van'
Nârâyan verwijst naar een
bijzondere staat van verlossing waarin men
een gedaante ontvangt gelijk aan de Zijne of
rijkdom bezit gelijk aan de Zijne en zo
meer
Tekst
53
Wie Me zijn toewijding bewijst
zonder begeerten komt tot Mij.
Die ware toewijding ontvangt
al wie Me aanbidt zoals gezegd.
Tekst
54
Wie 't offer steelt - van derden of
hemzelf - aan godheid of brahmaan
komt honderd miljoen jaren terug
als worm die kronkelt in de drek.
Tekst
55
Al wie daarbij betrokken is -
dief, helper, heler, profiteur
of aanstichter - krijgt na zijn dood
het loon dat met zijn aandeel
strookt.
(Bron: S.B.
11.27)