|
|
|
|

|
Hoofdstuk
20
|

|
HET
LIED VAN KEIZER
PURÛRAVÂ
|
Tekst
1
Wie 't lichaam, dat naar Mij verwijst,
verworven heeft en Mij vereert
vindt de Opperziel, die woont in 't hart,
in staat van gelukzaligheid.
De
woorden mal-lakshanam, 'teken van Mij' of
'verwijzing naar Mij', herinneren aan het
bijbels gegeven dat de mens geschapen is naar
Gods beeld (Genesis 1:26-27). Omdat het
slechts via de menselijke levensvorm is dat
de Alvervulde kan worden gerealiseerd, mag
het als volmaakt tegemoetkomend van Hem
worden beschouwd dat Hij het menselijk
omhulsel van de ziel een gedaante verleent
die de Zijne weerspiegelt, hetgeen het
aangaan van een persoonlijke liefdesrelatie,
die voor haar verlossing zo wenselijk is, tot
het uiterste vergemakkelijkt.
Tekst
2
Een mens die hecht verankerd in
de kennis is verlost geraakt
van de oorzaak van 't bekneld bestaan
blijft, ook al wordt hij steeds omringd
door de bedriegelijke schijn
der guna's, van illusie vrij.
Tekst
3
Men mijde 't valse mensenslag,
dat leeft voor buik en onderbuik
en dat zoals een blinde een blinde
ons meesleept in zijn diepe val.
Tekst
4
De grote vorst Purûravâ,
opzij gezet door Urvas'î,
zijn lief, zong, eenmaal uitgehuild,
berustend het navolgend lied.
Tekst
5
Toen ze 'm verliest schreeuwde de vorst
gek van verdriet, terwijl hij haar
naar buiten volgde, hoewel naakt:
'Loop toch niet weg, wees niet zo wreed! '
Tekst
6
Onverzadigbaar in zijn lust
al maar opgaand in Urvas'î,
zag hij jaar in, jaar uit niet eens
't verschil meer tussen dag en nacht.
Purûravâ zong:
Tekst
7
Helaas, hoe dwaas ben ik geweest,
met mijn van lust vergeven hart
hecht in de greep van die godin,
dat ik mijn leven niet zag gáán
Tekst
8
Door haar verdwaasd zag ik niet meer
wanneer de zon kwam en verdween!
Helaas, zo zijn de dagen van
vele jaren voorbijgegaan
Tekst
9
Ik, kroonjuweel der koningen,
was zo begoocheld dat ik, ach,
mijn lichaam tot een knuffeldier
in vrouwenhanden worden liet!
Tekst
10
Terwijl ze mij en heel mijn staat
verliet als was 'k een plukje gras,
holde ik haar spiernaakt achterna
terwijl ik mekkerde als een gek.
Tekst
11
Waar bleef mijn keizerlijke macht,
mijn invloed, heel mijn majesteit
toen &endash; ezel! &endash; ik die ezelin,
die me getrapt had, nadraafde?
Tekst
12
Wat baat ascese of kennis of
onthechting, Veda-onderzoek
of eenzaamheid of stilzwijgen
als 't hart op hol slaat om een vrouw!
Tekst
13
Weg met mij, schijngeleerde dwaas,
die zijn belang vergat en zich,
hoewel toch keizer, door een vrouw
liet voeren als een geit of rund!
Tekst
14
Mijn lust bleef onverzadigbaar
als vuur waarin men boter plengt,
al zwelgde ik zó veel jaren van
de nectar van Urvas'î's mond!
Tekst
15
Ach, wie behalve de Opperheer,
die in Zichzelf slechts vreugde kent,
de Onpeilbare, bevrijdt een hart
gekerkerd door een minnares?
Tekst
16
Hoewel ze me zelf waarschuwde
in klare taal, stom als ik was
en onbeheerst van geest en zin,
bleef mijn verwarring even groot.
Tekst
17
't Kwam door mijn onbezonnenheid!
Zij heeft me niet meer kwaad gedaan
dan een stuk touw dat iemand die
niet helder kijkt voor 'n slang aanziet.
Tekst
18
Een lichaam blijft vol rommel, stank
en smerigheid, al dunkt men het
in zijn onwetendheid de geur
van bloemen en hun schoonheid toe.
Tekst
19
En aan zo'n voos, onzuiver lijf,
waarvan men niet eens zeggen kan
aan wie 't behoort, aan ouders, vrouw,
vuur, meester, honden, gieren, ziel
Tekst
20
Familie, vrienden, hécht men zich
terwijl men zegt: 'Kijk toch hoe fraai
dat vrouwenkopje met die lach
en dat lief neusje &endash; acht wat mooi!'
Tekst
21
Staat iemand die geniet van zo'n
verzameling huid, vlees, spier, bloed,
vet, merg, bot, drek, urine en pus
wel hoger dan een made of pier?
Tekst
22
Wie zo naar alles kijkt houdt zich
van vrouwen en hun aanhang ver:
de geest woelt immers slechts wanneer
zintuig en object samengaan!
Tekst
23
Door wat men nimmer ziet of hoort
raakt men ook nimmer aangedaan.
Houdt men de zinnen in bedwang,
dan blijft de geest &endash; ontzien &endash; in
rust.
Tekst
24
Geen omgang van de zinnen meer
met vrouwen en hun aanhang dus.
Soms valt een wijze zelfs ten prooi
aan lust of passie &endash; ik dan niet?
De Alvervulde zei:
Tekst
25
Zo zong de glorie van deze aarde en hoger
en trok zich terug uit Urvas'î's
omgeving
waarna hij in zichzelf het Zelf &endash; Mij
&endash; kende
en door die kennis vrij van dwaasheid rust
vond.
Tekst
26
Wie zijn verstand gebruikt verruilt
verkeerd gezelschap voor dat van
gelouterden, wier woorden hem
van zijn gehechtheid losmaken.
Tekst
27
Onafhankelijk, Mij gewijd,
kalm, elk gelijk gezind, zijn zij,
zonder dualiteit en lust,
van hebzucht en van zelfzucht vrij.
Tekst
28
Die zaligen, gelukkigen,
hebben 't voortdurend over Mij,
waardoor het kwaad van ieder die
hen spreken hoort raakt uitgewist.
Tekst
29
Wie hoort, zelf spreekt of vol respect
't gesprokene ter harte neemt,
raakt vol geloof aan Mij gehecht
en vat zo bhakti op voor Mij.
Tekst
30
Wat zal een sâdhu in 't bezit
van bhakti zoeken buiten Mij,
de extase zelf, die Brahman ben,
met kwaliteiten zonder tal?
Dit
vers geeft op sublieme wijze aan dat Brahman,
gezien Zijn 'kwaliteiten zonder tal' - groter
differentiatie is niet denkbaar - zoals
overal elders in het Bhâgavata
Purâna geheel samenvalt met de Persoon
van de Alvervulde en het Zijne.
Tekst
31
Zoals men kou en angst kwijtraakt
en licht vindt bij het offervuur,
gaan angst en kou en vindt men licht
wanneer men Mijn getrouwen dient.
Tekst
32
De kalme Brahman-kenners zijn
voor hen die ronddobberen in
de barre levenszee een schip
dat hen van de verdrinking redt.
Tekst
33
Zoals voedsel het leven vormt
van ieder schepsel, zoals Ik
de toevlucht der verdrukten ben,
zoals de dharma 'n schat is voor
wie sterft, zijn zij de toeverlaat
van elk die vreest voor de ondergang.
Tekst
34
Zij leren ons 't inwendig zien;
de zon toont niets dan buitenkant.
't Zijn goden, onze hartsvrienden,
ons eigen zelf zijn zij, ja Mij!
Tekst
35
De keizer, die geen lust meer had
om nog bij Urvas'î te zijn,
trok daarop innerlijk voldaan
en vrij over de wereld rond.
Krishna
identificeert Zich met Zijn zuivere
toegewijden. Zijn woorden herinneren aan die
van vers 8.15, waarin Hij aan Uddhava, zelf
zo'n zuivere toegewijde, verklaart dat
niemand Hem zo lief is, ja zelfs Hijzelf
niet, als Uddhava. In 11.27 zegt Hij over de
zuivere toegewijde in de gedaante van
geestelijk leraar: 'Zie de leraar als
Mijzelf.'
(Bron: S.B.
11.26)
|
|