[HET SPEL VAN KRISHNA DL. II] S'rî Krishna Dvaipâyana Vyâsa De Bovennatuurlijke Geschiedenis van HET SPEL VAN KRISHNA IN DVÂRAKÂ onverkort herdicht naar de oorspronkelijke verzen van het Bhâgavata Purâna door Sri Hayeshvar Das (Hendrik van Teylingen) ALTAMIRA Heemstede 1992 ISBN 90-6963-164-4 NUGI 312 / 613 Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door de financële steun van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de NOVIB. ******************************************* INHOUD: Hfdst.1: Waarin de Heer een versterkte stad in zee bouwt. Hfdst.2: Waarin de Yavana tot as vergaat en Koning Muchukunda Krishna verheerlijkt. Hfdst.3: Waarin Krishna Zich in Dvârakâ terugtrekt en Rukminî een brahmaan een boodschap aan Hem laat overbrengen. Hfdst.4: Waarin Sri Krishna Prinses Rukminî schaakt. Hfdst.5: Waarin Shishupâla's bondgenoten en Rukmi het onderspit delven. Hfdst.6: Waarin Pradyumna geboren wordt en de demon Shambara aan het kortste eind trekt. Hfdst.7: Waarin er strijd geleverd wordt om de Syamantaka steen en waarin Sri Krishna met Jâmbavati en Satyabhâmâ trouwt. Hfdst.8: Waarin de Syamantaka gestolen wordt, Shatadhanvâ de dood vindt en Akrűra teruggeroepen wordt naar Dvârakâ. Hfdst.9: Waarin Sri Krishna met Zijn vijf overige Eerste Gemalinnen trouwt. Hfdst.10: Waarin de Heer een pârijâta-boom uit Indra's paradijs rooft en de demon Bhauma doodt. Hfdst.11: Waarin Sri Krishna en Rukminî Devi met Elkaar spreken. Hfdst.12: Waarin de nakomelingen van de Heer worden genoemd; en waarin Balarâma op Aniruddha's bruiloft Rukmi doodt. Hfdst.13: Waarin Aniruddha Ushâ het hof maakt en door haar vader gevangen wordt genomen. Hfdst.14: Waarin Heer Shiva Heer Krishna vereert en Aniruddha, met Ushâ, naar Dvârakâ terugkeert. Hfdst.15: Waarin de geschiedenis van Koning Nriga wordt verhaald. Hfdst.16: Waarin Baladeva eigenhandig de loop van de Yamunâ verlegt. Hfdst.17: Waarinde valse Krishna zijn loon ontvangt. Hfdst.18: Waarin Balarâma de reuzenaap Dvivida straft. Hfdst.19: Waarin Sankarshana de stad Hastinâpura naar de Ganges harkt. Hfdst.20: Waarin Nârada een blik werpt in het huiselijk leven van de Alvervulde. Hfdst.21: Waarin Krishna's dagelijks doen en laten wordt beschreven; en waarin de door Jarâsandha gevangen genomen koningen een boodschapper sturen. Hfdst.22: Waarin Krishna naar Indraprastha reist. Hfdst.23: Waarin Jarâsandha wordt verlost. Hfdst.24: Waarin Krishna naar Indraprastha terugkeert. Hfdst.25: Waarin de opstandige Shishupâla door Krishna wordt verlost. Hfdst.26: Waarin de ellendige Duryodhana belachelijk wordt gemaakt. Hfdst.27: Waarin Shâlva Dvârakâ aanvalt. Hfdst.28: Waarin Shâlva wordt verlost. Hfdst.29: Waarin Dantavaktra verlost wordt; en waarin Balarâma tijdens een pelgrimsreis Romaharshana met een grasspriet zegent. Hfdst.30: Waarin de demon Balvala heengaat en Balarâma Zijn pelgrimstocht vervolgt. Hfdst.31: Waarin Krishna een berooide brahmaan ontvangt. Hfdst.32: Waarin Krishna een builtje gepofte rijst krijgt. Hfdst.33: Waarin de Vrishni's de herders en de herderinnen ontmoeten. Hfdst.34: Waarin Krishna's Gemalinnen Zich met Draupadi onderhouden. Hfdst.35: Waarin de wijzen Krishna verheerlijken en Vasudeva een offer brengt. Hfdst.36: Waarin de Heer Zijn zes oudere broers uit de onderwereld terughaalt. Hfdst.37: Waarin Arjuna Krishna's zuster schaakt; en waarin de Heer Zijn genade bewijst aan Shrutadeva. Hfdst.38: Waarin Heer Shiva, door Vrikâsura bedreigd, door Heer Vishnu wordt gered. Hfdst.39: Waarin de wijze Bhrigu nagaat wie de Allerhoogste is: Brahmâ, Shiva of Vishnu; en waarin Krishna de gestorven zoons van een brahmaan terughaalt. Hfdst.40: Waarin de Alvervulde met Zijn Gemalinnen speelt. ******************************** VOORWOORD Iedere manier van kijken naar Vyâsa, de auteur van 'Het Spel van Krishna', heeft haar eigen blindheid. Zo zegt een blinde onderzoeker: "Naar verluidt is 'Het Spel van Krishna'samen met de hele Vedische literatuur geschreven door één persoon: Vyâsa. Dat is op zijn zachts gezegd een naďeve veronderstelling. Dit, vermeerderd met het feit dat de auteursnaam Vyâsa 'rangschikker' betekent en het feit dat de betrokken teksten in uiteenlopende stijl en in opeenvolgende fasen van de taal der Veda's en het Sanskrit geschreven zijn, laat vermoeden dat achter de naam Vyâsa een successie van eensgezind rangschikkende auteurs schuilgaat - óf de persoon Vyâsa zou een vele eeuwen levende duizendkunstenaar moeten zijn geweest. Het gemanipuleer met het auteurschap van deze literatuur doet mij vrezen dat er eveneens inhoudelijk het nodige mee gerommeld zal zijn. De traditioneel aanvaarde ouderdom van vijfduizend jaar van een tekst als 'Het Spel van Krishna', die zelfs volgens de soepelste dateringsmaatstaven niet ouder dan vijftienhonderd jaar kan zijn, versterkt mijn argwaan nog meer. Deze overwegingen vormen naast mijn principieel agnostische instelling de reden waarom ik me niet aan een tekst als 'Het Spel van Krishna' zal kunnen laven." Een blinde wijze oordeelt: "Vyâsa is één met alle wijzen. In zijn mededogen met de gebonden mensenzielen, wie het in de meeste gevallen aan de nodige intelligentie ontbreekt om zich door eigen geest- en wilskracht te ontledigen van de schijn en zo op te gaan in het eeuwige Licht, heeft hij hun een weg gewezen waarlangs hun toch de innerlijke bevrijding ten deel kan vallen. Vyâsa heeft hun in bevattelijke poëzie, waarvan hele gedeelten geschreven lijken voor kinderen van acht tot tachtig, vol wonderbaarlijke, dikwijls sprookjesachtige avonturen, het beeld geschonken van de Hoogste Persoon, Krishna, die boven de schijn verheven is. Krishna is, zoals Zijn Naam aangeeft, zo aantrekkelijk dat simpele zielen zich vanzelf aan Hem overgeven en langs deze religieuze omweg het Licht mogen binnengaan. Eenmaal in die verloste staat zullen ze zowel zichzelf als hun Held en Zijn hele kleurrijke Spel tenslotte kunnen vergeten. Stilte... Vrede ... Daar gaat het uiteindelijk om." De liefde zegt in haar blindheid: "Eer aan Vyâsa, de onsterfelijke schrijver van de Veda's, de Upanishads, het Mahâbhârata en de Purâna's! Tot op de huidige dag zegent hij de aarde met zijn aanwezigheid in Badarikâshrama in de Himâlaya... Dat mijn blote voeten mij daarheen mogen dragen! Plat op mijn buik wil ik erheen schuiven over de zieke aarde... Laat mij stamelen van de nectar die Vyâsa in me uitgiet, elk uur dat mijn hart erin zwelgt... Noch het spook der wetenschap noch de geest der wijsheid zal mij ooit kunnen vervreemden van Vyâsa en zijn woorden van absolute liefde over Krishna, de aanbiddelijke Meester van mijn ziel. Zijn Spel zal mij tot in het diepst van de eeuwigheid aan gene zijde van mijn laatste dood dierbaarder zijn dan mijn eigen leven." Het is tot deze liefde, bhakti, dat de woorden van 'Het Spel van Krishna' opwekken. En het is in een schuchter vleugje van de geest van bhakti dat ik het als nietswaardige dienaar van Vyâsa waag zijn woorden in de vorm van deze herdichting aan de Nederlandstalige lezer voor te leggen. Ik dank de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor de aan de uitgever verleende aanzienlijke subsidie, die 'Het Spel van Krishna' binnen veler bereik brengt. Ook naar de Stichting Novib gaat mijn dank uit voor de door haar geschonken bijdrage. Ik dank Stichting Lalla Rookh, Stichting Ganesh en Swami Brahm Deo Upadhyay voor hun ruggesteun bij mijn verzoek om subsidie bij het Ministerie van WVC. Onder mijn geestelijke broeders dank ik in het bijzonder Sri Jnânarâja Das en Sri Yadupati Das wegens hun inspirerende morele en praktische steun bij mijn werk aan de herdichting. En ik dank Srimatî Rukminî Devî Dasî, mijn vrouw, voor de geboden lieferijke sfeer, waarin de herdichting kon groeien en bloeien. Mijn eindeloze dank gaat uit naar mijn beide gesstelijk leraren Om Vishnupâda Paramahamsa Parivrâjakâchârya 108Sri Srimad A.C. Bhaktivedânta Svâmi Prabhupâda (1896-1977) en Om Vishnupâda Paramahamsa Parivrâjakâchârya-varya Sarva-shâstra-siddhânta-vit 108 Sri Srimad B.R. Sridhara Deva Gosvâmi (1894-1988), die in deze duistere twintigste eeuw het licht van Vyâsa in al zijn klaarheid aan het Westen hebben geopenbaard. Ook betuig ik mijn diepe dank aan de opvolger van de laatste, Sri Srimad Bhakti Sundara Govinda Deva Gosvâmi, de huidige voorzitter-âchârya van de Sri Chaitanya Sarasvata Mâtha te Nabadwip, West-Bengalen, mijn levende leraar. Ik leg mijn herdichting aan hun lotusvoeten neer. Hayeshvar Das (Hendrik van Teylingen) Sri Krishna Janmâshtami 1992 Sri Chaitanya Gemeenschap, Amsterdam ********* 'Het Spel van Krishna' wordt door enkele honderden miljoenen medemensen op aarde als een hoogst heilig boek beschouwd. Ze geven het in huis een bijzondere plaats, nemen het niet mee naar onreine plekken, zullen er niet uit lezen met ongewassen haden of tijdens het nuttigen van een maaltijd en laten het niet in aanraking komen met lectuur van de wereld; ze leggen het boek niet op de grond of op een zitplaats en slaan de bladzijden niet om met een vinger bevohtigd met speeksel. Hun voorbeeld verdient voor degeen die het wezen van 'Het Spel van Krishna' tot zich wil laten doordringen aandachtige navolging. ********** INLEIDING De Hoofdpersoon van 'Het Spel van Krishna in Dvârakâ' is Dezelfde als Die van het Mahâbhârata, waarin Hij de Bhagavad-gîtâ uitspreekt. Ik verwijs naar Hem met hoofdletters, want uit beide teksten treedt Hij naar voren als God (Sanskrit: Huta, de Aangeroepene) in eigen Persoon. 'Het Spel van Krishna in Dvârakâ' beschrijft Zijn doen en laten op aarde als Leider van het vorstenhuis der Yadu's en als Echtgenoot van duizenden Gemalinnen. Zijn hieraan voorafgaande verschijning, in India, vijf millennia en twee eeuwen geleden, en Zijn kinder- en jongenstijd worden beschreven in 'Het Spel van Krishna in Vraja en Mathurâ'. Krishna werd op bovennatuurlijke wijze geboren uit Vasudeva en Devakî, die door Devakî's neef, de onmenselijke wrede Koning Kamsa [zie SB, Canto 10], waren opgesloten. Een stem uit de hemel had Kamsa voorspeld dat Devakî's achtste Zoon de Opperheer zou zijn, met Wie hij in zijn vorige leven gruwelijk gevochten had, en dat hij door Hem gedood zou worden. Kamsa wist niets beters te doen dan de ene na de andere zoon die uit Devakî geboren werd om het leven te brengen. De zevende Zoon echter, Balarâma, Krishna's Eerste Expansie, God-samen-met-Krishna, kreeg Kamsa niet te pakken. Hij werd van Devakî's schoot overgebracht naar die van Vasudeva's tweede vrouw Rohinî, die in Vraja woonde, onder de bescherming van Nanda, bij wie Balarâma ter wereld kwam. Intussen dacht Kamsa dat Devakî een miskraam had gekregen. Toen ze wederom zwanger werd, verkeerde hij in de waan dat het van haar zevende kind was en niet van haar achtste, zodat hij niet speciaal op zijn hoede was. Krishna kwam midden in de nacht tijdens een storm ter wereld. Door Zijn goddelijke wonderkracht scharnierden de kerkerdeuren open. De wachters lagen in slaap. Vader Vasudeva bracht Hem dwars door het ontij naar Vraja, ruilde Hem voor het dochtertje dat Yashodâ dezelfde nacht gekregen had en keerde met haar naar zijn kerker terug. De deuren vielen in het slot. De wachters ontwaakten van het huilen van de baby en waarschuwden Kamsa, die terstond aanijlde. Hij griste Devakî het wicht af, dat in werkelijkheid Krishna's wondermacht in eigen Persoon was, en wilde het tegen de grond smijten, toen het aan zijn greep ontglipte, eindweegs ten hemel voer en hem uit den hoge toeriep (SB 10:4.12): Wat heeft mijn dood voor jou voor zin? Geboren is Hij die jou doodt! Jij dwaas, je oude Vijand leeft! Breng nu geen kleintjes meer in nood. Maar Kamsa luisterde liever naar de raad van zijn trawanten (SB 10:4.31): O Bhoja-vorst, als dat zo is Dan is er in geen dorp of veld Een kind van net tien dagen oud Of al zijn dagen zijn geteld! Onder zijn bondgenoten bevonden zich vele magiërs. De een na de ander drongen ze Vraja binnen, als vliegende heks, als reuzenslang, als tornado, als dolle ezel of stier, als bosbrand, maar werden daar hetzij door kleine Krishna, hetzij door kleine Balarâma gedood. Dat wil zeggen: de onsterfelijke ziel die ze in werkelijkheid waren werd door de Heren genadig beroofd van haar kwade geest en het aan die geest gehoorzamende vergankelijke lichaam. De ziel ging verlost binnen in het geestelijk Licht of werd verwelkomd in Krishna's eeuwig Paradijs in het hart van het Licht. De magiërs waren niet alleen magiërs: in Krishna's geschiedenis vertegenwoordigen hun uiteenlopende vormen van mentaliteit even zovele struikelblokken op het geestelijk pad. Hun aanvallen zijn even zovele dwaasheden die een discipel in zijn geestelijke groenheid kan begaan. De manier waarop Krishna met Zijn Broer de aanvallen pareerde dient de discipel als leidraad bij zijn strijd tegen ongeestelijke opwellingen in zichzelf. [*] Ook de Vedische goden, door Krishna Zelf begoocheld ten aanzien van Zijn Identiteit, daalden de een na de ander af om zich met Hem te meten, maar moesten het onderspit delven. Krishna was hun Absolute Meester, beseften ze, en ze vielen Hem stamelend van ontzag ten voet. [SB, 10-13 & SB, 10:14] De jonge herderinnen van het dorp wilden Krishna, toen Hij schijnbaar als een gewone herdersjongen opgroeide, allen tot Man. De beschrijving van hun liefde voor Hem en Zijn speelse beantwoording daarvan vormt het hoogtepunt van 'Het Spel van Krishna in Vraja en Mathurâ'. Een vers zegt (SB, 10:33-17): Terwijl Hij de meisjes zo in Zijn armen hield Met lachjes, gelonk en vrijpostig gestreel Genoot d' Opperheer met de schoonheden van 't dorp Zoals een klein kind met zijn spiegelbeeld speelt. Toen Kamsa er niet in slaagde Krishna door zijn trawanten te laten doden nodigde hij Hem uit naar zijn stad Mathurâ te reizen om daar tijdens een worstelwedstrijd Zijn kunnen te tonen. Hij was ervan overtuigd dat zijn beulen van worstelaars korte metten zouden maken met de zeventienjarige Knaap. Maar Krishna en Balarâma versloegen hen allemaal - waarop Kamsa het moest ontgelden. Hari - Krishna als Degeen die alles wegneemt - sprong op het podium van waaraf de demonische vorst zijn worstelkampioenen had zien sneven (SB, 10:44-37&38): Hari sleurde Kamsa bij 't haar van zijn troon - Zijn kroon rolde weg - naar beneden in 't perk En sprong hoogst persoonlijk, Beschermer van 't Al, Van niemand afhank'lijk, op 't lijf van de schurk Hij sleepte 'm ontzield onder 't oog van elkeen Door 't zand als een leeuw een geveld' olifant... O koning, toen klonk er een daav'rend gejuich Van "Ho!" en van "Ha!" van het volk aan de kant. Na Kamsa's verlossing lag de aarde nog steeds krom onder de overlast van vele kwade vorsten met hun reusachtige legermachten. In 'Het Spel van Krishna in Dvârakâ' - meten Krishna en Balarâma Zich met hen, terwijl tussen de apocalyptische vechtpartijen door Krishna Zijn bovenzinnelijke echtelijke omgang tentoonspreidt met Zijn 16.108 jonge en onvergelijkelijk mooie Gemalinnen, die allen Expansies van de Geluksgodin zijn. Het was als Leider van de helden van het Yadu-huis in Dvârakâ dat Krishna de Bhagavad Gîtâ uitsprak, waarin Hij aan Zijn vriend Arjuna uitlegde wie Hij eigenlijk is en hoe Zijn goddelijk Plan in elkaar zit. Deze Bhagavad Gîtâ wordt in het Bhâgavata Purâna, waarvan 'Het Spel van Krishna' de kern vormt, niet weergegeven: haar inhoud wordt door de auteur bekend verondersteld. Aangezien het voor een goed begrip van Zijn goddelijk Spel van belang is dat de lezer de Gîtâ kent zoals Krishna haar uitsprak, leid ik haar hier kort in en geef vervolgens beknopt haar inhoud weer. De Bhagavad Gîtâ is een boek van bovenwereldse kennis. Deze kennis dient ertoe de ontvankelijke lezer tot het hoogste geluk te brengen, dat eeuwig wordt genoemd. Doordat de weg naar dit eeuwige geluk tegengesteld is aan de wegen naar wereldse vormen van geluk, die vergankelijk zijn, is de Bhagavad Gîtâ voor een lezer die banden met de wereld wil blijven onderhouden bijna niet of helemaal niet te begrijpen. De mate waarin hij de boodschap van de Gîtâ kan verstaan is omgekeerd evenredig aan de aard en omvang van zijn gebondenheid aan de wereld. In dit licht kunnen we begrijpen dat het verschil in opvatting over de wezenlijke boodschap van de Gîtâ moet worden toegeschreven aan het verschil in aard en omvang van de andersgezindheid van de diverse soorten Gîtâ-lezers. Er is uiteraard maar één juiste Gîtâ-opvatting: die van de auteur, S'rî Krishna Dvaipâyana Vyâsa. Ik noem zijn opvatting, in navolging van mijn leraren, de personalistische. Ze houdt in dat Krishna, die de Gîtâ uitspreekt, God Zelf is, als Persoon, en dat deze Persoon geen emanatie (manifestatie) is van het onpersoonlijke geestelijke Licht, Brahman, maar dat Brahman een emanatie is van Hem. De niet op de Gîtâ te gronden opvatting dat het onpersoonlijke Brahman alles te boven gaat, ook de Godspersoon, en die ik daarom de impersonalistische noem, leeft in India zeer sterk en is het meest geëxporteerde Indische gedachtengoed. Omdat nu de Gîtâ in India de meest gezaghebbende geestelijke tekst is en omdat een spiritualist er zelden voor vol wordt aangezien als hij niet zijn eigen Gîtâ-commentaar geschreven heeft, grijpen vele impersonalisten de Gîtâ aan om er hun leer op te funderen. Daarbij doen ze dan in hun manier van vertalen van de basistekst (uit het oorspronkelijke Sanskrit naar het Hindi of Bengali of Engels) Krishna's onderricht zowel letterlijk als contextueel op vele plaatsen geweld aan. Sedert het oudst bekende impersonalistische commentaar, van Shankara (780-820 n. Chr.), is het impersonaliseren van de Gîtâ-leer een traditie geworden, waarin verwringingen en verdraaiingen van Krishna's uitspraken door de eeuwen heen klakkeloos van voorgaande spiritualisten worden overgenomen. Bekende westerlingen onder deze impersonalisten zijn Aldous Huxley en Christopher Isherwood. Hun Gîtâ-visie wordt gepresenteerd als een 'hoger begrip', dat het personalisme van de Gîtâ negeert teneinde haar voor de ontheďstische intelligentsia te behouden. Hun op het shankarisme voortbouwend systematisch streven om de Hoogste Godspersoon te verlagen tot Brahman-vonk in een menselijk lichaam vraagt om een systematische weerlegging, die ik elders aandraag ('De Hoogste Godspersoon: Oorsprong en Schrager van het onpersoonlijk Brahman', 1990, Chaitanya Cahiers, Amsterdam). Ik laat de controverse personalisme-impersonalisme hier verder rusten. In de lijn van het onderricht van mijn geestelijke leraren S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swâmî Prabhupâda en S'rîla B.R. Sridhara Deva Goswâmî zet ik de Gîtâ-leer hier uiteen volgens de aan de Gîtâ eigen personalistische visie. De Bhagavad Gîtâ, het Lied van de Alvervulde, bestaat uit achttien hoofdstukken van bij elkaar zevenhonderd shloka's of coupletten, geschreven in het Sanskrit. De tekst wordt veelal ontleed in drie delen van elk zes hoofdstukken. In zijn 'A History of Indian Philosophy' geeft Surendranath Dasgupta de driedeling weer volgens Yâmuna (geb. 906 n. Chr.). Hij zegt dat het de bedoeling van de Gîtâ is duidelijk te maken dat Krishna het Hoogste Brahman is, tot wie men slechts kan komen door toewijding (bhakti), waartoe men geraakt door het naleven van zijn maatschappelijke verplichtingen, het zich eigen maken van de juiste kennis en het laten varen van werelds genot. Volgens Yâmuna "beschrijven de eerste zes hoofdstukken van de Gîtâ de methode van het verwerven van zelfkennis door concentratie op het zelf (yoga) aan de hand van kennis en handelen in zelfonderwerping aan God, het verrichten van elk handelen terwille van God en onthechting van al het andere. Hoofdstuk zeven tot en met twaalf beschrijven de methoden van het bereiken van toewijding (bhakti-yoga) door kennis en handelen zoals aangeduid en geven te kennen dat de wezenlijke aard van God alleen door toewijding kan worden doorgrond. Hoofdstuk dertien tot en met achttien beschrijven en onderscheiden het wezen van de geopenbaarde wereld (pradhâna) en de Opperheer (purusha), alsook de aard van activiteit, kennis en toewijding." Hoofdstuk voor hoofdstuk bezien, leert de Bhagavad Gîtâ ons het volgende. Hoofdstuk één voert de veldheer Arjuna ten tonele in zijn strijdwagen, gemend door zijn boezemvriend Krishna, die Bhagavân, de Alvervulde, wordt genoemd. Arjuna verzoekt Krishna de wagen naar het middenveld te rijden tussen de twee slagorden van olifanten, strijdwagens, ruiters en voetvolk, die zo dadelijk de strijd met elkaar zullen aanbinden. Daar ziet hij het leeuwendeel van zijn bloedverwanten tegenover zich, want de strijd die op het punt staat te ontbranden is een broederstrijd. Ook vergrijsde bevelhebbers, die hem de krijgskunst hebben bijgebracht, staan in de slagorde tegenover hem. Uit het Mahâbhârata met zijn honderdduizend verzen, waarvan de Gîtâ deel uitmaakt, leren we dat Arjuna en de zijnen in deze strijd het recht volledig aan hun kant hebben - hoge uitzondering in een oorlog! Maar wanneer het goed tot Arjuna doordringt dat hij zijn verdwaasde bloedverwanten daar tegenover hem straks werkelijk met zijn pijlen zal moeten proberen te doorboren - hij is een fenomenaal schutter - wordt hij weekhartig. Hij bedenkt verschillende redenen waarom hij niet behoort te vechten en legt ze aan Krishna voor. Het laatste vers van het eerste hoofdstuk luidt (1.46): Toen viel Arjuna stil en zweeg Terwijl hij neerzeeg op de kar; Pijlen en boog wierp hij aan kant, Ten prooi aan innerlijke smart. In hoofdstuk twee leest Krishna hem glimlachend de les (2.11): Je klaagt om wat geen klacht verdient Maar praat alsof je 'n wijze bent: Of men gestorven is of niet - Geen wijze die 'r zich om bekreunt. Daarop wijst Hij Arjuna erop dat hij weliswaar de lichamen van zijn tegenstanders zal doden, maar niet het eigenlijke leven dat erin woont, de ziel, die onsterfelijk is en die van lichaam tot lichaam verhuist. Van de ziel als onvergankelijk levensprincipe zegt Krishna onder meer (2.20): Het wordt nooit geboren en gaat ook nooit dood En - zijnde - verschijnt het noch gaat het teloor, Onsterf'lijk, oorspronkelijk, eeuwig, aloud ... Al sneeft het omhulsel, zelf leeft het steeds voort. Vervolgens houdt Hij veldheer Arjuna zijn maatschappelijke plicht voor. Als hij in deze volkomen rechtvaardige krijg niet strijdt, wie moet het dan wel doen? Hij dient zich niets aan te trekken van zijn menselijk verdriet om de naderende dood van zijn bloedverwanten als gevolg van zijn handelen, maar slechts zijn hogere plicht te doen. Dan treft hem geen schuld, geen blaam, geen karma (2.28): Ken vreed' in zeeg' en nederlaag, Winst en verlies, vreugd' of verdriet: Indien je zo de strijd aanbindt Blijf je van alle kwaad bevrijd. Door belangeloos te handelen volgens zijn plicht, zegt Krishna, raakt men van wedergeboorte en dood verlost en wordt men zich het Zelf bewust. Wanneer Arjuna Hem vraagt waaraan men iemand kent die tot dit bovenzinnelijk bewustzijn is gekomen, verklaart Krishna onder andere dat zijn zinnen in alle opzichten beteugeld zijn en dat zijn geest in evenwicht is, en Hij besluit (2.71): Wie elke vorm van lust verzaakt, Onthecht in wat hij doet en laat, Geen weet meer heeft van "ik" en "mij" - Zo'n mens bereikt de vredestaat. In hoofdstuk drie legt Krishna een nieuw accent: dat van het offer. Wie zijn werk als offer opdraagt aan de goden als vertegenwoordigers van de Hoogste Instantie, komt los uit de begoocheling van de wereld. Wie echter deze Hoogste Instantie, hier nog onpersoonlijk als het Zelf betiteld, reeds in dit bestaan ervaart, kent geen enkele plicht, maar zet zijn werk belangeloos voort om de onverlosten tot voorbeeld te zijn (3.21): Wat d' allerbeste doet of laat Doen alle mensen hem steeds na: Het voorbeeld dat hij aldus stelt Geldt voor de mensen steeds als maat. Zelfs Hijzelf, zegt Krishna, laat Zijn activiteiten niet varen, opdat het kosmisch bestel niet spaak loopt (3.24): Vergaan zou heel de wereld hier Als Ik mijn daden varen liet, Verwarring heerst' er dan alom En ieder wezen ging teniet Met deze uitspraak openbaart Hij Zich als God. Meteen daarop adviseert Hij Arjuna zijn daden rechtstreeks aan Hem te offeren - dus niet aan de goden als vertegenwoordigers van de Hoogste Instantie (3.30): Doe alles wat je doet voor Mij, Aan 't Hoogste Zelf slechts toegewijd, Wees van begeert' en hebzucht vrij, Laat varen die benauwdheid - strijd! De eerste twee regels van deze raad gelden voor iedereen; de laatste twee gelden speciaal voor de militair in een rechtvaardige oorlog. Als Krishna Zijn Gîtâ had uitgesproken tot een priester, zou Zijn raad veeleer hebben behelsd de strijd uit de weg te gaan of haar, indien onontwijkbaar, geweldloos over zich heen te laten komen. Arjuna, die als bevelhebber strijden moet, wil nu van Krishna weten wat er de oorzaak van is dat mensen zondigen, met strijd tot gevolg. Krishna geeft het beroemde antwoord (3.37): 't Is deze lust, 't is deze woed', Uit hartstocht in ons hart ontstaan, Het grote kwaad dat ál verslindt - Zie dát hier voor de vijand aan. En Hij adviseert Arjuna, met behulp van het verstand, de geest en de zinnen, die aan het verstand ondergeschikt zijn, bedachtzaam te beteugelen. In hoofdstuk vier openbaart Krishna meer over Zichzelf. De bovenzinnelijke kennis komt van Hem, en raakt ze, na van geslacht op geslacht te zijn doorgegeven, door de tand des tijds aangeknaagd, dan komt Hij haar herstellen (4.6): Hoewel Ik geen geboorte ken, Oneindig ben, elkeen bestuur, Verschijn Ik uit Mijn eigen kracht Als Meester over Míjn natuur . Hij is zo verheven dat Hij weg zou kunnen blijven, maar het is toch uit eigen wil dat Hij verschijnt (4.9-10): Tot redding van het vrome volk, Vernietiging van haat en nijd En vestiging der hoogste wet Verschijn Ik hier in tijd na tijd. Wie van Mijn komst en daden weet, Naar waarheid, dat ze god'lijk zijn Keert na 't verlaten van zijn lijf Niet weer, Arjun', maar komt tot Mij. Vervolgens weidt Krishna uit over het onbaatzuchtig handelen en beschrijft velerlei vormen van offeren, niet om ze aan te bevelen, maar om te laten zien dat er in het Vedisch bestel onthechtingsmethoden voorhanden zijn die bij elke denkbare verlossingsgezinde mentaliteit aansluiten. Door zulk offeren krijgt men op alle mogelijke manieren de kans op te stijgen tot het onpersoonlijke Zelf, als voorfase - en dit is immers de strekking van de Gîtâ als geheel - tot het opstijgen tot Krishna's persoonlijke liefdedienst. In hoofdstuk vijf openbaart Krishna dat onbaatzuchtige activiteit boven werkverzaking uitgaat. Beide leiden weliswaar tot verlossing, maar de roerloze zelfinkeer van de werkverzaker is veel moeilijker, zo zal Krishna in het twaalfde hoofdstuk verklaren, dan het verrichten van offerhandelingen waarbij men zijn natuurlijke dynamiek niet blokkeert maar kanaliseert. In de verzen van het vijfde hoofdstuk verwijst Krishna naar de Hoogste Instantie met overwegend onpersoonlijke aanduidingen (Brahman, Vibhu, Tat) en laat Hij ook tweemaal de term brahma-nirvâna vallen - het wijken van alle drang en beroering in de onbewogenheid van de Geest. Hij besluit echter met erop te wijzen dat ieder offer, zelfs dat van roerloze zelfinkeer, uiteindelijk Zijn persoonlijke genoegen dient en - op zijn minst - door Hem met vrede wordt gezegend (5.29): Elk offer komt aan Mij slechts toe, Het gans heelal is Mijn gebied, En Ik ben ieders ware Vriend - Vrede vindt elk die Mij zo ziet. In hoofdstuk zes beschrijft Krishna de yoga-meditatie op het Zelf en zingt Hij de lof van samâdhi (6.23): Niemand die dit ervaart neemt aan Dat er iets hogers kan bestaan ... Toch plaatst Hij deze yoga-meditatie - nadat Hij Arjuna verzekerd heeft dat een falende yogî in zijn volgende leven weer verder zal kunnen gaan vanwaar hij gebleven was - niet op de hoogste plaats onder de transcendente activiteiten. De yogî staat weliswaar hoger dan de asceet met zijn barre onthouding, hoger dan de jnâni met zijn systematische zelfwegcijfering en hoger dan de ritualistische karmi, en daarom drukt Krishna Zijn vriend op het hart een yogî te zijn - maar wat voor yogî? In het slotvers van de eerste zes hoofdstukken van de Bhagavad Gîtâ verklaart Krishna onomwonden dat hoger dan de yogî die op het Zelf mediteert de yogî is die zich in toegewijde liefdedienst volkomen op Hem als Hoogste Godspersoon verlaat (6.47): Van alle yogî's nu is hij Die in Mij woont, vervuld van Mij, En Me getrouw vol liefde dient, Verklaar Ik, 't diepste één met Mij. Daarmee heft Hij het thema aan van de bhakti, dat de hoofdstukken zeven tot en met twaalf domineert en het hart en hoogtepunt van de Bhagavad Gîtâ vormt. De gelukzaligheid van de volkomen vrede wordt overstegen door de vreugde van de dienende liefde: bhakti. De term yoga, waarmee in de eerste zes hoofdstukken voornamelijk de op het Zelf georiënteerde verbindingswegen worden aangeduid, heeft vanaf hoofdstuk zeven, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, alleen betrekking op bhakti-yoga, de weg der liefdevol toegewijde dienst aan de Hoogste Godspersoon. Het is door volledige overgave, zegt Krishna, dat Hij werkelijk kan worden gekend. Hij voegt er dadelijk aan toe dat slechts een enkeling tot dat unieke inzicht geraakt (7.3): Van duizenden streeft nauw'lijks één Naar de volmaakte staat van zijn En van de vervolmaakten kent Haast niemand Mij zoals Ik ben. Hierna beschrijft Hij Zijn energieën: de lagere, namelijk de stoffelijke natuur, bestaande uit de vijf elementen alsook de geest (ons voelen, denken en willen), het verstand (ons vermogen tot analyseren en reguleren) en het 'vals ego', waardoor we ons met ons stoffelijk omhulsel vereenzelvigen; en een hogere energie, namelijk het geheel der levende wezens, waarvan wij deel uitmaken, voor wie de stoffelijke natuur praktisch onoverwinnelijk is, tenzij ze zich op Hem verlaten. Dwazen, eerlozen, waanwijzen zien daar geen heil in, maar goedwillende nieuwsgierigen en verdrietigen en met name waarheidzoekers kunnen zover gaan dat ze zich aan Hem uitleveren. De wijze waarheidzoeker is Krishna het liefst. Een kortzichtige materialist wijdt zich veelal aan het dienen van lagere goden, en die kunnen hem weliswaar terwille zijn, maar wat ze hem geven is beperkt van aard en komt uiteindelijk hoe dan ook van Krishna (7.20-23): Die door begeerten zijn verdwaasd Aanbidden anderen als god, Door hun natuur daartoe geleid, En volgen dit of dat gebod. Welke personen men ook maar Gelovig eren wil, voorwaar - 't Geloof in zo'n persoon maak Ik Standvastig en onwankelbaar. Wie nu zo'n god aanbidden wil, Opgaand in zijn geloof geheel, Verwerft zich daarop zijn genot, Dat Ik hem echter toebedeel. Voor zo'n bekrompen' is de vrucht Van 't eren van zijn god maar klein: Hij komt niet verder dan zijn god, Maar wie Mij liefheeft komt tot Mij. Liefdevolle verering van Krishna leidt tot die geestestoestand die de ziel veilig door de dood heen op haar bestemming brengt. Hoofdstuk acht onderstreept dat meteen (8.5): Wie zich in 't stervensuur Mij heugt Wanneer hij 't lichaam achterlaat Gaat zonder 'n zweem van twijfel in Tot Mijn verrukte wezensstaat. Deze inkeer tot Krishna's wezensstaat betekent opgaan in Zijn transcendente levenssfeer of zo men wil: binnengaan in Zijn geestelijk Koninkrijk. Even verderop noemt Krishna Zijn wezen of geestelijke staat (bhâva) dan ook Zijn dhâma of verheven Verblijf (8.21): Onwankelbaar en ongekend: Zo heet dat allerhoogst Verschiet. Dat is Mijn allerhoogst Verblijf ... T'rugkeer vandaar bestaat er niet. De verbinding (yoga) der koninklijke kennis en van het koninklijk geheim, zo luidt de titel van hoofdstuk negen. Deze kennis kan alleen worden onthuld aan iemand die geen afgunst kent (9.1): 'K zeg je 't geheimste Mij bekend, Omdat je zonder afgunst bent. Het geheim houdt in dat de Persoon Krishna alles doorstraalt en beheerst. Een afgunstige die zoiets hoort beweren steigert. Krishna wil de afgunstige voor de karmische reactie van zulke opstandigheid bewaren. Iedere mogelijkheid tot direct verzet tegen God, tot bespotting van de Alvervulde, moet de afgunstige bespaard blijven, opdat hij niet verder van zijn wezenlijk geluk wegraakt dan hij al is. De kieskeurigheid die Krishna bij de openbaring van het koninklijk geheim betracht is dus niet elitair: iedereen komt voor de overdracht van deze kennis in aanmerking, mits men zich van zijn afgunst ontdoet. Dat vergt weliswaar een immense loutering, waar duizenden levens mee gemoeid kunnen zijn, maar uiteindelijk krijgt iedere gebonden ziel de kans het geheimenis van Krishna's allesbeheersende soevereiniteit te bevatten en zich in vervoering aan de Hoogste Godspersoon over te geven. Krishna noemt het Brahman Zijn "vorm die men niet ziet", waarvan alles doortrokken is. Dit is een van Zijn duidelijke aanwijzingen in de Bhagavad Gîtâ, zoals ook het slotvers van hoofdstuk veertien, dat Hij boven Brahman uitgaat (9.4): Het gans heelal is vol van Mij, Zij 't in een vorm die men niet ziet ... In Mij zijn alle schepselen, Doch Ik verwijl in deze niet. Brahman, het geestelijk Licht, is aldoordringend, maar de Hoogste Godspersoon, uit wie Het emaneert, behoudt Zich de vrijheid voor Zich op te houden waar het Hem uitkomt. Via Zijn Brahman is Krishna alomtegenwoordig, maar als Hoogste Brahman, zoals Hij Zich later welwillend door Arjuna laat noemen (10.12), verwijlt Hij door Zijn zoete wil uitsluitend waar Zijn lilâ, Zijn goddelijk Spel, ermee gediend is. In de volgende verzen weidt Krishna uit over Zijn "vorm die men niet ziet", waarbinnen het kosmisch bestel zich manifesteert. Dan spreekt Hij rechtstreeks over Zijn zichtbare Gedaante (9.11): Dwazen bespotten Me wanneer Ik Mij als Mens vertoon [op aard'], Onkundig van Mijn hoger Zijn, Mijn macht die 't al te boven gaat. Tegenover deze afgunstige dwazen staan de afgunstloze mahâtmâ's, van wie Krishna zegt (9.14): Immer aan hun geloften trouw, Mij lovende zonder respijt, Zich voor Me neerbuigend vol liefd', Eren ze Mij, mét Mij, altijd. Wie slechts liefdevol een bloem of een vrucht aan Hem offert, verklaart Hij verder, bereikt Zijn koninkrijk. Dat geldt voor iedereen (9.29): Ik ben allen gelijkgezind, Omdat Ik haat noch liefde ken, Maar die Mij diep zijn toegewijd Die zijn in Mij - Ik ben in hen. Zelfs al heeft men het ergste kwaad bedreven, dan kan men zich toch tot Hem wenden, mits men dat in liefde doet. Hoe zal het de standvastige bhakta dan niet vergaan? vraagt Krishna. En Hij besluit Zijn openbaring van het koninklijk geheim van Zijn persoonlijke soevereiniteit over de stoffelijke natuur, de levende wezens en het Brahman, met hetzelfde vers waarmee Hij Zijn totale Gîtâ-onderricht zal afronden (9.34): Gedenk Mij, wees Mij toegewijd, Offer aan Mij, kniel neer voor Mij En zoek je heil alleen bij Mij - Zo, met Mij één, kom je tot Mij. In hoofdstuk tien ontvouwt Krishna Zijn goddelijke volheid. De volgende vier verzen worden als de centrale waarheid over de Hoogste Godspersoon beschouwd (10.8-11): Ik ben de Oorsprong van elk ding Uit Mij ontvouwt zich al wat is: Verrukt vereren Mij daarom De wijzen, zich daarvan bewust. Vervuld van Mij, levend voor Mij, Elkaar verlichtend [over Mij], Voortdurend sprekend over Mij, Zijn ze voldaan en zalig blij. Aan hen die steeds in Mij opgaand Mij eren vol genegenheid Schenk Ik het helder onderscheid Dat hun de weg tot Mij plaveit. Uit meegevoel met hen voorwaar Verdrijf Ik, wonend in henzelf, Het duister der onwetendheid Door 't licht der kennis klaar en hel. Arjuna reageert daar, vrij van afgunst, dadelijk op met (10.12): Het Hoogste Brahman, 't Hoogste Heil, De Hoogste Louteraar ben Jij, Oer-God, geboorteloos, algroot, De Godspersoon in eeuwigheid. Krishna weerspreekt hem niet en daarom mogen we aannemen dat Arjuna's Godrealisatie de hoogste goedkeuring wegdraagt. Dus het Hoogste Brahman is Krishna, de onvergankelijke Godspersoon, wiens geestelijke sfeer, het Brahman-licht, alom is. Arjuna vraagt Krishna nu hem Zijn hele goddelijke vermogen te openbaren, opdat hij zich bij alles wat hij ziet en meemaakt Krishna kan heugen als zekere weg naar Zijn koninkrijk. Daarop stroomt er uit Krishna's lotusmond een reeks verzen van zuivere poëzie, die Hem in alles herkenbaar stellen als het machtigste, het schoonste, het heerlijkste, het rijkste, het meest wijze en het meest vrije. Hij spreidt Zijn volheden tentoon en openbaart Zich daarmee als Bhagavân, de Alvervulde. Hij beëindigt Zijn glorieuze Zelfbeschrijving met de verzen (10.41-42): Wat er aan luisterrijks bestaat, Aan prachtigs, machtigs, wijd en zijd, Begrijp dat het ontspruit aan slechts Een sprankje van Mijn heerlijkheid. Maar wat geeft deze kennisvracht, Arjun', voor antwoord op je vraag, Als slechts één deeltje van Mijzelf Dit gans heelal altijd al schraagt? Arjuna wil Krishna's volheid nu aanschouwen en Krishna schenkt hem daartoe de "goddelijke blik". De versmaat verandert hier en in golvende regels beschrijft Arjuna met ten berge gerezen haar "Heel 't universum al bijeen / In 't lichaam van der goden Heer" (11.13). Het lijdt geen twijfel dat Krishna's lichaam, hoewel menselijk van vorm, geen mensenlichaam is. Het is kennelijk van bovenzinnelijke 'substantie'. In Krishna's kosmische gedaante ontwaart Arjuna ook verleden, heden en toekomst. Hij ziet de legermacht, die in het heden ongeschonden tegenover hem op het slagveld staat, verbrijzeld worden in de allesverslindende kaken van Krishna's tijdsaspect. Honderdduizenden lichamen worden vernietigd, waarbij Arjuna moet bedenken dat de zielen eeuwig blijven bestaan. Hij ziet nu in dat menselijke overwegingen te verwaarlozen zijn in Gods allesdoorkruisende Plan. Er rest een ziel in feite niets anders dan overgave - en Arjuna verheerlijkt Krishna als alverheven God (11.38): Gij zijt van al wat is de Hoogste Rustplaats, Kenner en Kennis, Hoogstverheven Woning, O eerste Godspersoon, o Alleroudste, Uw kosmisch Lichaam vult het Al volkomen. Na zijn overweldigende kosmische gedaante toont Krishna Arjuna Zijn vierarmige Vishnu-gedaante en tenslotte Zijn tweearmige eigen Vorm. De Alvervulde verklaart dat zelfs de goden popelen om deze tweearmige gedaante te mogen zien. Maar doordat ze in hun machtige positie verstoken zijn van bescheidenheid, blijft de aanschouwing van Zijn 'menselijke' gedaante hun onthouden. Het is alleen door bhakti, zelfwegcijferende liefde, dat men de Hoogste Godspersoon kan kennen, zien en bereiken (11.54): Door liefd' alleen kan Ik, Arjun', Jij die je vijanden kastijdt, Worden gekend zoals Ik ben, Aanschouwd en daarop ook bereikt. De bhakti is het hoofdthema van hoofdstuk twaalf. Daarin verklaart Krishna dat opgaan in Zijn Brahman-aspect een moeizame weg is, terwijl degeen die Hem liefdevol dient als het Hoogste Brahman snel gered wordt uit de oceaan van samsâra. Hij beschrijft nu verschillende verlossingswegen in volgorde van belang. De hoogste is bhakti; dan komt yoga-meditatie; vervolgens karma-yoga, het offeren van de vruchten van ons werk; en tenslotte onzelfzuchtige activiteit. Krishna noemt hen die deze wegen begaan allen bhakta, toegewijd, en ze zijn Hem allen lief - maar, zo zegt Hij dan, in het vers dat de conclusie en afsluiting van hoofdstuk zeven tot en met twaalf vormt (12.20): Maar hij nu die Mijn zoete leer Van 't eeuwig leven diep vereert En Mij als Allerhoogst' aanvaardt - Lief is die bhakta Mij - hoe zeer! Het laatste deel van de Gîtâ diept het reeds geopenbaarde verder uit. In hoofdstuk dertien onthult Krishna nog dat de ziel als kenner in het lichaam woont, maar dat Hij als Opperziel, Paramâtmâ, als Medebewoner van elk lichaam alle lichamen kent. Zo toont Bhagavân, de Alvervulde, afgezien van Zijn kosmische gedaante, naast Zijn reeds geopenbaarde Brahman-aspect, of de Geest, het Paramâtmâ-aspect, de Opperziel, op wie de grote yogi's mediteren. Het Bhâgavata Purâna onderstreept dit drievoudige aspect van Krishna als Absolute Waarheid op verschillende plaatsen. Zo zegt vers 1.2.11: D' ondeelbaar ene kennis van Geest, Opperziel en Alvervuld' Is Waarheid slechts, zegt iedereen Aan wie de Waarheid is onthuld. In vers 10.28.6 stamelt de grote god Varuna met Krishna's genadig verlof: Ik breng U eer die Bhagavân, Brahman en Paramâtmâ zijt, Van wie de schijn zich verre houdt Waaraan het wereldrond ontspruit. In hoofdstuk veertien zet de Alvervulde de drie-leibanden-leer uiteen: de stoffelijke natuur, Zijn lagere energie, bindt de zielen met de drie guna's, snoeren of leibanden, te weten tamas, rajas en sattva. Tamas is de invloed van onwetendheid, traagheid, waan; rajas is de invloed van hartstocht, scheppingsdrift, activiteit; sattva is de invloed van plichtsbetrachting, goedheid, kennisverwerving. Zelfs de heldere sattva-invloed is bindend, vanwege het geluksgevoel dat hij schenkt aan degeen die hem ondergaat. Zonder ervaring van het hoogste geluk, dat slechts door onvoorwaardelijke overgave wordt gevonden, klampt de sattvische mens zich vast aan het geluk van vrede en harmonie dat de wereld hem gunt zolang het duurt. Wie zich echter door onwankelbare liefdedienst van de guna's losmaakt "mag in Brahman binnengaan" (14.26). Maar wie Mij nu vol bhakti eert Zonder één zijweg in te slaan Stijgt boven deze banden uit en mag in Brahman binnengaan. Mijn leraar S'rila B.R. Sridhara Deva Goswâmî vertaalt deze zinsnede in zijn Gîtâ-uitgave 'The Hidden Treasure of the Sweet Absolute' met "mag zijn innerlijke goddelijke identiteit leren kennen". Dan besluit Krishna met Zijn klaarste uitspraak over Brahmans relatie tot Hem (14.27): Dit Brahman nu, dat nooit vergaat, Die ene Wet die alles draagt En zalig al wat is doorstraalt - Dit Brahman wordt door Mij geschraagd. In zijn commentaar op dit vers laat S'rila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda weten: "Brahman is het eerste realisatie-niveau van het Bovenzinnelijke; Paramatma, de Opperziel, is het tweede of middelste bovenzinnelijke realisateiniveau; en de Hoogste Godspersoon is de definitieve realisatie van de Absolute Waarheid." In hoofdstuk vijftien openbaart Krishna Zich als de Allerhoogste van alle personen, zowel de feilbare als de onfeilbare (15.19): Wie Mij nu zonder twijfel kent Als deze Hoogste Godspersoon Weet alles en met heel zijn hart Dient hij Mij liefdevol, Arjun'. Daarop geeft Hij andermaal aan dat dit feit van de absolute soevereiniteit van Zijn Persoon, zelfs met betrekking tot Brahman, het diepste geheimenis is (15.20): Wie dit geheimste onderricht, Mijn beste, door Mij uitgelegd, Begrepen heeft - die zij verlicht ... Die is aan 't einde van Zijn plicht. In hoofdstuk zestien schetst de Alvervulde het karakter van de demonische mens en geeft Hij de raad de aanwijzingen van de Vedische geschriften getrouw op te volgen om zo gelouterd te raken en daardoor zicht te krijgen op het hoogste levensdoel. In hoofdstuk zeventien geeft Hij een analyse van geestelijke en ritualistische praktijken onder invloed van de leibanden of guna's. In het eerste deel van het slothoofdstuk gaat Krishna nog dieper in op de drie-leibanden-leer en past haar toe op de meest uiteenlopende levensgebieden, zodat men aan de manier waarop men zich daarin beweegt kan zien door welke guna's men het meest beďnvloed wordt: men kan zichzelf dan aanpakken. Daarna neemt Krishna het zuivere bhakti-thema weer op (18.54): In Brahman woont men klaar-sereen, Van jammer en verlangens vrij, En komt, ieder gelijkgezind, Tot hoogste liefdedienst aan Mij. Krishna verklaart hier dat bhakti - de "hoogste liefdedienst aan Mij" - een niveau is dat volgt op mukti - verlossing door eenwording met Brahman. Het volgende vers onderstreept dat het niet Brahman-realisatie maar bhakti is, zelfvergeten liefdedienst, waardoor men Krishna werkelijk leert kennen (18.55): Door liefdedienst begrijpt men slechts Hoe groot Ik ben en wie Ik ben En wie Mij aldus waarlijk kent Zoals Ik ben gaat daad'lijk in. Om ons een idee te geven van wat de zinsnede "gaat daad'lijk in" zou kunnen betekenen vertaalt Srila B.R. Sridhara Deva Goswâmî haar als volgt: "Hij gaat daarop binnen in een groep van Mijn intieme persoonlijke metgezellen, wier wezen niet van het Mijne verschilt." Krishna drukt Arjuna op het hart zich slechts op de Hoogste Godspersoon te verlaten en verzekert hem dat Zijn genade hem "eeuwige vrede in Zijn woning" zal geven. Groter geheim, zegt Hij nog eens, bestaat er niet. En weer geeft Hij, als consequentie van de meest vertrouwelijke openbaring dat Hij als Hoogste Godspersoon zelfs Brahman te boven gaat, Arjuna de meest vertrouwelijke aanwijzing, die Hij hem in het hart van de Gîtâ (9.34) al gaf - in precies dezelfde woorden (18.65): Gedenk Mij, wees Mij toegewijd, Offer aan Mij, kniel voor Mij neer ... Door alle religieuze opvattingen te laten voor wat ze zijn en zich slechts aan Krishna uit te leveren, hetgeen de hoogste religieuze activiteit inhoudt, die alle andere tegelijk vervult, zal Arjuna, met iedere ziel die zijn voorbeeld volgt, van alle kwaad worden verlost. Dat is zo'n vertrouwelijke leer, dat ze slechts aan bepaalde mensen mag worden onthuld (18.67): Geen woord hiervan tot wie dan ook Die tucht noch toewijding vertoont, Die geen gehoorzaamheid betracht, In wie voor Mij slechts afgunst woont. Zoals eerder gezegd, berust deze selectiviteit van Krishna niet op elitisme, maar op het beginsel dat men mensen, die in dit leven nog niet aan het koninklijk geheim toe zijn, door voorbarige onthulling de kans geeft het af te wijzen of het zelfs te bespotten, verder van Hem verwijdert dan goed voor hen is. De Alvervulde besluit Zijn uiteenzetting over de liefdevolle toewijding aan Hem als Hoogste Godspersoon met de verzen (18.68-69): Maar wie dit diepst geheimenis Aan wie Mij liefheeft openbaart En Mij zo allerdiepst bemint Die komt beslist tot Mij - voorwaar! Onder de mensen is er geen Die Mij zo dierbaar is als hij, Noch zal er waar ter wereld ook Een ander dierbaarder nog zijn. De bhakta gaat ervan uit dat de ziel, die hij in wezen is, Krishna's eeuwige dienares is, die uit vrije wil in de stoffelijke natuur is beland en door haar leibanden ingekapseld. Deze vrije wil is haar eigen, omdat ze naar haar aard één is met - zij het qua positie ondergeschikt aan - de alvrije Opperziel, Krishna. De geestelijke realiteit is die van volmaakte liefde in volmaakte vrijheid, dus los van de beperkingen van ruimte en tijd: als de ziel het verkiest, mag ze van Krishna wegdwalen. Hij creëert daartoe als 'dwaalgebied', met tussenpozen, de stoffelijke natuur en laat de ziel door Zijn stoffelijke energie omhullen met een materiële geest en gedaante, waarmee ze zich door zinsbevrediging vereenzelvigt. In vers 15.7 zegt de Alvervulde: Wanneer ze in de stof belandt Omhult de ziel - deeltje van Mij In 't levensoord - zich met de geest En met de zinnen alle vijf. Hierdoor verliest ze het zicht op Krishna. Sterft haar omhulsel, dan neemt ze een volgend omhulsel aan en heeft zo van lichaam tot lichaam de gelegenheid de stoffelijke natuur van alle kanten en vanuit alle mogelijke mentaliteiten te verkennen en te bespelen. Het zijn echter steeds ziekte, ouderdom en dood die haar frustreren. Na vele levens van frustratie kropt zich in haar bewustzijn zo'n verbijstering op, dat ze wil weten waar ze aan toe is. Dan biedt Krishna haar via Zijn Bhagavad Gîtâ of anderszins de nodige uitkomst. De reis naar Zijn Koninkrijk, volgens Zijn aanwijzingen, gaat gepaard met onophoudelijk stijgende gelukzaligheid, die een immense compensatie is voor alle doorstane ellende, welke in feite de aanzet tot her-vergeestelijking vormde. De duizenden doden die men gestorven is zijn vergeten: de schijnbare eeuwigheid van de gevangenschap in de stoffelijke natuur vervliegt in de tijdloosheid van Krishna's onvergankelijk Liefdeoord. Zo wendt en keert alles zich volgens goddelijke wetten van vrijheid en liefde rondom de Hoogste Godspersoon, die in wezen de Dienaar is van ieders eindeloos geluk. ********************************************* VERANTWOORDING ********************************************** LITERATUUR Nârada: Bhakti-sutra’s (vertaling met commentaar, 1988, Chaitanya Cahiers, Amsterdam) Lilâsuka Bilvamangala: Krishna’s Nectar for the Ear (herdichting van het Krishnakarnâmrita, 1986, Chaitanya Cahiers, Amsterdam) Bhaktivinoda Thâkura: Jaiva Dharma (Engelse vertaling, 1975, Sri Gaudiya Math, Madras); Sri Chaitanya Shikshâmrita (Engelse vertaling, 1983, idem); Bhaktisiddhânta Saraswati Goswami: Shri Chaitanya’s Teachings (1975, Sree Gaudiya Math. Madras). B.R. Sridhara Deva Goswami: The Golden Volcano of Divine Love (1984, The Guardian of Devotion Press, San Jose, Californië); The Hidden Treasure of the Sweet Absolute (Bhagavad-gîtâ-vertaling, 1985, Sri Chaitanya Saraswat Math, Nabadwip Dham, West Bengalen); Ambrosia of Positive and Progressive Imoortality (1987, Sri Chaitanya Saraswat Math, idem); Loving Search for the Lost Servant (1987, The Guardian of Devotion Press, idem); Subjective Evolution of Consciousness (1989, idem). A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda: De Bhagavad-gîtâ zoals ze is (1971, Bhaktivedanta Book Trust, Amsterdam); Het Krsna-boek (1981, idem); Srimad-Bhâgavatam (Bhâgavata Purâna), deel 1 en 2 (1983, 1985, idem); De Nectarzee van Zuivere Liefde (1985, idem). Nisikanta Sanyal: Sree Krishna Chaitanya (1933, Sree Gaudiya Math, Madras). O.B.L. Kapoor: The Philosophy and Religion of Sri Caitanya (1977, Munshiram Manoharlal, New Delhi). Walther Eidlitz: Die Indische Gottesliebe (1955, Walter Verlag, Olten und Freiburg im Breisgau); Krsna-Caitanya: Sein Leben und Seine Lehre (1968, Almqvist & Wiksell, Stockholm); Der Glaube und die Heiligen Schriften der Indier (1975, Walter Verlag, idem). Hendrik van Teylingen: Het Lied van de Alvervulde (Bhagavad-gîtâ herdichting, 1983, Mirananda, Wassenaar). ***************************************** OPDRACHT om ajnâna-timirândhasya jnânânjana shalâkayâ chaksur unmilitam yena tasmai sri gurave namah Ik val hem als een stok ten voet, Mijn leraar, die mijn ware zicht, Verduisterd door onwetendheid, Bevrijdde door zijn kennislicht. namo mahâ-vadânyâya krishna-prema-pradâya te krishnâya krishna-chaitanya nâmne gaura-tvishe namah De Hoogst Genaderijke eer! Weids strooit Hij Krishna’s liefde uit: Krishna Chaitanya, Krishna Zelf, Met stralende lichtgouden huid. he krishna karunâ-sindho dina-bandho jagat-pate gopesha gopikâ-kânta râdhâ-kânta namo ‘stu te Krishna, Zee-van-barmhartigheid, Vriend der verdrukten, Schepping-Heer, Eerste der herders, Gopi-Lief, Râdhikâ’s Minnaar – U zij eer! ****************************************** &&&&&&&&&& &&&&&&&&&& &&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&& Hoofdstuk 49 Niet door Hayeshvar herdicht: [SB, Hoofdstuk 49: Akrűra's Missie in Hastinâpura] &&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&& Hoofdstuk 50(1) - Waarin de Heer een versterkte stad in zee bouwt. Shukadeva zei: Tekst 1 De beide vrouwen nu van Kams’, Ashti en Prâpti, Bhârat’-heer, Keerden nadat hij was gedood Vol droefheid naar hun vader weer. De heilige Shukadeva heeft de koning der Bhârata’s, Parikshit, verteld hoe Krishna de wrede vorst Kamsa heeft gedood en vervolgt nu zijn bovennatuurlijk relaas. Tekst 2 Hem, Jarâsandh’, de koning van Magadh’, vertelden ze vol pijn Hoe het gekomen was dat zij Nu weduwvrouwen moesten zijn. Tekst 3 Na ’t horen van ’t ellendig nieuws Deed Jarâsandh’ in felle smart Enorm zijn best om ’t Yadu-huis Van d’ aarde weg te vagen, vorst. Het huis Yadu was door Krishna uitverkoren om erin neer te dalen, teneinde van daaruit Zijn Spel op aarde te ontvouwen. Tekst 4 Gevolgd door ’n akshauhini-macht Van drieëntwintig tegelijk Sloeg hij ’t beleg voor Mathurâ, De hoofdstad van het Yadu-rijk. Tekst 5 Toen Krishna, d’ alvervulde Heer, Hari, die legermacht daar zag, Die als een doorgebroken zee Rondom Zijn stad Mathurâ lag … Tekst 6 En al de Zijnen in paniek, Bedacht Hij hoe naar tijd en plaats De wereld met Zijn komst als Mens Het allerbeste was gebaat. Sri Krishna dacht: Tekst 7 Ik zal die loden wereldlast Verpletteren – die legermacht Van ieder koningshuis in ’t rond Door Jarâsandh’ bijeengebracht: Tekst 8 Die akshauhini’s voetvolk hier Met wagen, paard en olifant … Opdat hij een nieuw leger haalt Dood Ik hem niet, die Jarâsandh’. Tekst 9 Ik ben op aarde neergedaald Om ’n eind te maken aan die last Tot heil van ’t vrome volk en tot Vernietiging van heel de rest. Vernietiging door Krishna betekent vernietiging van het kwaadaardig bewustzijn en het daaraan gehoorzamend omhulsel en verlossing van de ziel. Tekst 10 Zo toon ‘K M’ in telkens and’re Vorm In deez’ ofwel in gene tijd Opdat Ik ’t ware steeds bescherm En ’t onwaarachtige kastijd. Vers 9 en 10 zijn vrijwel identiek aan vers 7 en 8 van hoofdstuk 4 van de Bhagavad-gîtâ. Shukadeva zei: Tekst 11 Terwijl Hari dit overdacht Daalden er stralend als de zon Twee wagens uit de hemel neer Met menner, tuig en paardenspan. Tekst 12 Hun goddelijke wapens zag Toen Hrishikesh’ vanzelf daarbij, Hun eigendom en eeuwigheid, Waarop Hij tot Sankarshan’ zei: Sankarshana of Balarâma is in Krishna’s Spel Zijn Oudere Broer. Naar goddelijke positie gemeten is Sankarshana Krishna’s Eerste Expansie, die zowel de geestelijke als de stoffelijke wereld openbaart. Tekst 13 “Mijn Beste, kijk toch wat een leed Die Yadu’s van Je ondergaan: Red hen! Daar komt Je wagen met Je dierbaar wapentuig al aan. Tekst 14 “Bestijg de wagen en dan gauw De Jouwen uit die ramp gehaald! Want zijn Wij daarvoor niet, o Heer, Onder de vromen neergedaald? Tekst 15 “Verlos nu d’ aarde van die last In drieëntwintigvoud, kom mee!” Zo reed Elk in Zijn strijdkaros De stad uit naar de legerzee. Tekst 16 In wapenrusting vloog Hari Bij Dâruk’ op de wagen voort Met een paar ruiters om Zich heen En blies Zijn kinkhoorn in de poort. Dâruka is Krishna’s persoonlijke wagenmenner. Tekst 17 ’t Hart van de vijand werd vervuld Van angst en beven bij ’t geluid, Doch Jarâsandha riep Hem toe: “Krishna, ellendige Schavuit! Tekst 18 “Uit schaamte strijd ik niet met Jou, Een Knaap, die Zich verborgen houdt! Verdwijn, ik vecht niet met een Gek Die Zijn familieleden doodt! Tekst 19 “Jij Râm’, laat zien hoe sterk Je staat, Kom, heb het lef! Ik schiet J’ in twee Met deze pijlen en Je zeilt De hemel in – of Jij doodt mij!” De Alvervulde zei: Tekst 20 Een held hoeft niet te snoeven, vorst, Want hij bewijst vanzelf zijn kracht, Maar nu je dood op handen is Sla Ik op dat gezwets geen acht! Shukadeva zei: Tekst 21 Daarop trok Jarâsandh’ zijn grootse legermacht Bijeen rondom Krishn’ en Zijn Broer en Hun gevolg Van manschappen, ruiters en vaandels en zo meer – Een storm die de zon in een wolk van stof verzwolg. Tekst 22 Toen ’t vrouwvolk, dat haastig te hoop gelopen was Op transen en daken en poorten van de stad, De waaierpalmvlag noch die met Garuda zag Van Râm’ en van Krishna, viel het in zwijm van smart. Tekst 23 Hari, die zijn handjevol deerlijk zag bedreigd Door hozen van pijlen van ’s vijands legermacht Liet Shârnga tekeer gaan, Zijn bovenbeste boog, Zowel door demonen als goden diep geacht. Tekst 24 Hij grist’ uit Zijn koker Zijn pijlen, vlijmscherp, Die Hij in één stroom van Zijn boogpees af zond Naar wagens en dikhuiden, paarden en volk En draaid’ als een laaiende fakkel in ’t rond. Tekst 25 Hun slapen doorkliefd stortten dikhuiden neer En paarden onthoofd door de vliegende zwerm En wagens met vierspan en menner en vlag En voetvolk onthalsd, zonder been, zonder arm. Tekst 26 Van ’t lijk van soldaat en van paard en olifant Vlood één honderdvoudige bloedstroom voor Hem langs – Een hoofd leek een schildpad, een paard een krokodil, Een dikhuid een eiland, een arm een waterslang … Tekst 27 Een hand en een dij leken vissen, haar leek mos, Een boog leek een golf en een pijlenbos een struik, Een schild of een wiel leek een gruwelijke kolk, En edelgesteente leek rotsig oevergruis. Tekst 28 Vanwaar Balarâm’ met onmetelijke kracht Zijn knots op Zijn doldrieste tegenstanders sloeg Spoot bloed in het rond, dat de held verrukking schonk, Maar ’n lafaard op ’t slagveld alleen maar vrees aanjoeg. Tekst 29 Mijn beste, de macht van de vorst van Magadha, Onpeilbaar, angstwekkend en weids als d’ oceaan, Werd afgemaakt daar door de Zoons van Vasudev’ – ’t Was Spel voor de Heren van ’t algeheel bestaan. Tekst 30 Dat Hij die de drieërlei sfeer tot leven wekt, In stand houdt en oplost, wiens macht geen einde kent, De vijand al spelend versloeg was geenszins vreemd, Maar ’t lijkt wonderbaarlijk doordat Hij ’t deed als Mens. Krishna, het Opperwezen in eigen persoon, hield tijdens Zijn ommegang op aarde de schijn op dat Hij een sterveling was. De drieërlei sfeer is het geheel van de hemelse, aardse en helse regionen van de kosmos, die Krishna als Brahmâ manifesteert, als Vishnu in stand houdt en als Shiva ontbindt. Tekst 31 Râm’ greep d’ oersterke Jarâsandh’, Die louter ’t vege lijf bezat, Van leger en van kar beroofd, Zoals een leeuw een leeuw aanvat. Tekst 32 Toen Hij de vijanddoder met Varuna-snoer en mensenkoord Wou vastbinden, hield Krishna ’t af: Hij had wat anders met hem voor. Varuna is onder meer heer van alle toverij. Het Varuna-snoer is een fijn-stoffelijke toverband. Tekst 33 Beschaamd dat hij, ’n beroemde held, Van d’ Opperheren heen mocht gaan, Wou hij gaan boeten in het woud, Maar vrienden rieden ’t hem niet aan. Tekst 34 “Die nederlaag was slechts je lot Van karma-wege,” zeiden ze ‘m En nog meer woorden, ’t ene hoog En ’t and’re minder hoog gestemd. Tekst 35 Daarop ging Koning Jarâsandh’, Van zijn enorme macht beroofd, Door d’ Alvervulde genegeerd, Naar Magadha met hangend hoofd. Tekst 36 Hari, wiens leger ongekwetst De zee des vijands had doorkliefd, Met prille bloemblaadjes bestrooid Door ’t hemelvolk, alom geliefd … Tekst 37 Keerde weerom in Mathurâ, Dat juichend alle leed vergat En waar Zijn zege werd geloofd Door hofdichter, heraut en bard. Tekst 38 ’t Geluid ging op van menige Kleitrom en pauk, klaroen en fluit, Kinkhoorn en vinâ overal Terwijl de Heer de stad in reed … Tekst 39 Langs vlag en wimpel bij ’t gezang Der Veda’s door een erepoort Over de natgeplensde weg Tussen verrukte mensen door. Tekst 40 ’t Vrouwvolk wierp wrongel, graan en rijst Naar Hem en meen’ge bloemenkrans Terwijl ’t vol liefde naar Hem keek Met ogen groot en louter glans. Tekst 41 De Heer schonk aan de Yadu-vorst D’ onmetelijke weeld’ en pracht Aan heldensieraden die Hij Van ’t veld van eer had meegebracht. Tekst 42 Tot zeventienmaal toe vocht zo Magadha’s koning Jarâsandh’ Met net zo’n akshauhini-macht Tegen de Yadu’s met Mukund’. Tekst 43 De Vrishni’s doodden door de kracht Van Krishna elke legerschaar … Op ’t eind, weer losgelaten door Zijn vijand, ging de vorst vandaar. Tekst 44 Voordat Jarâsandh’ nog een keer, De achttiende, een aanval deed, Zond Nârad’ hem een Yavana, Die dikwijls al heldhaftig streed. Nârada is de grote leraar der goden, die in het Spel van Krishna geregeld opduikt om het gebeuren een nieuwe wending te geven of het te versnellen. Tekst 45 “De Vrishni’s kun je niet de baas,” Zei Nârada de kampioen, Die daarop aankwam met een groots Barbarenheir: dertig miljoen. Tekst 46 Toen Krishna hem gekomen zag Zei Hij tot Sankarshan’: “O wee, Een reuzenramp bedreigt de stad, Niet van één kant nu, maar van twee.” Als Almachtige kent Krishna geen angst. Zijn “O wee!” is Spel. Tekst 47 “Daar valt die Yavana ons aan Met heel zijn leger en meteen Of morgen of de dag daarna Komt ook Jarâsandh’ nog hierheen. Tekst 48 “Vechten Wij met die Yavan’ hier, Dan valt Jarâsandh’ elders aan En sleurt de Yadu’s naar zijn stad Of hakt hen woedend in de pan. Tekst 49 “We bouwen dadelijk een burcht Die echt geen sterveling bestormt: Daar halen W’ iedereen naar toe En brengen dan die Yavan’ om.” Tekst 50 Daarop liet ‘d Alvervuld’ in zee Een burcht bouwen, waarin een stad, Twaalf yojana’s in middellijn, Die niets dan moois en prachtigs had … Tekst 51 Waarbij de godenarchitect Zijn hele kunnen had gestouwd In stijlvoll’ aanleg en structuur Van weg, plein, straat, huis en gebouw. Vishvakarma, de bouwmeester der goden, was neergedaald om Krishna’s stad te bouwen. De Yadu’s waren overigens voor het overgrote deel zelf hemelingen, op aarde verschenen om Krishna in Zijn Spel bij te staan. Tekst 52 Er waren wonderparken daar Met toverbomen zonder tal En gouden torens hemelhoog Met rustbalkons van puur kristal … Tekst 53 En opslagplaatsen, zilverbrons, Van gouden kruiken welvoorzien, Vloeren met parelmozaďek En koepels rijk aan edelsteen … Tekst 54 En tempels voor haast elke god En dakterrassen op elk huis – En de vier standen wemelden Om elk fraai Yâdava-paleis. De vier standen: 1. de brahmanen: priesters en leraren; 2. de kshatriya’s: vorsten, krijgers en bestuurders; 3. de vaishya’s: landbouwers, koeherders, geldschieters en handelaars; 4. de shudra’s: knechten en dienaars. Tekst 55 De hemelgod bracht voor Hari Sudharm’ en pârijât’ omlaag, Onder welks bladeren een mens Door dood noch ziekte wordt belaagd. De hemelgod is Indra, de heer van donder en wolken; Sudharma is Krishna’s regeringsgebouw. Tekst 56 Varun’ zond witte paarden neer, Met één zwart oor, snel als de geest; De god der rijkdom schonk de Heer Zijn eigen schatten – een waar feest. Tekst 57 All’ and’re groten gaven Hem, Als Mens op aarde neergedaald, De macht t’rug die hun voor hun taak Door Krishna ooit was toebedeeld. Tekst 58 Hari bracht door zijn wondermacht Zijn volk zó over naar de stad, Waarna Hij na beraad met Râm’, Die ieder tot Beschermer had, Zonder één wapen en getooid Met lotuskrans naar buiten trad. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 51(2) - Waarin de Yavana tot as vergaat en Koning Muchukunda Krishna verheerlijkt. Shukadeva zei: Tekst 1 Toen hij de Heer verschijnen zag, Oprijzend als de volle maan, Donker van huid en wondermooi, Met gele zijde aangedaan … Tekst 2 Zijn borst getooid met de srivats’, De kaustubh’ gloeiend op Zijn tors, Zijn lotusogen warm en rood, Zijn twee paar armen lang en fors … De srivatsa is een gouden lokje of krul op Krishna’s borst en geldt als rustplaats voor het hoofdje van de geluksgodin; de kaustubha-steen vertegenwoordigt het hoogste bewustzijn. Tekst 3 Zijn beide wangen glanzend rond, Zijn lach als altijd mild en blij, Schoon als een lotus Zijn gezicht Met de twee slang’-oorhangers fraai … Tekst 4 Bedacht hij: “Dat is Vâsudev’, Die Man daar met srivats’ getooid, Met Zijn vier armen, lotusoog En bloemenkrans, zo wondermooi … Tekst 5 “Als Nârada ’t heeft uitgelegd: Dat kan geen ander zijn dan Hij! Hij draagt geen wapens, gaat te voet – Dan gooi ‘k mijn wapens ook opzij.” Tekst 6 Daarop holde de Yavana De Heer na, die ‘m ontvluchten wou, Opdat hij Hem, die ’n yogi zelfs Niet weet te vatten, grijpen zou. Tekst 7 Zo lokte Krishna, die steeds weer Net deed of Hij Zich vangen liet, De Yavan’-koning naar een grot Ver weg in bergachtig gebied. Tekst 8 “Een schande dat een Yadu-telg De benen neemt zoals Jij doet!” Zo riep de vorst, maar kreeg Hem niet – Zijn kwaad was nog niet uitgeboet. Hoe hard de Yavana-koning ook achter Krishna aan holde, hij kreeg Hem niet te pakken. De traditie versterkt dit beeld door te zeggen dat Krishna kalmpjes voortwandelde: niemand kan zijn hand op de Oneindige leggen tenzij uit zelfvergeten liefde. Tekst 9 Doof voor des konings scherpe tong Vloog d’ Opperheer de berggrot in; De Yavan’ ijlde ‘M na en zag Een slaper in de schemering. Tekst 10 “De slaap des onschulds slaapt Hij nu Na die enorme renpartij,” Dacht d’ idioot en met een voet Trof hij de slaper in de zij. Tekst 11 De man, die lang gelegen had, Sloeg langzaam zijn loom’ ogen op, Blikt’ om zich heen en zag daar toen De Yavana van teen tot top. Tekst 12 O telg van Bharat’, toen hij zo Vol gramschap naar de Yavan’ keek Verzengde door zijn eigen vuur Diens lichaam in en ogenblik. De blik van de slaper was niet heet, maar liet de Yavana door diens eigen lichaamswarmte ontbranden. Parikshit zei: Tekst 13 Wie was het die de Yavana Vernietigde? Vanwaar zijn kracht? Hoe kwam hij daar zo in die grot? O heer, wat was zijn voorgeslacht? Shukadeva zei: Tekst 14 De man was een brahmanenvriend, Een grote telg van Ikshvâku, Mândhâta’s zoon, vorst Muchukund’, Zijn woord aan iedereen getrouw. Tekst 15 Doodsbang voor de demonen kwam Heer Indr’ eens met de godenrij Om zijn bescherming naar hem toe – En eindeloos stond hij hen bij. Tekst 16 Toen Kârttikeya ’t overnam Spraken z’ aldus tot Muchukund’: “O vorst, rust uit van ’t hard gelag Dat u om ons zo lang doorstond. Kârttikeya, zoon van Shiva, is de oorlogsgod. Tekst 17 “Uw rijk was vrij van vijanden Toen u het achterliet weleer Om ons te helpen in de strijd – Het biedt u nu geen vreugde meer. Tekst 18 “Uw vrouwen, zoons en raadslieden Zijn stuk voor stuk al heengegaan En ’t volk waarover u regeerd’ Is ook niet meer in dit bestaan. Tekst 19 “D’ algroot’ almachtig’ Opperheer, Sterken te sterk, is ook de Tijd: Speels drijft Hij ieder schepsel voort Als Herder die zijn kudde leidt. Tekst 20 “Kom, vraag ons wat u maar begeert, Ja alles, maar verlossing niet, Want die schenkt d’ Alvervuld’ alleen, Sri Vishnu, die ’t heelal gebiedt.” Tekst 21 De grote held dankte daarop De goden voor hun zegening En lei zich neer in de spelonk Opdat hij slaap van hen ontving. De goden zeiden: Tekst 22 Moge d’ onwijze die u wekt Terwijl u diep in slaap nog bent Meteen ontbranden door uw blik Opdat zijn lijf tot as verzengt. Shukadeva zei: Tekst 23 Zo zag de wijze Muchukund’ Na ’t vurig eind van de barbaar De beste van de Sâtvata’s De welvervulde Krishna, daar. Tekst 24 Terwijl hij ‘M zag, zwart als een wolk En uitgedost in gele zij, Met de srivatsa op Zijn borst En de kaustubha-steen erbij … Tekst 25 Met twee paar armen, om Zijn hals Een krans van bloemen uit het woud, En met een lieflijk, blij gelaat En slang’-oorhangers van puur goud … Tekst 26 Het mensenoog bekorend met Zijn zoete lach en blik zo teer, Stralend van jeugd en schrijdend als De dierenkoning trots en fier … Tekst 27 Raakte de wijz’ en schrand’re vorst Verbijsterd van Sri Krishna’s gloed, Die niemand tot Hem naad’ren liet, En vroeg Hem need’rig van gemoed: Muchukunda zei: Tekst 28 Verhevene, hoe komt Gij hier In deze verre, stille grot Op die twee voeten lotusteer Dwars voor het dorenrijke bos? Tekst 29 Zijt Gij de glans der stralenden Of d’ alvervulde god van ’t vuur, Van zon of maan, de hemelvorst, Of voert Gij elders Uw bestuur? Tekst 30 ‘k Geloof dat Gij de hoogste zijt Van de drie Heren van ’t heelal, Want hier in de spelonk verdrijft Uw eigen luister ’t duister al. De drie Heren van ’t heelal zijn Brahmâ, de schepper, Vishnu, de Instandhouder, en Shiva, de vernietiger; van hen is Vishnu de hoogste. Tekst 31 Juweel onder het manvolk, ach, Vertel m’ indien het U behaagt Over Uw komst en taak en Naam, Want daarvan hoor ik alles graag. Tekst 32 Ik ben, o Mensentijger, ’n telg Van Ikshvâku, een kshatriya, En Muchukunda noemt men mij, O Heer, de zoon van Mândhâtâ. Tekst 33 Na eeuwen waken afgemat Lag ik door slaap hier overmand En rustte diep en ongestoord Tot ‘k werd gewekt door ’n vreemde klant. Tekst 34 ’t Is vast zijn eigen schuld geweest Dat hij tot sintels is vergaan … Toen zag ik U, Verhevene, Schrik van de vijand, voor me staan. Tekst 35 Door Uw intense gloed verblind Kan ik U niet voortdurend zien, Gezegende, maar ‘k weet dat Gij ’t Ontzag van al wat leeft verdient. Shukadeva zei: Tekst 36 Op deze woorden vol respect Zei Hij die alle wezens torst, De Welvervulde, met een lach Diep als de donder tot de vorst. De Alvervulde zei: Tekst 37 Zo vaak ben Ik gekomen hier Met Naam en taak zo velerlei Dat niemand het precies meer weet – ‘k Ben Zelf de tel volkomen kwijt. Tekst 38 Zo iemand ’s werelds stofjes echt Na vele levens ooit eens telt – ’t Getal van al Mijn Avatâr’s En volheden blijft onvermeld. Tekst 39 Als al Mijn Avatâra’s op Eén lange rij werden gezet Zag d’ allergrootste ziener zelfs ’t Begin en ’t einde daarvan niet Tekst 40 Hoor niettemin, Mijn beste vriend, Hoe ’t met Mijn huidig’ is gesteld: De schepper smeekte Mij onlangs Of ’t heilig leven werd hersteld En of d’ asura-drom die ’n last Voor d’ aarde was werd neergeveld. Tekst 41 Ik daalde neer in ’t Yadu-huis In het gezin van Vasudev’ En daarom noemt men Mij dan ook, Uit hem verschenen: Vâsudev’. Tekst 42 ‘K heb Kams’ en ook Pralamb’ gedood – Al wie de vromen lastig viel – En door uw felle blik, o vorst, Heb Ik de Yavana ontzield. Tekst 43 Daar u zo dikwijls om Mij riep Kom Ik, die van Mijn bhakta’s houd, Opdat Ik u Mijn zegen schenk In deze grot hier in het woud. Tekst 44 O wijze vorst, vraag wat u wilt – Ik schenk u al wat u begeert: Wie Mijn bescherming heeft gezocht Treft geen verdriet of rampspoed meer. Shukadeva zei: Tekst 45 Daarop boog Muchukunda neer, Door blijdschap overmand, want hij Zag Hem als God, Nârâyana, En dacht aan wat ooit Garga zei. Garga Muni is een grote wijze, van wie, behalve een gezaghebbend werk over de loop en invloed der hemellichamen, veel geestelijke kennis is overgeleverd. Hij schonk ook Krishna en Balarâma Hun Naam. Muchukunda zei: Tekst 46 Uw Mâyâ, o Heer, heeft dit schepsel zo misleid Dat ik het onware vereer en U vergeet: Op zoek naar wat vreugde gehecht aan huis en haard Als man of als vrouw, ach, ervaar ik telkens leed. Tijdens haar verhuizing van lichaam tot lichaam woont de ziel nu eens in een mannelijk en dan weer in een vrouwelijk omhulsel. Tekst 47 Wie ’t moeilijk t’ ontvangen bestaan als mens verkrijgt – Zijns ondanks, o Zuiv’re – gezond van lijf en geest, Maar ’t valse verkiest en Uw lotusvoeten mijdt Valt blind in de put van zijn zinnen als een beest. Het mensenbestaan geldt als “moeilijk t’ ontvangen” omdat er honderdduizenden andere levensvormen zijn waarin de ziel terecht kan komen. Onder al deze levensvormen is de menselijke de enige waarin de ziel liefde tot Krishna kan opvatten en zo verlost kan raken. Zinsbevrediging is het tegenovergestelde van liefdevolle toewijding aan Krishna’s lotusvoeten en de oorzaak van – een lagere – wedergeboorte. Tekst 48 Almachtig’, ach leeg is dit leven weggestroomd In vorst’ lijke praal en in trots op mijn goud: Terwijl ik me hechtt’ aan mijn lijf, als was ik ’t zelf, Aan vrouwen en zoons, was ik eindeloos benauwd. Tekst 49 Terwijl ik dit lijf, dat van aard’ is als een kruik, Voor ’n vorst en mijzelf hield, trok ik met heel mijn schat Aan wagens en dikhuiden, voetvolk, generaals Verwaand door de wereld terwijl ik U vergat. Tekst 50 Terwijl d’ onoplettende mens voortdurend streeft En vruchteloos hunkert en altijd meer verlangt Vat Gij hoogst oplettend, o Heer des doods, hem aan – Een slang die met likkende tong een kikker vangt. Tekst 51 Het lichaam dat “koning” geheten rondging ooit In gouden karossen of op een olifant Wordt eenmaal op last van Uw niet t’ ontlopen Tijd Wat wurmengewriemel, wat smurrie aan de kant. Tekst 52 Geëerd door zijn eerd’re gelijken, hoog getroond, Wordt hij die geen vijand zag of hij zegevierd’ In huis door de vrouwen die hij omhelzen wil Van links naar rechts rondgesold als een speelgoeddier. Tekst 53 In zelftucht verankerd, verstoken van genot, Aan weldoen gewijd in de hoop op loon naar daad – “Ach dat ik ooit over het universum heers!” Begeert hij ’t zo hevig dat zijn geluk vergaat. Tekst 54 De dolende ziel die aan ’t einde van haar reis, Onfeilbare, ’n heilige op haar pad ontmoet Valt louter door mčt hem te zijn, o Heilig Doel, Bestuurder van ’t laagst’ en het hoogste, U ten voet. Tekst 55 Ik zie dat Ge mij met Uw zegen overlaadt Zoals ik vanzelf van ’t regeren hen bevrijd – De wens van de wijze monarch die zich in ’t woud Wil t’rugtrekken, Heer, met zijn hart aan U gewijd. Tekst 56 Uw voeten te dienen is slechts wat ik verlang – Geen hoger geluk voor wie alles heeft verzaakt … Want is het, Hari, o Verlosser, niet onwijs Als iemand U eert opdat Gij ‘m weer binden laat? Tekst 57 Derhalve verwijder ik alles ver van mij Dat bindingen heeft met de guna’s der natuur … Ik geef m’ aan U over, o Hoogste Godspersoon, O guna-looz’ Ene, o Kennis rein en puur. Hoofdstuk veertien van de Bhagavad-gîtâ beschrijft in extenso de leer van de drie guna’s of leibanden – onwetendheid, hartstocht en zelftevreden goedheid – waaraan de gebonden ziel wordt rondgesleurd. Tekst 58 Lang ziek van ’t streven naar genietingen en hun nasleep, Door mijn zes vijanden gekweld, kend’ ik nimmer vrede: O Opperziel, ik werp me neer aan Uw lotusvoeten, Behoed me, Heer, en laat mijn lijden nu zijn geleden. De zes vijanden zijn de vijf zinnen en de innerlijke zin: de geest. De Alvervulde zei: Tekst 59 O keizer van het wereldrond, Uw geest is klaar en onbevlekt, Want wat voor wens u ook mocht doen, Uw hartstocht werd niet opgewekt. Tekst 60 U mocht zich wensen wat u wou Als proef van uw standvastigheid: Weet dat de geest der Mijnen nooit Door zegeningen wordt verleid. Tekst 61 Wie zonder toewijding tot Mij Door ademtucht zijn geest beheerst Raakt zijn verlangens niet de baas – Zijn geest gaat daad’lijk weer tekeer. Een yogi kalmeert zijn geest door concentratie op de beteugelde ademhaling. Zijn evenwicht komt in gevaar zodra het leven hem tot lichamelijke verrichtingen dwingt. Een bhakta echter, die in al zijn verrichtingen Krishna dient, kent innerlijk evenwicht zonder dat hij zijn adem ook maar één tel hoeft te beteugelen. Tekst 62 Ga rond over de wereld met Uw geest altijd gehecht aan Mij: Moge voorwaar uw toewijding Onwankelbaar en blijvend zijn. Tekst 63 Uit kshatriy’-plicht hebt u weleer Gedood op jacht en in de strijd: Toom u nu in, Mij toegedaan, En boet zo al uw zonden uit. Tekst 64 In ’t volgend leven dat u krijgt, O vorst, wordt u de beste vriend Van ieder wezen, als brahmaan, En zult u Mij voorzeker zien. Een brahmaan is niet “de beste vriend van ieder wezen” louter door zijn geboorte als brahmaan, maar door zijn werkelijk brahmaanschap. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 52(3) - Waarin Krishna Zich in Dvârakâ terugtrekt en Rukmini een brahmaan een boodschap aan Hem laat overbrengen. Shukadeva zei: Tekst 1 Aldus gezegend door Hari, Ging hij om Krishna rond, de vorst, Boog zich eerbiedig voor Hem neer En kwam naar buiten uit de grot. Tekst 2 Daar zag hij mens en dier en plant En boom veel kleiner dan voorheen En dacht: “We zijn in Kali-yug’.” Daarop toog hij naar ’t noorden heen. Van de mensen van het tijdperk vóór het huidige Kali-yuga wordt gezegd dat het reuzen waren, die duizend jaar oud konden worden. (Ook het bijbelboek Genesis (hoofdstuk 5) spreekt van bijna duizendjarigen en zegt: “De reuzen waren in die dagen op aarde.” (6:4)) Tekst 3 Boetvaardig en onwankelbaar, Verlost van twijfel en onthecht, Klom hij de Gandhamâdan’ op, Zijn geest gericht op Krishna slechts. Tekst 4 Zo kwam hij in Badaryâshram’, Nârâyana’s en Nara’s oord, Waar hij zich voor Hari bedwong, Van tweeheid vrij en onverstoord. In het door jujube-bomen (badari’s) beschaduwde Badaryâshrama in de Himâlaya verblijven tot op de huidige dag, nu nog zichtbaar in de gedaante van twee Altaarbeelden, de grote heiligen Nara en Nârâyana, die in werkelijkheid de boogschutter Arjuna en zijn Wagenmenner Krishna zijn. Tekst 5 De Welvervulde ging weerom En doodde de barbarenmacht Die Dvârakâ belegerd hield En sleept’ haar rijkdom in de wacht. Tekst 6 Terwijl de buit op Zijn bevel Door os en man werd ingehaald Kwam Jarâsandh’ opnieuw met drie- En-twintig legers aangeijld. Tekst 7 Bij d’ aanblik van ’t geweld waarmee De vijand daar kwam aangerost Namen de beide Broers de wijk Alsof Ze mensen waren, vorst. Tekst 8 De rijke buit bleef waar hij lag En onbevreesd, doch bang naar ’t schéén, Snelden Z’ op voeten lotuszacht Tientallen kilometers heen. Tekst 9 Toen hij Hen Beiden vluchten zag Brulde Jarâsandh’ van de lach En joeg Hen met zijn wagens na, Geen snars begrijpend van Hun macht. Tekst 10 Van ’t verre rennen afgemat Beklommen Ze ’n verheven piek, Pravarshana genaamd omdat De hemelgod hem steeds begiet. Tekst 11 Ze zaten op de berg, maar waar? Hij vond Hen nergens, Jarâsandh’… Met takkenbossen in het rond Stak hij de hele piek in brand. Tekst 12 Toen, met een sprong, zeilden de Twee Over de felle vlammengloed Van d’ elfmaal acht mijl hoge berg En landden veilig aan zijn voet. De honderdveertig kilometer hoge Pravarshana stond klaar om reliëf te geven aan het springvermogen van de almachtige Krishna en Balarâma, waarna hij zich aan verdere menselijke waarneming onttrok. Tekst 13 Daarop keerden de Besten van Het Yadu-huis, onzichtbaar voor De vijand, t’rug naar Dvârakâ, Hun stad in d’ oceaan, o vorst. Tekst 14 Ten onrechte dacht Jarâsandh’: “Die Bal’ en Keshav’ zijn verbrand.” En met zijn reuzentroepenmacht Begaf hij zich weer naar zijn land. Tekst 15 ’t Is al verhaald dat Raivata, De luisterrijk’ Ânarta-heer, Zijn dochter Rev’ti schonk aan Bal’, Zoals ’t door Brahmâ werd begeerd. Deze geschiedenis is te lezen in 9.3.27-36, een gedeelte van het Bhâgavata Purâna dat buiten het bestek van dit boek valt. Tekst 16 De Welvervulde nu, Govind’, Huwd’, o juweel van ’t Kuru-huis, Vorst Bhishmak’s Dochter Rukmini, Sri Zelve, bij Haar bruigomskeus. De “bruigomskeus” of eigen keuze (svayamvara) vond veelal plaats tijdens een toernooi waarbij een kshatriya-dochter uit een kring van elkaar met behendigheid en kracht bestokende edelen haar echtgenoot koos door hem een krans om te hangen. Tekst 17 Hij roofd’ Haar weg van Shâlv’ en heel ’t Vazallendom van Shishupâl’ Voor ’t oog van iedereen zoals Garuda eens de nectar stal. Sri Vishnu’s gevleugelde drager Garuda stal de nectar van de goden om daarmee zijn moeder vrij te kopen, die door de moeder der slangen gevangen was (Mahâbhârata 1.32-34). De koning zei: Tekst 18 De Welvervuld’ had Rukmini, Bhishmaka’s Dochter, van gelaat Hoogst liefelijk, op râkshasa- Manier gehuwd, naar men verstaat. Râkshasa’s huwen door bruidsroof. Tekst 19 ‘k Wil horen hoe Hari, de Heer, Vervuld van mateloze kracht, Jarâsandh’s vrienden overwon En ’t Meisje naar Zijn Woning bracht. Tekst 20 ’t Verhaal van Krishn’ is nectarzoet, Vol heil en neemt de zonden van De wereld weg: geen die dit weet Die er zijn oor voor sluiten kan! Shukadeva zei: Tekst 21 De grote koning Bhishmaka Bezat Vidarbh’ als zijn domein. Vijf zonen ha de vorst en ook Eén mooie Dochter wonderfijn: Tekst 22 Na Rukmi, d’ oudste, heetten zij: Rukmaratha, Rukmabâhu, Rukmakesha, Rukmamâli En Rukmini, hun Zuster goed. Tekst 23 Toen Ze bezoekers van ’t paleis Mukunda’s schoonheid, rijkdom, moed En deugd hoorde verheerlijken Bezag Ze ‘M als Haar Echtgenoot. Tekst 24 Sri Krishna van Zijn kant wou Haar Als Bruid wegens Haar schranderheid, Mildheid en deugd, tekens van heil, Schoonheid en edelmoedigheid. De “tekens van heil” zijn uiterlijke kenmerken, zoals bepaalde lijnen in de handpalmen en op de voetzolen, bepaalde hals- en buikplooien, kuiltjes op bepaalde plaatsen in de huid, een bepaalde vorm van mond en ogen, waaraan deskundigen de grootheid van iemands persoonlijkheid weten af te lezen. Tekst 25 Elk zag Haar zielsgraag trouwen met Govinda, vorst, maar Rukmi niet: Hij haatte Krishn’ en wees zijn vriend Shishupâl’ aan als favoriet. Tekst 26 De donkerogige Prinses Raakt’ overstuur, dacht hevig na, Riep een brahmaan die Ze vertrouwd’ En zond hem snel naar Keshava. Tekst 27 Zodra de priester Dvârakâ, De stad van d’ Oudste Godspersoon, Bereikt’, ontsloot de wacht de poort En trof hij ‘M op Zijn gouden troon. Tekst 28 Toen de Brahmanenvriend hem zag Kwam Hij snel van Zijn zetel af En schonk hem ’n ereplaats en d’ eer Die ’t hemelvolk Hém altijd gaf. Tekst 29 Nadat Zijn gast gegeten had En wat gerust, zonk ’t Levenslicht Der vromen aan zijn voeten neer En kneedde hen en vroeg hem zacht: Sri Krishna zei: O parel der brahmanenkeur, Moog’ uw gemoed steeds vredig zijn En de vervulling van uw plicht, Vanouds zo nobel, zonder pijn. Tekst 31 Als een brahmaan tevreden is Met alles en het zijne doet Vervult hij ieders hartewens Als was hij ’n koe van overvloed. Een werkelijke brahmaan houdt zich strikt aan zijn gewijde plichten en kent geen enkel persoonlijk verlangen. Daardoor kan hij verbinding met het Opperwezen krijgen en de wensen van iedere ziel vervullen. De “koe van overvloed” of wenskoe (kâmadhuk of kâmadhenu) is een bovennatuurlijk wezen dat alles schenkt wat men het vraagt; de wensboom (kalpatâru) van de Vedische teksten vervult een dergelijke functie. Tekst 32 Als Indra ontevreden is Verhuist zelfs hij van oord naar oord, Maar ’n armoedzaaier, weltevree, Slaapt languit, nergens door gestoord. Tekst 33 Brahmanen ieder welgezind, Voldaan in voor- en tegenspoed, Verlost van ego en sereen – Die val Ik keer op keer ten voet. Tekst 34 Is ’t leven veilig, o brahmaan, Onder de koning van uw land? Die vorst is mij zeer lief wiens volk Gelukkig leeft onder zijn hand. Tekst 35 Vanwaar komt u van zo ver hier? Waartoe komt u van overzee? Kan Ik misschien iets voor u doen? Als ’t niet geheim is, zeg het Mij. Shukadeva zei: Tekst 36 Op deze milde vragen van D’ Opperbestuurder van ’t heelal, Die in Zijn Spel als Mens optrad, Zei de brahmaan ’t Hem allemaal. Rukmini zei (bij monde van de brahmaan): Tekst 37 O Allermooiste, toen Ik hoorde van Je vermogens, Die door Mijn oor de smart verdreven, in Mij gerezen, En van Je schoonheid, die voor d’ ogen het hoogste goed is, Wild’ Ik Me vrij van valse schaamte in Jou verliezen. Tekst 38 Welk flink en hooggeboren meisje wil Jou niet trouwen, Wanneer de tijd komt dat z’ haar keuze moet gaan bepalen, Mukund’ – o Jij, bij wiens karakter, jeugd, kennis, schoonheid, Afkomst en rijkdom, Hartedief, niemand het kan halen? Tekst 39 Mijn lief, ja, Jou heb Ik verkoren om mee te trouwen, O Mensenleeuw, haal Mij van hier, bij Jou wil Ik schuilen, Laat Shishupâl’, o Lotusoog, ’t heldenloon niet nemen, Ach, laat die jakhals toch de leeuwebuit niet bevuilen. Tekst 40 Als ‘K ook maar iets heb mogen doen dat de Heer voldaan stemt Aan goede werken, offers, zelfbedwang en het dienen Van goden, priesters en Mijn meerderen, mag dan Krishna – Nooit Shishupâl’, die niet! – Mijn hand nemen in de Zijne. Tekst 41 Onoverwin’lijke, kom morgen stil naar Vidarbha Op ’t bruiloftsfeest met Je bevelhebbers en Je leger, Laat Jarâsandh’ en Shishupâl’ en hun macht verliezen En trouw met Mij, Je heldenprijs, naar de râkshas’- regel. Tekst 42 Zeg Jij: “Hoe schaak Ik J’ uit het binnenhuis van de vrouwen Zonder het bloed van broers en huisvrienden te vergieten?” – Dan weet Ik raad: de dag vóór ’t huwelijk gaat de bruid toch In ’t openbaar naar Durgâ’s tempel om er te bidden? Rukmini is Krishna’s eeuwige Gemalin. Haar knielen voor Durgâ, de Moedergodin, die Haar in de stoffelijke wereld vertegenwoordigt, maakt deel uit van Haar Spel. Tekst 43 Groten als Shiva hopen eenmaal te mogen baden, Opdat het duister wijkt, in ’t stof van Je lotusvoeten: Ach, Lotusoog, blijf Ik verstoken van Je genade, Dan zal ‘K er honderd levens vastend om willen boeten. De brahmaan zei: Tekst 44 Zo luidt mijn boodschap, Yadu-heer, In het geheim aan U verhaald: Bezie wat Gij hierin kunt doen En dan geen ogenblik gedraald. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 53(4) - Waarin Sri Krishna Prinses Rukmini schaakt. Shukadeva zei: Tekst 1 Toen Yadu’s Telg vernomen had Wat Rukmini Hem zeggen wou Nam Hij de priester bij de hand En sprak hem aldus lachend toe: De Alvervulde zei: Tekst 2 Zo is het ook met Mij gesteld, Ik kan er niet van slapen ’s nachts, Maar ‘K weet dat Rukmi Mij zo haat Dat Ik niet met Haar trouwen mag. Tekst 3 ‘K versla die kwade vorstentroep En breng Haar, rein van liefdevuur En stralend mooi, naar Dvârakâ Zoals je ’n vlam uit brandhout puurt. Shukadeva zei: Tekst 4 Vernemend onder welke ster Rukmini’s bruiloft werd gevierd Zei Madhusudan’ tot Dâruk’, Zijn menner: “Dadelijk van hier!” Tekst 5 Dâruka reed Zijn wagen met Geluk, Mooihals, Geduchte Faam En Wolkenbloem bespannen vóór, Hem groetend met de handen saam. Tekst 6 Dankzij de snelle paarden kwam Sri Keshava met de brahmaan In één nacht uit Zijn koningsstad In ’t vorstendom Vidarbha aan. Voor een gewoon mens met gewone paarden is het onmogelijk deze afstand van het uiterste westen van het huidige Gujarat, aan de kust, naar het huidige centraal India in zo korte tijd – en dat ook nog in het donker – te overbruggen. Tekst 7 Uit liefde voor zijn zoon liet daar De koning ’t ceremonieel Beginnen voor het huwelijk Van Rukmini en Shichupâl’. Tekst 8 Volop versierd met wimpel, vlag En erebogen werd de stad; En straat en kruising, schoongeveegd, Waren van ’t sprenkelwater nat. Tekst 9 Mannen en vrouwen gingen rond Gekranst, gezalfd en rein gekleed; En uit de mooie huizen dreef De geur van wierook – aloë. Tekst 10 Nadat hij voorouder en god Volgens de regels had geëerd En elk naar rang gul had onthaald Werd vers na vers gereciteerd. Tekst 11 De bruid, gebaad, van tanden gaaf, Een draad met goudstuk om de pols, Werd allerprachtigst opgesierd, In nieuwe zijde uitgedost. Tekst 12 Het puikje der brahmanen zong Vedische mantra’s tot haar heil; ’n Atharva-priester plengd’ in ’t vuur Om der planeten goede wil. De Atharva neemt onder de vier Veda’s een heel eigen plaats in, omdat hij, anders dan de Rig, de Sâma en de Yajur Veda, vele spreuken geeft en handelingen beschrijft waarmee de priester kwade invloeden kan bezweren en goede kan aantrekken. Tekst 13 Aan de brahmanen schonk de vorst, Met de gebruiken wel vertrouwd, Sesamzaad in melassestroop, Gewaden, koeien, zilver, goud. Tekst 14 Van zíjn kant liet ook Dhamaghosh’, De vorst van Chedi, alles doen – Door priesters in de mantra’s thuis – Wat zegenrijk was voor zijn zoon. Tekst 15 Omringd door wagens hel van ’t goud, Dikhuiden druipend van de mad’ En voetvolk, ruiters, wat al niet, Reed Dhamaghosh’ naar d’ and’re stad. Mada is vocht dat uit de slapen van een bronstige olifant welt. Tekst 16 Vorst Bhishmak’ kwam hem tegemoet En eerde hem verheugd en blij En bracht hem onder, met zijn stoet, In een afzonderlijk verblijf. Tekst 17 Duizenden vorsten kwamen daar, Hun hart aan Shishupâl’ verpand: Dantavaktra, Viduratha, Shâlva, Paundrak’ en Jarâsandh’. Tekst 18 Vol haat jegens Hari en Râm’ Wilden ze ’t Bruidje van hun vriend Van ’t Tweetal afhouden wanneer Het met de Yadu-macht verscheen. Tekst 19 “We zullen strijden als één man,” Luidde hun onvervaard besluit … Met voetvolk en met ruiterij Trokken z’ er popelend op uit. Tekst 20 Toen Râma hoorde dat een heir Van vijanden was voorbereid Op Krishna’s schaking van de bruid Verwachtte Hij een zware strijd. Tekst 21 Vol liefde voor Zijn Broer nam Hij Een macht aan voetvolk, ruiterij, Wagens en olifanten naar Het koninkrijk Vidarbha mee. Tekst 22 Toen dan Rukmini, wondermooi, Vergeefs naar de brahmaan uitzag Werd Haar verlangen naar Hari Haar haast te machtig en Ze dacht: Rukmini dacht: Tekst 23 Ach, wat een ongeluk – één nacht Scheidt Mij nu van de bruiloft nog … ‘K Begrijp niet waarom ’t zo lang duurt – Wanneer verschijnt Mijn Lotusoog? En de brahmaan die ‘M halen moest – Waarom is hij nog steeds niet t’rug? Tekst 24 Heeft d’ onberispelijke Heer Die M’ eerst wou trouwen kwaad gezien In Mijn gedrag, dat Hij Mijn hand Nu niet meer hebben wil misschien? Tekst 25 De schenker is Me kwaadgezind En Shiv’, de grote Heer, is bars En Pârvati, zijn kuise vrouw, Kind van d’ Himâlaya, ligt dwars. De schenker is Heer Brahmâ, de schepper. Shukadeva zei: Tekst 26 Terwijl dit door het Meisj’ heen ging Dat aan Hari verslingerd was Sloot Z’ Haar betraande ogen stijf – Huilen gaf in dit uur geen pas. Tekst 27 Daarop ervoer de Bruid, o vorst, Wachtend op Krishna, een getril In linkerdij en –arm en –oog – Een zeker voorteken van heil! Tekst 28 Toen dan verscheen op Krishna’s last De beste der brahmanen daar En vond het Meisj’ in ’t vrouwenhuis Als een godin zo wonderbaar. Tekst 29 De Kuise zag zijn blij gezicht, Zijn rustige manier van gaan En vroeg hem, al begreep Ze ’t al, Glimlachend hoe ’t hem was vergaan. Tekst 30 Hij zei Haar dat het Vreugdelicht Van ’t Yadu-huis in aantocht was En plechtig had beloofd dat Hij Haar mee zou nemen naar Zijn stad. Tekst 31 Verrukt van de verzekering Dat Krishna was gearriveerd Boog Ze – hoe kon Z’ iets anders doen Uit dank! – aan ’s priesters voeten neer. Tekst 32 Bij het bericht dat Krishn’ en Râm’ Aankwamen om het feest te zien Haalde de vorst de Heren met Muziek en eerbewijzen in. Tekst 33 Volgens de regels van de Schrift Bood hij Hun honingwrongel aan En vlekkeloze feestkledij En allerhande aangenaams. Tekst 34 De wijze koning bracht de Twee Met hun gevolg en troepenmacht Naar ’n onderkomen dat voor Hen Geriefelijk was ingericht. Tekst 35 Zo ook voorzag hij elke vorst Daar aangekomen naar diens moed, Anciënniteit, bezit en kracht Royaal van ’t nodig’ aardse goed. Tekst 36 Bij het bericht van Krishna’s komst Liep elke burger uit op straat En dronk met gulzig ogenpaar De zoetheid in van Zijn gelaat. De stadsbewoners zeiden: Tekst 37 Rukmini slechts, geen and’re vrouw, Verdient Hari als Gemalin, Terwijl Hij, de Volmaaktheid Zelf, Haar ideale Man zal zijn. Tekst 38 Als w’ ooit iets goeds hebben gedaan Moge dan d’ Opperheer van al Ons de genade schenken dat Achyuta met Haar trouwen zal. De stadsbewoners beseffen blijkbaar niet dat de Opperheer en Achyuta Dezelfde zijn. Shukadeva zei: Tekst 39 Aldus door heel de stad bemind Verliet de Bruid, door ’n wacht omringd, Het binnenste van het paleis Voor ’t eerbetoon aan de godin. Tekst 40 Mukunda’s lotusvoeten slechts Had Zij voor ogen bij Haar tocht Naar Ambikâ, wier voetenpaar Zij zou gaan zien – als blaadjes zacht. Ambikâ is de Moedergodin. Wie haar voeten vroom aanschouwt mag in de wereld, die zij regeert, heil en zegen verwachten. Zoals opgemerkt bij vers 3.42 is Rukmini’s eerbetoon aan de Moeder een speels eerbetoon aan Zichzelf, omdat Zij Ambikâ’s diepste Oorsprong is. Tekst 41 Ze schreed in plechtig zwijgen voort Met moeder- en vriendinnendrom En hofsoldaten in kuras Met hoog geheven zwaard rondom Bij ’t klinken van trompet en pauk, Van kinkhoorn en mridânga-trom… Tekst 42 En danseressen, duizenden, Met offeranden velerlei, Welriekende brahmaansen ook, Omkranst en met de rijkste tooi. Tekst 43 En met verheven liederen Volgden de Bruid onder muziek Minstreels en barden en met hen De zangers van de landskroniek. Tekst 44 Nadat Ze lotusvoet en –hand En –mond vóór Devi’s ereschrijn Gereinigd had, verscheen Ze voor De Moeder, kalm van hart en rein. Een tempelbezoeker wast bij de poort handen en voeten en reinigt de mond door het ritueel opslurpen van enkele waterdruppels. Tekst 45 De priestervrouwen, welbekend Met alle regels, zeiden luid Tot de godin en haar gemaal, Heer Shiv’, gebeden met de Bruid. Rukmini zei: Tekst 46 O Shiva’s gaad’, Ik buig voor u En voor uw kind’ren keer op keer: Vergun dat Ik mag trouwen met Govinda, d’ alvervulde Heer. De kinderen van Shiva en Pârvati zijn twee zoons: Ganesha, de olifantsgod, die voor zijn toegewijden elk struikelblok wegneemt; en Kârttikeya, de oorlogsgod. Tekst 47 En Z’ offerde haar sandelzalf, Water, wierook, kransen, kledij, Lekkere hapjes, sieraden En erelampjes in een rij. Tekst 48 De priestervrouwen eerde Ze Precies als Pârvati – met fruit, Een heilrijk koordje om hun hals, Zout, koekjes, pân en suikerriet. Tekst 49 De vrouwen zegenden de Bruid Met iets van Devi’s offerwaar: Ze nam het van hen aan en viel Voor hun en Devi’s voeten neer. De godheid die offergaven ontvangt neemt alleen de liefde tot zich waarmee ze hem of haar geschonken worden. Door dit aannemen van de liefde van de offeraar heiligt de godheid de offeranden, die daardoor zijn of haar prasâda – genade – worden. Deze prasâda wordt in zijn geheel aan de priesters of priesteressen gegeven. Wat zij ervan overlaten geldt als mahâ-prasâda – opperste genade. Tekst 50 Haar stilzwijgen verbrekend ging Rukmini van de Moeder heen; Een dienares leidde Haar hand, Die glinsterde van ring en steen. Tekst 51 De helden betoov’rend als Mâyâdevi zelf, ’t Gezichtje door oortooi omgloeid, een kind nog haast, Haar borsten nog klein, edelstenen om Haar leest, Haar ogen, schuil achter Haar lokken, schuw-verbaasd … Tekst 52 Met liefelijk lachje, Haar lippen kersenrood, Weerschijnend in ’t wit van Haar mooie tandenrij, Gracieus als een zwaan op Haar lotusvoetenpaar, Door belletjes rink’lend omflonkerd – zo ging Zij … En geen van de roemruchte vorsten in het rond, Verbijsterd bij d’ aanblik, bleef van begeerte vrij. Tekst 53 Toen zij de Bruid, die naar de tempel ging om Haar schoonheid Aan Krishna slechts te laten zien, zo mooi lachen zagen En schuchter kijken, ach, toen tuimelden al die krijgers Verdwaasd ter aarde van hun dikhuid of paard of wagen. Tekst 54 Terwijl Ze langzaam op Haar lotusknopvoetjes voortschreed, Intens verlangend naar ’t verschijnen van Haar Beminde, En met Haar linkerhandje ’t haar voor Haar ogen wegstreek En naar de kring van krijgers keek, zag Ze plots Govinda. Rukmini liep zo langzaam mogelijk om de tijdsspanne waarin Krishna Haar zou kunnen schaken zo lang mogelijk te rekken. Tekst 55 Toen greep onder ’t oog van de vijand Mâdhava ’t Prinsesje, dat popelend op Zijn wagen klom, En zette Haar neer onder ’t vaandel met Garud’ En stak zo de draak met de hele vorstendrom, Waarna Hij met Râm’ en de rest bedaard verdween – Een leeuw die de jakhalzentroep zijn prooi ontnam. Tekst 56 De vijand – ’t vazallengespuis van Jarâsandh’ – Verdroeg de vernedering niet en kreet ontzet: “Wee ons, die met pijlen en boog zelfs in de hand Door ’n Herder – een hert slechts! – te kijken zijn gezet!” &&&&&&&&&& Hoofdstuk 54(5) - Waarin Shishupâla’s bondgenoten en Rukmi het onderspit delven. Shukadeva zei: Tekst 1 Geharnast, zwaaiend met hun boog En woedend schreeuwend allemaal Stoven ze ‘M op hun rijdieren Met al hun mannen achterna. Tekst 2 Toen d’ aanvoerders der Yadu-macht Hen zagen aanstormen, o vorst, Maakten ze naar de vijand front En tokkelden de boogpees los. Tekst 3 De koene vijand zond van paard En kar en olifant een hoos Van pijlen op hen af zoals Een wolk zijn last op ’t hoogland loost. Tekst 4 Toen ’t Mooitje zag hoe ’n zwarte zwerm Van pijlen naar Zijn leger vloog Keek Ze van angst en vrees verward Schuchter naar Mâdhava omhoog. Tekst 5 “Ach, Schitteroogje, wees niet bang,” Zei Krishna met een milde lach, “Dat leger zal zo dadelijk Door ’t onze worden omgebracht!” Tekst 6 Des vijands koenheid was een doorn In ’t oog van Gad’ en Sankarshan’: Ze schoten ijz’ren pijlen af Op wagen, paard en olifant. Tekst 7 Met tulband, helm en oortooi viel Van zowel olifant als ros Van hun berijder ’t losse hoofd – Miljoenen koppen! – in het gras … Tekst 8 Met been, arm, hand met zwaard, knot, boog En kop na losse kop van paard, Ezel, kameel, slagtandkolos, Van muilezel en voetsoldaat. Tekst 9 Toen hij zijn macht door ’t Vrishni-huis, Uit op de zege, zag verwoest Begreep Jarâsandh’ dat hij met Zijn bondgenoten vluchten moest. Tekst 10 Ze kwamen aan bij Shishupâl’, Die somber uit zijn ogen keek Alsof zijn vrouw juist was ontvoerd, ’t Gezicht vertrokken en verbleekt: Jarâsandha zei: Tekst 11 O tijger onder ’t mannenvolk, Laat varen deze droefenis: Geen sterveling heeft ooit gezien Dat vreugd’ of droefheid blijvend is. Tekst 12 Zoals een vrouwenpopje danst Al naar des poppenspelers gril Streeft ieder in geluk en leed Louter zoals de Heer het wil. Tekst 13 ‘k Werd zeventien keer achtereen Met drieëntwintig legers, ach, Eer ik Hem eenmaal slechts versloeg Door Krishna in de pan gehakt. Tekst 14 Maar nooit slaak ik een jammerklacht En nooit barst ik in juichen uit Want heel de wereld wentelt rond Onder het juk van Lot en Tijd. Tekst 15 Daar staan we nu, bevelhebbers Van krijgshelden van grote kracht, Door een klein Yadu-legertje, Geleid door Krishna, afgeslacht. Tekst 16 De vijand overwon ditmaal: Hij had de Tijd nu met zich mee; Maar als de Tijd óns gunstig is, O koning, wel, dan winnen wíj. Jarâsandha kan niet begrijpen dat Krishna Zelf de Tijd is, zoals Hij in de Bhagavad-gîtâ uitlegt (10.33). Shukadeva zei: Tekst 17 Zo opgebeurd door Jarâsandh’ Ging Shishupâla t’rug naar huis; Wat er aan vorsten over was Reisde weerom naar zijn paleis. Tekst 18 De sterke Rukmi, woest op Krishn’ Omdat Hij als een râkshasa Zijn Zuster had geschaakt, zat Hem Fel met een akshauhini na. Tekst 19 In ’t bijzijn van de vorsten had De sterke Rukmi, in kuras Met pijl en boog, een dure eed Gezworen, woedend als hij was. Rukmi had gezegd: Tekst 20 Voordat ik Krishna heb gedood En Rukmini heb t’ruggevoerd Keer ik niet t’rug naar huis, o nee – Daarop geef ik mijn erewoord! Shukadeva zei: Tekst 21 Toen dan klom Rukmi op zijn kar En gaf zijn menner het bevel: ‘Rij me meteen naar Krishna toe, Dat ik met Hem kan vechten – snel! Tekst 22 “ ‘k Neem met mijn scherpe pijlen zo De heldentrots weg van die Schoft, Die Koeherder, die daar mijn Zus Plots uit ons midden heeft geroofd.” Tekst 23 De sukkel, die ’r geen erg in had Dat Krishna Heer is van ’t heelal, Joeg zonder hulp achter Hem aan En riep Hem brullend toe: “Halt! Halt!” Tekst 24 Van Rukmi’s strakgespannen boog Kwamen drie pijlen aangesuisd, Die Krishna troffen … Rukmi riep: “Sta stil, Jij, Ramp van ’t Yadu-huis! Geen enkele pijl kan Krishna werkelijk treffen, omdat Hij Zich aan elke materiële benadering onttrekt. Ter vervolmaking van Zijn Spel wekte Krishna de indruk dat Hij getroffen was, zodat Rukmi’s aanval nog driester zou worden. Tekst 25 “Waar ga Je heen, Dief van mijn Zus, Jij, Kraai, die d’ offergave pikt? Vandaag is ’t met Je trots gedaan En wordt de Slimmerik gestrikt! Tekst 26 “Laat gaan mijn Zuster voordat Jij Hier languit neervalt in het stof.” Maar Krishna glimlachte, waarop Hij Rukmi met zes pijlen trof … Tekst 27 Met acht zijn vierspan en met twee Zijn menner en met drie zijn vaan. Rukmi greep een andere boog En liet er vijf in Krishna slaan. Tekst 28 Hoewel Hij flink getroffen was Schoot Krishna Rukmi’s boog in twee En toen de dwaas een and’re nam Trof d’ Onvergankelijk’ ook die. Tekst 29 Een knots van ijzer, ’n houwdegen Met schild, een knuppel of een speer – Welk wapen Rukmi ook maar greep, Het werd vermorzeld door de Heer. Tekst 30 Toen sprong hij van zijn wagen af, Moordlustig zwaaiend met een zwaard, En holde woest op Krishna toe Zoals een mug het vuur in gaat. Tekst 31 Maar Deze liet niets over van De wapens van de dolleman En hield zijn scherpe zwaard gereed Om Rukmi’s hoofd eraf te slaan. Tekst 32 Toen Rukmini, vervuld van deugd, Haar Heer op ’t punt zag om Haar broer Te doden, werd Ze bang, viel Hem Ten voet en zei, Har stem omfloerst: Rukmini zei: Tekst 33 O Yogaheer, onmeet’lijk Zelf, Der goden God, Meester van al, Doorluchte, Sterkgearmd’, Ik bid Dat Je Mijn broer niet doden zal. Shukadeva zei: Tekst 34 Toen Zij zo met bevende leden van paniek, Haar lippen verdroogd en Haar stem verstikt van smart, Haar puur gouden halsketting in de knoop van schrik, Govinda ten voet viel, streek Hij Zich over ’t hart. Tekst 35 Hij bond d’ onverlaat met een sjaal de handen vast Waarna Hij een pluk van zijn haar en snor afsneed Terwijl ’t Yadu-leger des vijands prachtig heir Vertrad als een dikhuidenkudd’ een lotusbed. Tekst 36 Vervolgens kwam ’t op Krishna toe En vond daar Rukmi hoogst ontdaan, Een toonbeeld van ontreddering, Waarop d’ almachtige Heer Râm’ Zijn handen weer de vrijheid gaf En sprak tot Krishna, Bhagavân: Sri Balarâma zei: Tekst 37 Ach Krishna, wat een minne streek, Van alle waardigheid ontbloot: Je zwager zo t’ ontsieren is Voor hem niet minder dan de dood. Voor het eerst in de bovennatuurlijke geschiedenis van het Spel van Krishna leest Balarâma Zijn jongere Broer de les. Sri Balarâma’s verontwaardiging, die in wezen speels is, dient ertoe bij de betrokkenen een gemoedsgesteldheid te creëren waarmee het verloop van het Spel gebaat it. Als Eerste Expansie van Krishna staat Balarâma eeuwig in Zijn dienst en zal Hij nooit werkelijk tegen Hem in opstand komen. Tekst 38 Ach Vrouwe, geef niet Ons de schuld Van deez’ ontluist’ring van Je broer: De vreugd’ en ’t leed die men ervaart Daar is men zelf v’rantwoord’lijk voor. Heer Balarâma houdt Vrouwe Rukmini voor dat Haar ontluisterde broer het slachtoffer is van eigen karma en dat Krishna slechts het Werktuig is waardoor de terugslag van zijn karma zich aan hem voltrekt. Rukmini, Krishna’s Wederhelft, heeft Balarâma’s onderricht in wezen geenszins nodig, aangezien Ze alwetend is. Ze gedraagt Zich echter in deze episode van Krishna’s Spel door Krishna’s zoete wil als onwetend teneinde Balarâma, de Oerleraar van alle Guru’s, de gelegenheid te geven de kennis van de onvergankelijkheid van het Zelf en van de ziel te verkondigen. (Dezelfde onwetendheid bevangt in de Bhagavad-gîtâ Arjuna, opdat Krishna de gelegenheid krijgt door Zijn verlichtend onderricht aan hem elk ander die het hoort te verlichten.) Tekst 39 Familie doodt familie niet Al heeft men het ernaar gemaakt … En waarom iemand doden die Al dood is door zijn eigen kwaad? Een schanddaad van een kshatriya is voor hem even erg als de dood. Tekst 40 Dat broeder broeder doden mag Bij kshatriya’s – dat is een wet Die Brahmâ ooit heeft ingesteld: Een gruwelijker ken Ik niet. Tekst 41 Trotsen alleen, verzot op macht, Land, goud, eer, vrouwen en zo meer, Verblind door al die schittering, Halen hun eigen mensen neer. Tekst 42 Waardeer Jij echter iemand die Je vrienden slechts het goede wenst Maar ieder ander kwaad aandoet Dan is dat niet intelligent. Tekst 43 Door hogere begoocheling Zijn wij onszelf steeds onbekend: Ons ’t lichaam wanend zijn we zo Neutraal, vijandig of bevriend. Tekst 44 Voor elke ziel door stof omhuld Is ’t Zelf slechts één en anders niet, Maar dwazen zien Het zus of zo Zoals een ster of het verschiet. Tekst 45 Dit lijf van adem, stof en gun’s Met zijn ontstaan en zijn vergaan Omhult de ziel met onverstand En laat haar door samsâra gaan. Tekst 46 De ziel is er niet mee vereend, Noch ervan los – ’t bestaat zelf niet: De ziel brengt het tot zijn zoals De zon kleur, vorm en oog ontsluit. Zonder de aanwezigheid van de levende ziel wordt de dode stof er niet toe geactiveerd om in vormen en gedaanten te verschijnen. Het is louter door de levenskracht van de ziel, die hen doorvaart, dat de verschijnselen van de stoffelijke wereld komen en gaan; zonder de aanwezigheid van de ziel kennen deze verschijnselen geen werkelijk bestaan – vroeg of laat verkruimelen en vervagen ze. Tekst 47 ’t Veranderen van ’t lichaam laat De ziel erin volkomen koud Zoals de halve maan de maan … Maakt nieuwe maan de maan soms dood? Tekst 48 Zichzelf en zinsobjecten ziet De dromer en hij grijpt ernaar Al zijn zíj noch zijn droom-ik echt: Zo ziet d’ onwetende samsâr’. Tekst 49 ’t Verdriet dat door onwetendheid Je hart verbijstert en bezeert – Drijf het door waarheidkennis uit En leef in vrede, lach toch weer! Shukadeva zei: Tekst 50 Toen mooie Rukmini aldus Verlicht was door Heer Sankarshan’ Liet Ze Haar droefheid van Zich gaan En werd weer helder van verstand. Tekst 51 Bevrijd met niets dan ’t vege lijf, Deerlijk ontsierd, van roem alsook Van Macht beroofd door ’s vijands macht, Had Rukmi nog maar weinig hoop. Tekst 52 Hij bouwde zich een grote burcht, Bhojakata, waar hij vol nijd Verbleef terwijl hij plechtig zwoer: “Dood ik die valse Krishna niet En haal ik Rukmini niet t’rug – Geen stadgenoot die m’ ooit nog ziet.” Tekst 53 Na ’s vijands volle nederlaag Reed d’ Opperheer Zijn Bruid, o vorst, Naar Dvârakâ, alwaar Hij Haar Tot Gemalin nam zoals ’t hoort. Tekst 54 Daarop werd in de Yadu-stad, Waar iedereen de Yadu-heer, Hari, met heel zijn hart bemind’, In ieder huis groot feest gevierd. Tekst 55 Mannen en vrouwen, zielsverheugd, Met flonk’rend’ oorhangers getooid, Brachten geschenken aan het Paar In bruiloftsdos oogstrelend mooi. Tekst 56 Hoe fraai was de stad met juweelrijk’ ereboog En feestkrans en sierkleed en oov’ral Indra’s vlag En heilrijke dingen bij elke woningdeur Als aloë-wierook en kruik en lampjespracht! Tekst 57 Van ’t hoofd van d’ olifanten van De vorsten daar genood droop mad’ En ieder’ ingang was versierd Met betel- en plataneblad. Tekst 58 In ’t uitgelaten feestgewoel Ontmoetten Kuru en Srinjav’, Vidarbha, Kunti, Kekaya En Yâdava elkander blij. Tekst 59 Toen ze ’t verhaal vernamen van Rukmini’s roof, alom verteld, Zaten de koningsdochters en De koningszoons op ’t feest versteld. Tekst 60 Groot was de vreugde van elkeen, O koning, daar in Dvârakâ, Bij d’ aanblik van Hari, Sri’s Heer, Vereend met Rukmini, Ramâ. Sri en Ramâ zijn Namen van de Geluksgodin, de Gemalin van Vishnu, die een Expansie van een Expansie van een Expansie van Krishna is. De stedelingen weten niet dat Krishna de Oorsprong van alle Godsdelen en Avatâra’s is, zoals het Bhâgavata Purâna in vers 1.2.28 verhaalt. Voor hen is Vishnu de Allerhoogste. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 55(6) - Waarin Pradyumna geboren wordt en de demon Shambara aan het kortste eind trekt. Shukadeva zei: Tekst 1 De liefdegod, deel van Hari, Ooit eens door Shiva’s toorn verbrand, Verlangend naar ’n omhulsel weer, Wilde ’t ontvangen van Mukund’. Toen de liefdegod eens zijn lust opwekkende pijlen afvuurde op de mediterende Shiva om hem Pârvati te laten omarmen, werd Shiva zo woedend, dat hij hem door zijn vurige blik tot as verzengde. Tekst 2 Hij kwam, door Vâsudev’ verwekt, Ter wereld als Rukmini’s zoon, En kreeg daar als Pradyumna faam, In niets voor Krishna onderdoend. Pradyumna onderscheidde zich in uiterlijk noch in optreden van zijn Vader, maar was uiteraard niet de Hoogste Godspersoon. Het Sanskrit zegt letterlijk dat hij geboren werd “uit Krishna’s zaad” (krishna-virya-samudbhavah) of “uit Krishna’s manlijkheid”. Krishna hoeft als Almachtige uiteraard geen geslachtsgemeenschap te hebben om kinderen te kunnen verwekken, maar in Zijn Spel als Mens gedroeg Hij Zich in dit opzicht als een gewone man. Tekst 3 Shambar’, veranderlijk van vorm, Die wist dat het zijn vijand was, Greep ’t kind, amper tien dagen oud, Smeet het in zee en ging naar huis. Shambara was een demon van wie de Rig Veda verhaalt dat hij met de goden streed, onder wie de liefdegod een belangrijke plaats inneemt. Tekst 4 Het werd verzwolgen door een vis, Zeer groot, die zelf gevangen werd Met and’re vissen in het rond In een reusachtig vissersnet. Tekst 5 De vissers brachten ’t grote beest Als een geschenk bij Shambar’ thuis, Wiens koks het wonderbaarlijk dier Aan moten sneden met hun mes. Tekst 6 Toen dan het kind gevonden werd Gaven ze ’t aan Mâyâvati, Die er maar weinig van begreep, Waarop Sri Nârada haar zei Wie ’t was, wie d’ ouders waren en Waardoor het in het visbeest lei. Tekst 7 Zij nu was Rati, wijd vermaard, De gade van de liefdegod, Die om wedergeboorte van Haar eens verbrande Kâma bad. Tekst 8 Shambara had haar in zijn dienst Voor ’t koken van zijn dahl en rijst. Toen ze begreep: “Dat kind is Kâm’!” Liep z’ over van genegenheid. Tekst 9 In minder dan geen tijd werd hij, De zoon van Krishna, jongeman: De vrouwen die hem aankeken Raakten er in verwarring van. Tekst 10 Met schuchtere lachjes, haar wenkbrauwen omhoog, Keek Rati haar meester verliefd gebarend aan: Zijn armen – zo lang! En zijn ogen – lotusgroot! In schoonheid kon niemand van ’t manvolk hem verslaan … Tekst 11 Daarop zei Krishna’s grote zoon: “Moeder, is er iets met u mis – Waar is uw moederlijk gevoel? U kijkt naar m’ als een minnares!” Rati zei: Tekst 12 Jij bent de zoon van Nârâyan’, Door Shambar’ uit je huis ontvoerd, En ik ben Rati, j’ echtgenoot’, O Kâma, wie ik toebehoor! Tekst 13 Die lage Shambar’ gooide jou, Tien dagen oud, in d’ oceaan, Waar ’n vis j’ opslokt’ – en uit zijn buik, O meester, kwam je hier toen aan. Tekst 14 Maak korte metten met die schurk, Die je geduchte vijand is En die wel honderd listen kent … Begoochel hem met al jouw list! Tekst 15 Ach, j’ arme Moeder huilt om jou, Van oudersmart buiten Zichzelf, Als ’n arendvrouwtje zonder jong Of als een koe zonder haar kalf. Shukadeva zei: Tekst 16 Nadat Mâyâvati aldus Pradyumna, van verheven roem, Had ingelicht, schonk ze ‘m de kunst Die ied’re list teniet kan doen. Rati’s naam Mâyâvati betekent: zij die vol listen is. Tekst 17 Pradyumna ging op Shambar’ toe En daagde ‘m uit tot een gevecht Met schimpscheuten van ’t ergste soort Zodat de demon razend werd. Tekst 18 Getart door het gescheld schoot hij – Een slang vertrapt onder een voet – Naar voren, zwaaiend met zijn knots, Zijn woedend’ ogen rood van ’t bloed. Tekst 19 Daarop smeet hij de grote ziel, Pradyumna, fel zijn strijdknots toe En als des donders diep gedreun Verhief hij ’n gruwelijk geloei. Tekst 20 Pradyumna, d’ alvervulde, sloeg De knots die aanvloog met zijn knots Opzij en slingerde vergramd Zijn knots naar Shambara, o vorst. Tekst 21 De demon nam een truc te baat, Hem eens door Maya onderricht, En wierp Pradyumn’ een hoos naar ’t hoofd Van wapens, zwevend in de lucht. Maya – niet te verwarren met Mâyâ – is de grote technicus onder de demonen. Tekst 22 Rukmini’s koene zoon liet toen, Bedreigd door heel die wapenvracht, De zuiv’re mahâvidya los, Die alle toverij ontkracht. De mahâvidya (letterlijk: verheven kennis) is een astraal wapen van sattvische aard dat alle aanvallen van zwarte kunst pareert. Tekst 23 Trucs van de guhyak’s, râkshasa’s, Van de gandharva’s, honderden, Greep Shambar’ aan, maar Krishna’s zoon Vernietigde die wonderen. Tekst 24 Hij hakte Shambar’s hoofd van ’t lijf Met zijn vlijmscherp gewette zwaard Compleet met oorbellen en helm En koperrode duivelsbaard. Tekst 25 Pradyumna werd, met bloemblaadjes Bestrooid door god en hemeling, Door Mâyâvati thuis gebracht, Die met hem door het luchtruim ging. Tekst 26 Ze daalden uit de hemel neer Gelijk een wolk met bliksemlicht In ’t vrouwenhuis met honderden Schoonheden schitterend van pracht. Pradyumna is evenals Krishna regenwolkblauw, terwijl Mâyâvati de stralend gouden kleur van de liefdesgodin bezit. Tussen de roof en de terugkeer van Pradyumna had zijn Vader er 16.107 Vrouwen bij gekregen, die elkaar in de vrouwenhuizen bezochten. Tekst 27 Toen Ze ‘m zo zagen, wolkenzwart, Gehuld in geeloranje zij, Zijn armen lang, zijn oogwit rood, Glimlachend met zijn trekken fraai … Tekst 28 Zijn mooie lotuskop omkranst Met lokken bijna donkerblauw – Dachten Ze dat hij Krishna was En scholen voor hem weg, gauw-gauw. Dit ‘Vedische’ wegschuilen is een zedige vorm van aandacht vragen. Tekst 29 Stukje bij beetj’ ontdekten Ze Tussen de Heer en hem verschil: Vrolijk verbaasd dromden Ze saam Om hem en ’t vrouw’lijk pronkjuweel. Tekst 30 Daarop dacht de zwartogige En zoetgevooisde Rukmini – Van liefde droop Haar borst van melk – Aan ’t kind door Haar nooit weergezien. Rukmini dacht: Tekst 31 Wie is dit sieraad van een man, Wie heeft die lotusoog tot zoon, Wie is het die ‘m ter wereld bracht En wie is ’t die hij voor zich won? Tekst 32 Mijn eigen jongen die ooit uit Het kraamvertrek werd weggegrist Zou eender zijn als hij nog leefd’ In leeftijd en gelijkenis. Tekst 33 Maar hoe kan hij zo lijken op De Drager van de Shârnga-boog In trekken, ledematen, gang En stem en lach en lotusoog? Tekst 34 Hij is toch zeker niet de zoon Die ‘K Zelf ooit ronddroeg in Mijn schoot? Er trilt iets in Mijn linkerarm … Mijn liefde voor hem is zo groot … Shukadeva zei: Tekst 35 Terwijl Ze zo te denken stond Verscheen aldaar met Devaki En Vasudev’ hun beider Zoon, Die d’ allerhoogste faam geniet. Tekst 36 Hoewel Govinda alles wist Zei d’ alvervulde Heer geen woord Toen Nârad’ breed verhaalde hoe Shambar’ de jongen had ontvoerd. Tekst 37 Na dit mirakelse vertoog In Krishna’s Gemalins vertrek Groett’ elke Vrouw dolblij Haar zoon, Die uit de dood scheen opgewekt. Tekst 38 Devaki nu en Vasudev’ En Krishn’ en Râm’, de Vrouwenschaar En Rukmini – in grote vreugd’ Omhelsden z’ allemaal het paar. Tekst 39 Toen Dvârakâ vernomen had: “Pradyumna is weer bij ons t’rug,” Zeiden de mensen: “Uit de dood Herrezen haast – wat een geluk!” Tekst 40 Geen wonder is het dat zijn Moeders de god der liefde, Die noodt tot wellust, Krishna’s evenbeeld, steeds ontwaken, Doordat Ze hem, die ’t hart verwart, als hun meester zagen – Van and’re vrouwen die ‘m ontwaarden nog maar gezwegen. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 56(7) - Waarin er strijd geleverd wordt om de Syamantaka-steen en waarin Sri Krishna met Jâmbavati en Satyabhâmâ trouwt. Shukadeva zei: Tekst 1 Uit eigen wil schonk Satrâjit Nadat hij Krishna had gegriefd Gelijk met de Syamantak’-steen De Heer als Bruid zijn Dochterlief. De koning vroeg: Tekst 2 Wat was het kwaad dat Satrâjit De Heer gedaan had, o brahmaan? Waarom gaf hij ‘M zijn Kind als Bruid? En waar had hij die steen vandaan? Shukadeva zei: Tekst 3 De zonnegod was van zijn bhakt’ Satrâjit d’ allerbeste vriend: Uit pure toegenegenheid Schonk hij hem de Syamantak’-steen. Satrâjit was zoals vele andere Veda-gelovigen een bhakta van Surya, de zonnegod. De Veda’s geven drieërlei aanwijzingen: hoe men zijn materiële bestaan verbetert door de goden te eren (bhukti); hoe men uit het materiële bestaan verlost raakt door uiterlijke en innerlijke onthechting van alle dualiteiten (mukti); en hoe men bhukti en mukti transcendeert door bhakti, toegewijde liefdedienst aan de Allerhoogste, Sri Krishna. Tekst 4 Schitterend als de zon ging hij Met de Syamantak’ om zijn hals Dvârakâ binnen, vorst, maar door De gloed zag niemand wie hij was. Tekst 5 Van ver al door zijn glans verblind En denkend: “Komt de zon daar aan?” Dromden de mensen om de Heer, Die zat te dobbelen, tezaam. Dobbelen is voor bhakta’s, die zich laven aan de verzen van het Spel van Krishna, een kwaad. Maar de Heer mag van hen dobbelen wat Hij wil, omdat Hij boven goed en kwaad verheven is. De mensen zeiden: Tekst 6 All’ eer aan U, Nârâyana, Met kinkhoorn, lotus, wiel en knots, O lotusogige Govind’, O Dâmodar’, o Yadu’s Trots. Tekst 7 O Heer van alles, daar verschijnt De zonnegod om U te zien Terwijl hij met zijn stralend licht Het oog van iedereen verblindt. Tekst 8 De grootste goden van ’t heelal, Voorwaar, zijn steeds naar U op zoek: Wetend dat G’ U bij ons verbergt Komt straks de zon hier om de hoek. Shukadeva zei: Tekst 9 Om hun onnozele verhaal Schaterde Lotusoog en zei: “Satrâjit met zijn schittersteen En niet de zón gaat daar voorbij.” Tekst 10 Zijn fraaie woning binnengaand Liet Satrâjit met pracht en praal De steen door priesters ritueel Vereren in de godenzaal. Tekst 11 Iedere dag levert die steen Acht bhâra zuiver goud op, heer, En men vindt honger, pest noch pijn Noch slangen, leed en ziekte meer Noch onverlaten enzovoort Waar de Syamantak’ wordt vereerd. Acht bhâra is bijna 750 kilo. Tekst 12 Hoewel Sri Krishna ‘m om de steen Verzocht voor Koning Ugrasen’ Behield de vrek hem voor zichzelf, ’t Gevolg daarvan niet overziend. Tekst 13 Eens op een dag besteeg zijn broer, Prasen’, zijn paard, met op zijn borst De schittersteen, en draafde weg Om te gaan jagen in het bos. Tekst 14 Een leeuw doodde Prasen’ en paard En greep ’t juweel, doch toen hij in Zijn grot wou gaan werd hij gedood Door Jâmbavân, tuk op de steen. De onvervaarde strijder Jâmbavân was dezelfde als de berenkoning die honderdduizenden jaren eerder de Avatâra Râma bijstond in Zijn strijd tegen de demon Râvana. Jâmbavâns lange leven kan als een beloning voor zijn trouwe dienst worden gezien. (Jâmbavân wordt ook wel beschreven als aapachtige. Srila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda noemt hem een gorilla. Sommige indologen proberen van Jâmbavân een oermens te maken, alsof een beer of aap niet van de Heer kan houden.) Tekst 15 Hij nu hing voor zijn kleine zoon De steen als speeltj’ op in zijn hol … Toen Satrâjit zijn broer niet thuis Zag komen, zei hij bijna dol: Tekst 16 “Toen hij door ’t bos reed met de steen Moet hij door Krishna zijn vermoord!” De mensen door wie ’t werd gehoord Fluisterden het elkaar in ’t oor. Tekst 17 De Welvervulde, die ’t vernam, Volgde met burgers van de stad Om Zich van blaam te zuiveren Prasena’s spoor op ’t oerwoudpad. Tekst 18 Daar troffen ze Prasen’ en paard Tezaam in ’t woud door ’n leeuw verscheurd, Die bij een hooggelegen grot Door ’n beer gedood was op zijn beurt. Tekst 19 Hij liet de drom bij d’ ingang staan En trad alleen – Sri Bhagavân – Het duister in van ’t gruw’lijk hol Van berenkoning Jâmbavân. Tekst 20 Toen d’ Opperheer het pronkjuweel Gebruikt als kinderspeeltje zag Besloot Hij ’t weg te halen daar En hield bij ’t berekind de wacht. Tekst 21 Maar de verzorgster kreet van schrik Bij d’ aanblik van een vreemde – ’n mens! Daarop kwam woedend Jâmbavân, Sterkste der krijgers, aangerend. Tekst 22 Hij viel de Welvervulde aan, Zijn eigen Heer, uit alle macht, Wiens grootheid hem geheel ontging Doordat hij ‘M voor een mens aanzag. Tekst 23 Op winst belust bonden ze luid Een tweegevecht aan, onbevreesd, Met keien, stronken, brute kracht, Als valken om een rauw stuk vlees. Tekst 24 Ze hieuwen op elkander in Met mokerslagen bliksemhard … Zo, achtentwintig dagen lang, Sloegen ze voort, ja, dag en nacht. Tekst 25 Op van de strijd, badend in ’t zweet, Ieder gewricht en elke spier Door Krishna’s vuisten murw gebeukt, Zei diep verwonderd toen de beer: Jâmbavân zei: Tekst 26 Ik ken U als de Levensgeest, De Kracht en Macht van iedereen, Vishnu, d’ Oudste Persoon, o Heer, Bestuurder door de tijden heen! Tekst 27 Gij zijt Degeen die scheppers schept, Oergrond van wat geschapen is, De Tijd, die al wat leidt geleidt, De Ziel van elke ziel, gewis! In Zijn Bhagavad-gitâ verklaart Krishna, “de Ziel van elke ziel”, dat alle levende wezens onvergankelijke deeltjes van Hem zijn (15.7). Tekst 28 Gij zijt het, Râm’, wiens gloeiend oog alle krokodillen En monsters krimpen liet toen ’t zeewater zich voor U scheidde … Gij sloeg de brug, Uzelf tot faam, en liet Lankâ branden … Uw boog liet Râvan’s hoofden rollen aan alle zijden … Om de overtocht van India’s zuidpunt naar Sri Lankâ te kunnen maken, waar de tienhoofdige demon Râvana Zijn Sitâ gevangen hield, wierp Râma zo’n gloeiende blik op de woelige oceaan, dat deze begon te koken, waardoor de zeedieren het te kwaad kregen. Om hen te redden week de oceaan en kalmeerde, waarna Râma’s bondgenoten, de apen en beren, van rotsblokken, die bleven drijven, een brug naar Lankâ konden slaan. Shukadeva zei: Tekst 29 Daarop sprak d’ alvervulde Zoon Van Dev’ki tot de berenvorst, Die Zijn volmaakt bewuste Staat Met zijn bewustzijn had doorvorst … Tekst 30 Hem strelend met Zijn milde hand, Hem aanziend met Zijn lotusblik, Zijn bhakta badend in Zijn gunst, Zijn stem van liefde haast verstikt: Sri Krishna zei: Tekst 31 ’t Is om die steen, o berenheer, Dat Ik hierheen gekomen ben, Want als Ik t’rugkeer met die steen Ben Ik weer rein voor iedereen. Shukadeva zei: Tekst 32 Daarop gaf Jâmbavân verheugd Zijn Dochter aan de Heer tot Bruid, Jâmbavati, met het juweel, Om Hem te eren, naar verluidt. Krishna huwde de berenprinses Jâmbavati als Zijn tweede Gemalin en Ze baarde Hem vele heldhaftige zoons. Jâmbavati is uiteraard geen gewone berin: de bhakti-traditie eert haar als een van de onvergankelijke en stralend gelukzalige Expansies van Krishna’s eeuwige Geliefde Sri Râdhâ. Tekst 33 Twaalf dagen lang wachtte de drom Die Krishna ’t hol in had zien gaan En trok toen Hij niet weer verscheen In zak en as op Dvâr’kâ aan. Tekst 34 Bij het bericht dat Krishna niet Meer uit het hol was weergekeerd Raakten Zijn ouders, Rukmini, Verwant en vriend door rouw verteerd. Tekst 35 Het ganse volk van Dvârakâ Vervloekte Satrâjit vol smart Terwijl ’t om Krishna’s wederkomst Tot Durgâ, Mahâmâyâ, bad. De godin Durgâ is de verpersoonlijking van de stoffelijke natuur, de Kosmische Moeder. Tekst 36 Door hun gebed tot de godin En door haar zegen zagen zij Hari, die had verkregen wat Hij wou – en iedereen was blij. In Zijn Bhagavad-gitâ zegt Krishna dat de gunsten die men goden afbidt via hen door Hem worden verleend (7.22). Tekst 37 Govinda t’rug – en met een Vrouw! – Als ’t ware aan de dood ontrukt! En de Syamantak’ om Zijn hals! Heel Dvârakâ was diep verrukt … Het feit dat Jâmbavati zonder verbazing over Haar berenafkomst als Krishna’s tweede Gemalin wordt aanvaard, laat vermoeden dat Ze de Heer niet in berinnegedaante maar – uiteraard door Haar mâyâ-kunst – in vrouwengedaante vergezelde. Tekst 38 De Welvervuld’ ontbood daarop Satrâjit aan des konings hof, Deed Zijn relaas over de steen, Waarna Hij ‘m aan Satrâjit gaf. Tekst 39 Zijn hoofd van schaamte diep geknakt Nam hij de steen van Krishna aan En keerde huiswaarts vol berouw Om d’ euveldaad door hem begaan. Tekst 40 Zijn kwaad beschouwend voeld’ hij zich Bevreesd voor de geducht’ Achyut’: “Hoe doe ik boete voor mijn schuld?” Dacht hij. “Hoe maak ik het weer goed? Tekst 41 “Wat zal ik doen dat niemands vloek Mij treft om wat ik heb misdaan, Kortzichtig als ik ben, oerstom, Hebzuchtig en intens infaam? Tekst 42 “Mijn Dochter geef ik Hem tot bruid, ’t Juweel der vrouwen, en de steen: Een ander’ uitweg zie ik niet – Zo zal Hij wel tevreden zijn.” Tekst 43 Zo schonk Satrâjit uit zichzelf Door dit verstandige besluit Zijn mooie Dochter met de steen Aan d’ Alvervulde, naar verluidt. Tekst 44 Volgens de rite nam de Heer Haar, Satyabhâmâ, zeer begeerd Door velen, aan als Gemalin, Mooi, zacht en edel en zo meer. Satyabhâmâ is, evenals Rukmini en Jâmbavati en de 16.105 Vrouwen met wie Krishna in alle eer en deugd nadien nog trouwen zal, volgens de bhakti-traditie een Expansie van Zijn eeuwige Geliefde Sri Râdhâ. Tekst 45 Sri Krishna sprak tot Satrâjit: “ ‘K heb geen behoeft’ aan deze steen, O zonnedienaar, houd hem thuis, Maar geef het goud aan iedereen.” &&&&&&&&&& Hoofdstuk 57(8) - Waarin de Syamantaka gestolen wordt, Shatadhanvâ de dood vindt en Akrura teruggeroepen wordt naar Dvârakâ. Shukadeva zei: Tekst 1 Hoewel alwetend, ging Govind’ Met Râma naar het Kuru-land Om na te gaan hoe Kunti toch Met haar vijf zonen was verbrand. De vijf zoons van Kunti, onder wie Krishna’s boezemvriend Arjuna, tot wie Krishna later de Bhagavad-gitâ zou uitspreken, werden om de troonsopvolging naar het leven gestaan door hun honderd kwaadaardige neefs, de zoons van hun blinde oom Dhritarâshtra. Het Mahâbhârata verhaalt hoe Kunti en haar zoons via een onderaardse gang ontkwamen aan de brand in het door Dhritarâshtra’s zoons in brand gestoken paleis van uiterst ontvlambaar schellak, waarin ze verbleven. Een arme vrouw en haar vijf zoons kwamen in de vlammen om. Hun verkoolde lijken werden voor Kunti en haar zoons aangezien. Tekst 2 Z’ ontmoetten er Bhishma, Vidur’ En Kripa, Dron’ en Gândhâri En voelden mee met hun verdriet En riepen met hen ach en wee. Dat Krishna hun niet onthult dat Kunti en haar zoons nog in leven zijn heeft tot bedoeling de zoons van Dhritarâshtra zand in de ogen te strooien. Denkend dat ze hun rivalen kwijt zijn, zullen ze hun vijandelijkheden staken, terwijl de zoons van Kunti zich in stilte sterk maken voor de definitieve afrekening. Menselijkerwijs gedraagt Krishna Zich leugenachtig, met Zijn vertoon van rouw, maar omdat Hij de Absolute Waarheid is, kan niemand het Hem aanrekenen. Tekst 3 Met Kritavarmâ nam Akrur’ Krishna’s afwezigheid te baat En zei tot Shatadhanvâ: “Zeg! Dat jij die steen daar liggen laat! De sprekers zijn grote toegewijden van Krishna. Akrura is zelfs Krishna’s oom. Ze willen de schurk Shatadhanvâ in een dodelijke val lokken. Deze schijnbaar ondevotionele activiteit voltrekt zich volgens hogere wil. Tekst 4 “Waarom gaat Satrâjit, die jou Zijn dochter had beloofd – mét steen! – Maar haar opeens aan Krishna gaf De weg niet van zijn broer meteen?” Tekst 5 D’ ellendeling, wiens vuile hart Aldus nog meer vergiftigd werd, Niet wetend dat de dood hem zocht, Doodde Satrâjit in zijn bed. Tekst 6 Terwijl het vrouwvolk hulpeloos Jammerd’ en gilde na de moord – ’t Leek of er ’n beest was afgeslacht! – Ging hij er met de steen van door. Tekst 7 Satyabhâmâ, verteerd door smart Toen Ze Satrâjits lichaam vond, Huilde: “Ach Vader, Ik bezwijk!” En viel bewust’ loos op de grond. Tekst 8 Ze lei ’t lijk in een oliekuip En reisde naar Hastinâpur’, Waar Ze Hari, al wist Hij ’t al, Zei dat Haar vader was vermoord. Hastinâpura, de olifantenstad, was de residentie van Koning Dhritarâshtra en zijn honderd laaghartige zoons, bij wie Krishna met Balarâma in het Kuruland verbleef (zie vers 1). Tekst 9 Beid’ Opperheren weeklaagden Als ménsen bij het doodsbericht: “Ach wat een vreselijke ramp!” Tranen bevlekten Hun gezicht. Tekst 10 Met Satyabhâmâ en Zijn Broer Keerde Hari t’rug naar Zijn stad, Waar Hij ’t op Shatadhanvâ’s dood En op de steen begrepen had. Tekst 11 Toen Shatadhanvâ in paniek Vernam van d’ aankomst van Hari Smeekte hij Kritavarmâ hem ’t Leven te redden, maar die zei: Kritavarmâ zei: Tekst 12 Ik durf niet tegen Krishn’ en Râm’, Dat machtig Tweetal, in te gaan Want wie Hen ooit beledigd heeft – Waar kan die veilig gaan of staan? Tekst 13 Door Beider gramschap sneefde Kams’, Ontluisterd, met zijn hele hof … Zeventien keer beet Jarâsandh’ Van zijn karos beroofd in ’t stof … Shukadeva zei: Tekst 14 Zo afgewezen smeekte hij Akrur’ om bijstand, maar die zei: “Wie neemt het tegen Hen nog op Die weet hoe sterk de Heren zijn? Tekst 15 “All’ eer aan Hem die slechts in Spel ’t Heelal schept, schraagt en weer ontbindt, Die wonderbare daden doet, Wiens mâyâ schéppers zelfs verblindt! Tekst 16 “En die als zevenjarige, Een kleine Bengel, in Zijn Spel Een heuvel ophief met één hand Zoals een kind een paddestoel! Tekst 17 “All’ eer aan d’ alvervulde Heer Om al Zijn daden hoogvermaard, ’t Eeuwig Begin van al wat is En d’ opperziel in ieders hart!” Tekst 18 De afgewezen moordenaar Liet hem de steen en nam een paard Dat honderd yojan’ in één ruk Kon afleggen en reed vandaar. Honderd yojana is ongeveer 1500 kilometer. Tekst 19 Râm’ en Janârdan’ vlogen op De wagen met Garuda-vaan En ’t razendsnelle paardenspan Achter de lage kerel aan. Tekst 20 Die liet zijn paard, toen ’t niet meer kon, Achter in ’t bos bij Mithilâ En nam de benen in paniek – En Krishna ‘m razend achterna … Tekst 21 Omdat hij liep, liep ook Hari … Hij scheidde met Zijn werpschijf ’t hoofd Van ’s booswichts lijf en zocht het af Op het juweel door hem geroofd. Tekst 22 Toen Hij niets vond keerde Hij t’rug Bij Râma, die Hij weten liet: “Ik heb die schurk voor niets gedood, Want dat juweel – hij had het niet.” De Alvervulde doet niets “voor niets”: het naakte feit dat hij Shatadhanvâ’s misdadigheid beëindigde en Shatadhanvâ’s lijk met Zijn lotushanden aanraakte was de hoogste zegen voor zijn door zonde bevangen ziel. Tekst 23 “Die Shatadhanvâ heeft de steen,” Zei Balarâm’, “zo vast als wat, Aan deez of geen’ ter hand gesteld: Probeer ‘m te vinden in de stad. Tekst 24 “Ik wil nu graag Mijn beste vriend, De heer van ’t huis Videha, zien.” En zo gezegd, toog Yadu’s Telg, O vorst, de stad Mithilâ in. Tekst 25 De koning van Mithilâ kwam Zodra hij ‘M zag blij van zijn troon En eerde ‘M met gepast geschenk En met verschuldigd eerbetoon. Tekst 26 Door Janaka, die grote ziel, Met menig liefdeblijk geëerd – Door wie nadien aan Duryodhan’ Het strijdknotsvechten werd geleerd – Verbleef Hij enk’le jaren in Mithilâ, Balarâm’, de Heer. Sri Balarâma’s vriend Janaka zal een nazaat zijn geweest van de schoonvader van de Avatâra Râma, die eveneens Janaka heette en over Mithilâ regeerde, maar dan honderdduizenden jaren vroeger. Duryodhana was de oudste van Dhritarâshtra’s laaghartige zoons