|
|
|
|

|
Hoofdstuk
14
|

|
KARMA,
JN'ÂNA en BHAKTI
|
Uddhava zei:
Tekst
1
De geschriften, o Lotusoog,
Van U, de Heer van al, bestaan
in aanbeveling en verbod
over handelen goed en kwaad
Tekst
2
En kaste en levensfase en juist
en onjuist huwelijk en plaats,
omstandigheid en tijd en zaak,
over de hemel en de hel.
Tekst
3
Hoe kunnen zonder 't woord van U,
van aanbeveling en verbod,
dat goed en kwaad verduidelijkt,
de mensen 't hoogste heil ooit zien?
Tekst
4
Voor god en mens en voorouder
is toch Uw Veda 't heilrijk oog
waarmee ze 't ongeziene zien
en 't doel alsook de weg erheen?
Tekst
5
Verschil zien tussen goed en kwaad
leert ons Uw Veda, niet ons hart;
zegt dan Uw Veda: 'Géén
verschil!'
dan komt daar toch verwarring van?
De Alvervulde zei:
Tekst
6
Drie wegen heb ik aangeduid
Waarlangs de mensheid òp kan gaan:
't jn'âna-, 't karma- en 't bhakti-pad
- andere wegen zijn er niet.
Tekst
7
Jn'ân' is voor hen die, 't streven
zat,
van 't handelen staan afgewend
terwijl het karma-pad er is
voor hen die aan genot hechten.
Tekst
8
Maar wie gehecht of niet gehecht
gevoel begint te krijgen voor
hetgeen men over Mij verhaalt
wordt via 't bhakti-pad volmaakt.
Tekst
9
Men volge 't karma-pad zo lang
men onvoldaan blijft of zo lang
men nog niet gretig luistert naar
't verhaal van Mij, of 't zelf vertelt.
Tekst
10
Wie offert naar zijn plicht het wil
en daarvan geen genot verlangt
gaat niet omhoog en niet omlaag
of hij moet ervan afwijken.
Tekst
11
Zo'n plichtbetrachter, zondeloos
en rein, krijgt hier op aarde reeds
die jn'ân'; of als vanzelf ontvangt
hij bhakti, toewijding tot Mij.
Tekst
12
Het helle- en zelfs het hemelvolk
verlangt naar 't aards bestaan waarin
bhakti en jn'ân' te krijgen zijn,
waar men bij hen vergeefs naar zoekt.
Tekst
13
'n Verstandig mens verlangt niet naar
een hemelreis of hellevaart
noch naar een volgend leven hier,
opnieuw verbijsterd door een lijf
Tekst
14
Dat, hoewel sterfelijk, hem toch
de kans op vervolmaking biedt:
derhalve streeft hij vóór zijn
dood
klaarwakker boven 't lagere uit.
Tekst
15
Wanneer door knechten van de dood
de boom geveld wordt waarin hij
zijn nest gebouwd heeft, vliegt hij weg,
de vogel, vrij, want niet gehecht.
Tekst
16
Wie weet hoe lang een lichaam leeft
duchte de bijl van dag en nacht:
de Hoogste kennend, vindt hij vrij
van band en binding vrede alom.
Tekst
17
Wie met dit schaars lichaam, dat hij toch maar
bezìt,
als zeer geschikt vaartuig, de leraar als het
roer,
door Mij als hoogst gunstigste wind steeds
voortgestuwd,
de levenszee níet wil doorkruisen, doodt
zichzelf.
Tekst
18
Wie 't stoffelijke niets meer zegt
houde zijn zinnen in bedwang
alsook zijn geest, onwankelbaar,
door te oefenen van binnenuit.
Hier
beschrijft Krishna het moeilijke pad van
jn'âna-yoga, waarbij alles op eigen
concentratie aankomt.
Tekst
19
Wanneer de geest zich concentreert
maar plots weer aan het dwalen slaat
dient hij zorgvuldig, met beleid
opnieuw onder bedwang gebracht.
Tekst
20
Verlies de geest niet uit het oog:
tem de adem en de zinnen en
geleid hem door 't verstand, gesterkt
met zuiverheid, tot zelfbedwang.
Volgens
de Bhagavad-gîtâ (3.42) zijn de
zinnen hoger dan het lichaam, is de geest
(manas) hoger dan de zinnen en het verstand
(buddhi) hoger dan de geest. Een verstand dat
van tamas en rajas vervuld is kan de geest
niet boven tamas en rajas uit leiden, maar
een verstand vervuld van sattva kan dat wel.
Boven het verstand, daarvan gescheiden door
de ahankâra (het valse zelf of
materiële ego, het psychosomatisch
magnetisme, dat haar omlaag probeert te
trekken, tot ze voldoende tegenkracht zal
hebben ontwikkeld), verwijlt de individuele
ziel (jîvâtma), die weliswaar
door lichaam en geest omkluisterd is, maar er
nooit werkelijk door kan worden
aangetast.
Tekst
21
Dat nu noemt men de hoogste weg:
't geheel beteugelen van de geest
alsof hij 'n paard is dat men leert
steeds trouw te doen wat men het zegt.
Tekst
22
Analyseer elk element
in dit aspect en dat aspect,
in zijn ontstaan en zijn vergaan,
totdat de geest tevreden is.
Bij
deze innerlijke ontleding onderscheidt de
geest vroeg of laat de vergankelijkheid van
de elementen waardoor hij zich telkens weer
op sleeptouw laat nemen, waarop hij tevreden
afhaakt.
Tekst
23
De geest van wie, dit leven beu,
onthecht, zijn leraar goed begrijpt
verzaakt het valse zelf door steeds
weer te beseffen wat hij schouwt.
Tekst
24
Door yoga van 't achtledig pad,
door schouwende analyse of door
aanbidding, anders niet, moet men
de geest verbinden met het Doel.
De
yoga van 't achtledig pad,
ashthânga-yoga, bestaat uit:
1. yama (zelfbeteugeling);
2. niyama (naleving van voorschriften);
3. âsana (het aannemen van de juiste
zithouding);
4. prânayama (adembeteugeling);
5. pratyâhâra (loskoppeling van
de zinnen van de zinsobjecten);
6. dharanâ (concentratie);
7. dhyâna (doorlopende meditatie);
en
8. samâdhi (mystieke eenheid).
Tekst
25
Wanneer men daarbij per abuis
een fout begaat, is het alleen
door yoga zelf en anders niet
dat men het kwaad van dien verzengt.
Tekst
26
Standvastigheid op 't eigen pad
wordt als verdienstelijk toegejuicht.
Ons werk is geenszins puur van aard:
aangeven wat er al dan niet
aan schort, laat zien: 'Daar ligt de grens',
zodat men zich onthechten kan.
Tekst
27
Heeft men, het werken moe, geloof
in wat men over Mij verhaalt,
maar kan men zich niet losmaken
van zijn genot, hoe schamel ook
Tekst
28
Dan brengt men Mij toch vrolijk eer,
gelovig en vast overtuigd,
terwijl men bij 't genieten steeds
het smartelijke ervan betreurt.
Tekst
29
Elk aards verlangen van wie Mij
langs 't bhakti-pad steeds innerlijk
vereert, gaat zo te niet: Ik zorg
daarvoor vanuit een ieders hart.
Tekst
30
De knoop schiet los in 't hart van hem
die Mij als 't Zelf van al herkent,
hij heeft geen enkele twijfel meer,
zijn karma mindert en verdwijnt.
De
knoop: van de ahankâra, het
materiële ego.
Tekst
31
Dus zijn voor wie aan Mij gehecht
door bhakti zich verbindt met Mij
't verzakings-pad en dat van jn'ân'
hier meestal geenszins zegenrijk.
Tekst
32
Wat men door karma-yog' en jn'ân',
verzaking en barmhartigheid,
ascese en siddha-yoga en
nog veel meer zegenrijks bereikt
Tekst
33
Bereikt Mijn bhakta met gemak
langs 't pad der toegewijde dienst
de hemel en verlossing en
Mijn Woning, wat hij zich maar wenst.
Krishna
verklaart hier onomwonden, explicieter nog
dan in de Bhagavad-gîtâ
(6.46-47), dat bhakti-yoga het hoogste pad
is. Het leidt immers voorbij de
(fijnstoffelijke) godenhemel, het doel van
karma-yoga, en voorbij algehele verlossing in
het Brahman-licht, het doel van
jn'âna-yoga, naar Krishna's eigen
Woning in het hart van Brahman, die voor de
karma- en de jn'âna-yogî
onbereikbaar blijft.
Tekst
34
Rotsvast alleen Mij toegedaan
wensen Mijn toegewijden niets
van Mij, zelfs geen bevrijding uit
de kringloop van geboorte en dood.
Tekst
35
Begeerteloosheid noemt men wel
welzijn van 't opperste niveau.
Wie niets verlangt, vrijheid noch loon,
ontvangt zó toewijding tot Mij.
Karma-yoga
vervult het zelfzuchtig verlangen naar het
hoogste genot van de wereld;
jn'âna-yoga vervult het zelfzuchtig
verlangen naar definitieve verlossing uit de
ellende van de wereld; bhakti-yoga vervult
het zelfwegcijferend verlangen van absolute
dienstbaarheid aan het genoegen van de
Alvervulde, die zowel aan de hoogste wereldse
sfeer als aan de dimensie der verlossing
ontstegen is. Dat deze dienstbaarheid, zoals
de bhakti-geschriften niet nalaten te
onderstrepen, tot een geluk leidt waarbij de
vreugde van de karma-yogî en de
opluchting van de jn'âna-yogî
verbleken, lijkt een niet te versmaden
bijeffect.
Tekst
36
Toegewijden, bedaard van geest
Mij toegedaan met hart en ziel,
uitgestegen boven 't verstand,
staan boven 't Vedisch goed en kwaad.
Met
deze woorden grijpt Krishna terug naar
Uddhava's vragen in vers 1-5.
Tekst
37
Zij die de paden volgen die
aldus zijn uitgelegd door Mij
vinden 't geluk in Mijn Domein,
dat ze als het Hoogste Brahman zien.
(Bron: S.B.
11.20)
|
|