De koning zei:
Tekst
1
'k Wil weten hoe mijn grootvader,
Arjun', in 't huw'lijk trad met Râm's
En Krishna's zus, mijn grootmoeder -
Vertel me alles, o brahmaan.
Shukadeva zei:
Tekst
2
Toen eens Arjun', op bedevaart,
Steeds verder trok van oord tot oord
Hoorde hij in Prabhâs' over
De dochter van zijn moeders broer.
Tekst
3
Râm' wou geen ander als haar man
Dan Duryodhan'
Arjun', die haar
Begeerde, reisd' als bedelaar
Met driestaf af naar Dvârakâ.
De
driestaf wordt gedragen door
vishnuïetische sannyâsi's. De staf
bestaat uit drie stokken die bijeengehouden
worden door een saffraankleurige katoenen
wikkel; een klein, ietwat gebogen stokje is
even onder de top van de drie stokken
ertegenaan gebonden, eveneens met saffraan
omwikkeld. Het stokje vertegenwoordigt de
ziel en de drie stokken symboliseren de
drievoudige zelftucht - ter ere van Sri
Vishnu - van denken, spreken en
handelen:
Een
driestaf dragende bedelmonnik denkt en
spreekt slechts over Sri Vishnu en handelt
slechts in Zijn dienst. Arjuna's optreden als
wereldverzakende driestafdrager met de
bedoeling zich de hand van een bruid te
verwerven mag onorthodox worden
genoemd.
Tekst
4
Voortdurend op zijn doel gericht
Bleef hij daar heel de regentijd,
Onthaald door iedereen én Râm'
-
Geen kende zijn identiteit.
Dat
zelfs de alwetende en alziende Balarâma
Arjuna niet herkende geeft aan dat Krishna
dat zo wilde, want Krishna is de enige door
wiens macht Balarâma begoocheld kan
worden. Tijdens de vier maanden van de
regentijd reizen de anders altijd
rondtrekkende bedelmonniken niet, maar worden
nu eens door de ene, dan weer door de andere
huisman uitgenodigd zijn gezin met hun
heiligende aanwezigheid te zegenen. Als
sannyâsi de regentijd doorbrengend in
Dvârakâ, mocht Arjuna erop
rekenen bij de gastvrije Sri Balarâma
aan huis te worden genood.
Tekst
5
Eens nodigde Sri Balarâm'
Hem bij Zich thuis te eten uit,
Waar hij een maaltijd at die hem
Vol toewijding werd voorgezet.
Tekst
6
Daar zag hij de beeldschone maagd,
't Idool van elke kshatriya:
Meteen voor haar in vuur en vlam
Zag hij haar opgetogen aan.
Tekst
7
Ook zij was dadelijk verliefd,
Glimlachte hem verlegen toe
En schonk de vrouwenhartendief
Haar oogopslag en haar gemoed.
Tekst
8
Uitsluitend denkend nog aan haar
Wachtte Arjuna op zijn kans,
Innerlijk helemaal verward,
Door wild verlangen overmand.
Tekst
9
Toen ze tijdens een tempelfeest
Uit Dvârakâ naar buiten reed
Roofde hij haar met toestemming
Van Keshav' en haar ouders mee.
Tekst
10
Al ging haar wacht nog zo tekeer,
Met zijn boog vanaf zijn karos
Vocht hij gelijk een leeuw met prooi
Zich van zijn achtervolgers los.
Tekst
11
Bij 't nieuws werd Balarâma woest
Als d' oceaan bij volle maan
Pas toen Zijn Broer en vrienden Hem
Ten voet vielen, kon Hij het aan.
Tekst
12
Mild zond Hij 't paar geschenken toe:
Rijke meubels en huisgerei,
Olifanten, wagens met paard
En knechts en vrouwen in een rij.
Shukadeva vervolgde:
Tekst
13
Er woond' in Mithilâ 'n brahmaan
Vervuld van wijsheid, Shrutadev',
Aan Krishna toegewijd, sereen,
Die 't hele leven had doorleefd
Tekst
14
Van zingenot onthecht, o vorst
Zijn plicht vervulde hij, hoewel
Hij huisman was, slechts met hetgeen
Hij zonder moeite kreeg, vanzelf.
Huislieden
zijn in de regel hard aan het werk om zich
zoveel mogelijk zingenot te verschaffen. De
huisman Shrutadeva echter was door zijn
geestelijk leven innerlijk zo verrijkt, dat
uiterlijke welstand hem onverschillig
liet.
Tekst
15
Daag'lijks schonk de Voorzienigheid
Hem wat hij nodig had - niets meer:
Daarmee tevree vervulde hij
Zijn huismansplicht in deugd en eer.
Tekst
16
Zoals híj was de koning
óók,
Bahulâshva, Mithilâ's vorst,
Evenzeer door Hari bemind,
Gespeend van egoïsm' en trots.
Tekst
17
In Zijn voldaanheid over hen
Reed d' Alvervulde, Bhagavân,
Door tal van wijzen vergezeld,
Met Dâruka naar Mithilâ.
Tekst
18
Onder hen waren Nârada,
Atri, Vyâsa, Brihaspati,
Parashurâm', Asita, ik,
Maitreyi, Kanv' en Aruni.
Tekst
19
Burger en dorpeling, o vorst,
Begroetten Hem, waar Hij ook ging,
Met offeranden als was Hij
De zon in de planetenkring.
Tekst
20
Waar Hij ook ging, in Kurujângala, Kanka,
Matsya,
Pânchâla, Kunti, Madhu, Kekaya,
Kosal', Arna,
Anarta, Dhanva - man en vrouw dronken met hun
ogen
Zijn milde lach in en Zijn blikken vol zoet
erbarmen.
Tekst
21
Zijn aanblik trok de staar der duisternis van
hun ogen
En zo schonk Hij hun 't licht der waarheid, de
Wereldherder,
En onder zang van god en mens, Krishna's luister
lovend,
Die 't Al verlicht en 't kwaad verdrijft, ging
Hij langzaam verder.
Tekst
22
Toen nu Mithilâ's burgerij
Hoorde van Krishna's komst in 't land
Dromde ze 'M vrolijk tegemoet
Met rijke gaven in de hand.
Tekst
23
Bij Zijn aanblik boog elk verrukt,
De handen boven 't hoofd tezaam,
Voor Hem en voor de wijzen neer,
Wier roem hun al was voorgegaan.
Bij
deze eerbiedige groet wordt het hoofd diep
gebogen en worden de handen als het ware als
de flanken van een spits zadeldak, met de
vingertoppen verticaal tegen elkaar, op de
kruin samengevoegd.
Tekst
24
Beseffend dat de Leraar der
Drie sferen hun genadig was
Wierpen de vorst en Shrutadev'
Zich aan Zijn voeten in het gras.
Tekst
25
Mithilâ's vorst en de brahmaan
Nodigden tegelijkertijd,
Handen gevouwen, d' Opperheer
Met alle wijzen bij zich uit.
Tekst
26
Om beiden een plezier te doen
Nam Hij d' uitnodigingen aan:
Zonder dat d' een 't van d' ander wist
Bezocht Hij beiden, Bhagavân.
Om
Zijn gastheren tegelijkertijd met een bezoek
te kunnen vereren verdubbelde Krishna
Zichzelf en Zijn gezelschap.
Tekst
27
Aan hen wier roem verborgen blijft
Voor ieder oor vervuld van kwaad
Gaf de verheven Bahulâshv'
In zijn paleis een ereplaats.
Tekst
28
Zijn hart sprong van verrukking op,
Zijn tranen kwamen neergespat
En buigend wies hij 't voetenpaar
Van elk en sprengde 't lout'rend nat
Tekst
29
Zichzelf en zijn gezin op 't hoofd
Daarop bracht hij zijn gasten eer
Met wierook, sandel, lampjeslicht,
Kransen en koeien en zo meer.
Tekst
30
Nadat hij hen rijk had onthaald
Nam hij de voeten van Hari
Op schoot, kneedde hen zacht, waarop
Hij zoetgevooisd en strelend zei:
Bahulâshva zei:
Tekst
31
Gij zijt het zelfverlichte Zelf
Dat ieder schepsels hart doorschouwt
En Zijn aanschouwing thans verleent
Aan mij, Uw lotusvoeten trouw.
Tekst
32
Gij toont U thans aan mij opdat
Uw woord bewaarheid wordt dat zegt
Dat Râm' noch Sri noch Brahmâ U
Zo lief is als Uw trouwe knecht.
Tekst
33
Wie laat Uw lotusvoeten los
Die weet dat Gij Uzélf zelfs geeft
Aan de wijze, sereen van geest,
Die niets meer in de wereld heeft?
Tekst
34
Als Yadu hier, verbreidt G' Uw roem,
Die 't gans heelal verlost van zond',
Onder de mensen in samsâr'
Opdat hun leed ten einde komt.
Tekst
35
O Alvervuld', aan U all' eer,
Vervuld van wijsheid eindeloos,
Gij zijt de Rishi Nârâyan',
Die Zich met zelfbedwang verpoost.
Nara
en Nârâyana zijn een
Dubbele-avatâra van de Heer in de
gedaante van twee roemrijke rishi's, die de
gebonden zielen de weg van absolute
wereldverzaking tonen.
Tekst
36
Oneindige, toe blijf nog wat
Met de wijzen hier bij mij thuis
En louter door Uw voetenstof
Onze familie, Nimi's huis.
Shukadeva zei:
Tekst
37
Op deze bede van de vorst
Verbleef Hij die 't Heelal bewaart
In Mithilâ, tot zegen van
Iedere man en vrouw aldaar.
Tekst
38
Even verzaligd als de vorst
Bracht Shrutadev' Achyuta eer:
Met fladderend gewaad, zegt men,
Danste hij voor Hem op en neer.
Tekst
39
Met welkomstwoorden gaf hij toen
Een strooien matj' aan elke gast
Waarop hij met zijn vrouw verrukt
De wijzenkring de voeten wast'
Tekst
40
En 't water sprengd' op 't hoofd van elk
Behorend tot zijn huisgezin
En zo zijn wensen zag vervuld,
Van vreugde werkelijk ontzind.
Tekst
41
Met simpele dingen bracht hij zijn gasten eer
-
Met vruchten, ushír'-water koel en
nectarzoet,
Met reukaarde, lotussen, tul'si, kusha-gras
En voedsel dat ieder in goedheid groeien
doet.
De
ushira-wortel verspreidt een zoete geur;
tulasi, het heilig koningskruid, Krishna's
lievelingsplant, heeft aromatische
bloemtrosjes en blaadjes, kushagras wordt
verwerkt in ceremoniële zit- of
sta-matjes.
Tekst
42
"Hoe kan het dat ik, die gevallen ben," dacht
hij,
"In 't uitzichtloos huismansbestaan, Hari mag
zien
Met al deze wijzen, in wier gemoed Hij
troont,
Wier voetenstof 't heilige heiligheid
verleent?"
Tekst
43
Nadat z' aldus waren onthaald
Nam hij met vrouw en kinderschaar
Bij Mâdhav' en de wijzen plaats
En kneedde 's Heren voetenpaar.
Shrutadeva zei:
Tekst
44
't Is niet vandaag, Hoogste Persoon,
Dat Gij U voor het eerst vertoont,
Want al wat Gij geschapen hebt
Wordt door Uzelf als Ziel bewoond
Tekst
45
Zoals een slaper in zijn geest
Door mâyâ 'n droomwereld
creëert
Waarin hij zich, naar binnen gaand,
Nu zus, dan zo, manifesteert.
Tekst
46
Gij straalt in wie Uw roem aanhoort
En die haar wereldkundig maakt
En U alsook Uw Beeld aanbidt,
Waardoor 't gemoed gelouterd raakt.
Tekst
47
Hoewel Gij woont in ieders hart
Staat Gij ver van de materialist:
Hij kan U niet verstaan, maar Gij
Staat vlak bij 'n toegewijde geest.
Tekst
48
Heil U, door Zelfkenners als Opperziel
beschouwd,
Die lichaamsgebondenen voorkomt als de dood,
Die d' oorzaken en hun gevolgenstroom
regeert,
Door d' alles-verduist'rende Mâyâ
nooit verdoofd.
Tekst
49
O God, zeg ons, Uw dienaars, toch
Wat wij nu voor U mogen doen
De mens ziet al zijn leed vergaan
Zodra Gij voor zijn blik opdoemt.
Shukadeva zei:
Tekst
50
Krishna, de welvervulde Heer -
Hij wist het leed der Zijnen uit -
Nam daarop Shrutadeva's hand
En zei glimlachend, naar verluidt:
De Alvervulde zei:
Tekst
51
Opdat u hun genaad' ontvangt
Zijn deze wijzen hier, brahmaan,
Die met hun lout'rend voetenstof
Met Mij door alle sferen gaan.
Tekst
52
Een altaarbeeld of heilig oord
Loutert geleidelijk degeen
Die 't ziet en eert, maar d' aanblik van
Een heilige loutert meteen.
Tekst
53
Geboren worden als brahmaan
Is 't best van al, vooral als men
Geleerd, beheerst is en voldaan
En liefde tot Mij - Krishna - kent.
Tekst
54
Brahmanen zijn Mij liever dan
De Vorm die Ik als Vishnu toon:
Daarin wonen de goden slechts,
Terwijl in hén de Veda woont.
Tekst
55
Onwijzen, hiermee onbekend,
Miskennen leraar, Mij, brahmaan
En ook zichzelf, omdat z' altijd
Door jaloezie zijn aangedaan.
In
Zijn Bhagavad-gîtâ laat Krishna
her en der horen dat afgunst jegens Hem een
onoverkomelijk struikelblok is op het
geestelijk pad. Arjuna mag de heilige kennis
alleen van Hem vernemen omdat hij Zijn
afgunstloze vriend is. Aan het eind van Zijn
onderricht vermaant de Alvervulde hem
(18.67): "Geen woord hiervan tot wie dan ook
/ Die tucht noch toewijding vertoont, / Die
geen gehoorzaamheid betracht, / In wie voor
Mij slechts afgunst woont."
Tekst
56
'n Brahmaan ziet alles in 't heelal -
Het roerlooz' en 't bewegende
En hun bestaansgrond in zijn geest
Als vormen uit Mij levende.
Tekst
57
Dus eer, wetend dat Ik hen ben,
De brahmarishi's allemaal:
Zó eert men Mij en anders niet,
Al doet men het met pracht en praal.
Het
is van belang hier te herhalen dat Krishna
niet mag worden geëerd in onwaardige
kaste-brahmanen, door wie Hij Zijn liefde
nimmer openbaart. Alleen de zelfvergeten
toegewijden van de Alvervulde, in wie Zijn
liefde leeft, zijn eerwaardig. Op tal van
plaatsen beschrijft het Bhâgavata
Purâna het wezen van deze ware
brahmanen, zodat een intelligente lezer weet
wie hij veilig vereren kan. Krishna benadrukt
de verering van Zijn zuivere toegewijden,
omdat wie niet eerst van hun volmaakte liefde
leren wil, Zijn liefde niet waard kan zijn:
wie de kleinen niet eert is de Grote niet
weerd.
Shukadeva zei:
Tekst
58
Zo onderricht bracht Shrutadev'
De grote dvi-ja's en Hari
In eend're zielsverrukking eer
Terwijl de vorst hetzelfde deed.
Tekst
59
Toen d' Alvervulde hun aldus,
Zijn toegewijden toegedaan,
Het heilig pad gewezen had,
Reisde Hij weer op Dvâr'kâ
aan.
(Bron: S.B.
10.86)